20-12-06
Voorgloeien en naglans
Vandaag in Uitgelezen van DM de eindejaarslijstjes. Mijn lijstje vergeten in te dienen. Niet eens afwezig uit principe, want reken maar dat ik er wat op tegen heb: zeggen wat ik ‘het beste boek’ van het afgelopen jaar vond, ‘de grootste ergernis’, ‘de miskenning van het jaar’ en waar ik naar uitkijk in 2007. Dat laatste wordt sowieso moeilijk: het bestaan gaat maar weer eens in dozen, bananendozen dit keer (de gang staat al vol), ons gefourneerd door de toeschietelijke conciërge van het immense herenhuis vol appartementen (mét camerabewaking, opdat het min volk uit een straat achter het gebouw de beter gesitueerden niet besteelt), waar we gaan bivakkeren voor een maand of zeven, terwijl dit huis voor een groot deel tot de grond toe wordt afgebroken en daarna weer opgebouwd. Ik heb met enig bravoure afgekondigd dat ik het grootste deel van de afbraakwerkzaamheden zelf voor mijn rekening zou nemen — kwestie van consequent zijn. Mijn punt is immers dat filosofieën niets zijn zonder hun praktische consequenties. Welnu, ongelovige, nog steeds onverdroten in de weer met ontmaskeringen, tot en met zelfs de ontmaskering van alle ontmaskeringen — zwaai uw hamer, adem het stof van uw herhaaldelijk geproclameerde aardsheid, praktiseer wat de dichter ooit omschreef als ‘het zuiverst bouwen is het breken’ en aanschouw ‘het geledigd kwadraat van een klinker’ en laten wij dan nog eens zien hoe het om u gesteld is.
Ik had natuurlijk kunnen schrijven dat ik in 2007 uitkijk naar de afronding en publicatie van mijn roman, maar het is natuurlijk niet verstandig daar zelf over te beginnen. En hoewel ik hier en daar heb laten vallen dat dat boek er aan komt, heb ik niet het Tom Naegels-effect weten te bereiken. Los werd immers eind 2004 door velen genoemd als het boek waar men reikhalzend naar uitkeek — en toen was het nog niet eens af, weet ik. Misschien, zo heb ik al gedacht, moet men daarvoor in Antwerpen wonen? Hoe dan ook, niemand die zei in 2007 naar mijn komende boek uit te kijken. Zelfs JT meldde vanuit het verre Argentinië dat hij alleen maar uitkeek naar het allang geleden bestelde De achterblijver van Yves Petry. Daar moet ik hem nog eens duchtig over aanspreken, vind ik toch.
Niet dat hij ongelijk heeft. De lijstjes doorkijkend verbaas ik me erover dat bijvoorbeeld iemand als Bert Bultinck Tirza van Grunberg als beste boek van het afgelopen jaar noemt (hij was niet de enige). Ik hoor ons bij wijze van spreken alweer bekvechten, want ik zou bij een dergelijke bewering gedaan in een gesprek vast weer flink en overdreven uit mijn slof geschoten zijn om Grunberg naar de diepste kelders van de literatuur te verbannen — wat onzin is natuurlijk, maar de wijze waarop Grunberg tot maatstaf wordt verheven maakt dat ik van de weeromstuit zo’n auteur het liefst zou verbannen. Tirza, ik gaf dat al eerder aan, heeft mij nogal verveeld, is veel te dik, is vooral erg keurig en ik vind de omschrijving ‘negentiende-eeuws’ van Arjen Fortuin nog zo gek niet. Dat ik de ontsporing waarom het in dat boek gaat ongeloofwaardig vind, schreef ik ook al eerder, maar dat poneert natuurlijk het probleem van de authenticiteit.
Dat is overigens altijd een vormprobleem, nooit een inhoudelijk iets. De ongeloofwaardigheid van een en ander hangt dus voor mij samen met de door Grunberg gekozen vorm, met de keurige, wat saaie zinnen en conversaties, de stroperig trage opbouw van één en ander, de planmatigheid ervan, die maakt dat je alles al minstens honderd pagina’s van tevoren ziet aankomen. Ik voel dat dit boek de auteur zelf geen moment heeft verrast, zoals eerdere boeken van hem wel die rare bokkensprongen vertonen die maken dat het aannemelijk is dat de auteur niet precies wist waar hij zou uitkomen. Dat ‘voelen’ is natuurlijk een zwaktebod, en zou heel wel mijn eigen ‘voelen’ kunnen zijn geprojecteerd op de auteur. Dat is zelfs waarschijnlijk. In ieder geval bevatten zijn vorige boeken van die snijdende, domweg goede zinnen die in Tirza vrijwel geheel ontbreken.

Nee, dan Petry! Ik heb dat boek nog niet uit (domweg geen tijd gehad de afgelopen week; er moest dringend een nieuw nummer van yang naar de vormgeving), maar dit is grote literatuur. En alweer heeft dat alles met vorm, met stijl ook, te maken. Inhoudelijk gesproken zou men misschien kunnen opperen dat Petry een doordrukje van Houellebecq heeft geschreven, maar als we zo beginnen, dan is Houellebecq natuurlijk een doordrukje van brave New World van Huxley. Wie zo redeneert heeft een verkeerd idee over originaliteit, vrees ik toch. Maar wat kan Petry prachtig fulmineren. Over ‘het evolutiebiologische paradigma’ bijvoorbeeld — ‘De eerste de beste Dirk Druilhans kan u in grove lijnen uitleggen waarover het gaat.’ Ik citeer een lange passage:
God had de man abrupt in de steek gelaten en op een bepaald moment bleek ook de geschiedenis maar een bloederige knoeiboel te zijn waarop hij zich nog moeilijk kon beroepen om zich bijzondere voorrechten of een speciale positie toe te kennen. Wat moest hij doen? Waar was zijn plaats? Wat kon hem nog het recht geven op een grote bek? En toen, net op tijd, kwam de biologica tot ontwikkeling. Zij heeft de man eindelijk weer een plekje onder de maan gegeven. Dat plekje onder de maan moet hij natuurlijk wel delen met de vrouw, het is niet langer een exclusief plekje, zoals hij er vroeger wel een had. Maar goed, beter een plekje dan helemaal geen. En zo komt het dat ook mannen nog altijd praatjes hebben, ze hebben immers nog altijd een zelfbeeld. De naaktmol is om evidente redenen een minder populair rolmodel maar in het machtsgeile chimpanseemannetje of de libidineuze bonobo herkennen mannen van harte hun ware harige aard. Ook zij zijn mensapen maar dan met een binnenstebuiten gekeerde vacht. Dat het hier om sterk bedreigde diersoorten gaat die in de jungle geen kans meer maken en waarvan de toekomst, als ze nog een toekomst hebben, in dierenparken ligt, daarvan ontgaat de meeste mannen de ironie. Voor hen komt het aan op de achtennegentig procent genetische overeenkomst die zij met hun wilde seksegenoten delen. Op dit hoge cijfer zijn ze trots als was het een examencijfer. Een man houdt van de aap in zichzelf. Dat er zoveel menselijks aan de aap is, geeft weer aanzien aan het aapachtige in de mens. Het wijst op een mythisch lange bloedlijn, het levert hem een zweem van animale noblesse op. Een beetje eerbied voor meneer dus, alsjeblieft. Ook al klungelt hij, het is geklungel met een respectabele voorgeschiedenis. Hij komt van ver. Van oertijd tot slaapkamer is een lange weg. Natuurlijk kan hij niet altijd weten wat hij voelt, zijn voelen is zoveel ouder en machtiger dan zijn weten. Er liggen eonen van strijd in zijn genen opgeslagen. Hij is de winnaar van eindeloos veel gevechten. Hij zou deze triomf tot uitdrukking willen brengen, maar vaak is het heden hem daarvoor te klein. Vandaar dat hij dikwijls zo'n gefrustreerde indruk maakt. Maar ook zijn onderworpenheid draagt nog het stempel van zijn voormenselijke afstamming. Ook in zijn meest huiselijke middelmatigheid zijn de oerinstincten nog werkzaam. Onder de luie zapper, vergis u niet, loert de eeuwige jager. En de surfer surft over de wijde pornovlakte met de vasthoudendheld van de wolf die bloed heeft geroken, ook al zal hem uiteindelijk niet veel meer te beurt vallen dan een kort, ter plaatse trappelend solomoment van spasmisch spanningsverlies. Hij beeldt zich graag in dat er een prehistorisch aura rond al zijn doen en laten hangt, een vleugje steppegeur. Dat is niet alleen zijn trots maar ook zijn troost in slappe tijden.
En dit zijn dan nog maar terzijdes, uitweidingen waarvan het boek er vele, in soorten en maten, bevat, terzijdes die hardnekkig het menselijk al te menselijk van de hoofdpersoon blijven bevestigen ondanks zijn overtuiging dat de mens gedoemd is de achterblijver te zijn, een nutteloze rest als de wereld verder opstapt in een meer technologische gedaante. Het zijn kleine strafexpedities tegen de mensheid zelf, waarvan de toon, de kleur, de dichtheid, het soortelijk gewicht bepaald lijken door juist een tot in het cynisme opgerekte bekommernis om die mensheid. En los van de plek in het boek en het auteursrecht van de hier geventileerde opvattingen (behoren ze enkel het personage — die een beetje ongelukkig Gram Goetleven heet — of ook aan de auteur die dit personage schiep): voor mij is wat hier staat een terechte, snijdende kritiek op het eindeloze gezeik in boekjes over ‘mannen van Mars’ en ‘vrouwen van Venus’ en iets over kaartlezen en andere onzin. Ik heb al mannen horen spreken die zich van evolutiebiologische argumenten bedienden om niet alleen de ontrouw aan hun eigen echtgenotes te rechtvaardigen, maar ook het machismo waarmee ze de vrouwen waarmee ze vreemd gaan tegemoet menen te kunnen treden. Maar vraag ze — meer ‘in theorie’, zeg maar — iets over de verhouding tussen mannen en vrouwen, en ze komen met een akelig politiek-correct verhaal waarin ze meestal zelf poseren als ‘nieuwe man’ die braaf de afwas doet en zelfs leuke dingen met de kinderen.
Ik bedenk het me ineens, omdat ik moet denken aan die passage uit Mystiek lichaam waarin het gaat over de pathetische heteroseksueel die zich krampachtig de homo ten voorbeeld stelt: Petry vertoont verwantschap met Kellendonk. Niet in directe zin. Maar het zijn hetzelfde soort schrijvers, zo lijkt het.

Intussen stapelen nieuwe boeken zich op:
Dis van Möring wil ik dan toch wel lezen, ook al vond ik zijn In Babylon destijds erg vervelend;
eindelijk verscheen ook Laden en lossen van Kregting;
ik kijk reikhalzend uit naar het lezen van De Echoïst van Beurskens, waarin ‘oude en nieuwe verhalen verweven [zijn] tot een nieuwe compositie’, zo meldt de flaptekst, wat me zowel intrigeert als schrik aanjaagt, want van Beurskens las ik alles en uiteraard heb ik in mijn hoofd van dat alles allang mijn eigen compositie gemaakt; gaat de auteur dat grondig en geheel onoorbaar verstoren?
dan lekker bladeren in de door Beurskens onder de titel Even dit samengebrachte en vertaalde gedichten van William Carlos Williams;
en gisterenavond kocht ik in Schiedam nog Lezen, man! van Anthony Mertens.
In Schiedam was ik bij de presentatie van de nieuwe bundel van Ron Elshout, Naglans, die ik mocht inleiden. Door mist en, later, bij nacht, ontij en nog beperkter zicht heen en weer voor wat een mooie presentatie was, ook al had die dan een absurd randje. Door problemen bij de binder waren de bundels, tot schrik en totale ellende van de uitgever (Wagner & Van Santen), niet klaar. Bijna was het dus de presentatie van een alleen virtuele bundel geworden, maar de uitgever had het tussen vier uur ‘s middags en ‘s avonds half acht nog geregeld weten te krijgen dat een drietal exemplaren met de hand gebonden werden. Eén daarvan kreeg ik mee van R. Ook daarin blader ik heen en weer, als in iets wat ik steeds herken — niet alleen omdat ik veel gedichten al in eerdere of eendere versies onder ogen had, maar ook omdat R. stem geeft aan die specifieke vorm van humanisme die eerst alle bestaande, sleets geworden en uitgewoonde humanistische ideeën achter zich heeft gelaten om vervolgens — ongewapend, met de handen open — weer bij de al te kwetsbare mens uit te komen , ‘dieses armen Bündel aus leicht verletzlichem Fleisch, ungreifbaren Empfindungen, Impressionen, die arme Haut, die nichts will als sich schützen gegen Eiseskälte und versengende Hitze,’ zoals een Oostenrijker het ooit formuleerde. R. probeert in zijn gedichten niets anders dan die mens, buiten elk idee over zijn eigen menszijn om, gestalte te geven.

13:20 Gepost door MR | Permalink | Commentaren (0) | Email dit
|
Facebook












Post een commentaar
NB: commentaren worden gemodereerd op deze weblog