• Pin it!

    Badwater


    Soms wou ik dat ik Bernard Dewulf was. Bij de aanblik van de kleine zieke Emma — lang geleden dat H. en ik ons een nachtlang zo rond haar kleine lijfje hebben geschaard als konden we het behoeden voor wat binnen in haar aan het uitbreken was — bij de aanblik van zoveel hulpeloze, van hevige koorts rillende ellende zou ik over precies zijn blik willen beschikken om, vooral, mezelf wat troost te kunnen schenken. Als het om de voor intellectuelen als ik zo vaak, maar zo onterecht als tenenkrullend en beschamend ervaren eigen sentimentaliteit gaat die kinderen (wel onder het motto: ‘eigen kroost eerst!’ natuurlijk) teweeg kunnen brengen, is Dewulf al meermalen de grote verzoeter en verzoener gebleken: kijk, als je het op zijn manier over je eigen kroost kunt hebben — liefdevol, nooit verplicht hoogcultureel ironiserend en toch ook niet sentimenteel in de sléchte zin van het woord — dan komt er toch weer een klein beetje evenwicht in het door de eigen ‘burgerlijkheid’ verstoord geraakte universum van de links-kritische intellectueel die ik me voorhoud te zijn (waaraan ik me vastklamp, denk ik soms wel eens). En op die manier toch de voor kinderlozen onbegrijpelijke bereidheid uitdrukken om je rechterarm, je linkerbeen, je achterste nier en je voorste long aan zo’n wezentje af te staan, mocht dat gevraagd worden — dat is heuse kunst, het columnisme ver voorbij. En dus wilde ik hem na de afgelopen nacht vandaag graag eens horen over aan hun ziekte overgeleverde kinderen. Dat mocht niet zo zijn.

    getFirstPhotoWel een uitgebreid stuk van Matthijs de Ridder en Geert Buelens op de opiniepagina. G. mailde me al dat hij het juist had afgerond toen hij mijn opmerkingen daarover hier op de weblog las, en voor de verandering, zo knipoogde hij, was hij het dit keer bijna volledig met me eens. Bíjna, natuurlijk, want hij en M. geven vanuit hun vakgebied natuurlijk een nog veel uitgebreidere invulling aan iets wat ik ondanks mijn pogingen de lacune in te vullen toch nog enkel en alleen van de buitenkant ken — en dat nu door dat Vlaams Literair Festijn ineens iets is dat van een stapeltje ‘nog te lezen’ aan de rand van mijn werktafel terecht is gekomen. Dit ook al omdat Joris Janssens De weifelende ezel binnenkwam, ‘Over Vlaamse identiteit en Nederlandse poëzie 1893-1925’. Daarin werd, zag ik tot mijn genoegen, ook verwezen naar het yang-nummer Flanders Language Valley Revisited (2001.4), en ook naar mijn bijdrage aan de daarin opgenomen enquête, die me nog maar weer eens deed nadenken over een en ander.

    Janssens stelt daar namelijk dat ik als ‘naar Vlaanderen geëmigreerde Nederlander’ het meest expliciet ben in mijn ‘veralgemeniserende karakterisering van de Nederlandse literatuur in termen van “protestants extremisme” en een zelfverklaard kosmopolitisme, internationalisme en multiculturalisme.’ Ik ben in die enquête inderdaad alweer niet al te genuanceerd, en ik neem aan dat Janssens hele boek een dergelijke veralgemenisering zal loochenstraffen. Wat me overigens juist lijkt. Maar, zo heb ik ook al eens aan andere Vlamingen proberen uit te leggen: de ontkenning van enige identiteit is in het Nederlandse culturele centrum zo hardnekkig dat je van de weeromstuit geneigd bent die toch wel degelijk bestaande identiteit heel erg dik in de verf te zetten om je boodschap duidelijk te maken — zeker wanneer het gaat om misstanden die nu juist uit die identiteit voortkomen In dit geval: de misplaatste arrogantie van de Hollandse grachtengordelbewoner tegenover elk buitengebied van de eigen taal, en de serviliteit die er in Vlaamse culturele kringen leek te bestaan als het ging om de plaats van de Vlaamse literatuur — die grotendeels gedefinieerd werd tegenover de impliciet als ‘beter’ beschouwde Hollandse (je kunt Hollandse cq Amsterdamse letterlievenden niet harder treffen dan door te zeggen dat een aantal discussies dat de voorpagina’s van de Hollandse boekenbijlages haalt, voor Vlamingen volmaakt oninteressant zijn — zoals destijds de ‘discussie’ over toegankelijkheid versus ontoegankelijkheid van poëzie door Pfeijffer).

    Dat die identiteit zelf schimmiger is dan dergelijke veralgemeniseringen laten uitschijnen is een nuance voor na de discussie. Iets kan alleen meevallen als het eerst als zodanig bestaat — en vandaar, in een poging er een naam, een richting aan te geven, dat ik meermalen heb geprobeerd die identiteit te definiëren aan de hand van een opmerkelijk, in de religieuze achtergrond geworteld verschil, door mij al eens omschreven (maar ook door anderen, zag ik later) als het opmerkelijke feit dat Vlaanderen tot in zijn meest vrijzinnige milieus (dus niet-religieuze milieus, dit i.t.t. de associaties die het woord ‘vrijzinnig’ in Nederland oproept) door en door katholiek is gebleven, terwijl in Nederland zelfs de grootste ongelovige nooit helemaal los komt van de calvinistische predestinatieleer en dus van het gevoel een uitverkorene te zijn. Bon, volgt natuurlijk de vraag naar een meer precieze invulling van dat ‘katholieke’ en dat ‘protestantse’ — maar alweer: ik was met deze constatering destijds (in De inwijkeling) meer uit op een eerste schokeffect dan op wetenschappelijke precisie (men krijgt een links-ironische Hollandse intellectueel namelijk niet beter op de kast dan door op zijn in se religieuze verworteling van zijn als groot gelijk verkochte relativeringsdwang te wijzen).

    De Ridders en Buelens’ stuk is overigens vooral aardig omdat het te hoop loopt tegen de typisch Hollandse neiging van een aantal Vlaamse intellectuelen om wat betreft de wortels van de eigen literatuur het kind met het badwater weg te gooien. Het Vlaamse erfgoed is niet per definitie belegen, belachelijk en cryptofascistisch, zo stellen ze onder meer. Waar het om gaat, is natuurlijk vooral dat waar dat erfgoed dat wél is het nog steeds deel uitmaakt van de geschiedenis, een problematische geschiedenis die men best niet al te zeer gladstrijkt om er juist in de huidige tijd je voordeel mee te doen door de contemporaine literatuur aan de geschiedenis (in het algemeen) te blijven linken.

    Vergis ik me nu of is De Morgen Boeken, pardon Uitgelezen bezig zich te revancheren voor haar eigen neergang? Ik lees er de laatste tijd weer met meer plezier in. En tja, dat men de oneindige goedheid heeft gehad om een stuk uit de juist vandaag per post bezorgde yang als opening te gebruiken voor de special over de boekenbeurs — met uitdrukkelijke vermelding van het tijdschrift en het kader waarin het door hen afgedrukte stuk (de bijdrage van ‘rijzende ster’ Yves Petry) is verschenen — maakt dat ik niet anders kan dan zedig zwijgen over zoveel, gezien het recente verleden onverwacht oog voor kwaliteit, niet waar?

    Petrystuk DM


  • Pin it!

    Vlaams Literair Festijn

    Literatuur en politiek: ik word op mijn wenken bediend door een programma van Behoud de begeerte dat ik al wel aangekondigd zag staan, maar waaraan ik tot nu toe weinig aandacht schonk: een Vlaams Literair Festijn. Vooraf even stellen dat ik er niet bij ben geweest, daar in de Bourla, en me dus geen enkel oordeel aanmatig over de uitvoering van een en ander.

    Wat je in de opzet zou kunnen prijzen is de afrekening met de gedachte dat literatuur altijd per se enkel en alleen belletrie zou zijn, schoonschrijverij die op niets anders dan haar eigen schoonheid beoordeeld zou moeten worden — wat er vandaag de dag op neerkomt dat literatuur ons vooral dient te vermaken. Maar het feit dat men zich op de avond grotendeels beperkte tot het flamingantisch, nationalistisch, tegen het nazisme en ander bruins aanschurkend schrijversgilde uit een wat verder verleden ondermijnt de gedachte dat dát ook werkelijk de opzet van het programma was. Ik zou gedacht hebben dat een Vlaams literair festijn meer gediend zou zijn van een Olyslaegers die gewoon zijn eigen ding deed, dan van een Olyslaegers die — in een ironische context, ook al is die niet per se grappig bedoeld (ironie is heus niet altijd grappig) — Cyriel Verschaeve bewierookt. Hij, maar bijvoorbeeld ook een Lanoye of Mortier, zijn bij uitstek Vlaamse schrijvers in die zin dat zij zowel de lasten als de lusten van het gehypothekeerde verleden in iedere zin met zich meeslepen: zowel Van Ostaijen, Boon en Claus als de Verschaeve’s en Moensen maken deel uit van een literaire erfenis die gebonden is aan zijn plek van oorsprong. En in beide gevallen staat bij de beoordeling van hun werk het literaire gehalte tegenover of naast de politieke betekenis die er aan gegeven kan of moet worden (en niet alleen de politieke betekenis natuurlijk, ook de sociologische, existentiële, filosofische etc. betekenis). Het is alweer de uiterst relatieve afstand van de inwijkeling (althans van een inwijkeling van mijn soort) die me ingeeft dat die voor Vlaamse literatuur haast natuurlijk te noemen verbinding tussen het esthetische en het ethische — om het zo maar te noemen — in feite haar prerogatief is (in ieder geval in Nederland helaas zo vaak ontbreekt).

    Verschaeve
    Moens
    ostaijen
















    In die zin verraadt de opzet van het programma nog iets anders: de moeite die de deelnemers zelf hebben met die verbinding, juist omdat die in het verleden vaak een diepbruine kleur bleek te hebben. Ik kan niet goed beoordelen of het programma nu de bedoeling had om juist dit punt te problematiseren, maar uit het driedubbele verslag vandaag in DM (twee opiniestukken — van Bert Bultinck en van Eric Rinckhout — én een verslag van de avond zelf) leid ik voorlopig af dat dat niet het geval was, waarmee het gebeuren een demonstratie lijkt te worden van een typisch soort zelfkwelling waarmee niet alleen de literaire goegemeente van Vlaanderen worstelt, maar die ook in andere culturele sectoren én in de journalistiek opgeld doet. Er is het verlangen af te rekenen met juist datgene wat een belangrijk bestanddeel vormt van de eigen culturele identiteit omdat enerzijds de vorming van die identiteit verbonden is met extreem rechts gedachtengoed, en anderzijds (maar dat geldt niet alleen voor Vlaanderen) zoiets als ‘culturele identiteit’ een postmodern taboe is geworden (ik bedoel: een taboe van het postmoderne discours dat, zelfs bij de verklaarde tegenstanders ervan, alomtegenwooordig is). Dat laatste zelfs zozeer dat zoiets als een Vlaams Literair Festijn al op voorhand alleen in een nadrukkelijk ironische context kan plaatsvinden.

    Het zou niet onaardig zijn om als het ware een soort psycho-analyse uit te voeren op het festijn zelf en te laten zien dat de kritische bedoelingen die met de ironische context van zo’n programma gegeven zijn, juist de bevestiging zijn van datgene waarmee men middels dit programma het liefst zou willen afrekenen. Ter vergelijking maar weer: een literaire avond over foute schrijvers in Nederland zou ondubbelzinniger een veroordeling zijn door auteurs die zich op geen enkele manier met dat deel van hun eigen literatuurgeschiedenis verbonden achten. Sterker nog: de foute Nederlandse auteurs maken geen deel uit van de Nederlandse literatuurgeschiedenis. Ze zijn, zoals veel uit die tijd, in Nederland chirurgisch verwijderd als kankers die met de Nederlandse identiteit niets te maken hebben. Misschien was dat ook de bedoeling van déze avond, maar de levensgrote, ongemakkelijke vraag die boven alles hangt is: zou Boon, zou Claus, zou de huidige Vlaamse literatuur hebben bestaan zonder de Verschaeve’s, zonder de Wies Moensen, zonder het — altijd als minder verdacht voorgestelde — flamingantisme van een Van Ostaijen?

  • Pin it!

    Canon

    cover 20063.kleinZojuist bij Ryhove in Gent het nieuwe, eind deze week te versturen nummer van yang opgehaald en meteen gecontroleerd of een nummer met een correctie die gaat over het verkeerd geplakte omslag van het vorige nummer, zelf wel correct in elkaar stak deze keer. Geen klachten. Er wordt gewerkt aan een presentatie, maar gezien de beoogde datum, ergens in november, mag de geplande samenscholing die naam nu al eigenlijk niet meer hebben. Erg belangrijk lijkt me dat niet. De samenscholing wel, maar niet of het een presentatie van specifiek dit nummer mag heten.

    Het nummer bevat een uitgebreid, door Daniël Rovers samengesteld dossier dat ‘feit in fictie’ heet, met bijdragen van Alexander Kluge, Eddy Bettens, Robert Bolaño, Rovers zelf en Pierre Michon (onder andere door Rokus Hofstede samengebrachte en vertaalde uitspraken uit diverse interviews), en verder ook in dit dossier nog een aantal ‘verslagen’, zou je kunnen zeggen, van bezoekjes die Sven Cooremans, Sven Vitse, Eva Cox, Jeroen Theunissen, Bruno Mistiaen en Yves Petry brachten aan congressen van diverse politieke partijen in de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen — eigenlijk (al is deze ‘kritiek’ op vooorhand natuurlijk niet zo handig) een beetje... mislukt, al werpt het juist daardoor een heel mooi licht op de incompatibiliteit van journalistiek en literatuur, of misschien zelfs wel van politiek en literatuur. Daarin zijn die bijdragen uiteindelijk dan toch geheel geslaagd.

    Wat literatuur en politiek betreft: de afgelopen weken — na de door Jeroen Mettes’ dood hectisch verlopen afronding van het yang-nummer — eindelijk de tijd en de rust gevonden om eens flink door te werken aan de nieuwe roman (die nu definitief voor eind 2007 is gepland), en daarin gaat het onder meer over politiek. Tijdens het werken schoot wel door me heen dat door de hoge omloopsnelheid in deze IKEA-cultuur een contemporaine roman eigenlijk al zowat bij verschijnen een historische roman is geworden. Nu begint die van mij in de bloedhete zomer van 1976, en dus mag je dat wellicht met recht ‘historisch’ noemen. Maar daarnaast zijn er meer algemene culturele referenties die ik zelf allerminst geneigd ben om als al historisch te beschouwen, maar waarvan ik me — ik denk met recht — afvraag of ze überhaupt nog begrepen worden. In een elektronische versie heb je er natuurlijk geen last van (je kunt links invoegen), maar in de papieren versie die ik op het oog heb: moet je gaan werken met aantekeningen, eindnoten, verklaringen e.d.? Bij sommige vertaalde werken is dat niet ongewoon (omdat een roman van bijvoorbeeld Márquez of Varga Llosa aan specifieke situaties refereert waarvan men mag aannemen dat de gemiddelde West-Europeaan er niet van op de hoogte is), maar is het niet enorm pretentieus om zoiets in een roman ‘van eigen bodem’ te doen? Maar als iemand in de kleverige zomerhitte van dat jaar hitsig ‘la grande bef’ roept — wie ziet dan de verwijzing naar Marco Ferreri’s La grande bouffe (1973), een film die ik al op het internet tegenkwam als ‘la grande boeuf’. Voor de goede orde: ik denk heel veel mensen. Maar ik vrees dat ik me daarin vergis.

    film_image


    Men begrijpt dat ik er na aan toe ben de in Nederland opgestelde canon eens flink toe te juichen — zij het dat ik het natuurlijk een pathetisch doekje voor het bloeden vindt van beleidsmakers die tot op de dag van vandaag doorgaan met de afbraak van het onderwijs — iets waarmee ze toch al gauw een decennium of vier bezig zijn (of zeg ik dat nu omdat ik zelf nog maar een decennium of vier, vijf meega?). Het onderwijs is al zo goed als leeggebloed, als je het mij vraagt. En de canon moet in de eerste plaats onderwezen worden, en wat dat betreft gaat het in Nederland al sinds de hippie-didactiek uit de jaren zeventig vreselijk verkeerd. Kennis is geen kwestie van democratie; alleen de toegang tot die kennis is dat, of zou dat moeten zijn (en juist daar lijkt de didactiek toch gefaald te hebben). Een en ander sluit discussie over die canon niet uit; wel integendeel lijkt me, maar die discussie moet gevoerd worden onder vakgenoten, niet onder leerlingen die van de meeste kennis het nut toch niet inzien (en geef ze eens ongelijk; hormonen hebben voorrang). Ik heb het de nog grotendeels langharige, of langharig denkende didactici uit mijn tijd aan de lerarenopleiding altijd kwalijk genomen dat zij, met het welzijn van de leerling (en ook dat van ons als student) in gedachten, het niet in ons belang vonden om nog bepaalde dingen te weten die zij natuurlijk wel wisten (ik herinner me een helse discussie over het nut van grammaticaonderwijs: dat kon wel afgeschaft worden, vonden sommige vooruitstrevende didactici die zelf nog moeiteloos een bepaling van gesteldheid konden onderscheiden in een meervoudig samengestelde zin).

    Bart De Wever deed mij eergisteren in DM nog een andere reden aan de hand om toch maar vooral voor een canon te zijn. Met het oog op de commotie in Frankrijk rond de wet die ontkenning van de Armeense genocide strafbaar stelt, en de negationismewetten overal in Europa, stelde hij ‘dat het al bij al beter is om als overheid geen enkel gebod of verbod op te leggen over het verleden. Het is veel minder riskant om mensen de vrijheid te laten om de meest flagrante leugens te vertellen. Een gezonde democratie zal daar niet aan ten onder gaan.’ Dat lijkt me nu een ontstellend naïeve stellingname. Alsof niet elk land haar eigen nationaal zelfbewustzijn (ook al bestaat dat officieel niet), haar eigen paplepel, om het zo maar eens te zeggen, op een bepaalde manier vormgeeft. Ik verlies steevast bij de Belgische versie van Trivial Pursuit, vooral waar de vragen écht triviaal, maar hoogst Belgisch zijn. En nieuwe machthebbers staan er om bekend dat ze zo snel mogelijk de geschiedenis herschrijven. Ook in democratieën gebeurt dat, zij het minder ostentatief. Nederland is tot op heden één van de landen die het slechtst haar eigen aandeel in de Tweede Wereldoorlog en de jodenvervolging heeft verwerkt — en zelfs nu de borst waarop getrommeld wordt inmiddels heel wat smaller is geworden is er van werkelijke herziening van het beeld van de ‘juiste Nederlander’ nog steeds geen sprake. Alleen de ‘officiële geschiedenis’ maakt zoiets duidelijk; alleen die vormt de garantie voor wat dan ‘subversief denken’ kan heten, voor de noodzakelijke kritiek waarvan een échte, een gezonde democratie het moet hebben. Alles maar zo’n beetje overlaten aan iedereen is het neoliberalisme exporteren naar de geschiedschrijving. Over geschiedvervalsing gesproken…

    odeaanede3Wat betreft het specifiek Belgische, of liever Vlaamse: ik had weken geleden een gesprek met Geert Buelens over de manier waarop Naegels in zijn boek De Strangers neerzet. ‘Dat werkt voor mij helemaal niet,’ zei ik. Ik kan nu wel naar De Strangers luisteren en een beetje glimlachen om wat ik hoor — maar kijk, ik ben er niet mee opgevoed. Ik mis met andere woorden het referentiekader dat noodzakelijk is voor de gemeenzaamheid waarop Naegels hier in zijn boek mikt, nog even afgezien van het gegeven dat het Antwerps bij mij veel minder losmaakt dan, pakweg, het Gronings (al ben ik daar niet opgegroeid; maar een Ede Staal kan mij met zijn, ook voor mij grotendeels nog steeds onverstaanbaar Gronings wél ontroeren). De vraag is hoe ik dat nu zelf vermijd wanneer ik in mijn nieuwe boek ga refereren aan Hollandse toestanden in de jaren zeventig, toen wij Hollanders al behoorlijk progressief en bevrijd waren, niet waar? — terwijl die rare Belgen, in dat wat smoezelig ogende transitlandje dat je nu eenmaal door moest op weg naar la douce France, nog aan de leiband van meneer pastoor liepen, zo was de indruk, geloof ik, als er al überhaupt een indruk was, want wat wisten wij van België? Evenveel als de gemiddelde Hollander nu: héél erg weinig.

  • Pin it!

    Twijfels

    Afgelopen zondag mailde mij nog voor het openen van de stembussen een goede vriend die zich naar aanleiding van wat ik hiervoor schreef meer dan ongelukkig voelde over het feit dat links nog maar eens verdeeld was en goede vrienden ruzie maakten over ‘de juiste weg’. Ik maakte daaruit op dat hij zich rechtstreeks aangesproken voelde door mijn opmerkingen over, bijvoorbeeld, ‘de laffe rekensommen van diegenen die een bepaalde realiteit in feite accepteren, ook al belijden ze met de mond het tegenovergestelde’ en over de ‘érg ingewikkelde redeneringen van sommige schrijvers om te verklaren waarom ze niet mee wilden doen’ aan 0110 literair — want ja, die goede vriend is auteur en, nee, hij deed niet mee aan 0110 literair, al zijn me van hem geen redeneringen daaromtrent bekend.

    Om mijn genuanceerdheid sta ik juist bij mijn vrienden inderdaad niet bekend (en ook daarbuiten niet vrees ik: op 8weekly word ik naar aanleiding van mijn stuk over Naegels vergeleken met een bulldozer), maar in dit geval gaat het om iets wat ik tegelijkertijd wel en niet begrijp. We zijn natuurlijk helemaal niet verdeeld als het gaat om de vraag of extreem rechts acceptabel is of niet, maar wel als het gaat om de vraag hoe we aan onze gedeelde afschuw uitdrukking moeten geven — en daarin meten sommigen zich al op voorhand de rol aan van calculerende politici in plaats van de kunstenaar te blijven die ze zijn. Het ging, schreef mijn vriend, naast de afschuw van het extreem rechtse gedachtengoed, ook over de noodzaak om samen te blijven leven met diegenen die desondanks voor dergelijke abjecte opvattingen kozen — en, zo kun je daar aan toevoegen, het helpt dus niks wanneer je die mensen demoniseert of anderszins terzijde schuift; eerder integendeel. Het verschil tussen hem en mij en blijkbaar nog anderen, is dat samenleven met wie of wat dan ook voor mij alleen maar mogelijk (en alleen maar zinvol) is wanneer ik mijn ‘ware gelaat’ blijf tonen. Dat mag dan door postmoderne filosofieën inmiddels tot niet meer dan een mombakkes zijn gereduceerd — iets waar ik intellectueel gesproken niet omheen kan —, het is alles wat me in deze samenleving maakt tot wie ik alleen maar zijn kan. Het is de fictie die ik leef, om het zo maar te zeggen. Als zodanig zal ik altijd de burger die voor VB stemt blijven tegenspreken, zoals ik ook weinig hinder heb van extreem politieke correctheid als het gaat om bijvoorbeeld hier tegen de muur pissende mannen — liefst als ze beide handen nog nodig hebben, dat dan weer wel natuurlijk — op een mijzelf ouderwets toeschijnende manier uit te foeteren, ook al zijn het Belgen van Turkse oorsprong (ook al omdat het hier natuurlijk niet om een cultureel verschil gaat, maar om gebrek aan welke cultuur dan ook maar). Ik heb geen enkele behoefte dat wat in mijn ogen abject is ook maar in de geringste mate tegemoet te komen; liever ga ik de confrontatie aan — wel steeds op die ene voorwaarde: dat het kleine restje beschaving blijft bestaan dat van die confrontatie niet onmiddellijk een bloedbad maakt.

    Anderzijds, ik besef dat zoiets werkt op kleine schaal — hier in de straat bijvoorbeeld. Het is wat anders in die andere openbaarheid, die van de media, vooral. Daar heersen de Siegfried Bracke’s met hun ‘ik onthoud van uw uitspraken vooral dat…’ — en dan onthoudt hij vaak precies wat de geïnterviewde zo nu net niet heeft gezegd, en zelfs wanneer dat nog eens wordt tegengesproken onthoudt Bracke vooral… Demoniseren in die ruimte is zoveel makkelijker, omdat de schaal vele malen groter is, en omdat iedereen in die sector er dol op is — of het nu klopt of niet.

    (In die zin is er al tegen mij gezegd dat mede mijn opmerkingen over Moeyaert er zo ver over waren, hem persoonlijk ernstig beschadigd zouden hebben zelfs — dit ten dele ook omdat één zin uit mijn weblog in de krant werd uitvergroot natuurlijk. De suggestie dat Moeyaert zich door de autoriteiten de les heeft laten spellen, kwam van de krant, en er zijn — en waren ook toen al — redenen om die suggestie stevig te wantrouwen, omdat er in dat hoekje van de krant wel vaker een putgeur opstijgt. Ik heb het nieuws verder niet gecontroleerd, vond het op dat moment aannemelijk omdat er tezelfdertijd hier in Gent soortgelijke verhalen de ronde deden — niet over de Gentse stadsdichter (Erwin Mortier is bij vlagen nog militanter dan Lanoye), maar over de (onder andere door de gemeente gesubsidieerde) organisatie die oorspronkelijk gevraagd was om 0110 literair onder haar hoede te nemen en die een njet van de Gentse schepen van cultuur gekregen zou hebben. Maar buiten dat: ik blijf erbij dat het ambt van stadsdichter een gepolitiseerd ambt is, en dat als je als zoete esthetische apolitieke broodjesbakker door het leven wilt gaan, je geen stappen moet ondernemen om dat podium zelfs maar te willen betreden. Doe je dat wel, dan moet je accepteren dat zowel je aan- als afwezigheid bij zoiets als 0110 literair politiek wordt uitgelegd.)

    In het licht van die grotere openbaarheid is het mijzelf nog niet duidelijk wat ik nu eigenlijk van de verkiezingsuitslag moet vinden — en dan doel ik, net als de rest van de wereld, in de eerste plaats op Antwerpen. Eigenlijk was Dewinters analyse zo incorrect niet: het VB in Antwerpen is nog met een half procent gegroeid — en dat kun je willen minimaliseren, zoals een journaliste van de VRT even trachtte te doen, maar als je die halve procent aan je voordeur zou hebben staan, deins je toch even terug, lijkt me — en Janssens’ presidentiële campagne heeft de andere democratische partijen de kop gekost. Dat hij nu zo goed is om eventueel schepenambten uit te delen aan bijvoorbeeld de VLD vanwege bewezen diensten, doet daar niets aan af; die VLD is nu aan de welwillendheid van zijne goedheid ‘Patriek’ overgeleverd. Er is hier geen enkele reden tot juichen. Er is geen enkele stem van het VB teruggevloeid naar één van de fatsoenlijke partijen. Zak liet het vandaag in DM heel mooi zien:


    Zak


    Anderzijds: moeten we niet de nadruk leggen op het feit dat voor het eerst sinds tijden het VB niet langer de grootste partij van Antwerpen is? Is er geen reden om tenminste opgelucht te zijn dat nu in ieder geval in Antwerpen de burgemeester weer gewoon uit de grootste partij komt, zoals het hoort? Ik merkte gisterenavond dat ik toch wat onrustig en zelfs boos werd toen ik op het Nederlandse NOS-journaal de heer Freriks zonder blikken of blozen enkel en alleen Dewinters woorden als officiële verklaring voor de uitslag in Antwerpen hoorde herhalen — zonder de geringste kritische kanttekening, en inclusief de in feite opruiende taal die Dewinter bezigde toen hij de snelbelgwet en de ‘infasie’ van allochtonen in Borgerhout als oorzaak voor het verlies van het VB in Borgerhout aanwees. Het viel nog mee dat het NOS-journaal Annemans niet napraatte en ook suggereerde dat er sprake was van fraude. Als ik zoiets hoor ben ik altijd weer verbluft over de verregaande versimpeling die er in de media plaatsvindt (waartoe natuurlijk ook behoort dat alle ogen enkel op Antwerpen waren gericht, en er over bijvoorbeeld Gent of Mechelen met geen woord werd gerept).

    Moet men voor het oog van de camera zich niet vooral van zijn ongenuanceerd mooiste kant laten zien? Om invloed te blijven uitoefenen daar waar de werkelijkheid veeleer gemaakt dan enkel weergegeven wordt?

    mephistoDit staat natuurlijk los van redeneringen vooraf bij deelname aan zoiets als 0110, of zelfs het gecalculeer voordat je het stemhokje ingaat. Als er al sprake is van onenigheid tussen vrienden dan heeft die immers niet met de gedeelde overtuiging te maken, maar met de manieren waarop ieder voor zich meent die overtuiging wel of niet te moeten laten blijken. Zo zit Lanoye nu Naegels op zijn kop, verdedigt hij Moeyaert tegen onder andere mij, en staat hij tegelijkertijd in de krant met de bewerking van Klaus Manns Mephisto voor toneel — een boek dat ooit al eens werd verfilmd door István Szabó met Klaus-Maria Brandauer in de hoofdrol, en met die indringende slotscene: een door zoeklichten opgejaagde Brandauer in een leeg stadion terwijl hij in de lens kijkt en zegt: ‘Was wollen die von mir. Ich bin doch nur ein Schauspieler?’

    Maar wie is er nog werkelijk ‘uit één stuk’?

  • Pin it!

    Rekensommen


    Cordoba ArgentiniëGisterenavond in Brussel vergaderd met de kleinste yang-redactie die me kan heugen. Ja, bon, die lege stoel. Maar daarnaast de afwezige, in zijn doctoraat verzonken Sascha Bru, van wie ik me op dit moment niet eens een voorstelling wil maken omdat een afgepeigerd uiterlijk niet bij hem past en het me onvermijdelijk lijkt dat hij op zijn tandvlees loopt. En dan natuurlijk Jeroen Theunissen, van wie ik me graag de voorstelling maak dat hij met een inheemse cocktail op een plein in Córdoba, Argentinië wat kijkt naar langstangoënd schoons terwijl ergens uit een luidsprekertje Carlos Gardél Melodia de Arrabal of Amargura kweelt, al valt te verwachten dat hij ergens driehoog achter zit te schrijven aan een nieuw boek, of gedichten zuigt uit de Argentijnse lucht.

    Wij intussen keken vanuit Piet Joostens’ appartement uit over Brussel en naar de spreeuwenwolken boven, zo ongeveer, de Dansaertstraat. Napraten. Ja, over en rond die lege stoel, natuurlijk, maar ook over 0110, over het literaire luik waarvoor P. zich de afgelopen weken zo’n beetje uit de naad heeft gewerkt. Ondanks alle strubbelingen vooraf (rond Moeyaert, maar ook achter de schermen érg ingewikkelde redeneringen van sommige schrijvers om te verklaren waarom ze niet mee wilden doen) moet ook dit deel van de manifestatie een succes genoemd worden. ‘Ivo Michiels in de Gazet van Antwerpen,’ zo zou je het in de woorden van P. samen kunnen vatten (stel je dat eens voor), en ook op de publicaties in Le soir was hij trots. (Alle geschreven ‘Berichten aan de bevolking’, zoals de overkoepelende titel luidde, zijn overigens onder andere hier te vinden). Ik herhaalde nog maar eens wat ik anderhalve week geleden ook al tegen Bert Bultinck zei toen wij elkaar in Antwerpen eindelijk weer eens troffen: dat ik inzake politiek steeds meer een broertje dood begon te krijgen aan de scherpslijperijen van intellectuelen die voortdurend bezig zijn met strategische manoeuvres om toch maar vooral het VB niet in de kaart te spelen. Waarmee ze alleen maar aangeven hoezeer ze al de duimen hebben gelegd voor die partij. Ik betrap me erop, zei ik toen ongeveer tegen Bert, dat ik van lieverlede steeds simpeler begin te redeneren. Een ‘mijn afschuw is mijn afschuw’ (uit een gedicht van Beurskens, overigens). En wat later, toen de langsfietsende Bart Meuleman even was aangeschoven, hoorde ik mezelf zelfs zeggen dat stemmen voor mij een soort ‘sereen moment’ vertegenwoordigde. Thát raised some eyebrows...

    Ik bedoelde dit: ik wil in het stemhokje op zijn minst de illusie hebben dat ik op het moment dat ik met mijn potlood een vakje kleur (of op het moment dat ik de benodigde knoppen van de stemcomputer indruk) daadwerkelijk kies voor de wereld die de partij van mijn keuze in de aanbieding heeft. Als ik op voorhand de rekensommen moet maken waarin zoveel debatten al voor de verkiezingen verzanden, verlies ik elk geloof in de zinvolheid van mijn stem. Ik hoor om mij heen steeds meer, vooral jongere mensen die rekensommen maken: ik stem op die op die, omdat als het zus of zo uitdraait dan zal A niet met B, maar met C gaan en zo in ieder geval D buitenspel zetten. Een bepaald soort ‘realisme’ gaat hier aan het verlangen vooraf, en als politiek iets is (pardon: zou moeten zijn) dan is het wel verlangen (‘begeerte’, zou je met Hegel — of met de Internationale (het lied) — kunnen zeggen). De ‘realiteit’ — haar definitie — is immers de inzet van de verkiezingen.

    Ik weet wel dat dit over het algemeen als buitengewoon naïef wordt beschouwd, en ik heb het ook niet voor niets over een illusie. Ik weet dat er na de verkiezingen met die illusie korte metten wordt gemaakt, dat, om het zo maar te zeggen, de wereld waarvoor ik heb gekozen onmiddellijk onderdeel wordt van onderhandelingen, gemarchandeer, en dat het aankomt op het strategisch inzicht van de verkozenen, op de boerenslimheid van de middenstander in elke politicus. Maar voordat mijn keuze voor een bepaalde voorstelling van de werkelijkheid verhandeld wordt (een noodzaak in een democratie), wil ik toch eerst op zijn minst het gevoel gehad hebben dat ik in mijn keuze min of meer ‘zuiver’ ben geweest.

    Het commentaar van mijn beide gespreksgenoten gaf me wel onmiddellijk het gevoel dat ik wel heel erg akelig ‘literair’ — in de pejoratieve zin van wereldvreemd — was. Maar mijn idealisme is hardnekkig, is altijd tegen beter weten in, domweg omdat ik weiger op te geven wat hele volksstammen blijkbaar al lang aan de wind hebben prijs gegeven. Ik weiger het cynisme en het defaitisme dat daaruit spreekt. Al vind ik dan tegelijkertijd dat er voor mijn soort idealisme misschien een ander woord uitgevonden moet worden, omdat het een realistische houding niet uitsluit, zelfs veronderstelt. Het is een hardnekkig ‘en toch...’. Het loopt parallel met mijn overtuiging — gebaseerd op mijn schrijflust en –plezier — dat ik aan de lopende band meesterwerken voor de gehele wereldbevolking schrijf, ook al kreeg ik een paar weken terug, nog geen twee jaar na het verschijnen van Touchdown, het gebruikelijke van schijnheiligheid druipende briefje van Meulenhoff dat het boek in de ramsj gaat (‘de verkoop blijft achter bij de verwachtingen,’ zo heet dat dan; welke verwachtingen? hadden ze verwachtingen? op welke wijze heeft de uitgeverij zich dan voor dit boek ingezet om die verwachtingen ook maar een kleine kans van slagen te geven? Niet, natuurlijk. Ik ben, in kregtiaanse termen, een B-auteur). Maar ook nu, werkend aan een nieuw boek, kan ik me niet voorstellen dat niet iedereen het wil lezen en het prachtig zal vinden (want het wordt een prachtboek; wat ánders?).

    MoorPde Brieven VKomslagEnfin, gisteren in Brussel, in de beslotenheid van P’s appartement, hadden we het onomwonden over de kruiperigheid die zich van sommigen onder ons meester heeft gemaakt — maar ook van de media. Ik las vandaag dat Piet de Moor er geen gras over heeft laten groeien en zijn brieven aan Vermeersch van De Standaard en nog zo wat, ijlings in een woedend boek heeft samengebracht (gisteren schreef overigens ook Walter Pauli al over het laffe gekuip van die krant). Ik had het daar al eerder over. Het boek krijgt de ruime instemming van bespreker Dirk Verhofstadt — die de grote woorden niet mijdt: ‘Dit boek moet ruim gelezen en verspreid worden, nog vóór 8 oktober. Zodat niemand op 9 oktober kan zeggen: ”Wir haben es nicht gewußt.”' Het valt te verwachten dat De Moors boek, afgaande op de brieven die ik al las, een lichtelijk overspannen toon zal hebben waarover heel erg genuanceerde geesten vast en zeker weer eens zullen zeggen dat ze contraproductief werkt — maar ik heb liever dit recht door zee mét brokken dan de laffe rekensommen van diegenen die een bepaalde realiteit in feite accepteren, ook al belijden ze met de mond het tegenovergestelde. Al zullen die laatsten na wellicht maar weer eens winst voor de fascisten juist de aanklagers van dat fascisme met de vinger wijzen: het is jullie schuld dat het VB groeit. Ik denk het niet, jongens en meisjes, ik denk dat het (mede) júllie schuld is.