• Pin it!

    Ironie later

    Iemand vraagt me om een digitale versie van een gedicht dat ik ooit in het vierde nummer van De XXIe Eeuw publiceerde, een nummer over engagement met de treffende titel ‘Weg met de middellandse zee’ — en bij het betreffende rijtje tijdschriftnummers aangeland zag ik ineens ook weer nummer 2 van dat tijdschrift, met de titel ‘De ironie voorbij?’ Er is niet veel veranderd, dacht ik met in mijn achterhoofd de vraag van DW&B om mee te werken aan een nummer over ironie, dat ook al onder meer de vraag stelt of ironie misschien voorbijgestreefd is. Er zit 15 jaar tussen beide nummers.



    In het nummer van De XXIe Eeuw tref ik ook een knipsel van een bespreking aan. Een bespreking! Van een tijdschriftnummer! Waar blijft de tijd? En dan nog wel zo’n uitgebreide bespreking — ik schat tegen de 1000 woorden — in De Volkskrant. Ik citeer de inleidende paragrafen:

    Het is onmogelijk over ironie te schrijven zonder ironie, zonder althans er voortdurend voor te waarschuwen dat alles wat je zegt bloedserieus is bedoeld, dat je snakt naar ernst, integriteit en schoonheid, en dat je dat dus allemaal zonder voorbehoud meent. Als de uitroeptekens worden weggelaten, de zinnen er gewoon staan, draait de ironie je een loer: wat een oprechte verzuchting was — ‘Laten we nondedju eens niet ironisch zijn!’ — verkeert in zijn tegendeel, en wordt verkeerd begrepen.
    Zo ongeveer zit de paradox in elkaar die de redactie van
    De XXIe Eeuw tegenkwam toen ze een themanummer over ironie wilde maken. ‘Wij,’ schrijft men, doelend op ‘onze generatie kunstenaars van rond de dertig’, ‘hadden zo langzamerhand genoeg van de spitse, alles afwerende spotternij van de jongens- en meisjesclubjes, van de ironie als verhullend pantser, van de ironie die iedere verdere discussie smoorde.’ Om even later te ontdekken dat alles en iedereen zo van ironie doortrokken is, dat er niet aan valt te ontkomen.
    Dat paradoxale, tot heen- en weer-denken nopende, maakt de prozabijdragen van Tonnus Oosterhoff, Connie Palmen, Chris Junge, Xandra Schutte, Ole Bouman en Robert Vernooy tot een ferme poging iets van discussie op gang te brengen. Deze auteurs willen, met onderlinge nuances, de ernst terug in de literatuur, ze willen serieus worden genomen, willen hardop kunnen nadenken over meer dan hun achtertuin of het stilleven naast hun ledikant — en
    niettemin een mooi verhaal maken. Het gaat om de waarheid, en het gaat om de schoonheid, en daar is geen woord Spaans bij.

    Dat laatste waag ik, nog eens bladerend in dit nummer, te betwijfelen. Ik herinner me zelf naar aanleiding van Oosterhoffs bijdrage — het later in de essaybundel Ook de schapen, dachten na (2000) opgenomen ‘Radio tegen fascisme’ — de nodige kritische kanttekeningen geplaatst te hebben. Bij de verschijning van de essaybundel schreef ik in yang:

    Over de eerste zin uit ‘Radio tegen fascisme’, het openingsessay van Tonnus Oosterhoffs Ook de schapen dachten na, heb ik lang zitten peinzen. ‘Soms sluit ik een fascist of iemand met stellige overtuigingen - ik zie het verschil niet - op in mijn kelder,’ zo luidt die zin. Op zich geen zin waarover men geacht wordt erg lang na te denken. Ze vormt de opmaat voor een lichtvoetig, humoristisch stuk waarin genoemde fascist (of iemand met stellige overtuigingen) gedwongen wordt om te luisteren naar gesprekken zoals die dagelijks op de radio te horen zijn, gesprekken die hier nauwgezet zijn getranscribeerd, dat wil zeggen: inclusief versprekingen, aarzelingen, kromme en onvolledige zinnen worden weergegeven. Het gaat daarbij om gesprekken zoals die in bepaalde lifestyle programma’s, actualiteitenrubrieken of culturele rubrieken te horen zijn, of om het soort praatjes tussen een presentator en een kandidaat voor het één of andere radiokwisje. Bij het lezen ervan schiet je vanzelf in de lach, meestal juist vanwege die verhaspelingen en kromme zinnen, die aan de ernst waarmee over bepaalde onderwerpen wordt gesproken, en vooral ook aan die onderwerpen zelf, iets absurds geven. De enige die werkelijk goed uit zijn woorden komt, is de emfatisch sprekende dominee H.J.A. Visser (iemand met stellige overtuigingen, derhalve) die in het programma Onder de hoogtezon over de dichter van Psalm 79 spreekt. Maar door de nevenschikking, de plaats van dit gesprek tussen kwisgebabbel en doodernstig gestamel over bijvoorbeeld de voordelen van een doodskist gemaakt van vlas en aardappelmeel door de heer Groenendijk, of over de rol van geuren ‘bij het eh, bij het vrijen’ door geurpsychologe Anita, worden ook de volzinnen van dominee Visser in het absurde getrokken. De aandacht verschuift van het wat naar het hoe, en het is die verschuiving die van een dogmaticus uiteindelijk een relativist zou kunnen maken, van een fascist een ironicus, want dat is de bedoeling van de hele onderneming. ‘Door alleen maar woorden te gebruiken en het over alles te hebben prikt mijn kelderradio het wereldbeeld van de fascist [lek]. De aarde loopt leeg en is niet rond meer,’ zo schrijft Oosterhoff. Even verder haalt hij Rorty’s omschrijving van de ironicus aan: iemand die fundamenteel overtuigd is van de betrekkelijkheid van woord¬systemen, en Oosterhoff schrijft: ‘Mijn fascist is betoverd geraakt door de woorden die uit de radio stromen. De rijkdom van die doodgewone gesprekken, het onbedoeld uitzonderlijke van de formuleringen vullen zijn werkelijkheid. Hij zal de waarheden waar hij eens in geloofde nooit meer als iets anders kunnen zien dan als ongevaarlijke, of gevaarlijke, spookbeelden, schaduwen van woorden.’ Uiteindelijk zal hij, als ‘slachtoffer van het ironisch rottingsproces - want ironie is een rottingsproces - zichzelf gaan zien als een toevallig samenraapsel van opvattingen, als iets dat met de stem van een ander de taal van een ander spreekt. Zo smelt het vlees van de waarheid om het skelet van de schoonheid weg.’ Want: ‘Ironie brengt de schoonheid aan het licht. Mooi is wat overblijft. De wereld van de ironicus is arm aan waarheden, maar schitterend.’
    Reden waarom ik lang heb moeten nadenken over die allereerste zin houdt natuurlijk verband met die zo vanzelfsprekend lijkende gelijkschakeling die daar gemaakt wordt tussen een fascist en iemand met stellige overtuigingen. Het lijkt mij, gezien de aard van het stuk, dat men die gelijkschakeling op zijn minst met een klein korreltje zout moet nemen, enigszins ironisch op moet vatten derhalve. Ik maak me niet werkelijk zorgen of Oosterhoff, als het er echt op aankomt, wel in staat zal zijn te onderscheiden tussen, laten we zeggen: Filip Dewinter en dominee H.J.A. Visser. Maar anderzijds en ondanks dat korreltje zout, kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat hier al met al een toch tamelijk stellige overtuiging wordt geformuleerd en maakt dat ¬van de beoogde ironicus niet uiteindelijk ook een te bestrijden fascist? Dat lijkt een flauwiteit, maar de ironicus, als hij werkelijk fundamenteel overtuigd is van de betrekkelijkheid van woordsystemen, is zijn eigen onmogelijke figuur, iemand die ook de betrekkelijkheid van de betrekkelijkheid inziet, en zo in een vrije val raakt. Daarvan is hier geen sprake. De gelijkschakeling die Oosterhoff maakt tussen de fascist en iemand met stellige overtuigingen — hoezeer ook een overdrijving omwille van een zeker humoristisch effect — verraadt een zekere angst om wat hem drijft bij de naam te noemen, het te zien als wat het in feite is. Dat Oosterhoff bepaalde bestaande formuleringen van waarheden afwijst, is evident, maar hij doet dat toch op basis van op zijn minst een intuïtie, op basis van een bepaalde ervaring van de werkelijkheid, en die laat zich op het niveau van de beschouwing eigenlijk alleen als een ‘waarheid’ formuleren. Wie er stellig van overtuigd is dat iemand met stellige overtuigingen niet wezenlijk verschilt van een fascist, zal zichzelf iets dergelijks niet toestaan. En het is natuurlijk zo dat er toch óók een verschil tussen de dominee en de ironicus blijft.


    Na zo’n begin (de rest is op de site van yang te vinden (jrg 2000, nr. 4)) zal duidelijk zijn dat ik Oosterhoff iets... nou ja, verwijt eigenlijk. Ik verwijt hem angst voor de dominee, waarmee ik bedoel: voor de stelligheid, voor het niet-ironische, en heb het gevoel dat bij hem de ironie aan de formulering van welke stelligheid dan ook maar vooraf gaat. Aan het slot van mijn stuk kom ik nog eens terug op de ironicus uit ‘Radio tegen fascisme’. Het is opvallend, zo schrijf ik dan,

    dat Oosterhoff van hem een estheet maakt. Dat lijkt een bijna typisch Hollandse reactie te zijn op dominees (of het ook een typisch Hollandse reactie op fascisten is, laat ik hier nu maar even rusten). De moderne Nederlandse literatuur, zo lees je in de handboeken, begon immers ook al met het l’art pour l’art van de Beweging van Tachtig en was een reactie op de domineespoëzie uit de negentiende eeuw. En het lijkt erop dat de contemporaine Nederlandse literatuur zich opnieuw, misschien niet langer als de Tachtigers in een ‘ivoren toren’, maar dan toch in een goed van de overige gebieden van het leven afgeschermd domein heeft teruggetrokken, in een reservaat dat als een vrijplaats wordt voorgesteld, als een ideologisch neutraal veld. Maar, zoals dat gaat, juist daarin toont het zich in hoge mate ideologisch; het eist de relativering vooraf en eist derhalve dat een schrijver of dichter zijn werk als iets terzijde van de werkelijkheid beschouwt, als hoogstens een persoonlijke aberratie, een hoger soort hobby. Je ziet Oosterhoff in deze bundel steeds op de drempel staan van een protest tegen die au fond cynische houding, maar ook hoe hij zich steeds schielijk terugtrekt.

    Naar aanleiding van mijn opmerkingen over het personalisme mailde mij iemand met de vraag hoe je dat personalisme dan precies zou kunnen inzetten — en mijn eigen opmerking dat de ‘schrik’ van het lezen niet alleen om een herdefiniëring van de persoonlijkheid, maar ook van de wereld vraagt, bleef een beetje aan de vage kant. Maar ik bedoelde dit: dat het protest tegen een als cynisch ervaren cultuur zou moeten leiden tot een houding die verder gaat dan de voorgeschreven ironische relativeringen, die breekt met de angst om voor een dominee gehouden te worden, ook al blijft het gevaar om pathetisch te worden, om te klinken als een hol vat vol grote, onbruikbare woorden, steeds op de loer liggen. Dan zwijg ik nog over het gevaar voor extremisme.

    Uiteindelijk gaat het om de durf om de door de cultuur voorgeschreven relativeringen te lijf te gaan — al gaat daar misschien voor de meesten nog iets aan vooraf: de vaak zo moeizame erkenning dat het inderdaad 'de cultuur' is die ons van alles oplegt, dat wij niet onafhankelijk van de nu vigerende opdrachten en mogelijkheden bestaan en dat we dus niet alleen bijvoorbeeld onze als eigen ervaren domineesangst moeten overwinnen (wat een persoonlijke taak is), maar ook de culturele voorschriften die ons met die angst opzadelen. Juist omdat dit voorschrift luidt dat alles relatief is, is het moeilijk om te zien dat het hier om een voorschrift gaat.

  • Pin it!

    Personalisme

    Gisteren las ik in Amos Oz’ Een verhaal van liefde en duisternis een hoofdstukje over het autobiografische gehalte van zijn romans en verhalen. ‘Alles is autobiografisch,’ schrijft hij, terecht. Maar even terecht voegt hij er aan toe: ‘maar geen bekentenis.’ Wat verderop:



    Wie de kern van het verhaal zoekt in de ruimte tussen het werk en degene die het geschreven heeft, vergist zich: het is erg de moeite waard om niet te zoeken in het gebied tussen het geschrevene en de schrijver, maar in het gebied tussen het geschrevene en de lezer.

    Gesneden koek, lijkt me, al is dat waarschijnlijk een misrekening, afgaande op zowel datgene wat zich vandaag de dag een boekenbijlage noemt als op de steevaste reactie op mijn hier en daar uitgesproken voorkeur voor het ‘personalisme’.

    De ‘persoonlijkheid’ van de schrijver zoals die in de jaren dertig door het tijdschrift Forum werd voorgestaan, kon het zeker niet stellen zonder het biografische, al werd zij minder dan wordt verondersteld gezocht in het aantal onechte kinderen dat de schrijver had rondlopen, in zijn seksuele aberraties, in het feit dat hij zijn vrouw sloeg of in nog andere fijne schandalen die zijn schrijverij in een bepaald daglicht stelden. Het was natuurlijk in de eerste plaats een polemisch begrip dat werd ingezet tegen de wat al te grote wildgroei van theoretische, ontstaanspoëticale verhalen bij figuren als Nijhoff en Marsman, die daarin Van Ostaijen achterna liepen. Het gedicht als een van aanleiding en maker losgeraakt ‘gewas’, zoals het toen wel heette, was allang voordat de Maximalen er nog eens een punt van maakten, voor figuren als Du Perron of Ter Braak een al te gemakkelijk opstapje tot geprefabriceerde maakwerkjes waaruit al het voor literatuur wezenlijke verdwenen was. Dat zij (vooral Du Perron) daarbij de fout maakten om in hun polemieken de zaken zo voor te stellen dat vorm en inhoud tegenover elkaar kwamen te staan (de, zeg maar, vanostaijianen als vormaanbidders, de forumianen als de inhoudsprofeten), zorgt tot op de dag van vandaag soms nog voor misverstanden (voor zover zoiets historisch als de ‘vorm of vent’-discussie nog ergens een belletje doet rinkelen). Zoals overigens ook adepten van avant-gardeliteratuur altijd maar weer schijnen te vergeten dat alle trucs en tics van die literatuur uiteindelijk een existentiële basis dienen te hebben om ook maar enige indruk te maken (Du Perrons verwijt aan wat hij ‘de surrealisten’ noemde (waartoe hij behalve de surrealisten ook nog de dadaïsten rekende): dat zij de zelfmoord van de ooit door André Breton opgeviste Jacques Vaché ‘ambtshalve’, zoals hij schreef, ‘geheel vervalsen of half realiseren’ door van de zelfdestructieve levenshouding van Vaché ‘litteratuur’ te maken — zij waren ‘literatoren’ geworden, een pejoratieve term bij Du Perron, zij het met de niet onbelangrijke aantekening dat DP met die veroordeling ook de strijd aanging met zichzelf, met het ongemakkelijke besef dat hij zelf aan het literator-zijn niet wist te ontsnappen).

    Nu wil noch kan ik het personalisme-begrip van de jaren dertig vandaag de dag in ongewijzigde vorm overnemen — in de eerste plaats niet omdat de polemische context van toen nu niet meer bestaat en ik de afkeer van avant-gardeliteratuur zoals die bij Forum bestond nu eenmaal niet deel. Maar ook de meest extreme avant-garde wordt door mij gelezen op de ‘persoonlijkheid’ die voor precies die vorm koos. Of de door en in de gekozen, de gezochte vorm tot uitdrukking gebrachte persoonlijkheid overeenstemt met de persoon van de schrijver ‘in de werkelijkheid’ interesseert me eigenlijk nooit. En de persoonlijkheid die ik in een werk ontdek staat ook altijd in een (al dan niet polemische) verhouding tot de persoonlijkheid die ik naast of tegenover zo’n werk tijdens het lezen van mijzelf construeer.

    Om nog eens naar Oz terug te keren. Hij stelt dat wie Dostojewski’s Misdaad en straf leest dat niet doet (niet zou moeten doen) om te stellen dat Dostojewski in zijn studententijd werkelijk oude weduwen vermoordde en beroofde, nee:

    jij, lezer, verplaatst jezelf in Raskolnikov, om aan den lijve de gruwel en de wanhoop en de kwaadaardige ellende te voelen, vermengd met napoleontische arrogantie, en de megalomanie en de koorts en het doodsverlangen, om een vergelijking te trekken (waarvan de uitkomsten geheimgehouden zullen worden), niet tussen het personage in het verhaal en de verschillende schandalen in het leven van de schrijver, maar tussen het personage in het verhaal en je eigen ik, je geheime, gevaarlijke, zielige, waanzinnige, misdadige ik, dat afschrikwekkende wezen dat je altijd heel diep opsluit in je duisterste gevangenis, opdat niemand ooit het bestaan ervan zal raden, niet je ouders, niet je geliefden, opdat ze niet meteen vol afgrijzen voor je op de vlucht slaan alsof je een monster bent (...)

    Daar zou ik dan nog eens een misschien wat belegen klinkend begrip uit de jaren dertig aan toe willen voegen: moed. De moed zo te lezen. Dat trekt in mijn ogen een zware wissel op de criticus, die van die moed blijk zou moeten geven, zich niet mag verschuilen achter een niet nader geëxpliciteerde afkeer voor een bepaald boek (of, als het daar om gaat: een niet nader geëxpliciteerde bewondering van het type: als u werkelijk wilt weten waarom dit zo goed is moet u het zelf maar eens lezen). Ik ontdek bijvoorbeeld heel vaak een conservatief in mijn binnenste wanneer ik bepaalde, een mij al te krasse vrijheidstheologie ademende werken afwijs — en ik weet me met die conservatieve meneer in mij dan helemaal niet zo goed raad. Want ik ben graag een erg ruimdenkend mens, uiteraard, en heb een hekel aan het soort moralisten dat desalniettemin niet zelden, in de confrontatie met een bepaalde in literatuur tot wasdom gekomen persoonlijkheid, in mij staat te dringen.

    Nu is dat laatste een persoonlijk probleem, natuurlijk, niet per se iets waar men anderen mee lastig moet vallen. Als criticus gaat het erom dat men bijvoorbeeld dit in zichzelf vastgestelde conservatisme (of juist iets anders) ook nog eens moet durven inzetten in een meer algemeen discours. Voordat je het weet kom je op deze manier namelijk uit bij literatuur als enkel therapeuticum — maar de ‘schrik’ die het lezen teweeg kan brengen, vraagt om een herdefiniëring van niet alleen de eigen persoonlijkheid (wat neerkomt op het bijstellen van het beeld dat je van jezelf koestert — over de ware waar- en werkelijkheid van het ik heb ik het hier uiteraard niet en kan ik het ook onmogelijk hebben, alleen over datgene waarvan we misschien wel moeten aannemen dat het ervoor doorgaat), maar ook van de wereld zelf.

  • Pin it!

    Reijn

    Zomergasten was gisteren het eerste programma dat ik sinds terugkomst uit Frankrijk weer eens zag — en gelukkig was het meer dan de moeite waard. Ik kende het hoofd van Halina Reijn al wel, maar van haar beroemdheid, de vele interviews in de Flair en andere ‘glossy damesbladen’, zoals interviewer Joris Luyendijk dat noemde, wist ik niets.

    Wat me trof in alles wat ze zei — en dus ook aan haar keuze, bijvoorbeeld voor Communekind van Maroesja Perizonius en voor de documentaire over The Weather Underground — was het scherpe bewustzijn van haar verlangen en tegelijkertijd de schijnbare onmogelijkheid het ooit te verwezenlijken. Ze bracht dat meermalen in verband met háár generatie — die van de huidige dertigers. Die lijkt na het pragmatisme van de generatie daarvoor — een pragmatisme dat ik maar nooit goed kon begrijpen (die volledige instemming met ‘hoe het nu eenmaal is’ om er dan het — vaak carrièrematig gesproken — voor jezelf meest gunstige uit te halen) — de impasse waarin we met z’n allen zijn gesukkeld weer echt te ervaren. Ik wijs hier nog maar eens op Annelies Verbekes laatste boek, dat, hoe grotesk mislukt ook, laat zien dat zij een schrijfster is die méér wil dan wat ze zo goed kan: de overbekende, in ironie en soms ook regelrecht cynisme gedrenkte ontreddering van de hedendaagse mens schilderen. Al kan ik dan misschien beter verwijzen naar de zoveel geslaagdere pogingen van Jeroen Theunissen, van David Nolens, van Peter Terrin (de één al ‘politieker’ in zijn bedoelingen dan de ander), die eerder in de traditie van een — hoe zullen we dát nu weer eens noemen? een neo-modernisme (?) staan dan in die van het postmodernisme. Er is nu wel genoeg ontmaskerd, zo lijken ze te zeggen; tijd voor een eigen gezicht. Maar daar beginnen dan natuurlijk de problemen. Zelfs de volledige ontkleding is vandaag de dag immers al een maskerade (denk aan de pathetische poging van Kristien Hemmerechts een aantal jaren geleden om ‘ongeposeerd’ naakt voor de camera te verschijnen: erger kon men niet poseren).

    Oplossingen had Reijn natuurlijk evenmin, maar alleen al haar groot besef van onze geprivilegieerdheid (ze had het over ‘verwend’) lijkt een antidotum te zijn voor de verzuurdheid die velen tot bedenkelijke politieke keuzes brengt. Haar commentaar hield het midden tussen heimwee naar een tijd die ze ongetwijfeld alleen als verhaal kent en een meer op de toekomst gericht verlangen waarin een eigenheid bereikt zou kunnen worden die niet al op voorhand als een verstikkende deken over je wordt uitgespreid. Korter: het ging om de overtuiging dat individualisme en individualiteit iets totaal anders zijn dan het botte consumentisme waartoe het inmiddels is verworden.

    Een ironie waar al die babyboomers nooit rekening mee hebben gehouden: dat hen verweten zou worden dat ze hun kinderen nooit hebben willen vertellen hoe de wereld in elkaar zit. Merkwaardig genoeg misschien komt dat door een te star waarheidsbegrip, dat losgemaakt van elke lokale verankering een steeds absoluter en daarmee onbereikbaarder karakter kreeg. De weigering 'waarheden' te formuleren, is zo bezien, zeker als ze teruggaat op een ferm ‘de waarheid bestaat niet’, in feite de uitdrukking van een zeer extreem waarheidsbegrip. En als in reactie dáárop waarheden weer lukraak lokaal worden verankerd, berg je dan maar.

    Wat boeiend was in Reijns ogenschijnlijk voor de vuist weg geformuleerde commentaar bij haar eigen keuzes was de wijze waarop ze het eigen ‘ik’ en het authenticiteitsbegrip weer terug op de agenda plaatste — of zie ik dat nu zo omdat ik nu eenmaal uit mijn jarenlange bezigheid met de Forum-jongens het ‘personalisme’ heb overgehouden als iets dat ik literair en cultureel gesproken de moeite waard vind — ook al wordt dat dan juist vandaag de dag steeds verward met plat biografisme?

  • Pin it!

    Hop

    Bij terugkeer (gisterenavond) meteen vergast op een uitstekend stukje van Jos Geysels in DMB vandaag: over de noodzaak van re-ideologisering om de anti-politiek te lijf te gaan; over de verdoezeling waaraan blijkbaar ook de SPA weer volop meedoet door haar zendtijd t.b.v. de verkiezingen aan verenigingen en clubs af te staan. Geysels zegt het niet precies zo, maar de ondertoon is duidelijk: angsthazerij aan de zijde van de politici. Dat alles stond overigens in een nu toch wel heel erg treurig ogende boekenbijlage, met zelfs geen enkele poging tot kritiek meer — in een boekenbijlage, kortom, die (ogenschijnlijk) van elke ideologie is ontdaan (maar in feite alleen nog een plat soort consumentisme de wereld inblaast). Ik blijf me verbazen over de snelheid waarmee het bergaf is gegaan met dit aanhangsel — uiteraard niet alleen bij De Morgen. Maar we zijn ver, erg ver afgedwaald van Café des Arts, heel ver, droevig ver.

    Enfin, ik heb het ruim een maand zonder krant en tv gedaan en dan vertoont men toch ook al spoedig de wat irritante reactie van iemand die echt nergens meer van weet. Is er nog oorlog in Libanon? En wát is er wáár, op wélk vliegveld gebeurd danwel voorkomen? Ik heb daarentegen een hop gezien. Alsof me dat normaliter interesseert. Maar toch, de Upupa epops is een zeldzaamheid hoor, dat moet men niet onderschatten. Toch komt het me nu al wat vreemd voor dat we ‘s ochtends bij het ontbijt met een soortement telelens naar een gat in een muur zaten kijken, waar het vliegbeest blijkbaar zijn nest had. En de vreugd over het uitvliegen van de jongen!

    Intussen vroeg ik me eind juli af of er voor boeken en auteurs misschien een bovengrens qua temperatuur bestaat, een soort kritische waarde die, wanneer overschreden, het lezen onmogelijk maakt, naast vele andere dingen. De buitenthermometer van het huis van R. en H. wees eind juli soms meer dan 35° aan, en in het naburige paardenstadje was er zelfs een thermometer die ons wilde doen geloven dat het 44° was. Het water van een zwemgelegenheid een kleine tiental kilometer verderop voelde bij het betreden lauw aan, ook al ging het daar om stromend bronwater, en ondanks de groene vlag dreven er her en der dode vissen tussen olijk zwemmende vakantiegangers. Libération (enkel gekocht voor de weerberichten, en verder voor de show) had het over de ‘canicule’, stervende bejaarden, en over 37° voor de Corrèze.

    In ieder geval bleek mij in de zich traag voltrekkende dagen het lezen van Luc Sante’s De feitenfabriek (1998) niet goed mogelijk; ik vermoed dat het een boek is dat ik bij temperaturen boven de 30° niet gelezen krijg. Annelies Verbeke daarentegen ging heel goed, en wellicht moet het eerst een graad of 45 worden voordat ook haar boeken opbranden en onleesbaar worden. Maar bij die temperatuur is elk lezen uitgesloten. Ik functioneer redelijk goed bij 22 tot 25 graden; daarboven is volstrekte immobiliteit aanbevelenswaardig, en boven de 30° heb ik de stellige overtuiging dat mijn menselijke waardigheid in het geding is. Ik begin te Lijden. Ik beweeg me lijdzaam voort over straten, langs bosranden, bezienswaardigheden en adem alleen op in de buurt van de koelafdeling van een Intermarché of Carrefour, waar ik dan weer nodeloos veel insla dat later moeilijk koel te houden blijkt.



    Dat ik bij Sante afhaakte, wil ik voorlopig nog alleen wijten aan de te hoge temperaturen, en niet aan het boek zelf, dat bij die hitte nu eenmaal op een andere — en dan bedoel ik: minder welwillende — wijze gelezen werd. Zijn archeologische benadering van wat voor een groot deel zijn eigen prehistorie is (zijn ouders emigreerden, overigens meer dan eens, vanuit Wallonië naar de Verenigde Staten — en dus ook meer dan eens vanuit de VS terug naar België), leidde in de hitte vaak tot de indruk dat hij trivia opzadelde met immense betekenissen die een buitenstaander als ik met geen mogelijkheid kon mee- of navoelen, en daarmee ook tot de vraag wat precies het belang kon zijn van een boek als dit. De eerste tachtig bladzijden maakten mij niet duidelijk waarom het verleden van deze auteur het soort, soms met veel dikdoenerij gebrachte Betekenis toegekend diende te worden, als was zijn voorgeschiedenis op de één of andere manier Exemplarisch. En dan: exemplarisch voor wat? Het wankel gemoed der Belgen in het algemeen? Dat van de bevolking rond Serraing? Die vragen alleen al brachten me regelmatig aan het zweten boven zinnen die me soms al zwoegend naar hun punt leken te slepen. Een indruk die, leek me, niet helemaal juist kon zijn. Wachten op een depressie was derhalve de boodschap.

    Verbeke doorstaat de hitte veel beter, of dan toch tenminste haar debuut. Misschien heeft dat vooral te maken met de overwegend enkelvoudige zinnen die ze schrijft. De stijl eist weinig, wat je zowel een compliment kunt noemen als juist een kritische noot. En dat het verhaal handelt over een wanhoop die in een wat mildere vorm terug te vinden is in vrijwel alle bijdetijdse literatuur (en daarmee bedoel ik niet de slapeloosheid, maar de inmiddels befaamd te noemen ontworteling — pardon, ik bedoel natuurlijk postmoderne ontworteling — waaraan haar personages lijden) helpt zeker voor de vlotte leesbaarheid van een en ander. Ze is — ik zeg het zonder ironie — een meesteres in het schetsen van die ontworteling bij jonge vrouwen die de biologische klok horen tikken ook als ze dat zelf nog niet helemaal doorhebben (en vaak het tegenovergestelde beweren), die met verve de rol spelen van wat je een vrouwelijke Holden Caulfield zou kunnen noemen, al blijven ze met al hun streken te allen tijde onschuldiger nog dan deze inmiddels al erg oud geworden literaire puber. Waarschijnlijk omdat wat de auteur ook met ze doet, hoe ze haar boeken ook laat eindigen (en dat is in het geval van Slaap! geenszins geruststellend), men zich niet kan bevrijden van de stellige indruk dat het uiteindelijk toch allemaal goed met ze komt.

    Dat de auteur Verbeke daar in zekere zin naar verlangt, bewijst Reus, een kapitale vergissing als boek overigens, veel te snel verschenen na haar debuut, is mijn indruk, niet noemenswaardig anders van toon, geen noemenswaardig andere personages, en een ronduit ridicuul einde. Maar juist dat einde — veel gedoe rond de mythen van de aboriginals aangelengd met een mengeling van feminisme en echoos van mythes over het matriachaat zoals je die onder meer bij Robert Graves aantreft — lijkt er op te wijzen dat ook Verbeke iets meer wil dan alleen maar op een knappe, vanzelfsprekende manier onthechting schetsen.

    Uiteraard moet ik niet alle boeken hier de revue laten passeren die ik tijdens de hittegolf en in de koelere dagen daarna las, toen we inmiddels tussen Cognac en Bordeaux veel voortreffelijke Pineau dronken van een bioboerderij in de omgeving van het wereldberoemde St Martin des Combes (een kruispunt, zo zou ik het willen noemen, en meer niet). Dat zou me maar nopen om hier ook een verslag te doen van alle uitstapjes die een mens zoal op zijn vakantie onderneemt. Dit om duidelijk te maken dat ik niet een geheel van de pot gerukte intellectueel in den vreemde ben geweest die evengoed thuis had kunnen blijven. Voor je het weet lijk je een late uitgave van Cees Nooteboom — iets wat te allen prijze voorkomen dient te worden: het soort geborneerde reisverslag met net die licht filosofische toets die je tot ‘man van de wereld’ maakt in ook nog een andere dan enkel de toeristische betekenis. Avenue-filosofietjes voor lieden met iets goeds onder de kurk binnen handbereik. Ik zwijg dus over het feit dat ik nog Hegel heb zitten lezen — met overigens een welbepaalde bedoeling: Hegel vergeten.

    Maar het boekje van Monika Maron — van wie ik al jaren geleden haar uitstekende Animal Triste las — wil ik hier toch nog wel even noemen: Stille Zeile, nummer zes (uit 1991; vertaling 2001). Wat een prachtig venijnig kleinood over een verpest leven onder de DDR-dictatuur, met soms platte barpraat (‘Vrijheid is inzicht in wat noodzakelijk is, waaruit volgt: nog een bier graag.’) naast werkelijke tragiek. De hoofdpersoon is een vrouw die zich als een soort secretaresse laat inhuren door een oude partijbons die zijn memoires op papier wil zetten en die, na aanvankelijk getracht te hebben niets anders te zijn dan een notuliste, op een zeker moment dan toch al haar stekels opzet bij het zelfverheerlijkende gebazel van haar werkgever — een man die bovendien als vazal van een systeem verantwoordelijk is voor arrestaties van in wezen onschuldige mensen en medeverantwoordelijk voor de strenge ideologische opvoeding die zij van haar vader als overtuigd aanhanger van het DDR-socialisme heeft gekregen — een opvoeding, zo is minstens de suggestie, die haar voorgoed voor het leven ongeschikt heeft gemaakt. De oude DDR-bons krijgt in de ikfiguur in feite een furieuze dochter voor zich, een dochter die hij zelf niet had. Hij moet boeten voor niet alleen 'het systeem' dat hij vertegenwoordigde (en nog steeds vertegenwoordigt), maar ook voor de opvoeding die de ikfiguur daardoor heeft gehad.

    Ik vroeg of hij werkelijk geloofde dat er generaties mensen worden geboren opdat communisten hun idealen op hen kunnen botvieren. Mijn ideaal was een kat te zijn, omdat die aan de communisten noch aan iemand anders gehoorzaamheid verschuldigd was.
    Rosa, zei hij, (...) heb je je wel eens afgevraagd wie jij in de nazitijd geweest zou zijn.
    Misschien was ik communist geworden, zei ik.


    Daarmee word je in dit boekje precies in die onmogelijke patstelling gedreven waarin de historische noodzakelijkheid van de keuze die iemand meende te moeten maken door het slachtoffer van die keuze zowel wordt begrepen als virulent afgewezen. Het lijkt niet overdreven om te stellen dat de ikfiguur uiteindelijk de dood van de oude partijbons versnelt.

    Na dit boekje verheugde ik me op Johan de Boose’s dit voorjaar verschenen De grensganger, een Reis langs de ruïnes van het IJzeren Gordijn, zoals de subtitel luidt. Maar tot op heden is het boek een zware teleurstelling, niet in de laatste plaats omdat de auteur me totaal niet in het reine lijkt te zijn met de opzet van zijn eigen boek. Als reisverhaal is het een mislukking in ieder geval, met af en toe bijna (uiteraard onbedoeld) hilarische zinnen als: ‘Ik dwaal door het Thüringer Wald en denk na over de periode tussen de capitulatie van 1945 en de oprichting van twee Duitslanden in 1949.’ Waarna uiteraard een soort excerpt uit verhandelingen over die periode volgt — droog, en zonder ook maar één ritselend blaadje Wald, of één trillende dennenaald die van naderbij werd bekeken (geen hop gezien, in ieder geval).



    Het is een soort onhandigheid die ik van De Boose niet had verwacht, maar die me lijkt samen te hangen met het feit dat hij zijn reis is aangevangen zonder werkelijk nieuwsgierig te zijn. Het enige wat hij er wilde zien was de ellende van de voormalige DDR, de misdadigheid ervan, en dat gaat zelfs zover dat hij in ook al niet erg geloofwaardig klinkende gesprekken die hij in een dorps supermarktje opgetekend zou hebben, de toch vrij algemeen aanwezige ‘Ostalgie’ in voormalig Oost-Duitsland door één van de sprekers laat terugwijzen als een onterechte suggestie dat de voormalige DDR-bewoners wérkelijk meenden dat het onder Ulbricht, Honecker unsw. beter was. Hij laat ook niet na om in ware DDR-ideologenstijl de DDR vaak in verband te brengen met het nazisme (zoals de DDR-ideologen het Westen als een voortzetting van het fascisme voorstelden). De ondertitel zegt het misschien allemaal al: hij wilde per se ruïnes zien en was gedurende zijn reis blind voor wat ginder nog stevig overeind staat. Je zou bijna zeggen: hij vertelt zijn verhaal vanuit het perspectief van een gemiddelde Amerikaan.

    Enfin, ik heb het nog niet uit, maar zou het graag eens willen leggen naast Hans Groenewegens in 1991 verschenen Hete herfst aan het begin van een ijstijd, toen Groenewegen als journalist voor het weekblad Forum (in feite de opvolger van het toen al ter ziele gegane dagblad De waarheid) de helden van de Wende van een paar jaar daarvoor nog eens opzocht. Dat boek laat veel duidelijker zien wat er werkelijk aan de hand was, zowel vóór de Val van de Muur als direct daarna.