• Pin it!

    Tussenstop


    Even terug in Gent alvorens morgen opnieuw te vertrekken, zuidwaarts naar het kleine paradijs van R.E. en H., waar we, net als in Brussel overigens, ‘op het huis mogen passen’, terwijl deze oudgedienden in de liefde getweeën zowat veertien dagen iets romantisch gaan doen aan de Franse azuurkust. Na hun terugkeer trekken wij dan nog wat verder. Het dient gezegd dat in dat paradijsje alvast het zwembad erg gemist gaat worden, want bij de huidige temperaturen was ronddobberen in het opblaasbare, bijna vier bij vier metende gelegenheidsbad alles waartoe we de afgelopen tijd in staat waren — dat, en samen met de met zijn beide dochters gearriveerde A.D., kijken naar het verschroeien van het gazon. Pas tegen tienen ‘s avonds, terwijl de stenen van het terras nog heet aanvoelden, kon je eindelijk ademhalen en leek het drinken van wijn zonder noemenswaardig risico — wat niet wegnam dat we tegen dat uur al minstens een flesje witte bourgogne soldaat hadden gemaakt en aan de trillende lucht onze eigen nevelige blik toevoegden.

    Met A. tussendoor nog wat gepraat over zijn laatste publicatie, een soort dubbelbundel met de Franse dichteres Karine Martel: En dat? Oneindig, verschenen bij Querido. Ik heb nog niet werkelijk de tijd gehad er lang in te lezen, maar het leek me op het eerste gezicht eerder een voortzetting van A.’s oeuvre, dan een voortzetting van het mij overigens onbekende oeuvre van Martel. Als opvolger van De zon en de wereld mag het natuurlijk niet echt gelden, ook al is het leeuwendeel van het werk door A. gedaan: niet alleen schreef hij zijn (overigens in de bundel niet apart aangeduide, maar altijd wel als de zijne herkenbare) gedichten, hij vertaalde ook zelf die van Martel, wat bij het werk van die dame nog niet zo eenvoudig lijkt. Maar deze bundel is al de tweede met een tweede stem, de tweede bundel die uitdrukkelijk een dialoog aangaat binnen de kaders van de bundel zelf. Hij liet doorschemeren dat er in die zin nog meer zou kunnen volgen (niet per se nog een bundel met een andere dichter samen, maar wel in een of andere dialogische vorm). Voordien staat er nog heel veel anders op het programma. Hij barstte van de plannen, zei hij.

    Veel gelegenheid om het over de letteren te hebben, was er uiteraard niet. De dametjes vroegen aandacht, ofwel voor een dodensprong in een zwembadje dat daar eigenlijk niet op berekend was, ofwel voor het maar weer eens mislopen van de zindelijkheidstraining. Een paar maanden terug zat ik een nachtlang voor Emma’s toekomstige school, waar ze vanaf februari 2007 terecht kan. Maar dan moet ze tegen die tijd wel zindelijk zijn. En de zomer lijkt de meest geschikte periode om dat voor elkaar te krijgen. Met tot op heden wisselend succes. We lopen de hele dag met doekjes achter haar kleine gat aan. Verder moest er natuurlijk gedacht aan — bij dit weer — eenvoudige, maar toch smakelijke maaltijden, diende de favoriete supermarkt van A. hier in België met een bezoek vereerd — ook al betekende dat een autoritje in een kokend hete wagen — en moest ’s avonds dringend gediscussieerd worden over sneeuwuilen. Soms moet dat, discussiëren over sneeuwuilen. En barmsijsjes, ook wel ‘paapjes’ genoemd. Een belangwekkend onderwerp. Gedurende dat gesprek schoot er overigens in ijltempo een, wat je noemt, ‘vallende ster’ over ons heen.

    Annelies Verbeke bleef bij dat alles openliggen op de pagina waar me dagen eerder ’s nachts de slaap had overmand, en ik beddewaarts trok met het vaste voornemen de volgende dag verder te lezen. Dat zal dan in Frankrijk zijn. Nog wel probeerde ik tussendoor een stukje te schrijven over verdwenen okselhaar — dit voor DM. En dan verbaas ik me er weer over waar zo’n stukje zelf me mee naar op sleeptouw neemt: van feminisme naar de cultuur van het scheermes en de pornografie. Te veel voor de 1000 woorden die ik heb, en bijna te serieus voor de kale oksel waarover het gaat, al twijfel ik nog of nu juist niet dat sérieux het beste effect oplevert...

  • Pin it!

    Brousse




    Geconfronteerd met de nieuwe yang na een paar dagen in de brousse rond Brussel (al is hier met de jungle misschien eerder woeste bouwdrift dan overdreven natuur bedoeld), vraag ik me af welke draai ik er nu weer aan moet geven om één en ander verkocht te krijgen. Ik voel me soms net Dirk van Bastelaere in die prachtanecdote over hem uit de tijd dat hij nog voor Reader’s Digest werkte. Op de wat ontstelde vraag van een gelovige avant-gardist hoe Van Bastelaere het één (Reader’s Digest) met het ander (zijn eigen avant-gardistische postmoderne aura) in overeenstemming kon brengen, moet hij gevat hebben geantwoord: ‘het postmoderne discours laat veel toe.’ Nu ik hier met een nummer voor me zit dat bij openslaan de laatste pagina op de kop weergeeft — een fout van de boekbinder, zo meldde mij de drukker — weet ik dat ik behoorlijk lenig moet zijn om deze druktechnische mislukking als intentie te verkopen, te meer daar er van opnieuw binden geen sprake kan zijn: de nummers zijn al verstuurd.

    Op zich lijkt het niet al te moeilijk: het nummer heet ‘Fantastische spuitjes’ — die spuitjes komen voor in een verhaal van Wouter Godijn — en in het voorwoord heb ik al het volgende geschreven:

    De zomer verdraagt geen afzonderlijk opschrift. Het alomtegenwoordige zonlicht verhindert één enkel brandpunt van waaruit de wereld zich, al is het maar voor de duur van één tijdschriftnummer, zou laten bekijken. En soms moeten proza en poëzie het alleen afkunnen. Bijna dan toch.
    Dit nummer van
    yang rekent dan ook op uw zomerse verstrooidheid, maar is daarom nog niet uit op enkel verstrooiing.

    Een kleine moeite om in een promomail die laatste waarschuwing nog wat op de spits te drijven en yang nog maar eens dat masker van ironisch moralisme aan te meten: dat het ontbreken van één samenbindend opschrift nog niet betekent dat we het de lezer daarom in zijn bermuda en loshangend hawaï-shirt gemakkelijk gaan maken: na de kaft is de inhoud meteen wel zeer tegendraads. Bovendien zal hij op de stranden van Benidorm of op die van de Italiaanse rivièra - of beter nog: op een terrasje voor een Etruskisch Museum o.i.d. (ken uw lezers!) - als yang-lezer te herkennen zijn: hij is degene die zijn tijdschrift op de kop leest (en zo misschien onbedoeld de indruk wekt een gluurder te zijn die langs zijn tijdschrift naar menselijk schoon speurt in rul zand of in de nabijheid van Hoge Kunst). Om één en ander nog verwarrender te maken staat er in het nummer één tekening van Thomas Lerooy ogenschijnlijk op de kop afgedrukt. Ik zeg ogenschijnlijk; het is wel degelijk de bedoeling (belt u ons niet!).

    Het geeft me het gevoel dat je zo’n tijdschrift werkelijk geen moment uit het oog mag verliezen, en eigenlijk dagelijks bij de drukker langs moet om te kijken of ze het wel juist doen. Bij die drukker (bijna op vakantie) werd heel erg diep gezucht. Men ging eens kijken ‘wat men doen kon’. Geen rekening sturen, dacht ik onmiddellijk, maar ik zweeg zedig. Bovendien: ik betaal liever wel voor een correct afgewerkt nummer dan niet voor een verkeerd nummer. Laat ze het maar eens uitzweten daar in Merendree.

    Inmiddels keerde ik alweer terug vanuit Gent naar het riante huis in de omgeving van Brussel, op de rand van de taalgrens, zodat zelfs ik — die er niks mee te maken heb — wel eens opstandig word van al die met zoveel dédain op mijn prachtige taal neerkijkende Franstalige snobs hier in de buurt. Ik trek me voornamelijk terug in het prachtige werkvertrek hier in dit huis, waar de wanden volstaan met boeken. Het is een manier om de vakantie tegelijkertijd te beginnen en nog wat uit te stellen, om te kunnen werken aan een nieuw boek en op hetzelfde moment toch niet opgenomen te zijn in de jachtigheid van de dagelijkse arbeid — van mails van nieuwe abonnees, oude abonnees, ex-abonnees, van bibliotheken en literaire instellingen, van financiën, subsidies, regelingen, van deadlines voor toegezegde artikelen die ik, naarmate zo’n deadline nadert, eigenlijk liever niet, en zelfs béter niet had toegezegd, maar nu zit ik ermee en moet het wel, en nog meer van dat soort ruis en gruis náást datgene wat ik desalniettemin mijn hoofdbezigheid noem: dat wat nu overblijft — het schrijven zelf. Het is inderdaad alsof ik vrij heb. Ik kan weer alle kanten op. Geen yang, geen DW&B, geen Ons Erfdeel, geen De Morgen die me een bepaalde kant opdwingen. Hoogstens schep ik mijn eigen restricties doordat hetgeen ik schrijf me tegelijkertijd oplegt wat nog geschreven moet worden. Het moet geen geraaskal worden, natuurlijk

    Tevens neem ik de gelegenheid te baat een aantal Vlaamse werkjes van de laatste tijd tot me te nemen. Ik las al — op aanraden van JT — Blanco van Peter Terrin (uit 2003), en ben dan nu maar eens begonnen aan Annelies Verbeke — niet eens aan Reus, maar aan Slaap! (óók uit 2003; ik loop blijkbaar drie jaar achter op het verschijningsschema van de Vlaamse literatuur). Terrins roman leek me, zoals zoveel romans vandaag de dag, eerder een novelle — een weinig spectaculair, maar wel meticuleus verslag van een toenemende beklemming dat heel goed in actuele zin geïnterpreteerd kan worden, ook al hoeft dat niet. Het beruchte ‘onveiligheidsgevoel’ krijgt in ieder geval in deze roman een uitwerking die vooral de immense risico’s van een totale veiligheid aan de kaak stelt. Op de achtergrond van het verhaal van de man die, na de moord op zijn vrouw bij een carjacking, alles op alles zet om zijn zoontje van elk risico te vrijwaren, speelt de leegte die van elk metafysisch verlangen ongeremd extremisme kan maken. Zelfs wie in geen enkel (‘groot’) verhaal een blijf vindt, blijft niet gevrijwaard van het verlangen naar een dergelijk kader, en dat verlangen ontpopt zich gewoonlijk als een verlangen naar zuiverheid — in dit geval dus: als een maniakaal verlangen naar zuiverheid.

    In sommige commentaren op dit boek las ik dat het hier om toenemende waanzin zou gaan. Dat denk ik niet. De kracht van het boek schuilt volledig in de geserreerde stijl, die zelfs in de droompassages niet hysterisch wordt of anderszins zelfs ook maar de neiging vertoont om uit de band te springen. De kracht van het verhaal schuilt, kortom, in de volstrekte logica van de elkaar opvolgende gebeurtenissen. Ook het feit dat het zoontje, dat al heel snel een gevangene van de vader wordt, nergens wérkelijk tegen zijn omstandigheden rebelleert, maakt dat er hier minder van waanzin dan juist van normaliteit sprake is, hoezeer ook daarin dan toch gaandeweg een bepaalde grens wordt overschreden. De beklemming waarvan veel lezers gewagen heeft dan te maken met de nauwkeurig geregisseerde onmogelijkheid om de afstand tussen de eigen normaliteit en het pathologische gedrag van de hoofdpersoon nog precies na te meten. ‘Waanzin’ is een woord dat gerust stelt, en dient vooral om niet aan de eigen onrust toe te moeten geven.

    Enfin, een naam die hier ook wel eens valt, en ik denk terecht, is Albert Camus. Nu valt die naam vooral omdat er in zijn meest recente verhalenbundel, De bijeneters, rechtstreeks aan L’Etranger gerefereerd wordt, maar ook zonder die referentie lijkt Terrin met zijn proza als het ware terug te willen keren naar de hoogtijdagen van het existentialisme, en dat bevalt me wel. Het existentialisme is, zei de oude Sartre (ook weer geweldig op de voorgrond vanwege de herhalingen van Monty Python’s Flying Circus op Canvas) – het existentialisme is een humanisme. En daar gaat het maar om. Toch?