07-12-06
Literatuurkritiek
Iemand maakt bezwaar tegen mijn vergelijking van Overstijns met Eppink. Er is, zo stelt de schrijver, nauwelijks een verachtelijker wezen aan te treffen op Belgische bodem dan Derk-Jan Eppink. Als je het zo stelt, is de vergelijking van Overstijns met Eppink natuurlijk hoogst ongepast — maar ik was nog niet zo ver om in Eppink vooral dat verachtelijke wezen te zien; voorlopig hield ik het op een typische neo-liberaal die zoals zovele van zijn ideologische vrienden vooral steeds vergeet dat ook zijn liberalisme een ideologie is, maar het in plaats daarvan verslijt voor ‘de realiteit’ tout court. Achter het redeneren van voor de krant werkzame literatuurbeschouwers lijkt eenzelfde, zij het gewoonlijk met wat meer fataliteit gebrachte berusting in ‘de werkelijkheid-zoals-zij-nu-eenmaal-is’ te schuilen. Maar bon, als Eppink inderdaad een van de meest verachtelijke wezens op Belgische bodem is, dan is elke vergelijking met Overstijns onkies, dat wil ik graag toegeven. Ik schreef al dat ik Overstijns hoog heb zitten, als criticus onder andere, ook al stel ik dan vragen bij zijn functioneren als bijlagechef.

Toevallig las ik in een begin dit jaar verschenen Revisor-nummer over literaire kritiek een tot artikel uitgerekte column van columniste en zelfbenoemde literatuurcritica en literair jurylid Elsbeth Etty. In het stuk werpt ze de vraag op of een het eigenlijk wel kan: een criticus in een literaire jury — en uiteraard leidt dit tot schoon- en mooipraterij. Het komt erop neer dat het kan, als je maar Elsbeth Etty heet. Onbegrijpelijk dat de redactie zo’n stuk opneemt, tenzij ze de bedoeling had juist te laten zien wat voor vlees we hier in de kuip hebben (alsof dat nog nodig was na alles wat Etty aan volstrekt gratuite meninkjes zoal in de krant verkondigt). Het hele nummer is overigens niet al te best. De redactie heeft stukken ingezameld, maar over de vraag die ze aan de schrijvers voorlegde niet echt diep nagedacht, zo lijkt het.
Maar dat terzijde. Waar het me om gaat is dat Etty bijvoorbeeld schrijft:
Volgens mij onderscheidt de literaire kritiek zich in principe niet van andere journalistieke genres. Journalisten dienen, als het goed is, hun publiek, geen enkel ander belang. Aan recensenten moeten derhalve — behalve specifieke deskundigheid — de eisen worden gesteld die voor alle vormen van journalistiek gelden, zoals onbevangenheid, onpartijdigheid en fair play
Een mens vraagt zich af in welke wereld deze mevrouw precies leeft, en of ze nu echt niet door heeft hoe verschrikkelijk bevangen, partijdig en unfair ze gewoonlijk zelf is, voor zover ze zich althans niet beperkt tot het navertellen van de verhaaltjes die ze tussen de soep en de patatten door heeft gelezen. Dat ze de botsing tussen literaire kritiek en de eisen van een volstrekt vercommercialiseerde journalistiek niet ziet omdat ze nooit ook maar één stap buiten haar eigen wereld zet (en in die zin ook nog eens een slechte journaliste is), is kwalijk, bijvoorbeeld omdat ze op die manier niet inziet dat ze haar als onpartijdigheid verkochte partijdigheid moet legitimeren voor dat ‘publiek’ waar ze het over heeft (en juist dat maakt haar pas écht unfair). Blijkbaar bestaat objectiviteit nog voor mevrouw Etty — een woord dat destijds ook weer bij Hagar Peeters opdook toen het ging om poëziekritiek.
Waar dit alles steeds meer op neer lijkt te komen is dat literaire kritiek niet meer thuishoort in kranten. Ik begin daar steeds meer van overtuigd te raken. De druk die daar blijkbaar op de bijlagedirecteuren ligt is te groot om die bijlagen zelf nog met goed fatsoen literatuurbijlagen te noemen (boekenbijlagen zijn het natuurlijk nog wel, in steeds sterkere mate zelfs, en dat in de meest letterlijke zin van het woord, één en ander aangelengd met misschien een tikje te veel human interest, al is een goed interview natuurlijk best waardevol). Ongetwijfeld chargeer ik hier wat, maar uiteindelijk leidt de druk van bovenaf — hoofdredactie of concern, im- of expliciet — tot recycling van de reeds bekende namen, tot op grond van journalistieke maatstaven tot stand gekomen hypes, tot tamelijk willekeurig tot stand gekomen, door niets gelegitimeerde kwaliteitsoordelen die vaak geen enkel verband meer houden met literair-historische ontwikkelingen. En omdat de kranten nog steeds het brandpunt vormen van de aandacht van de literaire goegemeente, ontstaat er zo een canon van vooral consumptieve literatuur.
Waarmee ik overigens niet per se iets inhoudelijks bedoel. Dat is het juist! Wás dat maar zo! Het gaat juist om de volstrekte willekeur waarmee heuse literaire auteurs als een Grunberg of een Möring of een Zwagerman of andere bekende, ‘grote namen’ naast minkukels met boekjes over clitorale orgasmes bij geschoren poedels, of evolutionair psychologisch gebazel dat van seksisme een fataal evolutionair en niet te verhelpen gegeven maakt, of ‘echt gebeurde’ verhalen van het type ‘hoe mijn geamputeerde been weer aangroeide’ in de grote stoompan van de wekelijkse bijlage worden gesmeten. De ‘kleinere’ auteurs komen binnen dit alles gewoonweg niet meer aan bod en krijgen ook nooit de kans om uit te groeien tot iets anders dan de kleine garnaal die ze zijn. Of het daarbij ‘terecht’ is dat de ‘grote namen’ van de huidige literatuur groot worden genoemd, is nog weer een ander chapiter — het is iets wat je nauwelijks ter discussie kunt stellen zonder de indruk van kinnesinne te wekken. Grunbergs Tirza is in mijn ogen een behoorlijk saai boek en echt alle overdreven aandacht die er al aan is besteed niet waard — wat niets afdoet aan de literaire waarde die ik wel aan zijn oeuvre toeken.
Het internet, kun je nu denken. Daar bestaan immers al de nodige recensiesites die een alternatief bieden voor wat het ‘officiële’ circuit nog te melden heeft. Maar heel vaak blijkt de verhouding tot dat ‘officiële’ circuit er een van verongelijktheid te zijn, en één van de belangrijkste kenmerken van de huidige recensiesites is dat er niemand is die het voortouw durft te nemen, die één en ander boven het niveau van soms werkelijk goed geslaagd, maar niet zelden bedroevend hobbyisme uit weet te tillen. Tot op heden weten ze zich niet het gezag te verwerven dat ze tot meer maakt dan uiteindelijk toch al te particuliere meningen van het type ‘ik vind dat nou eenmaal zo...’ en ‘over (mijn) smaak valt niet te twisten’.

Daarover heeft Reinjan Mulder het in het hier al genoemde Revisor-nummer. Hij heeft het over de ‘lezers-samizdat’ die zou ontstaan als er geen literaire kritiek zou bestaan. ‘Wat de literatuurkritiek aan de literatuur bijdraagt,’ stelt hij (en ik ben het met hem eens), ‘is in het ideale geval een georganiseerd en controleerbaar debat, waarin informatie wordt doorgegeven, en waarin tegelijk de literaire cultuur in de breedst mogelijke zin wordt onderhouden.’ Juist die organisatie en, vooral, die controle ontbreken aan wat het internet in dit opzicht laat zien. De vrijheid is hier tot volstrekte willekeur verworden waarin alles van waarde bijzonder weerloos is gebleken. Niemand zegt het graag, want het roept allerlei, vooral verkeerde associaties op, maar we hebben een centrum nodig, een autoriteit zelfs, een plek althans van waaruit de controleerbaarheid van oordelen georganiseerd kan worden. De literatuurbijlagen van de kranten hebben, in hun poging bij de tijd te blijven, zichzelf wat dit betreft nu juist uit de markt geprezen.
Ik zal het zelf maar zeggen: dit is wat tegenwoordig ‘elitisme’ wordt genoemd. Dat moet dan maar.
Wat ik zou willen is dat iemand als Overstijns gewoon tot dat elitisme overging in plaats van de ‘realist’ te zijn die hij nu eenmaal noodgedwongen en van de nood een deugd makend is — vooruit: ook al lijkt hij dan helemaal niet op Eppink.
14:44 Gepost door MR | Permalink | Commentaren (0) | Email dit
|
Facebook











Post een commentaar
NB: commentaren worden gemodereerd op deze weblog