• Pin it!

    Wat betekent het

    zeefoto
    Gisteren na de crematie van Jeroen Mettes stonden we bij Kijkduin nog even aan de zee — niet mijn idee, want qua zee ben ik als Van Ostaijens chimpansee, maar enkelen van ons wilden eens diep inademen. We aten er dan meteen maar het redactievoedsel bij uitstek: een pizza, in een etablissement dat me een persiflage op het restaurantwezen leek te zijn, met een ober die vroeger in het circus vast en zeker aangever in een clownsduo was, en met de grandioze goocheltruc met een aanvankelijk verkeerde, althans niet bestelde pizza, die na vijf minuten vrijwel onveranderd en iets minder warm terugkeerde, belegd met wat plakken rauwe ham als was het daardoor een totaal ander, en wel het bestelde gerecht geworden.

    De plechtigheid daarvoor was sereen in die zin dat geen van de sprekers ook maar een moment trachtte om het over meer te hebben dan over dat deel van Jeroens persoonlijkheid dat ze van meer nabij hadden gekend. De blik op de volledige mens wordt ons ook niet vergund, en is misschien niet eens wenselijk. Ik denk bijvoorbeeld dat veel vriendschappen blijven bestaan omdat men bereid is af en toe zijn ogen te sluiten. De mantel der liefde. De mantel die men ook zovaak over delen van zichzelf drapeert — behalve in de kunst misschien. Ik denk aan de zelfportretten van Spilliaert, waarover recentelijk naar aanleiding van een tentoonstelling nog maar weer eens iets in de krant stond: het lijkt mij (overigens zonder iets van ’s mans leven, te weten) dat je jezelf zo schildert, maar het lijkt me niet dat je met dat beeld van jezelf je buiten je atelier tussen de anderen beweegt. Met het monstre incomparable op de bodem van jezelf, zoals André Malraux dat ooit in één van zijn romans noemde, valt voor niemand te leven; het duikt slechts op waar we proberen onszelf volledig te zien, of waar we onszelf, en dan meestal ondanks onszelf, plotseling zo te zien krijgen.

    LeonSpilliaertZelfportretInSpiegelCOok daarover ging het gisteren nog even in dat restaurant. Ik formuleerde nog eens mijn grote reserve bij het al te extreme, bij datgene wat ik tezelfdertijd noodzakelijk acht, mijzelf opleg te denken (of liever: méé te denken met diegenen die het formuleren — zoals dat zelfportret van Spilliaert me dwingt iets te zien, niet alleen van hem, maar ook van mijzelf, en bij uitbreiding: van ‘de’ mens (Toont hij mij de zijne, toon ik hem / De mijne: een als een reptiel / In de kas verschrikte gestalte, schreef Van Bastelaere ooit)). Ik formuleerde die reserve misschien wat te strikt als een eis tot intellectuele eerlijkheid: dat men zijn theorieën altijd moet doordenken tot in hun praktische consequenties, en dat wie daar aangekomen dan niet bereid is om die praktische consequenties voor zijn rekening te nemen, de eerlijkheid zou moeten hebben om die reserve’s in zijn theorie te verdisconteren. Als een kritiek op het extremisme van sommige theorieën kan dit niet gelden, natuurlijk; het veronderstelt immers die theorieën. Dat men met zijn eigen monstre incomparable niet leven kan, weet men alleen wanneer men er al een glimp van heeft opgevangen, of misschien juist wel: net iets meer dan enkel een glimp. Met de verzoetende, vooruit: slap religieus-humanistische of anderszins sussende filosofieën heb ik niets op; het is maar dat ik er daardoor zo naar verlang.

    Op dit punt zou ik zeker nog in conflict gekomen zijn met Jeroen Mettes

    Maar bij het afscheid gisteren was ik desalniettemin heel blij dat er niemand in die zin sussende woorden sprak en het onoverkomelijke in al zijn rauwheid bleef bestaan. Dat is in zekere zin de troost van de literatuur, de troost van kunst überhaupt — of kan dat zijn: dat het de dingen niet toedekt, maar juist toont, ‘opener dan de wond’, zoals Hans Tentije schreef. Misschien omdat alleen dan het verlangen naar datgene wat ons nooit vergund is, zich in zijn meest oorspronkelijke gedaante toont: dat we veilig zijn. Dat zijn we niet. Nooit. We dansen boven het wak dat de wereld is. En we blijven het ontoelaatbaar vinden als iemand daarin verdwijnt.

    Nu eerst terug naar de literatuur. Er moet dringend een tijdschriftnummer verschijnen — met daarin een tekst van Jeroen Mettes. Die opent als volgt:

    Wat betekent het om ‘tot het uiterste’ te gaan?

  • Pin it!

    Jeroen Mettes (1978-2006)

    Wat me, op zoek naar iets — een houvast, een paar woorden waarvan mijn tenen niet onmiddellijk krom staan omdat het niet, nooit boven de dode clichés uitkomt, boven wat welgemeend is maar alles nog doder slaat —, wat me te binnen schiet is nog maar eens de tekst van Jean Améry uit zijn huiveringwekkende boek Hand an sich legen. Diskurs über den Freitod. Hij heeft het daar over de voor elke ‘Suizidant’, zoals hij consequent schrijft (van ‘moord’ is bij zelfdoding voor hem immers geen sprake), de voor iedereen die de hand aan zichzelf slaat in wezen gelijke situatie, wat de ‘reden’ ook mag zijn voor het vrijwillig beëindigen van het eigen leven. Hij noemt het de ‘Situation vor dem Absprung’ —

    die je totale und unverwechselbare Einzigartigkeit ihrer Situation, der ‘situation vécue’, die niemals volkommen mitteilbar ist, so daß also jedesmal, wenn einer stirbt von eigener Hand, oder auch nur zu sterben versucht, ein Schleier fällt, den keiner mehr heben wird, der günstigenfalls so scharf angeleuchtet werden kann, daß das Auge ein fliehendes Bild erkennt.

    Ik heb vaak gedacht dat we allemaal in zekere zin ‘voor de afsprong’ staan, de een wat dichter bij de afgrond dan de ander (want dat is wat Améry’s boek zo huiveringwekkend maakt: de absoluut overtuigende wijze waarop hij laat zien dat het leven niets anders zijn kan dan échec (en de overtuiging schuilt hier vooral in het gegeven dat het méér is dan filosofie, dan logica, dan redeneren alleen, al is het ongetwijfeld ook dat)), en dat het juist dat besef is dat dingen waardevol maakt, dat ons bij elkaar houdt misschien, dat ons humaan maakt, ook als men op filosofische of andere gronden een andere mening is toegedaan.

    Maar als er iemand springt, als er iemand daadwerkelijk springt en zijn afgrond onverwisselbaar tot de zijne maakt, dan blijkt — hoezeer op zo’n moment ook onze eigen, even onverwisselbare afgrond naderbij rukt — tot hoe weinig we in staat zijn als het om de ander gaat.

    Wat een ontstellend verlies. Hij zat nog niet lang in de redactie van yang, maar dit slaat een gat in ons midden, ontneemt ons een perspectief, een vluchtlijn die met zijn aanwezigheid gegarandeerd leek. Wat een intelligentie, scherpte, strijdlust ook.

    Wat een stilte nu.

  • Pin it!

    Scheepstoeter





    Toen BB, in zijn hoedanigheid van chef opinie van DM, mij maandagavond belde met de mededeling dat hij een citaat uit dit weblog over Moeyaert bovenaan de opiniepagina ging zetten (hij vroeg niet of ik daarmee akkoord was — wat hij ook niet hoefde te doen natuurlijk — noch vertelde hij me precies om welke zin het ging), was ik op voorhand een beetje bevreesd voor het scheepstoetereffect. Een geïsoleerde zin uit een tekst die in een andere context staat dan de teksten in een dagblad, neemt onmiddellijk de kleur aan van de omgeving waarin zij te berde wordt gebracht en heeft zo een groter, en zelfs soms grotesker effect. En de vraag is of ik in een eventueel opiniestuk voor DM of voor welke krant dan ook maar, dezelfde bewoordingen gebruikt zou hebben. Vermoedelijk niet. Ik zou zeker mijn uithaal over die ‘Kulturkammer’ niet hebben gemaakt, ook al is het ook nu niet meer dan een moedwillige overdrijving om aan Moeyaerts... weigering? terughoudendheid? — aan Moeyaerts afwezigheid een betekenis te geven die zij óók heeft, vanuit overigens de overtuiging dat Moeyaert inderdaad, zoals ik al schreef, een door en door fatsoenlijk man is.

    Wat ik enigszins vreesde, bleef tot op heden gelukkig uit. Vandaag in de krant alleen een keurige brief van Annette Portegies in haar hoedanigheid van uitgever, die voor Moeyaert in de bres springt. Moeyaert blijkt op huwelijksreis en laat vanuit Italië weten dat hij 0110 een warm hart toedraagt en zich zeker onder het publiek zal bevinden, maar, schrijft Portegies, ‘hij houdt er eenvoudigweg niet van om zich als politiek podiumdichter te profileren, zoals hij bij zijn aantreden als stadsdichter in januari jongstleden in diverse interviews al gemeld heeft...’ Ze vervolgt met de vraag: ‘Betekent dit dat hij zich laat muilkorven door de Antwerpse burgemeester, zoals Marc Reugebrink op zijn weblog suggereert (DM 12/9)?’

    Ik suggereer niks; ik ben afgegaan op berichtgeving in DM zelf. Daarin stond te lezen dat Max Temmerman van Antwerpen Boekenstad in overleg met Moeyaert had besloten dat Moeyaert als immers ‘in zekere zin’ een stadsambtenaar niet aan de manifestatie zou deelnemen. Temmerman ontkent dat er vanuit het stadhuis druk is uitgeoefend, maar, zo staat in het artikel te lezen, Janssens had al eerder aangegeven 0110 niet erg genegen te zijn vanwege het ‘polariserende’ effect dat het zou kunnen hebben. Die twee gegevens bij elkaar maken het toch aannemelijk dat hier de één aan de leiband van de ander loopt; misschien heeft Janssens het al zover voor elkaar dat hij aan Temmerman niet meer expliciet hoeft te zeggen dat hij niet wenst dat ‘zijn’ stadsdichter zich politiek profileert, en zijn Antwerpen Boekenstad én de dichter in kwestie al zo afgericht dat ze zichzelf de muilkorf aandoen zodra Janssens aangeeft iets niet geheel ‘genegen’ te zijn. Voor mij is dat lood om oud ijzer — al kan ik me voorstellen dat het in de openbaarheid van een krant dan toch nog een onderscheid is.

    Het kan natuurlijk zijn dat de berichtgeving in DM niet juist is, of in ieder geval dat wat ze suggereert niet klopt; die krant heeft belangen — commerciële bijvoorbeeld — en het is altijd al zo geweest dat men in literair-journalistieke kringen blij is met het minste oproer vanuit de gedachte dat een krant dan beter verkoopt. Zou kunnen. Ik weet het niet. Ik heb geen bronnenonderzoek gedaan, maar heb vertrouwd op wat ik las en daarop gereageerd — niet in de krant, maar hier.

    Dat staat nog los van Moeyaerts wens zich niet als politiek podiumdichter te willen profileren. Ik zou zeggen: dan moet je geen stadsdichter worden. Wat de heer Janssens, in weerwil van een deel van zijn eigen partij, in Antwerpen op dit moment ook aan het doen is (ik zou zeggen: broekschijterij verkopen als vaderlijke wijsheid) — het ambt van stadsdichter is per definitie gepolitiseerd. Of je jezelf nu wel of juist niet als stadsambtenaar beschouwt — in beide gevallen neem je een standpunt in ten aanzien van een aanstelling door politici. En dat doe je ook als je in die hoedanigheid enkel zou kiezen voor etherische esthetiek, wat je overigens niet per se van Moeyaerts tot nu toe geschreven stadsgedichten hoeft te vinden.

    Want dat schrijft Portegies ook nog: ‘Wie wil weten wat Bart Moeyaert van onverdraagzaamheid vindt, hoeft alleen de moeite te doen zijn stadsgedichten eens te lezen...’ Of daarmee gesuggereerd wil zijn dat bijvoorbeeld ik of andere ‘overhaaste critici’ die stadsgedichten niet ken (zie de omineuze puntjes...) weet ik niet, maar het zinnetje zelf maakt het alleen maar raadselachtiger waarom Moeyaert dan niet op 0110 zijn opwachting wil maken — de literaire poot daarvan is immers helemaal niet uit op vlammende epistels tegen specifiek het VB, maar inderdaad in de eerste plaats op een literaire aanvulling op wat al door muzikanten en beeldende kunstenaars op touw is gezet. Het specifieke van literatuur lijkt me nu juist dat ze het sloganeske aspect dat bij politici en in de media zo’n belangrijke rol speelt, ondermijnt. Juist dáárin is literatuur politiek, of zou ze het moeten zijn, en wat mij betreft geldt inderdaad dat wie dat als schrijver niet begrijpt — wie zich met andere woorden gewillig laat opsluiten in het reservaat van de amusementsindustrie waartoe de literatuur in de loop van de vorige eeuw in toenemende mate is gaan behoren — de literatuur niet... — enfin, ik zeg het maar gewoon: de literatuur niet waardig is.

    De ironie (alweer) is dus dat politici (of Antwerpen Boekenstad of schrijvers die net als Moeyaert denken) zelf polariseren in hun angst voor polarisering door op voorhand de teksten die worden geschreven in enkel hun sloganeske hoedanigheid te zien. Ik sluit niet uit dat sommige teksten inderdaad sloganesk zullen zijn, maar het is zeker niet de opzet van 0110 literair.

    En dat Moeyaert in zijn hoedanigheid van stadsdichter volledig gepolitiseerd is, mag blijken uit het feit dat vooral zijn afwezigheid wordt uitgelegd als een politiek signaal. Dat is inherent aan de door hem beklede functie, zoals het ook zou verbazen als Lanoye of Nasr zouden ontbreken. Terwijl niemand er werkelijk van opkijkt als, zeg, een Marc Kregting er niet bij zou zijn, of zelfs een Bart Meuleman (die uiteindelijk in zijn werk, zij het nog het minst in zijn poëzie misschien, ‘politieker’ is dan een Kregting — waarmee ik dan weer bedoel: explicieter politiek, want de politieke implicaties van het als zeer ontoegankelijk te boek staande werk van Kregting zijn groot; maar dit terzijde). Moeyaert, of Antwerpen Boekenstad, of beide, of ‘het gilde der schrijvers’ dat volgens nog steeds hetzelfde bericht in DM werd geraadpleegd bij het nemen van de beslissing om niet deel te nemen — allen hadden zich moeten realiseren dat het zo nu eenmaal werkt. Men kan alleen hopen dat Moeyaert na zijn huwelijksreis alsnog acte de présence geeft en bijvoorbeeld zijn ‘Halverwege’ voorleest — wat mij betreft even geschikt als zijn destijds naar aanleiding van de racistische moorden in Antwerpen geschreven tekst ‘Vrouw en kind’, een tekst die veeleer elegisch dan politiek is (al geldt ook hier weer dat solidariteit met de doden meer dan eens politiek is). Meer moet dat niet zijn, namelijk.

  • Pin it!

    Voor of Aan

    Iemand schrijft me dat het hem niet juist lijkt het VB een fascistische partij te noemen. ‘Ze zouden dat 60-70 jaar geleden geweest zijn, nu niet,’ schrijft hij. ‘Ze staan voor mij voor egoïsme, domheid, xenofobie en de verkeerde vorm van conservatisme, maar niet voor fascisme, en misschien ook niet voor extreem racisme.’ Ik begrijp wat hij zeggen wil. Ik heb zelf (ik geloof in De Gids) al eens gesteld dat mensen die menen dat het fascisme zich op dezelfde wijze zal aandienen als ze dat aan het begin van de twintigste eeuw deed zich op de verkeerde dingen richten, een beetje zoals mensen die suiker beginnen te hamsteren bij een dreigende oorlog omdat ze menen dat een nieuwe oorlog exact dezelfde omstandigheden zal creëren als de vorige. En ja, met het historisch fascisme heeft een partij als het VB alleen oppervlakkig iets gemeen. Maar ik ben meer beducht voor de hedendaagse varianten ervan en volg in dezen de analyse die onder andere Filip Rogiers ooit maakte: dat het, toen nog, Vlaams Blok wel degelijk een fascistische partij is, maar dat dat nog niet betekent dat zij die ervoor stemmen allemaal fascisten genoemd kunnen worden.

    Het zal de reden zijn waarom iemand als Patrick Janssens meent ‘voor alle Antwerpenaren’ te kunnen spreken, al lijkt me dat een hopeloze onderneming. De vergelijking gaat misschien een beetje mank, maar als schrijver heb ik ook niet de illusie dat ik voor ‘alle lezers’ zou kunnen schrijven — of nee: misschien heb ik juist wel die illusie, maar ben ik me van het illusoire karakter zeer goed bewust. Men kan natuurlijk moedwillig ‘tegendraads’ schrijven (al volgt men juist dan een (hoog) cultureel voorschrift), maar dat is me even vreemd als het gekronkel om in de gunst van ‘alle lezers’ te komen, van dat spookbeeld van de lezer dat redacties van boekenbijlages steeds lijken te hanteren.

    Dat is mooi gebruld natuurlijk, want hiermee eis ik een onafhankelijkheid en individualiteit op voor mijzelf die uiteraard ook illusoir is — als zou het mogelijk zijn om vanuit een onbetwijfelbaar Zelf zinnen te laten stromen die mij even gemakkelijk aanwaaien als fijn stof uit de Gentse kanaalzone. Dat is pertinent niet het geval: als het al onafhankelijkheid en individualiteit is, dan moet ik die terugwinnen op alles wat mij dagdagelijks, als een ieder, alle kanten optrekt en wil bepalen. Soms schrap ik meer dan ik schrijf. Maar bij dat alles zijn het niet in de eerste plaats de anderen (de wensen, eisen, voorschriften, impliciete en expliciete oordelen enzovoorts) met wie ik rekening houd. Misschien zelfs niet in tweede instantie. Maar in derde instantie geef ik me gewonnen en moet ik toegeven dat ik schrijf met toch bepaalde mensen in gedachten — a jury of my peers, om het zo maar te zeggen.

    Literatuur is een voorrecht, althans voor zover je er je bestaan naar wilt inrichten, een privilege dat een bepaalde beschavingsgraad veronderstelt — één waarmee in ieder geval het VB korte metten zal maken. (Natuurlijk moet ik hier weer aan Ter Braak denken: aan zijn poging het absolute minimum voor menselijke waardigheid te formuleren en het hem dodende besef dat zelfs dat minimum nog een voorrecht was dat moest worden verleend (zie hier)). Exacter: literatuur zo opgevat is een voorrecht — opgevat als ‘vrijplaats’, dat wil zeggen: zonder vereist dienstbetoon, maar (minstens zo belangrijk) ook zonder vrijblijvendheid — precies als dat wat gewonnen wordt op de opdrachten en voorschriften van de cultuur waarin men geboren werd.

    In die zin ontbreekt bij mij de behoefte om ‘voor allen’ te schrijven, ook al blijf ik geloven dat wat ik schrijf aan allen te richten. En is dat uiteindelijk ook niet de vergissing van politici, deze verwarring tussen voorzetsels, tussen ‘voor’ en ‘aan’, of tussen ‘voor’ en ‘tot’, ‘voor allen’, ‘tot allen’? Natuurlijk wil een politicus zoveel mogelijk stemmen, maar voor zover integriteit met dat beroep samengaat, wil hij die stemmen op grond van zijn verhaal, en dat verhaal is ideologisch gekleurd, of zou dat moeten zijn. Wie voor Groen! kiest, kiest niet voor de Spa — maar zowel Dua als de zich gisteren toch wel heel erg als West-Vlaams boertje manifesterende Vande Lanotte richten zich met hun verhalen wel degelijk tot iedereen zonder voor iedereen te spreken.

    Waar het om gaat is natuurlijk dat een schrijver die beweert voor iedereen te schrijven, verraad pleegt aan de literatuur zelf — aan datgene wat men (zowel de voorstanders als de tegenstanders) daar op dit moment nog steeds, zij het dan ternauwernood, onder verstaat. Dat het maar ternauwernood is heeft dan in eerste instantie niet zo veel te maken met de opmars van de fascisten, maar met wat je het fascisme van de markt zou kunnen noemen.

  • Pin it!

    Triomf der lafheid

    Afgelopen week ten overvloede nog eens Jeroen T. uitgezwaaid, die een jaar lang in Argentinië gaat zitten... schrijven, vermoed ik. Er was al eerder een afscheidspartijtje in zijn nu inmiddels verlaten huis, maar we besloten het nog eens dunnetjes over te doen. Piet J. was er ook, op missie in Gent om de zaken rond 0110 literair rond te breien — dat nu niet langer, in tegenstelling tot wat de berichtgeving in DM vandaag suggereert, een zaak is van enkel initiatiefnemer De Groene Waterman. Walry hier in Gent, en in Brussel Het Beschrijf, waarvoor P., overigens geheel belangeloos optreedt, verzorgen het aandeel buiten de zelfverklaarde boekenhoofdstad van Vlaanderen.



    P. liever dan ik, overigens. Want wat is dit toch een beverig landje, politiek gesproken. Ook in DM van vanmorgen: het verhaal over het njet dat ‘onze Patriek’, of één van zijn paladijnen, richting Bart Moeyaert verstuurde als het ging om zijn deelname aan de literaire poot van 0110. Eigenlijk is dat ongehoord. Zoals het ook ongehoord is dat Moeyaert niet onmiddellijk, met héél veel tamtam (en daar houdt die ‘ben ik in beeld?’-jongen toch zo van?), als stadsdichter ontslag heeft genomen. Hij een stadsambtenaar? En dus moet hij enkel de regenten welgevallige tekstjes produceren? Dat heb ik Lanoye niet zien doen, noch ook Nasr. Onbegrijpelijk, en ook heel kwalijk, dat Moeyaert voor die kulargumentatie uit het stadhuis is gezwicht.

    Vooruit, onderuit de zak maar weer: zou, zo vraag ik me af, de heer Moeyaert in andere tijden ook de papieren van de Kulturkammer hebben ondertekend om maar vooral te kunnen blijven publiceren?

    Nee, laat maar, ik weet het: dit is er natuurlijk weer ver over, maar toch...

    Je kunt je naar aanleiding van één en ander afvragen hoever we nog verwijderd zijn van een situatie waarin bijvoorbeeld het Vlaams Fonds voor de Letteren gaat bepalen wat de door haar gefinancierde schrijvers wel of niet mogen schrijven. Daar gaat het toch ook om overheidsgeld? En dan, waar zegt de clique en claque van Janssens nu eigenlijk ‘nee’ tegen? Tegen een uitbreiding van een manifestatie tegen racisme, extremisme en zinloos geweld in literaire richting. Natuurlijk mogen we niet concluderen dat ze dus voor racisme, extremisme en zinloos geweld zijn (al zijn ze niet voor literatuur, zoals blijkt uit de opvattingen die ze hebben over zoiets als het stadsdichterschap), maar ze zijn al wel zover dat ze zichzelf vrijwillig censureren uit angst voor die ene partij die — overigens volkomen terecht — met in ieder geval racisme en extremisme wordt geassocieerd.

    Of hoe de zichzelf tegenover het VB zo graag als fatsoenlijk en democratisch profilerende partijen het culturele programma van dat VB al uitvoeren nog voordat die schoften aan de macht zijn. There’s something rotten in the state of Belgium — en het grootste euvel is de grenzenloze lafheid van zowel de politiek als dat deel van de literaire goegemeente waarvoor Bart Moeyaert wat mij betreft nu model staat, al is het vast een door en door fatsoenlijke jongen.

    Wat de politici betreft: de campagne van ‘Werbebube’ Janssens in Antwerpen, door De Smet in DM tot mijn ontsteltenis volledig goedgepraat, is een sprekend voorbeeld van de onthutsende lafheid die koren op de molen is van zowat nog de enige partij die onomwonden ideologisch durft te zijn — ook al verkondigt die nu juist een fascistische ideologie. Dat die sukkels in de besturen niet doorhebben dat het succes van het VB te danken is aan hun duidelijkheid, ook al bestaat die uit waarheden van simpele Bet. Ik zou nooit kiezen voor een politicus die zich door een hele hofhouding van grotendeels ijdeltuiten met, blijkbaar, weinig tot geen enkel politiek benul, laat aanprijzen als de ‘man boven de partijen’. Ik wil iemand op de burgemeestersstoel zien zitten die mij vooraf op grond van politieke keuzes duidelijk heeft gemaakt welke kant hij met de stad op wil. Dat hij vervolgens compromissen moet sluiten, is deel van onze beschaving, zelfs al maken compromissen mij ook wel eens ontevreden. Maar als burger en individu wil ik de mogelijkheid hebben om te kiezen voor verschillende alternatieven. Ik wil vooral iemand die een partij vertegenwoordigt die met open vizier strijdt tegen alles wat een partij als het VB verkondigt.

    De, zij het heel bittere ironie is dat je met zo’n wens bijna persona non grata wordt op welke manifestatie voor verdraagzaamheid dan ook maar, omdat het geldt als onverdraagzaam en zelfs extreem. Als het zover is gekomen, moet men zich toch eens ernstig achter de oren beginnen te krabben.