• Pin it!

    Democratuur?


    Gisteren in de krant het opiniestuk van Geert Buelens gelezen, ‘Weg met Balkenende’, waarin hij onder meer de hoop uitsprak vandaag wakker te worden in een land dat deze harkerige christendemocraat die fatsoen en marktwerking met grote hardnekkigheid door elkaar haalt naar op zijn minst de oppositiebanken had verwezen. Helaas. Nederland is een consensusland, dat dan weliswaar in de patstelling die er nu is ontstaan een voorkeur voor een ‘socialer’ beleid heeft uitgesproken (volgens Marijnissen en Bos althans, en ook volgens de ‘sociaal-christen’ Rouvoet), maar (op de VRT) was er nog zo’n brallerig VVD-type dat het nodig vond om de winst van de SP met een hete aardappel in de mond een ‘grote ramp’ te noemen, want dat waren toch ‘oude maoïsten’. Je vraagt je niet alleen af waar die man de afgelopen decennia precies gezeten heeft, maar je vraagt je vooral af waarom de VRT het nodig vond om juist dit soort mij onpasselijk makende streepjespakken aan het woord te laten (men moet hier in Vlaanderen toch echt eens ophouden om de Nederlandse SP met de Vlaamse PvdA te blijven vergelijken; de SP is allang wat vroeger gewoon de linkervleugel van de (Nederlandse) sociaal-democratische PvdA was, voordat die partij bij monde van Kok de socialistische ideologie overboord zette; Marijnissen heeft meer gemeen met Den Uyl dan met Mao).

    melkweg_zaal_uitslagen

    Te vrezen valt intussen dat de nu ontstane patstelling er voor zal zorgen dat de PvdA alsnog moeiteloos overstag zal gaan en met het CDA in een bootje zal stappen, al hoop ik stiekum nog dat Bos nu eindelijk eens revanche neemt voor de verkiezingen van 1977. Toen was de PvdA de absoluut grootste partij, zelfs na een regeerperiode van bijna vier jaar (waarover de kiezers zo tevreden waren dat de PvdA nog zetels won), maar werd uiteindelijk door het toen net gevormde CDA onder leiding van Van Agt naar de oppositie verwezen omdat genoemde Van Agt (al justitieminister onder Den Uyl in 1973-1977) niet met Den Uyl overweg kon, maar wel met de VVD-er Wiegel: het was een mes in de rug van, niet alleen Den Uyl, maar vooral van de kiezers. Dat Bos nu voor de vorm met Balkenende overlegt (dat is hij aan de uitslag verplicht) om vervolgens op grond van een soortgelijke incompatibilité d’humeurs het mes te planten in de rug van Balkenende — ook al is een dergelijke op persoonlijke sym- en antipathieën gebaseerde handelwijze dan, zo zei men gisterenavond, niet in ‘het landsbelang’.

    Hoe dan ook: iedereen wordt wakker in een land dat blijkbaar de premier heeft die het verdient — een onmiskenbare Calimero die, wed ik, vroeger hevig gepest werd op school en nu het hele land daarvoor alsnog laat boeten.

    animatiemagazijn

    Intussen kwam De Gids met een interessant nummer dat ‘Bedenkingen bij de democratie’ heet. Daarin heeft bijvoorbeeld René Boomkens het over de ‘democratie als leugen’. Hij stelt vast dat er sprake is van ‘een principiële leugenachtigheid van het politieke systeem, en daarmee van de democratie’ — en hij wijt dat in de eerste plaats aan de poging die wordt gedaan om van politiek een bedrijf te maken. Hij schrijft:

    Wij Nederlanders zijn er intussen aan gewend geraakt ons zielenheil te verbinden aan de curieuze curven die de nationale economie doormaakt: de eerste drie jaren van de regeringsperiode lijden we aan alle denkbare kwalen: iedereen is werkloos, buitenlanders bedreigen onze werkgelegenheid, iedereen is lui, niemand wil zich uitsloven voor ‘ons land’, overal elders wordt harder gewerkt (...). In het vierde jaar van de regeringsperiode is alles ineens anders: we hebben al die tijd al vreselijk hard gewerkt, het gaat goed met Nederland, we drinken allemaal Coca Cola, en we krijgen ook nog eens iets cadeau (52 euro, als ik me niet vergis). Dit zijn overduidelijke leugens, maar het zijn geen politieke leugens meer. Het zijn de leugens die horen bij wat tegenwoordig ‘corperate identity’ heet.

    Dat idee van ‘corperate identity’ heeft het nationaliteitsgevoel verdrongen, stelt Boomkens.

    Het Nederlanderschap van [de] modale burger is niet veel meer dan een toevallige, pragmatische en zakelijke relatie. Zijn burgerschap heeft nog weinig te maken met een gevoel van verbondenheid met dit land, noch met een gevoel van politieke verantwoordelijkheid voor onze collectieve toekomst als Nederlanders

    Er is tussen staat en burger ook niet langer sprake van een sociaal contract (denk aan Jean-Jacques Rousseau; Boomkens noemt ook Locke en Hobbes nog), maar van een ‘prestatiecontract’, en, stelt hij terecht: ‘Een democratie die is gebaseerd op prestatiecontracten die met burgers worden afgesloten verwordt snel tot iets dat die naam niet waardig is.’ Boomkens geeft een aantal voorbeelden die allemaal neerkomen het kwantificeren van het bestaan (bijvoorbeeld: bekeuring schrijvende agenten zijn niet bezorgd over de verkeersveiligheid, maar over het aantal uitgeschreven bekeuringen, want daarop worden ze afgerekend; uiteraard heeft hij het ook over wetenschap en de gang van zaken aan universiteiten).

    GidsDan maakt Boomkens een — zo weet hij ook zelf — gevaarlijke bocht: ‘Duitse neonazi’s noemen de democratie een “democratuur”. Zij menen onder een democratisch gelegitimeerde dictatuur te leven. Zou het kunnen zijn dat zij een beetje gelijk hebben?’ Waarna Boomkens natuurlijk onmiddellijk afstand neemt van de racistische en extreem-nationalistische agenda van dat schorum, om vervolgens nog eens te zeggen: ‘De nazi’s hebben gelijk niet omdat de democratie niet deugt, maar omdat de huidige democratie zich tegen zichzelf dreigt te keren, kortom een leugen dreigt te worden.’ En dat heeft dan weer te maken met de omstandigheid dat democratie idealiter misschien kosmopolitisch lijkt te zijn, maar empirisch gezien tot nu toe alleen met succes gefunctioneerd heeft binnen bepaalde nationale grenzen. ‘De huidige bedrijfsmatige retoriek die door de wandelgangen van de parlementaire democratie galmt moet verhullen dat de natiestaat op zijn laatste benen loopt, of op zijn minst serieuze averij heeft opgelopen.’ Het is een poging het Nederlanderschap als ‘corperate identity’ weer enige glans te geven — en binnen de BV Nederland behoren die neo-nazi’s natuurlijk tot het ‘bedrijfsafval’ (net als allochtonen overigens): werkloos, laaggeschoold, sociaal minder weerbaar, onaangepast.

    In een politiek systeem dat zijn burgers als werknemers aanspreekt, dreigt de democratie voortdurend om te slaan in meritocratie. Dat mensen in de samenleving en in de economie op hun verdiensten worden aangesproken en beooordeeld is volkomen vanzelfsprekend. Maar politieke participatie in een democratie heeft niets te maken met de verdienstelijkheid van burgers. Burgerschap is niet iets dat door hard werken verworven kan worden. (...) In een democratie, zo stelde Sjaak Koenis, is politiek ‘het beheer van verschillen’. In de ‘democratuur’ van minister van Economische Zaken Brinkhorst (‘weg met de jan salie-mentaliteit in dit land’) is politiek ‘het elimineren van verschillen’. Een burger in die democratuur werkt hard, stelt geen vragen, heeft geen rugklachten, migraine of ME [vermoeidheidssyndroom], spreekt vloeiend Nederlands, is hooggeschoold en juicht bij elk doelpunt van het nationale team. De rest is sociaal afval.

    Pittig dit, zoals ook andere bijdragen in dit nummer serieuze vraagtekens plaatsen bij de democratie, maar steeds vanuit juist een grote bezorgdheid voor die democratie zelf. Ik kom alweer uit bij de vaststelling dat de vrije markt een dictatuur schept — en dat het in ieder geval dringend noodzakelijk is dat de voorstanders ervan eindelijk eens beseffen dat hun belijdenis van het vrije markt-principe in hoge mate ideologisch is en dat er daarnaast iets anders mogelijk is dat in een democratie recht van bestaan heeft.

    Intussen bereid ik me voor op de presentatie van het laatste nummer van yang, vanavond in Walry in Gent — met Rokus Hofstede die Michon leest, Yves Petry, Eva Cox en Saskia de Jong die zichzelf lezen. Dat wie kan, kome.

    cover 20063.klein

  • Pin it!

    'Grensverleggend'


    Ik was even verbaasd toen ik afgelopen weekend op de Nederlandse televisie ineens Sonja Barend weer zag. Ik meende dat deze allerwegen gefêteerde dame allang met pensioen was. Vreemd genoeg was ik — hoewel ik er in mijn vorige post nog geërgerd aan refereerde — min of meer vergeten hoe verschrikkelijk ik die babbelprogramma’s van haar altijd vond. Ze gelden nog tot op de dag van vandaag als ‘grensverleggende televisie’ — een etiket dat de bejaarde dame inmiddels met grote gretigheid in haar eigen programma op haar eigen programma’s plakt, zo bleek. De uitzending van afgelopen weekend was zowel zelfglorificatie van de gewezen mei 68’ster als nog eens een flagrante demonstratie van de onbenulligheid die wat mij betreft altijd al hoogtij vierde in haar programmma’s.

    De zelfglorificatie bestond in de claim dat ‘Sonja’ een belangwekkende rol gespeeld zou hebben in de seksuele revolutie door in het verleden onderwerpen aan de orde te stellen die ‘taboedoorbrekend’ heetten te zijn. En daarover, en over wat daarna op de Nederlandse televisie zoal aan ‘taboedoorbrekende’ programma’s over seks is vertoond, ging het deze keer. Van die ‘taboedoorbrekende’ programma’s werden dan natuurlijk staaltjes getoond. Dat ging dan van ‘Open en bloot’ uit de vroege jaren zeventig (niet te verwarren met de huidige Kanaal 2-nonsens op de Vlaamse tv), via ‘De Fred Haché Show’ en andere Wim T. Schippers-ongein uit datzelfde decennium (al ging het daar toch vooral gewoon om naakte wijven, meer niet), ‘Seks met Angela’ en ‘Seks voor de Buch’ en ‘Neuken doe je zo’ naar de verregaande onbenulligheid van het huidige ‘Spuiten en slikken’. Van al die programma’s waren alleen ‘Open en bloot’ en ‘Seks met Angela’ overigens min of meer serieus te nemen — althans: programma’s met een serieuze, zeg maar: emancipatoire bedoeling, al zou je dat met een beetje moeite ook nog van ‘Neuken doe je zo’ kunnen zeggen. Taboedoorbrekend, zeker, maar daar ging het niet in eerste instantie om, zoals bij al die andere programma’s wel.

    In de studio waren ook ‘de meiden van Halal’ aanwezig, met de bedoeling ze te interviewen over ‘het allochtone (jongeren-)standpunt’ over seks, maar voordat ze aan tafel genood konden worden, waren ze al weggelopen vanwege de vertoonde filmpjes uit, vooral, ‘Seks voor de Buch’ (een staalkaart aberraties die meestal niet al te strak in het vel zittende Hollandse vierde-wereldburgers met alle geweld aan den volke wilden tonen, ingeleid door de zelfgenoegzame sekslijn-exploitant Menno Buch (broer van)) en ‘Spuiten en slikken’ (een programma waarin, nog naast de altijd als pikant, ondeugend en een klein beetje viezig aangeprezen items, op de achtergrond in de studio continu scenes uit pornofilmpjes voorbij schuiven). Dat die drie gehoofddoekte dames de studio uitliepen, was natuurlijk koren op Barends molen, want zie, kijk, het blijft heel erg ‘taboedoorbrekend’ allemaal. Impliciet — maar zoiets zou de zich altijd als links en progressief voordoende Barend natuurlijk nooit voor haar rekening willen nemen — impliciet werden de — ik herhaal — gehoofddoekte meiskes als een klein beetje achterlijk en bekrompen afgeschilderd, zoals iedereen die zo zijn vraagtekens zet bij ‘taboedoorbrekende’ filmpjes die alleen maar dienen om te shockeren, maar nooit om te emanciperen.

    Er bestond, kortom, geen dommere manier om zogeheten allochtonen in een gesprek te betrekken, want ik zou wel zijn blijven zitten, maar zou desgevraagd zowel de aanwezige Menno Buch als de Sophie ‘ik-ben-dertig-maar-nog-steeds-uw-eigenste-huppelkutje’ Hilbrand platte sensatiezucht, consumentisme en een perverse opvatting over emancipatie in de schoenen hebben geschoven. Want kijk ‘s, men moet maar doen (net als in het huidige ‘Open en bloot’ van Kanaal 2), al doet men dan om ‘taboedoorbrekend’ te zijn nog verrassend weinig (ik heb me ook altijd afgevraagd bij het vertonen van die zouteloze ‘pas-op-dat-er-geen-lul-in-beeld-komt’ softporno die al jaren geleden op de commerciëlen in zowel Nederland als Vlaanderen werd vertoond waarom men zo verschrikkelijk schijnheilig was: als dit is wat je wilt, gooi er dan maar echte porno tegenaan in plaats van deze gymnastische oefeningen in stemmig strijklicht om het in en uit elkaar schuiven van genitaliën maar vooral niet in beeld te brengen).

    Dat er redenen te over zijn om ook allochtone jongeren bij een gesprek over seksuele mores te betrekken, bleek wel uit het feit dat ze niet alleen de gelijkberechtiging van mannen en vrouwen niet erkennen, maar ook de gelijke rechten van homo’s niet. Uit alles wat ook die ‘meiden van Halal’ zeiden, die na de uitzending nog even door de bezorgde mama Sonja werden geïnterviewd, blijkt namelijk dat in allochtone kringen voortdurend de Koran boven het Burgerlijk Wetboek wordt gesteld — en als er nou ergens een probleem bestaat (en dat bestaat dan uiteraard niet alleen op het gebied van de seksuele moraal) dan is het wel op dit punt. Of dat betekent dat deze meisjes zich niet moeten aanstellen wanneer er een of andere leipo zijn ongewassen vingers in een weinig aantrekkelijk ogend behaard achterwerk van een andere leipo steekt, waarbij een presentator met wipneus voor de vorm dan een gezicht trekt alsof ook hij het allemaal zo lekker niet vindt (al is het dan lékker niet lekker) — dat waag ik te betwijfelen. Ik kijk van dergelijke scenes niet echt op, nogmaals, al is het ook voor mij een reden om eens op te stappen, zeg maar, om een ander kanaal op te zoeken (die waar de porno voor de intellectueel wordt vertoond bijvoorbeeld: een heus en zelfs dan nog tamelijk oppervlakkig gehouden cultuurpropgramma dat midden in de nacht wordt uitgezonden (ook hier geen hardcore derhalve)). In ieder geval heeft het met de kwestie niks te maken.

    En dat was precies wat er in het hele programma van Sonja Barend mis was: dat ‘taboedoorbreking’ de ene keer daadwerkelijk zin heeft, omdat ondanks alle seksualiteit in onze westerse samenleving jongeren nog steeds met dezelfde vragen zitten als, niet alleen hun mei 68-ouders (die blijkbaar ook problemen hebben met voorlichting), maar ook de ouders van hun ouders, toen je van masturbatie nog ruggenmergtering scheen te krijgen — maar de andere keer gratuit is en alleen te maken heeft met kijkcijfers, met verkoopbare sensatie, en daarvoor kan het blijkbaar niet plat genoeg zijn (want wij, wij kijkers, ‘willen dat’). Door dat onderscheid niet te maken, doe je elke vorm van emancipatie ten slotte weer teniet. Niet alleen voor de moslimgemeenschap, maar ook voor de volstrekt seculiere, onzekere puber temidden van zijn of haar hormonenstorm die met lust en tederheid nog geen blijf weet, en die op tv geconfronteerd wordt met soms extreme fantasieën van mensen die in seks blijkbaar gepokt en gemazeld zijn, fantasieën die als min of meer ‘normaal’ worden voorgesteld.

    b396korenIntussen blijft de veroordeling van bijvoorbeeld homoseksualiteit door de moslimgemeenschap een probleem waarop op dezelfde manier gereageerd moet worden als op diezelfde veroordeling door de christelijke gemeenschap die nog achter de paus aanhuppelt: het is onacceptabel. Koran, Bijbel en enig ander zich als heilig receptenboek voordoende verhalenbundels behoren ondergeschikt te zijn aan een op dit punt seculiere wet.

  • Pin it!

    Even verzoening


    BultinckEr zit niets anders op: Bert Bultinck moet onmiddellijk bevorderd worden tot hoofdredacteur van De Morgen. Of dat niet uiteindelijk zou betekenen dat de krant in rap tempo financieel ten onder gaat — B. blijft natuurlijk toch een (ex-)yang-er (per abuis, zag ik pas gisteren, in de laatste yang weer vrolijk als redacteur opgevoerd) — dat staat nog te bezien. De felste discussies die ik met hem gevoerd heb, draaiden niet zelden rond zijn besef van realiteit, zoals dat heet, en mijn hardnekkig vasthouden aan het (voor de liefhebbers: lacaniaanse) ‘Reële’. Niet dat dat laatste B. vreemd is (verre van), maar B. is een van die mensen in mijn omgeving die me geregeld voorhoudt dat mijn extremisme in dezen maar weinig zoden aan de dijk zet. De discussies gaan en gingen ook meestal eerder dáárover, dan over ons beider overtuigingen. Dat dat extremisme ‘van lieverlede’ is, wil hij denk ik wel aannemen, maar zorgt toch voor een tekort aan realiteitszin aan mijn kant. Geef mij de leiding over een commercieel product als De Morgen en binnen de kortste keren is zo’n krant ter ziele, vrees ik. Ik weiger te accepteren wat ik desalniettemin heel goed weet: dat mensen zich graag laten leiden door de leugens van populisten, reclamejongens en –meisjes, politici, riooljournalisten en ander gespuis. Of misschien is het beter te zeggen dat ik dat alles wel accepteer, maar daarom nog niet verdraag. Dat ik me zelfs tegen beter weten in tegen zoiets blijf verzetten, en op de bank voor de tv van de weeromstuit op menige, volstrekt ondemocratische uitbarsting ben te betrappen als ik bijvoorbeeld bij in beeld verschijnende nitwits bries dat zo’n iemand publiekelijk terechtgesteld dient te worden, terwijl, wanneer maar weer eens de vox populi spreekt, ik de man of vrouw in de straat op grond van verregaande onnozelheid ogenblikkelijk het stemrecht zou willen ontnemen. Dat is frustratie, natuurlijk, frustratie over de almaar geëtaleerde stupiditeit waarvan in het verleden al zo veel historische ongelukken zijn gekomen. En van die uitbarstingen begrijp ik ook zelf wel dat ze, naast ronduit onkies, ook buitengewoon onproductief zijn in welk debat dan ook maar.

    lippHet is mijn eigen verzet dat maakt dat ik zeg dat B. bevorderd dient te worden, want vandaag schreef hij in DM een essay (iets anders kun je het moeilijk noemen) met de titel ‘De waarheid, opgesekst’, een essay dat je nu niet onmiddellijk in welke krant dan ook maar zou verwachten en dat alleen al daarom voor types als ik hoopgevend mag heten. Directe aanleiding: de, naar men zegt, vervalste Grunberg-column in Humo; de machinaties van Uitgeverij De Geus rond Emmanuel Lipp, een zogenaamde echte, in het gevang vertoevende moordenaar die zijn leven in een roman te boek gesteld zou hebben; het gedoe rond een mediamannetje dat, net als een aantal andere ongeoefende mediamensjes, de marathon zou gaan lopen, maar op voorhand al wist dat niet te zullen doen, evenals degenen die hem daarover in diverse programma’s desalniettemin interviewden en deden alsof hij het wél zou gaan doen. Wat B. ter discussie stelt is de voortdurende manipulatie van en met de waarheid waarvan, zo meent hij, vooral de laatste tijd wel heel veel sprake is.

    Van de laatste tijd is dat natuurlijk niet. Dat de waarheid niet bestaat, is al minstens een halve eeuw mode, en al minstens enige eeuwen in een wat beperktere kring bekend. Ik heb zelf altijd een beetje omhoog gezeten met wat ik zelf pas gaandeweg leerde kennen als mijn eigen ernst in metafysische en andere zaken — omdat te grote ernst blikvernauwend werkt — maar tegen de alomtegenwoordige relativiteit die al werd geponeerd net op het moment dat ik er naar snakte de ‘waarheden’ te leren kennen die tezamen onze geschiedenis en cultuur vormen, heb ik me desalniettemin altijd verzet. Ik heb een, in zekere zin, ongezonde bewondering voor autoriteiten — niet voor wat ‘dé autoriteiten’ heten te zijn: overheid, politie etc., maar autoriteiten op bepaalde gebieden. Ik prijs me gelukkig dat ik ooit nog college heb gehad van de zelf almaar meer op een oude vos gelijkende Lulofs — een hoogleraar in Groningen die zowat zijn hele werkzame leven met weinig anders bezig is geweest dan met de Reynaert. Bij dat laatste heb ik nu wel zo mijn vragen (is dat niet wat al te beperkt: één middeleeuwse tekst?), maar toentertijd, toen hij zuchtend en krakend toegaf aan het moderne verzinsel van de referaten en ons studenten zelf dan maar ‘iets van de Reynaert’ uit liet zoeken — destijds luisterde ik ademloos naar zijn bepaald niet studentvriendelijke, honende commentaar op elk van de referaten die wij, naarmate het semester vorderde met steeds meer lood in de schoenen over het voetlicht brachten. Ik leerde zo in ieder geval wat ik had móéten doen om een bepaald aspect van een middelnederlandse tekst aan een nader onderzoek te onderwerpen.

    Zo luister ik graag naar iemand die verstand heeft van paarden. Naar iemand die alles weet van grafische vormgeving. Naar iemand die de grammatica tien keer beter onder de knie heeft dan ik. Naar iemand die een auto kan repareren. Of een computer. Of... enzovoorts.

    Over Waarheid met een grote W gaat het hier in feite niet — het woord is voor te veel mensen wellicht ook te groot geworden, en te zeer beladen met de gelijkhebberigheid van vroegere autoriteiten (en nostalgie lijkt bij bepaalde huidige pleitbezorgers van waarheid inderdaad de drijfveer te zijn) —, maar het gaat over datgene wat op een bepaald moment als zodanig fungeert binnen een samenleving en als zodanig werkelijkheidswaarde heeft. En wat B. nu juist in zijn essay aanklaagt is, als ik het goed zie, dat de mensen, instanties, instituten en maatschappelijke geledingen die dergelijke ‘waarheden’ zouden moeten formuleren, hun verantwoordelijkheid niet langer nemen. Wel integendeel. Natuurlijk zegt hij niet dat dit ook vaak voor De Morgen geldt, spreekt hij naast de meer specifieke, hier al genoemde gevallen, over de media in het algemeen, maar toch kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat hier — voorzichtig en omzichtig — ook op zijn minst een vinger in eigen boezem wordt gestoken.

    ‘Als we niet meer op het bestaan van zoiets als een waarheid kunnen gokken, dan is er nog maar weinig reden om te schrijven. Of te praten. Dan rest alleen nog oeverloos gelul, of een volstrekt soevereine, onaanvechtbare stilte,’ zo schrijft hij. Dat is, voor wie het essay goed leest, niet alleen een forse kanttekening bij het wat al te gemakkelijke discours van Saskia de Coster dat hij net daarvoor heeft aangehaald (die schreef in De Standaard: ‘Welke onnozelaar probeert vandaag de dag nog waarheid en leugen te scheiden op tv?’ (... euh... ik vrees dat bijvoorbeeld ík dat zowat dagelijks doe als ik me zit op te winden over het gemanipuleer in het VRT- of welk ander journaal dan ook maar...)) — niet alleen een kanttekening daarbij, zei ik, het is impliciet ook forse kritiek op de media die niets liever doen dan de waarheden van mensen ensceneren zonder zichzelf voor een andere waarheid dan die van kijkcijfers en reclame-inkomsten te engageren. Dat betekent in alle gevallen reductie, soms de complete vernietiging van de eventueel nog oprecht beleden waarheden van anderen (al geldt allang dat men zo naïef natuurlijk niet meer zijn kan, tegenwoordig).

    Het gevolg is dat iemand als ik bij dat bericht over die column van Grunberg al meteen denk: marketing! Dat zal hij zelf wel hebben bedacht om zichzelf nog maar weer eens onder de aandacht te brengen — al heeft hij dat allang niet meer nodig, maakt hij al sinds zijn debuut, en de helse publiekelijke omhelzingen van de zich als jiddische cliché-mama’s gedragende Sonja Barend, toen nog minister Hedy d’Ancona en later Hanneke Groenteman, deel uit van wat in de wandelgangen wel ‘het nominatiecircuit’ heet en zal ook zijn laatste roman, Tirza, in dat circuit wel weer hoge ogen gooien.tirza (In NRC heette het alvast zijn ‘meest precieze en complete roman’ te zijn — zij het dat recensent Fortuin ook opmerkte dat het daarmee niet zijn meest avontuurlijke roman was, en bleef het een beetje in het midden of hij de constatering dat het hier om zowat een negentiende-eeuwse roman ging nu wel zo positief beoordeelde. In ieder geval niet negatief. Ik vond juist dat aspect in deze roman hinderlijk en heb me vaak bladzijdenlang verveeld vanwege die volstrekt conventionele vormgeving van één en ander — een vormgeving die bijvoorbeeld maakte dat er in de roman nauwelijks één werkelijk opmerkelijke zin te vinden was. De thematiek van de roman was daardoor minder schokkend dan men op grond van bepaalde commentaren wel zou denken. Het lijkt me zelfs niet overdreven om te stellen dat dit typisch een roman is van een auteur die zelf geen kinderen heeft en leeft bij de voorstelling van de hier beschreven ontsporing alleen. Dat Grunberg als auteur erg op de achtergrond blijft, zoals Fortuin schreef, is juist wat voor mij de vlakheid van de roman verklaart. Wie werkelijk in de huid van een hoofdpersoon als Jürgen Hofmeester kruipt (en daar is méér voor nodig dan Grunberg hier uit de kast heeft gehaald), ontspoort niet zo rechtlijnig als dit personage doet, lijkt me. Anders gezegd: die ontsporing wordt hier voor mij eigenlijk nooit, in de letterlijke zin, waar gemaakt. Maar dit alles terzijde).

    Een ander gevolg van de ‘superpermanente simulatie’ (zoals Wolfgang Hilbig dat ooit noemde) waarvan we, vooral door de invloed van de media op ons dagelijks bestaan, deel uitmaken, is dat je ook het journaal wantrouwt, elke getoonde emotie al op voorhand relativeert, in ‘reality’-tv juist die realiteit als eerste ziet sneuvelen, wordt opgezadeld met nog meer honger naar ‘echtheid’, naar ‘authenticiteit’, terwijl met dezelfde snelheid echtheid en authenticiteit wegsmelten en ook de eigen gevoelens met het nodige wantrouwen worden benaderd, bijvoorbeeld: als enkel gegenereerd door de manipulaties van anderen. Het is een recept voor extremisme — maar dan niet beperkt tot gekanker op de zetel voor de buis, maar in... hm... in real life en real time.

    Enfin, zonder appel aan een zekere eenduidigheid is er geen meningsverschil mogelijk, geen meerduidigheid. Geen literatuur dus ook. Geen kunst. En ook geen journalistiek. Dat juist in de krant een pleidooi voor ‘zoiets als een waarheid’ verschijnt, verzoent me vandaag even geheel en al met het bestaan. Maar komt u morgen nog eens terug...

  • Pin it!

    Echte lezers


    Later dan gepland: nog even terugkomen op Margot Vanderstraeten, op ‘een mooie analyse (…) van wat ik het mea culpa van de lezer zou willen noemen,’ zoals ik het elders op een weblog las, waar het stuk ook integraal werd opgenomen. Een wat raadselachtige omschrijving, want er staat in Vanderstraetens stuk nergens dat de lezer schuldig zou zijn aan iets. Misschien bedoelde de auteur iets anders?

    VanderstraetenVanderstraeten stelt naar aanleiding van de in De Standaard gepubliceerde ‘power top 10’ van boekenbonzen in letterland dat ze niet begrijpt waarom die top voorbijgaat ‘aan die ene persoon die waarlijk macht uitoefent op de boekenkast. De lezer (m/v).’ Ik vraag me bij dit soort redeneringen altijd weer af op welke planeet zo’n iemand eigenlijk leeft. Ik kan alleen bedenken dat Margot Vanderstraeten, prachtig gelanceerd met de debuutprijs voor haar eerste boek en dus waarschijnlijk levend met het idee dat wie schrijft automatisch het soort aandacht krijgt dat zij van meet af aan gewend is, domweg geen weet heeft van door onder meer de in power top 10’s figurerende heren bepaalde hiërarchieën bij uitgevers.

    En zou zij ooit een gemiddelde boekhandel bezoeken? Ik durf gerust te beweren dat ik een ‘echte lezer’ ben, zoals zij het noemt, die ‘houdt van het boek om wie het boek is’ (om wie? het boek is dus meteen een persoon, begrijp ik), maar als zodanig is elk bezoek aan een boekhandel nu al jaren steeds weer één grote frustratie: zelfs de zogenaamd grote boekhandels hebben zo goed als niks in huis; wie een boek zoekt dat ouder is dan drie maanden (maar geen bestseller of klassieker is), of wie gewoon eens zou willen grasduinen in een winkel in de hoop iets tegen te komen dat hij nog niet kent, komt van een koude kermis thuis. De Slegte, of zogenaamd tweedehands boekhandels als hier in Gent ‘De Kaft’ (waar verdacht veel gloednieuwe boeken al van bij hun verschijnen onder de prijs worden verkocht als betrof het ramsj), bieden een iets betere kans op wat twintig, dertig jaar geleden nog in iedere boekwinkel mogelijk was. Maar dit zogenaamde ‘secundaire circuit’ dat, zeggen sommige van mijn vrienden, aan boeken een tweede kans biedt en nieuwe lezers kan opleveren, is inmiddels door de perverse uitgeefstrategieën van machtige mannen zelf al zo overvoerd geraakt, dat je als auteur van een door een uitgever na twee luttele jaren afgedankt boek al blij mag zijn als bijvoorbeeld De Slegte een boek van je wil opkopen (nog even afgezien van het feit dat je bij verramsjing van je boek er ook geen cent meer aan verdient als auteur). De hoogst intertessante, maar niet verkopende boeken (ter nuancering: er zijn ook heus interessante wél verkopende boeken) worden met de dag onvindbaarder. En de literatuurbijlagen van de diverse kranten helpen ook al niet echt om die op het spoor te komen, want behalve dat ze het op het punt van serieuze literatuurkritiek meestal laten afweten, blijven ze ook op het punt van de informatievoorziening ondermaats.

    Jaren geleden nam ik deel aan een klein congres in de schaduw van Poetry International in Rotterdam. Daar ging het over de positie van poëzie in de wereld, en ik herinner me de jaloerse kreten van Amerikanen, Canadezen en nog andere hoogkapitalistische naties toen bleek dat in Nederland en Vlaanderen nog steeds bundels worden uitgegeven door ‘gewone’ uitgeverijen. Niet eens zo heel weinig, als je weet waar je op de hoogte kunt blijven (alweer: niet in de boekhandel (zelfs het Poëziecentrum in Gent valt tegen, al valt dat vergeleken bij een boekhandel dan nog 100% mee), ook niet in de krant, maar bijvoorbeeld hier) — maar op hetzelfde moment vormden die landen literair gesproken het voorland van wat ons hier te wachten staat, niet alleen met betrekking tot poëzie, maar ook met betrekking tot het wat interessantere, literaire proza, en al helemaal als het gaat om literaire essayistiek.

    Enfin, ik wil niet nog maar eens de gebruikelijke klaagzang aanheffen — niet nog meer dan ik nu toch al deed, bedoel ik. Waar het me om gaat is dat die ‘echte lezer’ van Vanderstraeten een romantische fictie is. Hij ontkomt niet aan zijn signatuur van consument, en wat hij, in de veronderstelling dwars te zijn, nog uit de krochten van de literatuur bijeen weet te sprokkelen, is wat hij nog mócht vinden.

    Ik geloof dus niet dat het de lezer is die het Kerkhof der Vergeten Boeken bepaalt, zoals Vanderstraeten stelt. ‘De lezer beschikt (…) over de doeltreffendste wapens om zich te verzetten tegen doorzichtige marketingmechanismen die meer op cijfers en veiligheid dan op inhoud en risico's zijn afgestemd,’ schrijft ze. Daar geloof ik niets van. Het ‘ongelijk’ van de kritiek tegenover de markt is nu wel voldoende aangetoond, ook al geef ik daarom mijn literaire gelijk nog niet op. En dan: vóór het Kerkhof is er nog de Beschikbaarheid, de Aanwezigheid tout court van een boek, en die is, ook bij uitgaven in eigen beheer, niet langer gewaarborgd.

    Enfin, het is een beetje hetzelfde als met De Geschiedenis: als niemand verantwoordelijkheid wil nemen voor wat zij is (dat wil zeggen: als niemand de discussie gaande houdt over wat zij zou moeten zijn), dan verdwijnt ze, en moeten er goed betaalde commissies dan maar een canon gaan vaststellen (met alle risico’s van dien). Verantwoordelijkheid voor wat literatuur is, is er bij de machtigen van de boekenwereld in ieder geval niet te vinden — al was het maar omdat ze weigeren om zelfs maar de voorwaarden te creëren waaronder anderen die verantwoordelijkheid zouden kunnen opnemen. Het blijft natuurlijk lastig om te accepteren: dat vrijheid van meningsuiting en vrije markt tezamen hét recept blijken te zijn voor een geniepig soort censuur.

  • Pin it!

    Het ondenkbare


    Natuurlijk ging het goed komen, maar het gaat om die blik op het ondenkbare als je met een bij iedere ademtocht kreunend kind aankomt bij de Spoed — zeer hoge koorts, uitdrogingsverschijnselen — en een uurtje later getweeën van een hijgend hoopje ellende in een hoog ziekenhuisbed naar de verspringende cijfers en lijntjes op een monitor ligt te kijken, terwijl verpleegsters trachten het infuus goed geregeld te krijgen. Ik kreeg er al iets eerder, terwijl Hanna in een loden schort vlak bij Emma stond, zelfs letterlijk zicht op. Vergevorderde technieken maken dat je al voor de röntgenfoto de patiënt op een beeldscherm kunt zien bewegen, in het geval van Emma: spartelen en huilen. Een huilend doodshoofdje in doorzichtig vel.

    Ziekenhuizen hebben voor mij niets geruststellends, zelfs al houd ik me als ik er al eens ben, en hield ik me ook nu weer voor dat Emma hier natuurlijk in goede handen was. Maar eerlijk gezegd: de gangen van een ziekenhuis, hoe modern ook (de kinderafdeling van het St. Lucas hier in Gent staat er nog geen jaar), houden iets gevaarlijks, iets onvoorspelbaars juist, ondanks de apparatuur die alles controleert, apparatuur die soms begint te piepen, die soms waarden laat zien die verontrustend zijn. En dus was alles wat ik de nachten die ik aan haar bedje zat tegen Emma heb gezegd om haar in haar koortsige universum nog ergens iets vertrouwds te bieden (een stem, een hand), ook een poging mezelf gerust te stellen. Ik heb uren zitten kijken naar hartslag, ademhaling en saturatie van het bloed, en gezien dat volgens de monitor een hartslag boven de 250 voor een kind van 2-en-een-beetje pas werkelijk zorgelijk wordt bevonden, terwijl ik haar soms naar 180 racende hartje al angstwekkend vond. En de nacht dat de zuurstofwaarde in haar bloed continu rond het vastgestelde minimum van 92% en soms er net onder zweefde, zodat het alarm steeds afging, was een regelrechte hel.

    Maar natuurlijk ging het goed komen. Een longontsteking, hoe zwaar ook, is iets wat een mens in de regel tegenwoordig wel pleegt te overleven, ook al is het een levensbedreigende aandoening. H. en ik zijn gewoon op dit moment twee van die afgepeigerde ouders die je wel vaker in de omgeving van kinderafdelingen in ziekenhuizen rond ziet hangen, levend op cafetaria-voedsel dat, hoezeer ook aantrekkelijk voorgesteld als bijvoorbeeld ‘witloof met hesp in een romige kaassaus ’ en afgerekend aan een, bij een dergelijke voorstelling van te verwachten culinair genot, nog alleszins schappelijke prijs, uiteindelijk toch smaakt naar wat het is en blijft: ziekenhuisvoedsel — smaakt naar de te grote gamellen, de te grote tijd tussen bereiding en opdiening, de te kwistig gehanteerde zoutpot, omdat de grote hoeveelheden van een snufje zout al snel een kolenschop maken, een hoeveelheid die je eerder over een besneeuwd trottoir zou gooien dan gebruiken in een gerecht. We zijn gewoon twee mensen in een klein legertje van hologige nachtdieren die op een veel te kort uitklapbed in de moeder-kind-kamer (vaders zijn blijkbaar nog steeds de afwezige kostwinners in deze wereld) proberen nog een beetje slaap te krijgen, onszelf voorhoudend wat inmiddels het geval is: dat het goed gaat komen, nu het goed is gekomen.

    Tijd om het vermoeide ik weer bij elkaar te vegen. Het begon vandaag goed: een haast ontroerend naïeve bijdrage van Margot Vanderstraeten op de Opinie-pagina’s van DM: iets over de lezer die de werkelijke macht heeft in boekenland. Ik voel me mezelf bijeenzamelen als ik zoiets lees. Daarover niet nu. Morgen. Morgen.