• Pin it!

    Voorgloeien en naglans


    Vandaag in Uitgelezen van DM de eindejaarslijstjes. Mijn lijstje vergeten in te dienen. Niet eens afwezig uit principe, want reken maar dat ik er wat op tegen heb: zeggen wat ik ‘het beste boek’ van het afgelopen jaar vond, ‘de grootste ergernis’, ‘de miskenning van het jaar’ en waar ik naar uitkijk in 2007. Dat laatste wordt sowieso moeilijk: het bestaan gaat maar weer eens in dozen, bananendozen dit keer (de gang staat al vol), ons gefourneerd door de toeschietelijke conciërge van het immense herenhuis vol appartementen (mét camerabewaking, opdat het min volk uit een straat achter het gebouw de beter gesitueerden niet besteelt), waar we gaan bivakkeren voor een maand of zeven, terwijl dit huis voor een groot deel tot de grond toe wordt afgebroken en daarna weer opgebouwd. Ik heb met enig bravoure afgekondigd dat ik het grootste deel van de afbraakwerkzaamheden zelf voor mijn rekening zou nemen — kwestie van consequent zijn. Mijn punt is immers dat filosofieën niets zijn zonder hun praktische consequenties. Welnu, ongelovige, nog steeds onverdroten in de weer met ontmaskeringen, tot en met zelfs de ontmaskering van alle ontmaskeringen — zwaai uw hamer, adem het stof van uw herhaaldelijk geproclameerde aardsheid, praktiseer wat de dichter ooit omschreef als ‘het zuiverst bouwen is het breken’ en aanschouw ‘het geledigd kwadraat van een klinker’ en laten wij dan nog eens zien hoe het om u gesteld is.

    Ik had natuurlijk kunnen schrijven dat ik in 2007 uitkijk naar de afronding en publicatie van mijn roman, maar het is natuurlijk niet verstandig daar zelf over te beginnen. En hoewel ik hier en daar heb laten vallen dat dat boek er aan komt, heb ik niet het Tom Naegels-effect weten te bereiken. Los werd immers eind 2004 door velen genoemd als het boek waar men reikhalzend naar uitkeek — en toen was het nog niet eens af, weet ik. Misschien, zo heb ik al gedacht, moet men daarvoor in Antwerpen wonen? Hoe dan ook, niemand die zei in 2007 naar mijn komende boek uit te kijken. Zelfs JT meldde vanuit het verre Argentinië dat hij alleen maar uitkeek naar het allang geleden bestelde De achterblijver van Yves Petry. Daar moet ik hem nog eens duchtig over aanspreken, vind ik toch.

    Niet dat hij ongelijk heeft. De lijstjes doorkijkend verbaas ik me erover dat bijvoorbeeld iemand als Bert Bultinck Tirza van Grunberg als beste boek van het afgelopen jaar noemt (hij was niet de enige). Ik hoor ons bij wijze van spreken alweer bekvechten, want ik zou bij een dergelijke bewering gedaan in een gesprek vast weer flink en overdreven uit mijn slof geschoten zijn om Grunberg naar de diepste kelders van de literatuur te verbannen — wat onzin is natuurlijk, maar de wijze waarop Grunberg tot maatstaf wordt verheven maakt dat ik van de weeromstuit zo’n auteur het liefst zou verbannen. Tirza, ik gaf dat al eerder aan, heeft mij nogal verveeld, is veel te dik, is vooral erg keurig en ik vind de omschrijving ‘negentiende-eeuws’ van Arjen Fortuin nog zo gek niet. Dat ik de ontsporing waarom het in dat boek gaat ongeloofwaardig vind, schreef ik ook al eerder, maar dat poneert natuurlijk het probleem van de authenticiteit.

    Dat is overigens altijd een vormprobleem, nooit een inhoudelijk iets. De ongeloofwaardigheid van een en ander hangt dus voor mij samen met de door Grunberg gekozen vorm, met de keurige, wat saaie zinnen en conversaties, de stroperig trage opbouw van één en ander, de planmatigheid ervan, die maakt dat je alles al minstens honderd pagina’s van tevoren ziet aankomen. Ik voel dat dit boek de auteur zelf geen moment heeft verrast, zoals eerdere boeken van hem wel die rare bokkensprongen vertonen die maken dat het aannemelijk is dat de auteur niet precies wist waar hij zou uitkomen. Dat ‘voelen’ is natuurlijk een zwaktebod, en zou heel wel mijn eigen ‘voelen’ kunnen zijn geprojecteerd op de auteur. Dat is zelfs waarschijnlijk. In ieder geval bevatten zijn vorige boeken van die snijdende, domweg goede zinnen die in Tirza vrijwel geheel ontbreken.

    achterblijver

    Nee, dan Petry! Ik heb dat boek nog niet uit (domweg geen tijd gehad de afgelopen week; er moest dringend een nieuw nummer van yang naar de vormgeving), maar dit is grote literatuur. En alweer heeft dat alles met vorm, met stijl ook, te maken. Inhoudelijk gesproken zou men misschien kunnen opperen dat Petry een doordrukje van Houellebecq heeft geschreven, maar als we zo beginnen, dan is Houellebecq natuurlijk een doordrukje van brave New World van Huxley. Wie zo redeneert heeft een verkeerd idee over originaliteit, vrees ik toch. Maar wat kan Petry prachtig fulmineren. Over ‘het evolutiebiologische paradigma’ bijvoorbeeld — ‘De eerste de beste Dirk Druilhans kan u in grove lijnen uitleggen waarover het gaat.’ Ik citeer een lange passage:

    God had de man abrupt in de steek gelaten en op een bepaald moment bleek ook de geschiedenis maar een bloederige knoeiboel te zijn waarop hij zich nog moeilijk kon beroepen om zich bijzondere voorrechten of een speciale positie toe te kennen. Wat moest hij doen? Waar was zijn plaats? Wat kon hem nog het recht geven op een grote bek? En toen, net op tijd, kwam de biologica tot ontwikkeling. Zij heeft de man eindelijk weer een plekje onder de maan gegeven. Dat plekje onder de maan moet hij natuurlijk wel delen met de vrouw, het is niet langer een exclusief plekje, zoals hij er vroeger wel een had. Maar goed, beter een plekje dan helemaal geen. En zo komt het dat ook mannen nog altijd praatjes hebben, ze hebben immers nog altijd een zelfbeeld. De naaktmol is om evidente redenen een minder populair rolmodel maar in het machtsgeile chimpanseemannetje of de libidineuze bonobo herkennen mannen van harte hun ware harige aard. Ook zij zijn mensapen maar dan met een binnenstebuiten gekeerde vacht. Dat het hier om sterk bedreigde diersoorten gaat die in de jungle geen kans meer maken en waarvan de toekomst, als ze nog een toekomst hebben, in dierenparken ligt, daarvan ontgaat de meeste mannen de ironie. Voor hen komt het aan op de achtennegentig procent genetische overeenkomst die zij met hun wilde seksegenoten delen. Op dit hoge cijfer zijn ze trots als was het een examencijfer. Een man houdt van de aap in zichzelf. Dat er zoveel menselijks aan de aap is, geeft weer aanzien aan het aapachtige in de mens. Het wijst op een mythisch lange bloedlijn, het levert hem een zweem van animale noblesse op. Een beetje eerbied voor meneer dus, alsjeblieft. Ook al klungelt hij, het is geklungel met een respectabele voorgeschiedenis. Hij komt van ver. Van oertijd tot slaapkamer is een lange weg. Natuurlijk kan hij niet altijd weten wat hij voelt, zijn voelen is zoveel ouder en machtiger dan zijn weten. Er liggen eonen van strijd in zijn genen opgeslagen. Hij is de winnaar van eindeloos veel gevechten. Hij zou deze triomf tot uitdrukking willen brengen, maar vaak is het heden hem daarvoor te klein. Vandaar dat hij dikwijls zo'n gefrustreerde indruk maakt. Maar ook zijn onderworpenheid draagt nog het stempel van zijn voormenselijke afstamming. Ook in zijn meest huiselijke middelmatigheid zijn de oerinstincten nog werkzaam. Onder de luie zapper, vergis u niet, loert de eeuwige jager. En de surfer surft over de wijde pornovlakte met de vasthoudendheld van de wolf die bloed heeft geroken, ook al zal hem uiteindelijk niet veel meer te beurt vallen dan een kort, ter plaatse trappelend solomoment van spasmisch spanningsverlies. Hij beeldt zich graag in dat er een prehistorisch aura rond al zijn doen en laten hangt, een vleugje steppegeur. Dat is niet alleen zijn trots maar ook zijn troost in slappe tijden.

    En dit zijn dan nog maar terzijdes, uitweidingen waarvan het boek er vele, in soorten en maten, bevat, terzijdes die hardnekkig het menselijk al te menselijk van de hoofdpersoon blijven bevestigen ondanks zijn overtuiging dat de mens gedoemd is de achterblijver te zijn, een nutteloze rest als de wereld verder opstapt in een meer technologische gedaante. Het zijn kleine strafexpedities tegen de mensheid zelf, waarvan de toon, de kleur, de dichtheid, het soortelijk gewicht bepaald lijken door juist een tot in het cynisme opgerekte bekommernis om die mensheid. En los van de plek in het boek en het auteursrecht van de hier geventileerde opvattingen (behoren ze enkel het personage — die een beetje ongelukkig Gram Goetleven heet — of ook aan de auteur die dit personage schiep): voor mij is wat hier staat een terechte, snijdende kritiek op het eindeloze gezeik in boekjes over ‘mannen van Mars’ en ‘vrouwen van Venus’ en iets over kaartlezen en andere onzin. Ik heb al mannen horen spreken die zich van evolutiebiologische argumenten bedienden om niet alleen de ontrouw aan hun eigen echtgenotes te rechtvaardigen, maar ook het machismo waarmee ze de vrouwen waarmee ze vreemd gaan tegemoet menen te kunnen treden. Maar vraag ze — meer ‘in theorie’, zeg maar — iets over de verhouding tussen mannen en vrouwen, en ze komen met een akelig politiek-correct verhaal waarin ze meestal zelf poseren als ‘nieuwe man’ die braaf de afwas doet en zelfs leuke dingen met de kinderen.

    Ik bedenk het me ineens, omdat ik moet denken aan die passage uit Mystiek lichaam waarin het gaat over de pathetische heteroseksueel die zich krampachtig de homo ten voorbeeld stelt: Petry vertoont verwantschap met Kellendonk. Niet in directe zin. Maar het zijn hetzelfde soort schrijvers, zo lijkt het.

    nweboeken

    Intussen stapelen nieuwe boeken zich op:
    Dis van Möring wil ik dan toch wel lezen, ook al vond ik zijn In Babylon destijds erg vervelend;
    eindelijk verscheen ook Laden en lossen van Kregting;
    ik kijk reikhalzend uit naar het lezen van De Echoïst van Beurskens, waarin ‘oude en nieuwe verhalen verweven [zijn] tot een nieuwe compositie’, zo meldt de flaptekst, wat me zowel intrigeert als schrik aanjaagt, want van Beurskens las ik alles en uiteraard heb ik in mijn hoofd van dat alles allang mijn eigen compositie gemaakt; gaat de auteur dat grondig en geheel onoorbaar verstoren?
    dan lekker bladeren in de door Beurskens onder de titel Even dit samengebrachte en vertaalde gedichten van William Carlos Williams;
    en gisterenavond kocht ik in Schiedam nog Lezen, man! van Anthony Mertens.

    In Schiedam was ik bij de presentatie van de nieuwe bundel van Ron Elshout, Naglans, die ik mocht inleiden. Door mist en, later, bij nacht, ontij en nog beperkter zicht heen en weer voor wat een mooie presentatie was, ook al had die dan een absurd randje. Door problemen bij de binder waren de bundels, tot schrik en totale ellende van de uitgever (Wagner & Van Santen), niet klaar. Bijna was het dus de presentatie van een alleen virtuele bundel geworden, maar de uitgever had het tussen vier uur ‘s middags en ‘s avonds half acht nog geregeld weten te krijgen dat een drietal exemplaren met de hand gebonden werden. Eén daarvan kreeg ik mee van R. Ook daarin blader ik heen en weer, als in iets wat ik steeds herken — niet alleen omdat ik veel gedichten al in eerdere of eendere versies onder ogen had, maar ook omdat R. stem geeft aan die specifieke vorm van humanisme die eerst alle bestaande, sleets geworden en uitgewoonde humanistische ideeën achter zich heeft gelaten om vervolgens — ongewapend, met de handen open — weer bij de al te kwetsbare mens uit te komen , ‘dieses armen Bündel aus leicht verletzlichem Fleisch, ungreifbaren Empfindungen, Impressionen, die arme Haut, die nichts will als sich schützen gegen Eiseskälte und versengende Hitze,’ zoals een Oostenrijker het ooit formuleerde. R. probeert in zijn gedichten niets anders dan die mens, buiten elk idee over zijn eigen menszijn om, gestalte te geven.

    Naglans

  • Pin it!

    Literatuurkritiek


    Iemand maakt bezwaar tegen mijn vergelijking van Overstijns met Eppink. Er is, zo stelt de schrijver, nauwelijks een verachtelijker wezen aan te treffen op Belgische bodem dan Derk-Jan Eppink. Als je het zo stelt, is de vergelijking van Overstijns met Eppink natuurlijk hoogst ongepast — maar ik was nog niet zo ver om in Eppink vooral dat verachtelijke wezen te zien; voorlopig hield ik het op een typische neo-liberaal die zoals zovele van zijn ideologische vrienden vooral steeds vergeet dat ook zijn liberalisme een ideologie is, maar het in plaats daarvan verslijt voor ‘de realiteit’ tout court. Achter het redeneren van voor de krant werkzame literatuurbeschouwers lijkt eenzelfde, zij het gewoonlijk met wat meer fataliteit gebrachte berusting in ‘de werkelijkheid-zoals-zij-nu-eenmaal-is’ te schuilen. Maar bon, als Eppink inderdaad een van de meest verachtelijke wezens op Belgische bodem is, dan is elke vergelijking met Overstijns onkies, dat wil ik graag toegeven. Ik schreef al dat ik Overstijns hoog heb zitten, als criticus onder andere, ook al stel ik dan vragen bij zijn functioneren als bijlagechef.

    revisor

    Toevallig las ik in een begin dit jaar verschenen Revisor-nummer over literaire kritiek een tot artikel uitgerekte column van columniste en zelfbenoemde literatuurcritica en literair jurylid Elsbeth Etty. In het stuk werpt ze de vraag op of een het eigenlijk wel kan: een criticus in een literaire jury — en uiteraard leidt dit tot schoon- en mooipraterij. Het komt erop neer dat het kan, als je maar Elsbeth Etty heet. Onbegrijpelijk dat de redactie zo’n stuk opneemt, tenzij ze de bedoeling had juist te laten zien wat voor vlees we hier in de kuip hebben (alsof dat nog nodig was na alles wat Etty aan volstrekt gratuite meninkjes zoal in de krant verkondigt). Het hele nummer is overigens niet al te best. De redactie heeft stukken ingezameld, maar over de vraag die ze aan de schrijvers voorlegde niet echt diep nagedacht, zo lijkt het.

    Maar dat terzijde. Waar het me om gaat is dat Etty bijvoorbeeld schrijft:

    Volgens mij onderscheidt de literaire kritiek zich in principe niet van andere journalistieke genres. Journalisten dienen, als het goed is, hun publiek, geen enkel ander belang. Aan recensenten moeten derhalve — behalve specifieke deskundigheid — de eisen worden gesteld die voor alle vormen van journalistiek gelden, zoals onbevangenheid, onpartijdigheid en fair play

    Een mens vraagt zich af in welke wereld deze mevrouw precies leeft, en of ze nu echt niet door heeft hoe verschrikkelijk bevangen, partijdig en unfair ze gewoonlijk zelf is, voor zover ze zich althans niet beperkt tot het navertellen van de verhaaltjes die ze tussen de soep en de patatten door heeft gelezen. Dat ze de botsing tussen literaire kritiek en de eisen van een volstrekt vercommercialiseerde journalistiek niet ziet omdat ze nooit ook maar één stap buiten haar eigen wereld zet (en in die zin ook nog eens een slechte journaliste is), is kwalijk, bijvoorbeeld omdat ze op die manier niet inziet dat ze haar als onpartijdigheid verkochte partijdigheid moet legitimeren voor dat ‘publiek’ waar ze het over heeft (en juist dat maakt haar pas écht unfair). Blijkbaar bestaat objectiviteit nog voor mevrouw Etty — een woord dat destijds ook weer bij Hagar Peeters opdook toen het ging om poëziekritiek.

    Waar dit alles steeds meer op neer lijkt te komen is dat literaire kritiek niet meer thuishoort in kranten. Ik begin daar steeds meer van overtuigd te raken. De druk die daar blijkbaar op de bijlagedirecteuren ligt is te groot om die bijlagen zelf nog met goed fatsoen literatuurbijlagen te noemen (boekenbijlagen zijn het natuurlijk nog wel, in steeds sterkere mate zelfs, en dat in de meest letterlijke zin van het woord, één en ander aangelengd met misschien een tikje te veel human interest, al is een goed interview natuurlijk best waardevol). Ongetwijfeld chargeer ik hier wat, maar uiteindelijk leidt de druk van bovenaf — hoofdredactie of concern, im- of expliciet — tot recycling van de reeds bekende namen, tot op grond van journalistieke maatstaven tot stand gekomen hypes, tot tamelijk willekeurig tot stand gekomen, door niets gelegitimeerde kwaliteitsoordelen die vaak geen enkel verband meer houden met literair-historische ontwikkelingen. En omdat de kranten nog steeds het brandpunt vormen van de aandacht van de literaire goegemeente, ontstaat er zo een canon van vooral consumptieve literatuur.

    Waarmee ik overigens niet per se iets inhoudelijks bedoel. Dat is het juist! Wás dat maar zo! Het gaat juist om de volstrekte willekeur waarmee heuse literaire auteurs als een Grunberg of een Möring of een Zwagerman of andere bekende, ‘grote namen’ naast minkukels met boekjes over clitorale orgasmes bij geschoren poedels, of evolutionair psychologisch gebazel dat van seksisme een fataal evolutionair en niet te verhelpen gegeven maakt, of ‘echt gebeurde’ verhalen van het type ‘hoe mijn geamputeerde been weer aangroeide’ in de grote stoompan van de wekelijkse bijlage worden gesmeten. De ‘kleinere’ auteurs komen binnen dit alles gewoonweg niet meer aan bod en krijgen ook nooit de kans om uit te groeien tot iets anders dan de kleine garnaal die ze zijn. Of het daarbij ‘terecht’ is dat de ‘grote namen’ van de huidige literatuur groot worden genoemd, is nog weer een ander chapiter — het is iets wat je nauwelijks ter discussie kunt stellen zonder de indruk van kinnesinne te wekken. Grunbergs Tirza is in mijn ogen een behoorlijk saai boek en echt alle overdreven aandacht die er al aan is besteed niet waard — wat niets afdoet aan de literaire waarde die ik wel aan zijn oeuvre toeken.

    Het internet, kun je nu denken. Daar bestaan immers al de nodige recensiesites die een alternatief bieden voor wat het ‘officiële’ circuit nog te melden heeft. Maar heel vaak blijkt de verhouding tot dat ‘officiële’ circuit er een van verongelijktheid te zijn, en één van de belangrijkste kenmerken van de huidige recensiesites is dat er niemand is die het voortouw durft te nemen, die één en ander boven het niveau van soms werkelijk goed geslaagd, maar niet zelden bedroevend hobbyisme uit weet te tillen. Tot op heden weten ze zich niet het gezag te verwerven dat ze tot meer maakt dan uiteindelijk toch al te particuliere meningen van het type ‘ik vind dat nou eenmaal zo...’ en ‘over (mijn) smaak valt niet te twisten’.

    Bertrams

    Daarover heeft Reinjan Mulder het in het hier al genoemde Revisor-nummer. Hij heeft het over de ‘lezers-samizdat’ die zou ontstaan als er geen literaire kritiek zou bestaan. ‘Wat de literatuurkritiek aan de literatuur bijdraagt,’ stelt hij (en ik ben het met hem eens), ‘is in het ideale geval een georganiseerd en controleerbaar debat, waarin informatie wordt doorgegeven, en waarin tegelijk de literaire cultuur in de breedst mogelijke zin wordt onderhouden.’ Juist die organisatie en, vooral, die controle ontbreken aan wat het internet in dit opzicht laat zien. De vrijheid is hier tot volstrekte willekeur verworden waarin alles van waarde bijzonder weerloos is gebleken. Niemand zegt het graag, want het roept allerlei, vooral verkeerde associaties op, maar we hebben een centrum nodig, een autoriteit zelfs, een plek althans van waaruit de controleerbaarheid van oordelen georganiseerd kan worden. De literatuurbijlagen van de kranten hebben, in hun poging bij de tijd te blijven, zichzelf wat dit betreft nu juist uit de markt geprezen.

    Ik zal het zelf maar zeggen: dit is wat tegenwoordig ‘elitisme’ wordt genoemd. Dat moet dan maar.

    Wat ik zou willen is dat iemand als Overstijns gewoon tot dat elitisme overging in plaats van de ‘realist’ te zijn die hij nu eenmaal noodgedwongen en van de nood een deugd makend is — vooruit: ook al lijkt hij dan helemaal niet op Eppink.

  • Pin it!

    'Newsy'


    383

    Gisteren in ‘Het Vlaams Arsenaal’ in Nijmegen Arjen Fortuin van NRC onomwonden horen zeggen dat hij best bereid zou zijn om een aantal van zijn stellingen uit zijn eind januari gepubliceerde stuk ‘De Belgen zijn beter’ nader uit te werken (zie ook hier), maar dat een dergelijk stuk dan toch hoogstwaarschijnlijk niet in zijn krant terecht zou komen omdat het daarvoor niet ‘newsy’ genoeg was.

    Newsy...

    Hij werd uitgedaagd door een behoorlijk op scherp staande Kees ’t Hart in een forum waarvan behalve hij en Kees ook nog Stefan Brijs en ik deel uitmaakten. Kees ging nogal tekeer tegen het stuk, waar mij de opzet van de hele discussie — die, dat begreep ik ook wel, van zichzelf behoorlijk ‘newsy’ genoemd kon worden — leek te berusten op het misverstand tussen journalistiek en literaire kritiek. Ik herhaalde dus nog maar eens wat ik elders al vaker beweerd en/of geschreven heb over dat volgens mij zo ongelukkige huwelijk tussen beide disciplines. Ook probeerde ik over het voetlicht te krijgen — en Kees deed datzelfde, maar (ogenschijnlijk) een beetje bozer — dat de vastgestelde ‘urgentie’ van de genoemde Vlaamse auteurs mij een kwestie van perspectief leek en dat het me altijd maar weer verbaasde dat het in de Nederlandse kritiek blijkbaar niet is toegestaan om naar specifiek Nederlandse literatuur te kijken vanuit hetzelfde idee van relevantie en urgentie. ‘Elke schrijver heeft een missie,’ decreteerde Kees dan weer, ‘ik ook’ — waarna hij nog even, en een beetje te lang, inging op het feit dat het in Fortuins artikel maar weer eens om enkel de jongeren ging. ‘Ja, ik weet het wel,’ zei hij, ‘ik moet dat natuurlijk helemaal niet zeggen.’ En met een zijdelingse blik op gespreksleider Thomas Vanheste: ‘Jij had zoiets moeten zeggen.’ Maar hij had er inderdaad beter over gezwegen, want uiteindelijk gaat het hier alweer om een door de journalistiek, en de dynamiek van het marktdenken, gecreëerde situatie: ‘newsy’ betekent natuurlijk vooral jong.

    Stefan Brijs zei daarover dat er over vijf jaar waarschijnlijk over deze nu zo fluks bij elkaar geplaatste Vlamingen niets meer geschreven zou worden. ‘Dan hebben we weer een hausse uit Zweden of zoiets,’ zei hij. Maar tegelijkertijd leek hij zich wel goed te voelen bij zijn groepslidmaatschap, natuurlijk ook omdat hij er publicitair gezien, en als periodekampioen van het nominatiecircuit — ‘newsy’-gewijs gesproken — bovenuit springt.

    jeroenoverstijnsEr zou eens dringend een forum belegd moeten worden over het slechte huwelijk tussen journalistiek en literaire kritiek, met de verantwoordelijke critici in de beklaagdenbank. Ik begrijp heel goed waarom bijvoorbeeld iemand als Jeroen Overstijns (hier links) van De Standaard der Letteren maakt wat hij ervan maakt, maar ik begrijp dus niet waarom Jeroen Overstijns dat doet. Ik bedoel: Overstijns is ongetwijfeld altijd een realist20041221-eppink-kerstbal geweest die, zelfs als hij mijn werkzaamheden voor yang had verricht in de tijd dat hij deel uitmaakte van de redactie, een auto van de zaak had weten los te praten bij de subsidiegever. Maar tegelijkertijd heb ik Overstijns zo hoog zitten dat ik de elasticiteit van zijn huidig pragmatisme niet begrijp en zelfs wat ongepast begin te vinden. Hij krijgt soms de trekken van een Derk-Jan Eppink (hier rechts) die als neo-liberale theemuts de groenen verwijt dat zij te ‘ideologisch’ en dus ‘onrealistisch’ zijn. Of eigenlijk bedoel ik: het valt zo tegen dat er tussen al die realisten zo weinig mensen zitten die met de huidige realiteit géén genoegen nemen. Waarom realisme cynisme betekent. (Want spreek hier met een Overstijns over en hij geeft je gelijk, want ‘eigenlijk’... Maar ja... droom en daad... praktische bezwaren...).

    Ook bij een Arjen Fortuin twijfel ik niet aan zijn liefde voor literatuur, maar ergens legt die het af tegen zijn ambities als journalist, lijkt het. Of misschien is hij niet ambitieus genoeg om tegen de wensen en verlangens van de hoofdredactie in te gaan en een literaire boekenbijlage te maken die ook daadwerkelijk over literatuur gaat? Die niet ‘newsy’ is, of dat hoogstens — als het dan toch moet — op een soort toegevoegde society-pagina met foto’s van schrijvers in en uit avondkledij, nieuwsberichten over op handen zijnde scheidingen, voortwoekerende ruzies, scheve schaatsen en, en passant, wat er die week nu zoal weer allemaal verschijnt (maar dan ook alles noemen hè! Niet de indruk wekken dat je een kwalitatieve maatstaf hanteert om het ene wel en het andere niet op de voorgrond te plaatsen; het gaat dan om een soort ‘literaire beursberichten’, zeg maar). Maar de rest van het papier moet dan bedrukt worden met heuse recensies over boeken en dicht- en essaybundels die op grond van door de critici week na week nader te expliciteren vooronderstellingen worden besproken als iets anders dan enkel ‘newsy’. Ik wil bijvoorbeeld weten of Fortuin Tirza van Grunberg behalve diens op grond van opbouw en andere technische overwegingen ‘meest perfecte roman’, ook een goede roman vindt, en waarom dan wel.

    Nee, laat maar, ik hoor de afsplitsingen van Eppink in letterland al schamperen en nog maar eens een biertje bestellen.

    Hoe dat ook zij: het feit dat Fortuins ‘De Belgen zijn beter’ vooral ‘newsy’ bedoeld was toen het verscheen, maakt dat elke serieuze discussie daarover op voorhand al tot mislukken gedoemd was. Geen reden om die discussie niet aan te gaan, overigens, maar dan toch niet om de vraag óf de nieuwe (jonge) Vlamingen beter zijn met een ja of een nee te beantwoorden, maar juist om de achtergronden van die vraag zelf eens op de voorgrond te krijgen (en daarnaast is het altijd weer aardig om over het volstrekt niet hard te maken maar toch reële verschil tussen Vlaanderen en Holland weer eens een eind weg te bazelen; of om Brijs met veel, misschien net een beetje te veel nadruk te horen zeggen dat zijn boeken niet typisch Vlaams zijn omdat ze bijvoorbeeld niet in Vlaanderen spelen; of om Kees ’t Hart als verdaagd lid van de Ouderenpartij nog eens met jongensachtig enthousiasme het laatste boek van de 85-jarige Willem van Maanen te horen verdedigen). Of zoiets in de context van een literatuurfestival als ‘De wintertuin’ diende te geschieden, of liever: in een soort dépendance daarvan, is natuurlijk de vraag; ook zo’n festival ziet zich gewoonlijk gedwongen door diezelfde realiteit om vooral ‘newsy’ te zijn.

    De presentatie van yang, alweer bijna anderhalve week geleden, ontbrak het natuurlijk aan ‘newsyness’: er kwam weinig volk, ondanks een uitgebreide mailing (electronisch en op papier). Maar er kwam dan toch schoon volk. En er was alle aandacht voor de door Rokus Hofstede, Saskia de Jong, Eva Cox en Yves Petry gelezen teksten. En dan: het samenzijn — als dat niet te kampvuurachtig klinkt — is bij dergelijke gelegenheden van het grootste belang. Naast natuurlijk het horen van een auteur, al sta ik met het belang dat ik daaraan hecht toch wat alleen, geloof ik. Maar het maakt dat het fysieke aspect van de gelezen tekst achteraf wat sneller toegankelijk wordt. De moeizame, soms onverdragelijke manier waarop iemand als Ouwens zijn teksten las, heeft mij bijvoorbeeld iets over zijn poëzie geleerd wat ik zonder hem ooit gehoord te hebben, niet had geweten. Datzelfde geldt voor iemand als Faverey of Ter Balkt.