• Pin it!

    Terugschrijven

    Ik kwam er nu pas toe om, overigens op zoek naar iets anders, de Knack eens te besnuffelen waarin iets over mijn stuk tegen Naegels (14/6/06). Juju, wat een Hollandse manieren... ’Het tijdschrift Yang gebruikt in zijn nieuwste nummer een (late) recensie van Los, het bejubelde en bekroonde boek van Tom Naegels, om af te rekenen met de "bijlagenredacties" die volgens hen de literaire kritiek naar de filistijnen hebben geholpen,’ zo lees ik. Dat lijkt me niet helemaal juist: het tijdschrift yang heeft een review opgenomen waarin de reviewer — niet voor het eerst — enige kritische noten kraakt over de bijlagencultuur. Die reviewer is weliswaar tevens redacteur, maar, zoals Van den Broeck uiteraard heel goed weet, niet alles wat men als redacteur in een blad schrijft, geldt als een ‘redactioneel’. Ik denk niet dat de redactie het geheel oneens is met mijn kritische kanttekeningen bij de boekenbijlagen, gezien het feit dat daarover binnen de redactie geregeld gediscussieerd wordt, maar mijn eventueel voor Karl Van den Broeck wat al te ongenuanceerde opmerkingen daarover kunnen natuurlijk niet zomaar op de hele redactie betrokken worden.

    ‘Marc Reugebrink, die zelf voor de boekenbijlage van De Morgen werkt’, vervolgt Van den Broeck fijntjes, ‘veegt de vloer aan met het corps de critique dat niet heeft gezien hoe slecht Los eigenlijk wel was.’ Alweer, dat kan alleen iemand beweren die van diagonaal lezen zijn beroep heeft gemaakt, maar het is typerend dat elke kritische kanttekening bij het reilen en zeilen van de journalistiek, want daarover heb ik het in de eerste plaats in mijn stuk, met dit soort ongenuanceerde reacties wordt beantwoord. Daarmee overigens onderstrepend wat ik als mijn voornaamste kritiek formuleer.

    Ik citeer nu even de rest (het is maar een kort stukje): ‘”Goed, het boek is gehypet,”’ citeert Van den Broeck mij, ‘”Dat is op zich niets bijzonders en in kringen van de bijlagencultuur wordt er ondanks de klaarblijkelijke incompatibiliteit van journalistiek en literaire kritiek nu eenmaal vaak met vooral enkel journalistieke ogen naar literatuur gekeken.” Volkomen onterecht, vindt Reugebrink. Naegels kan immers niet schrijven en hij snijdt in Los slechts “schijnproblemen” aan “die een werkelijkheid creëren waarin zoiets als extreem rechts heel goed gedijt”. Lees: als het Vlaams Belang stemmen wint, is dat de schuld van Tom Naegels.’

    Dat is natuurlijk helemaal niet wat er staat en het is precies wat zo hinderlijk is aan die jongens van de pers: dat eindeloze gedraai, dat welbewust verkeerd voorstellen, dat weggummen van nuances — en dan met een heel kwalijke suggestie komen (en je tegelijkertijd een ‘bevlogen linkse rakker’ noemen, althans deed hij toen hij nog chef cultuur van De Morgen was; wellicht vraagt Knack om een ander etiket?). Er staat dat de door de journalistiek zo ontstellend in de lucht gestoken houding van Naegels als buitengewoon verfrissend wordt ervaren — wat niet hoeft te verbazen, want hij, zelf vooral journalist, beschrijft eigenlijk de houding van de verzamelde, zichzelf als kritisch beschouwende pers — terwijl die houding, die zichzelf als heel taboe doorbrekend verkoopt, (eindelijk eens iemand die zegt hoe het wérkelijk zit, zo luidde, sterk samengevat, het jubelende commentaar op Naegels’ boek) noch aan het formuleren van de problematiek, noch aan het oplossen daarvan ook maar enige bijdrage levert, en dus blijkbaar een houding is waarbinnen extreem rechts heel goed gedijt.

    Maar goed, het stukje was niet geschreven om mijn stuk, of het hele nummer van yang recht te doen (want ik vrees dat Van den Broeck deze paar zinnetjes als een bespreking van yang wil slijten — en niet alleen van yang overigens, want ook in Rekto:Verso stond iets kritisch over Naegels, en dus werd ook dat er bij betrokken); het stuk was geschreven om Naegels in de slachtofferrol te duwen. De succesauteur Naegels was voorwerp geworden van wat Van den Broeck ‘Naegels-bashing’ noemt. Dat heeft die arme jongen toch niet verdiend. Tiens, meneer Van den Broeck, waar zag ik dat eerder? Dat kritische kanttekeningen, of voor mijn part: scherpe kritiek, werden gebruikt om in de slachtofferrol te kruipen? En dan: had Naegels u daarvoor werkelijk nodig? De jongen heeft mij altijd heel mondig geleken en beschikt over genoeg kanalen om zelf ‘terug te schrijven’ als hij dat nodig zou vinden.

  • Pin it!

    Dyer

    Geoff Dyers eerste roman The Colour of Memory aan het lezen, uit niets dan sentimentele nostalgie, vrees ik. De tekst die ik voor yang vertaalde (‘On the Roof’) herinnerde me aan de Rabenhauptstraat in Groningen, waar een soortgelijk dak als Dyer beschrijft in de jaren tachtig soms dienst deed om het ontbreken van een balkon te compenseren (of liever: het huis — een bovenwoning — had wel een balkon, maar dat was afgetimmerd tot douche annex toilet, zodat je in de winter bij wijze van spreken met je voeten in het ijswater stond). Het was trouwens niet zo eenvoudig om op dat dak te raken; je moest aan de voorkant van het huis uit het grote raam van de uitbouw in de dakgoot stappen. Die was een kleine dertig centimeter breed, en je moest je aan diezelfde uitbouw goed vasthouden om niet acht, negen meter ruggelings naar beneden te vallen. Schuifelend door die dakgoot begaf je je dan naar de dakgoot die tussen ons huis en dat van de buren liep, en vandaar kon je eenvoudig tegen de dakpannen opklimmen om op het platte dak te komen, een teerachtige vlakte met tv-antennes en schoorsteenpijpen. Daar speelden wij gitaar, zongen Beatles-nummers, zongen Elvis Costello (soms, ongetwijfeld tot ellende van de buurt, begeleid op electrische gitaar met een klein VOX-versterkertje), dronken bier, en vooral: filosofeerden dat het een aard had. Alles was interessant, en het lezen van moeilijke boeken gold nog als een overwinning — waar het nu toch vaak leidt tot irritatie omdat het ‘moeilijke’ eraan wordt teruggeredeneerd naar het min of meer bekende, en dan al snel ‘moeilijkdoenerij’ wordt: ‘ach, is het dát wat hij/zij zeggen wil! waarom doet hij/zij dat dan niet?’ — bedoeld is: doet hij/zij dat dan niet ‘gewoon’, ‘op een normale manier’.



    The Colour of Memory zou precies over deze tijd gaan en beloofde dus een feest der herkenning te gaan worden — reden om het boek aan te schaffen en tussen de bedrijven door eens te lezen. Nu vind ik zelf dat het mij niet is toegestaan om identificerend te lezen, om te zwelgen in wat vertrouwd is. Het heeft te maken met wat ik in een ander verband al mijn ‘avant-gardistische reflex’ heb genoemd — al is bij nadere beschouwing het wat ruimere ‘romantische reflex’ misschien toch beter. Enfin, ‘Nous voulons (...) plonger (...) au fond de l’inconnu pour trouver du nouveau’, om het nog eens met Baudelaire te zeggen — juist het onbekende dus.

    Het lijkt nu misschien of het daarbij om een merkwaardige vorm van zelfkastijding gaat, maar dat is nu ook weer niet het geval. Het nieuwe en onbekende vormen misschien zoiets als een imperatief, maar een feit is dat het al te bekende me inderdaad al snel verveelt, terwijl het nieuwe, en het onbegrijpelijke daarin, me blijft fascineren — al moet ik toegeven dat er in dat nieuwe toch ergens een haakje moet zitten waarachter ik met mijn verstand kan blijven hangen. Achtervolgen is een groot deel van mijn leesplezier.

    Bij een boek als dat van Dyer is dat niet nodig. Er staan van die passages in die nog eens kernachtig lijken te formuleren wat ook mij definieert, of waarvan ik vind dat het mij omschrijft als wie ik sociologisch en anderszins zou kunnen zijn. Of liever: waarschijnlijk moet zijn, want de beschrijvingen die voor een dergelijke herkenning zorgen schetsen nu niet meteen een ideaalbeeld. Eén van Dyers personages zegt bijvoorbeeld:

    Our being on the left means nothing. It means we hang around with certain kinds of people — people like us — but beyond that it means nothing. All it does is underwrite our friendships and provide a kind of shared language, a foundation of broadly shared values. None of us really has anything to do with politics. We sneer at the way the news is presented on TV but nothing we feel has any effect on anyone else. It’s not our fault. That’s just how things have turned out.

    Het is uiteraard een passage waarmee ik het erg graag oneens ben, vanwege het door en door cynische karakter ervan, maar het is wel precies het soort cynisme dat ik uit zelfbescherming op andere momenten mijn ‘realisme’ noem. Of anders gezegd: men moet de luciditeit hebben om zijn eigen positie, tegen de eigen wensen en geprojecteerde ideaalbeelden in, te zien zoals zij is, terwijl het anderzijds de kunst is het hartstochtelijke protest tegen die gegevenheden in leven te houden. Het realisme alleen laat uiteindelijk enkel de assmaak van de eigen dood als onoverkomelijk eindstation. En alweer: het is onverstandig om dat eindstation als zodanig te ontkennen, maar het gaat hier natuurlijk om wat tegen dat eigen verstand rebelleert, tot bloedens toe als het moet, zo denk je dan.

    Maar nog voordat ik dat heb kunnen denken, fluit Dyer me ook hier terug. Hij laat hetzelfde personage zeggen: ‘People of our generation aren’t able to die for good causes any longer. We had all that done for us in the sixties when we were still kids. (...) There are plenty of good brave causes left but there’s nothing we can do about them.’ En inderdaad: sterven voor je idealen?? Zoals die idioten doen die hun idealen laten samenvallen met hun vaderland, bijvoorbeeld? Of met het een of andere religieuze substraat? Overigens lijdt natuurlijk ook Dyer aan dubbelzinnig- of zelfs -hartigheid op dit punt: ‘I didn’t know whether I agreed with this or not,’ stelt zijn ikfiguur. Natuurlijk weet hij dat niet; zijn positie is precies die van de halfwas, tussen een verlammend cynisme en de lethargie enerzijds, en de bohème die met de ingrediënten van het aldus geleefde leven wordt geconstrueerd anderzijds: bijna zoiets als een wilsdaad waarmee het leven naast datgene wat op dat moment ‘de’ samenleving uitmaakt, wordt omgevormd tot iets dat ‘hoger’, ‘beter’ is, in ieder geval een andere, als uiterst waardevol beschouwde waarde gaat vertegenwoordigen.

    Het aardige van dit soort herkenning is de morele voldoening die het verschaft. Het pruttelend verzet tegen de rake typering van een generatie — een verzet dat in zekere zin onderdeel van die typering is — maakt dat je je thuis kunt voelen bij iets wat je tegelijkertijd verwerpt. En passant vrijwaart het je in dit geval ook nog eens van het censurerend geweten dat in herkenning de behagelijkheid van de zo verderfelijke conventie ontdekt . Dat laat zich in het geval van Dyer ook vertalen in een keurig literair oordeel. Het boek is niet helemaal conventioneel; het is alleen maar niet wild experimenteel. Het ziet nadrukkelijk af van een plot en voldoet zo aan de wetten van iconiciteit (want het gaat over levens zonder doel of richting), en elders staat in één van de soms ultrakorte hoofdstukjes: ‘This book is like an album of snaps.’ Je zou kunnen zeggen: zelfs literair gesproken neemt het boek de moeite niet om meer te zijn dan wat het beschrijft en waar de personages niet voorbij lijken te kunnen komen. Zo wordt het een keurig ‘realistisch’ boek dat de trucs en tics van het literaire realisme desalniettemin vermijdt: een soort aangepaste dwarsheid, of: dwarse aangepastheid, liever.

    En achter dat alles schuilt dan toch een auteur die naar heelheid verlangt, zo kun je uit de hoofdstukjes opmaken, een auteur die soms ongegeneerd sentimenteel is, aan zijn snapshots de duur van eeuwigheid zou willen geven, tussen in- en uitademen de tijd stil zou willen zetten opdat al dit richtingloze, doelloze, niet eens als dolce far niente beleefde, en wellicht alleen achteraf als paradijselijk te omschrijven Zijn, zich alsnog zou mogen handhaven tegen de onontkoombare vaststelling in dat het doelloze bestaan zich toch in de richting van de tijd heeft voortbewogen, verstreken tijd werd op weg naar iets, ondanks alles. Te vrezen valt dat dit ‘iets’ zich in laatste instantie wellicht alleen laat omschrijven als de gemiste kansen waaruit het leven heeft bestaan.

  • Pin it!

    Merkentrouw

    Gisteren was het even feest in krantenland, althans toch in De Morgen, de krant die ik — uit een merkentrouw waar ik me pas later die dag bewust van werd — elke ochtend lees. Een communicatiewetenschappper heeft, in wat dan onmiddellijk ‘een interessant doctoraat’ heet, vastgesteld dat journalisten veel minder macht hebben dan altijd aan hen wordt toegeschreven, door anderen of zelfs door henzelf. Dat, zo stelde Bart Eeckhout in zijn commentaar, mocht ‘goed nieuws voor journalisten’ heten.

    Merkwaardige reactie.

    Nu even afgezien van methodologische kwesties, die me bij onderzoeken als deze van het allergrootste belang lijken (hoe en wat is er precies onderzocht? wat is er buitenbeeld gelaten en om welke reden? op welke vragen is er precies antwoord gegeven en waarom niet op andere?) — nu even daarvan afgezien, lijkt er mij geen reden tot juichen wanneer een onderzoek aantoont dat je aan de leiband loopt van campagneleiders die voor willekeurig welke partij scenario’s bedenken om de betreffende man of vrouw verkocht te krijgen, en die dus de eerstverantwoordelijken zijn voor het wegmoffelen van achterliggende ideologie die toch de basis zou moeten vormen van datgene waarvoor de man of vrouw van een bepaalde partij staat. Bij Groen! zullen ze, tot en met de naamsverandering, allang door hebben dat bepaalde ideologische invalshoeken nauwelijks te verkopen zijn als kiezers in de allereerste plaats als consumenten worden benaderd (en zich maar al te graag op die manier láten benaderen natuurlijk). Ze koesteren, vanuit het marktdenken geredeneerd, domweg het verkeerde product, of het nu stoer ‘Groen!’ roept of met in deze tijd inderdaad wat treurig geworden referenties aan aaibaarheid, vegetarisme, naturisme, sandalisme en lage kappersrekeningen ‘A(nders)GA(an)LEV(en)’ heet.

    Je zou willen dat journalisten juist tegen die omstandigheid in het geweer zouden komen en niet zozeer, in een poging om dan toch kritisch te zijn, een door zijn campagneleider aan een helikopter te zwaaien gehangen Marc Verwilghen enkel zouden negeren (wat ze al evenmin doen, overigens). Ze zouden er nog beter in een andere helikopter naast kunnen gaan hangen om eens te informeren waar dit allemaal goed voor is, wat dit van doen heeft met de standpunten van zijn partij, bijvoorbeeld. Maar juist dat laatste gebeurt niet. Ze zitten namelijk gevangen in een enkel commerciële logica van vraag en aanbod — waarin, desgevraagd, ook politici zeggen te zitten (‘ik moet wel als Tarzan aan een helikopter gaan hangen, anders komen jullie niet’).

    Die knechting wordt door Eeckhout nu verkocht als iets positiefs. De onmacht van de media bestaat er (...) in dat “de” media niet bestaan, schrijft hij.

    Redacties van tv-zenders of kranten hebben andere missies en andere doelgroepen. In deze hyperconcurrentiële sector zijn de belangen vaak tegenstrijdig, wat verhindert dat media een macht zouden vormen om thema’s op de agenda te plaatsen. Dat hoeft niet te frustreren, omdat die onmacht ook voor onafhankelijkheid kan staan. De onafhankelijkheid om wat vaker neen te zeggen bijvoorbeeld als er weer een vicepremier de behoefte voelt in een helikopter over de Noordzee te vliegen.

    Dit commentaar lijkt me toch een zich — overigens ten onrechte — ‘onafhankelijk dagblad’ noemende krant onwaardig. Eeckhout beschikt over een wonderlijk woordenboek wanneer hij van onmacht onafhankelijkheid maakt (maar misschien is dat voor een krant die aan de leiband van de Persgroep loopt en zich, als gezegd, desalniettemin trots als onafhankelijk blijft afficheren onvermijdelijk). Hij zegt daarmee wel wat een oplettende lezer van welke krant dan ook maar natuurlijk allang doorhad: dat de onafhankelijkheid, of liever: de kleur van een krant uiteindelijk een vorm van ‘productplacement’ is. Goed (zij het ook weer niet al te goed) opgeleide, van oorsprong linkse, maar inmiddels toch ook in goeden doen gekomen, op restaurants, auto’s, meerdere (avontuurlijke) vakanties per jaar tuk zijnde weldenkende mensen vormen zo’n beetje de doelgroep van deze krant. En wie het hart van oorsprong of zelfs geheel tegen de geest van de tijd nog steeds links draagt, heeft in Vlaanderen eigenlijk geen alternatief als hij een krant wil lezen.

    Ik lees De Morgen uit merkentrouw, kortom, want ik kan wel denken dat ik aan de logica van de markt ontsnap — dat is natuurlijk geenszins het geval. Erger nog: misschien ben ik in zekere zin wel de lezer waarvan de snelle jongens dromen die ook bij die krant de dienst uitmaken — of dan toch één voorbeeld voor een attitude die ze willen verkopen, en die ze ook daadwerkelijk met succes verkopen, ondanks een huppelkutje als Renske de Graaf die over seks schrijft (maar ik kan me voorstellen dat mannen van zekere — kom niet flauw doen: juist míjn leeftijd bij zo’n meiske ‘de broek vol goesting’ krijgen, zoals dat geloof ik heet) en ondanks de bij wijze van divertissement gebrachte onzin op vele pagina’s. Zélfs ondanks het feit dat ook De Morgen ervoor kiest om groot uit te pakken met hoge veilingprijzen voor kunst en sowieso op cultureel gebied meermalen verkoopbaarheid boven kwaliteit laat gaan (dat wil zeggen: de commerciële logica als vooronderstelling bij kwaliteit hanteert (en vervolgens zegt dat niet te doen, natuurlijk)). En ik moet bekennen dat, bij alle bezwaren, mij een De Morgen-lezer op de trein altijd nog sympathieker is dan een volstrekte onbenul die in de Metro bladert, of erger nog, die Het Nieuwsblad of Het laatste nieuws zit te lezen, ook al heeft de vorige hoofdredacteur, nu (hoe zullen we dat eens noemen?) weggepromoveerd naar het glossy DM Magazine, zijn uiterste best gedaan om juist met die kranten te wedijveren (en niet met de van oudsher belangrijkste sparringpartner De Standaard).

    Kritiek loopt hier uiteindelijk altijd stuk op het extreme karakter dat ze van lieverlede aanneemt, want aan de basis van één en ander ligt het oude vertrouwde deuntje: ‘Overal hetzelfde liedje / ’t Is de schuld van ’t kapitaal’. Maak nog ’s een krant als Combat, zoals Camus die destijds in elkaar timmerde (een pagina of vijf, zes, meer was dat niet, maar wát voor pagina’s)... Het zal niet voor niets zijn dat Camus die krant verliet in 1947, toen het een commercieel blad werd. De macht die gelegen is in de onafhankelijkheid wordt bestraft met onzichtbaarheid — met wat vroeger de stencilmachine in de kelder of op zolder was (en het nu nog is: een hopeloos uit de mode geraakte icoon van een allang verdwenen ‘underground’). Maar toch, tussen het bejubelen van de eigen onmacht en het trachten om realisme en idealisme nog met elkaar te verzoenen — je in ieder geval bewust te blijven van de positie waarin je zit — gaapt een kloof die Eeckhouts commentaar van gisteren voor mij bedenkelijk maakt. Het is een te flagrante poging om nog maar eens de eigen verantwoordelijkheid te ontlopen in het scheppen van de werkelijkheid die men zegt enkel te verslaan. En vooral: een volledige overgave aan de werkelijkheid van de markt die elk verzet tegen haar vooronderstellingen blijkbaar effectief censureert.

    Intussen circuleert in de mailboxen een ‘Tweede open brief aan Peter Vandermeersch, algemene hoofdredacteur van De Standaard’, met als zowat alleszeggende titel: ‘De Standaard en het Duivelspact met het VB’ — dit alles met soms aan hysterie grenzende woede bij elkaar geschreven door Piet de Moor. De wat schrille toon van deze brief zal verband houden met het feit dat het de tweede brief betreft, en de eerste nooit werd beantwoord — die schreef De Moor op 30 mei naar aanleiding van het feit dat De Standaard een column van hem weigerde. Een dergelijke opsomming is natuurlijk meteen in het nadeel van de brievenschrijver die zich in wat dus uiteindelijk zijn derde schrijven is wat al te veel laat gaan tegenover de in een doctoraat, wellicht ook tot zijn genoegen als machteloos afgeschilderde hoofdredacteur.

    Toch, De Moor begon, hoewel tot op het alarmistische af bezorgd, toch nog tamelijk rustig in een ingezonden bijdrage waarin hij de bepleiters van de opheffing van het cordon sanitaire ernstig bekritiseert en een vergelijking maakt met de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog. Hij citeert bijvoorbeeld Sebastian Haffners Geschichte eines Deutschen – Die Erinnerungen 1914-1933:

    ‘Het was eenvoudig vermoeiend om te praten over welke van hun beweerde doelstellingen en plannen toch enigszins aannemelijk of op z’n minst ‘historisch gerechtvaardigd’ was, als het geheel zo stonk zoals het deed. Dat de nazi’s vijanden waren – voor mij en voor alles wat me dierbaar was –, daarin vergiste ik me geen moment. Waarin ik me echter volkomen vergiste, was hoe huiveringwekkend die vijanden zouden zijn. Ik neigde er destijds nog toe om hen niet helemaal serieus te nemen, een wijdverbreide instelling onder hun onervaren tegenstanders, die hen veel geholpen heeft en ook nu nog helpt.

    De boodschap is duidelijk: een ieder die voor opheffing van het cordon sanitaire pleit, maakt zich schuldig aan een onderschatting van het totalitarisme van het VB, en dat totalitarisme is immers het ware gezicht van die partij. Die schuld is des te zwaarder omdat juist de Tweede Wereldoorlog ons een les had moeten zijn.

    Goed, De Standaard besluit dit niet te plaatsen, hetgeen De Moor tot zijn eerste open brief brengt — en ook deze is nog in tamelijk rustige bewoordingen opgesteld. Hij wil vooral geen querulant lijken, schrijft hij, al vermeldt hij wel en passant dat DS aan iemand als de (inderdaad meer dan afffreuze) Dedecker alle ruimte geeft — iets wat mij bij de VRT ook verbaast: dat men dit stuk onbenul überhaupt serieus neemt als opiniemaker (en dan zwijg ik nog over de angsthazerij van de VLD waartoe Dedecker vooralsnog behoort); ik zou zeggen, dames en heren kranten- en tv-redacties, laat in al uw amechtige machteloosheid de man recht(s) voor zijn raap volkomen links liggen, en laten we dan nog eens zien of deze gesjeesde judo-coach ergens aan de bak komt; toegegeven, dat vereist een beetje moed, en dat is natuurlijk het probleem. Maar ook, in deze brief is er van meet af aan de ondertoon die in de tweede brief pas werkelijk luid wordt: dat het De Standaard zelf is die aan het VB de ruimte geeft die het, als kwaliteitskrant, een stelletje fascisten te allen tijde dient te onthouden. In zijn derde epistel schiet De Moor door naar redeneringen waarin hij DS een ‘desinformatiepolitiek’ verwijt op grond van het feit dat geen van de Vlaamse media (op een klein berichtje in het Belang van Limburg na, stelt hij, maar ook Het laatste nieuws berichtte erover) melding hebben gemaakt van het feit dat de Kamer een resolutie van het VB heeft aangenomen, waarin deze maant het einde van België in overweging te nemen. Die informatie haalt hij uit een opiniestuk van Geert Buelens in DM van 7 juni, en hij gebruikt dat stuk als springplank voor onder meer de redenering dat DS zich voorbereidt op een warme ontvangst van het VB als ze na de komende gemeenteraadsverkiezingen de (zoveelste) overwinning behaald zullen hebben.

    Nu is het feit dat Geerts bericht in DM stond uiteraard geen reden om die krant een pluim op de hoed te steken; ook de reguliere politieke redactie van die krant had van die resolutie géén melding gemaakt, en je kunt je afvragen of De Moor een soortgelijke brief naar DM gestuurd zou hebben als Buelens zijn opiniestuk toevallig in DS had gepubliceerd. Ik denk het niet. De Moor maakt zich zo kwaad omdat ook hij gehinderd wordt door ‘merkentrouw’: DS is blijkbaar zijn krant, en hij voelt zich als het ware door zijn eigen gemeenschap verraden.

    Nu denk ik zeker dat DS een bedenkelijke krant is geworden, vooral sinds Vandermeersch na de naamsverandering van Vlaams Blok in Vlaams Belang stelde dat het VB voor hem nu toch ook een ‘gewone’ partij onder de politieke partijen was geworden, en niet in de laatste plaats: ook vanwege het feit dat VuM al eerder besloot dat het advertenties van het, ondanks de naamsverandering nog onverminderd evident racistische, fascistische VB voortaan in haar kranten op te nemen (wat tot nu toe nog maar één keer gebeurde, geloof ik). Geld is geld, zullen ze gedacht hebben, en het ‘gezonde economische redeneren’ heeft nog nooit halt gehouden voor een paar doden meer of minder. (Terwijl onpraktische geesten van mijn soort er voortaan moeite mee hebben om voor DS te schrijven en er geld van te ontvangen, want ongeacht het gezegde: geld stinkt wel degelijk). Maar in deze kwestie moet je toch zeggen dat De Moor misschien net de radicaal verkeerde weg bewandelt — wellicht hysterisch geworden door het stugge zwijgen van de hoofdredactie van DS (net als in de literatuur leidt doodzwijgen tot een steeds groter extremisme), wellicht al op voorhand meer en meer van de kook door het feit dat nu bijna 30% van kiesgerechtigd Vlaanderen tot het achterlijke, achterbakse volksdeel hoort dat men zijn stemrecht zou moeten ontnemen, en waarvan wellicht 90% niet eens zou gaan stemmen als dat recht hier niet in een stemplicht vertaald was.

    Enfin, ja, er was veel reden tot juichen, gisteren in krantenland…

  • Pin it!

    Literatuur heeft geen kwaliteit

    Een poging gedaan mijn achterstand webloglezen wat in te lopen — een hopeloze bezigheid — en daarbij gestuit op een aardige discussie op Poëzienotities van 10 juni jongstleden. De inzet is maar weer eens ‘kwaliteit’, ‘objectiviteit’ en nog zo wat in die context vaak opduikende begrippen (zoals ‘de canon’). Nu huldig ik in dat opzicht al geruime tijd de opvatting dat, ten eerste: poëzie of proza, een dichtbundel of een roman géén kwaliteit heeft, en ten tweede: dat objectiviteit niet bestaat. Het maakt niet uit om welke dichtbundel of roman het gaat — van een met het boek gegeven kwaliteit is geen sprake. ‘Goed’ gemaakte boeken of gedichten werden heel vroeger door Robert Anker al eens ‘analysebestendig’ genoemd, en daarmee bedoelde hij dat ze volgens (vooral) de merlinistische opvattingen wellicht goed in elkaar zaten, zich dientengevolge ook heel goed weer tot in hun onderdelen uit elkaar lieten schroeven, maar dat daarmee nog bepaald geen antwoord was gegeven op de vraag of het hier nu om een ‘goed’ boek of gedicht ging. En ik herinner me dat Jos Joosten me ooit vertelde dat hij met zijn studenten in Utrecht heel graag eens een gedicht van Enquist las omdat je daarmee zo ontzettend veel poëtische verschijnselen kon laten zien — ook al vond hij die poëzie zelf waardeloos.

    In de redactie van yang — en ik neem aan in wel meer redacties — worden gedichten afgewezen waarvan je beslist niet kunt zeggen dat ze geen... kwaliteit hebben. Maar ‘wij’ moeten ze niet (een ‘wij’ dat soms ten koste van een blauw oog staande wordt gehouden). Anders gezegd: voor ons hebben ze géén kwaliteit. Wat kwaliteit heeft en wat niet, dat maken wij wel uit, zo heb ik ook ooit bepaald onbescheiden in naam van de voltallige redactie (die er niet was en niet kon protesteren tegen zoveel verwatenheid) op een samenscholing in Amsterdam gezegd, en zo is het ook. Kwaliteit is iets wat je aan literaire teksten (om het daar even bij te houden) toekent, en je doet dat op basis van bepaalde vooronderstellingen over aard, functie en middelen van de literatuur — kortweg: op grond van een poëtica.

    Er zijn mensen die bij dat woord onmiddellijk beginnen te kreunen van ellende, of zelfs blind van woede worden, maar dat is meestal vanwege het feit dat ze niet bereid zijn om hun eigen vooronderstellingen te expliciteren (zo ze al in de gaten hebben dat ze er die op nahouden) en liever een met goochelaarsgebaren begeleide vaagheid decreteren die bij nadere beschouwing maar al te vaak neerkomt op weinig anders dan hun eigen particuliere smaak, die ze uiteraard — vanwege het particuliere karakter ervan (uitgedrukt in onsterfelijke zinsneden als: ‘nou, ik vind dat gewoon zo...’) — op geen enkele manier wensen te legitimeren.



    Misschien dat de afschuw voor het woord ‘poëtica’ iets te maken heeft met de misvatting dat het daarbij gaat om een vastomlijnde hoeveelheid regels die je voorschrijven hoe je moet schrijven. Maar dat is een wel heel erg klassieke en achterhaalde invulling van het begrip, één die al minstens eind achttiende eeuw onder vuur lag (de strijd tussen de neo-classicisten en de romantici) en die sinds het begin van de negentiende eeuw door geen zichzelf serieus nemende schrijver nog verdedigd is. In onze — laten we voor het gemak (hoewel?) maar even zeggen: postmoderne tijden is een poëtica al helemaal niet meer iets wat vooraf lijkt te bestaan; ze ontstaat achteraf (ook weer niet helemaal natuurlijk, maar omwille van de duidelijkheid is deze formulering nog het beste).

    Wie het over kwaliteit wil hebben, moet bereid zijn om zijn eigen oordelen te legitimeren, zo eenvoudig is het eigenlijk. En hij moet dat des te meer naarmate die oordelen op een publieke plaats worden geformuleerd. Maar dan moet hij ook niet bang zijn om toe te geven dat hij zich met zijn oordelen in een strijdperk begeeft waarin de centrale vraag luidt: wat is literatuur? Lees: wat wil ik dat literatuur is. Nog iets anders geformuleerd: wat moet literatuur (volgens mij) zijn.

    In de discussie op Poëzienotities zie ik aan de kant van degenen die net als ik objectiviteit en kwaliteit als boven de tijd zwevende noties afwijzen, toch ook een soort koudwatervrees voor de machtsstrijd die daar achter weg komt. Alsof het ontmaskeren van de beperktheid van de door anderen gehanteerde concepten je zelf voor beperkte concepten zou vrijwaren. Of dat het zelfs maar wenselijk zou zijn dat überhaupt te willen. Hoe was het ook alweer? In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister. En dat meesterschap toont zich des te meer naarmate de beperking het aanzien krijgt van iets onoverkomelijks (of waarom een streekroman als Het verdriet van België wereldliteratuur is). Anders gezegd: mijn opvatting van literatuur is in het licht van een goddelijk opperwezen (altijd de verzwegen derde bij furieuze verlichters) misschien uiterst beperkt, maar het is een beperktheid waarvoor ik sta en die ik, waar ik maar kan, wil laten botsen met de beperktheden van anderen, zowel uit nobele (het welzijn der mensheid) als uit bepaald minder nobele motieven (het eigen welbehagen).

    Ik bedoel: in de discussies zie ik verstandige mensen alweer het idee dat een ‘canon’ mogelijk zou zijn, met de grond gelijk maken. Daar schieten we niet veel mee op, lijkt me. Natuurlijk is ‘de’ canon een afspiegeling van — voor mijn part — race, milieu, moment, maar juist daarom is de discussie erover van wezensbelang — al was het maar om ‘de’ literatuur (d.i. de in een gegeven tijd als dominant te beschouwen invulling van dat begrip (oftewel: de canon dus)) niet uit handen te geven aan hen die menen dat ze er geen poëtica op nahouden en dat alles een kwestie van enkel aanvoelen is.

    Toegegeven, het is natuurlijk niet eenvoudig, en zeker niet prettig om aan jezelf te moeten bekennen dat je ruimdenkendheid een vorm van preken voor eigen parochie is, voor de kleine of iets minder kleine gemeenschap waarvan je de waarden deelt, en de opvattingen over wat kwaliteit heeft en wat niet, de gemeenschap waartoe je wilt behoren, en die je, alle ruimdenkendheid ten spijt, van ‘vreemde smetten’ zou willen vrijwaren.

  • Pin it!

    Klasse



    Vanaf donderdagavond tot heden in receptionele, gastronomische of anderzins feestelijke sferen vertoefd — gaande van een samenscholing van Meulenhoff/Manteau, waar ik samen met H. en Jeroen T. naar toe trok omdat die samenscholing er nu eenmaal was, tot een huwelijk op vrijdagochtend dat zich tot en met zaterdag voortzette in een kasteeltje in Noord-Frankrijk — het soort chic dat eigenlijk aan mij niet besteed is (en aan niemand van het bescheiden gezelschap), iets wat zodanig opvalt dat men al snel het gevoel krijgt dat het tot in het onverdraaglijke gedienstige personeel op je neerkijkt terwijl, of liever: juist omdat het zo serviel blijft. Er is een vorm van dienstbaarheid die toch beledigend is voor degene die bediend wordt omdat de bediening pijnlijk precies, bij iedere rechtgelegde vork, bij elk weggepinkt pluisje, duidelijk maakt dat men zelfs de meest elementaire vorm van beschaving mist. En dat terwijl bijvoorbeeld de sommelier van dienst het uiterlijk had van een Frans jongmens dat na gedane arbeid in een boomcar met veel spoilers en verlaagd chassis door de landelijke omgeving zou gaan crossen aan een veel te hoge snelheid — wellicht om zo al die beschaving van hem af te schudden.

    Maar althans ik begon waarschijnlijk al bij aankomst helemaal verkeerd door het personeel dat mij als een schaduw naar mijn, zo bleek me op de parkeerplaats, veel te goedkope auto was gevolgd meteen buitenspel te zetten omdat ik weigerde hen mijn bagage te laten dragen. Mijn bagage kon, in plaats van op zo’n uit mooi opgewreven koperen stangen vervaardigde bagagekarretje op wieltjes, uitstekend op de meegezeulde buggy van Emma worden gestapeld, vond ik zelf, ook al wiebelde en schoof het vervaarlijk bij binnenkomst en was mijn entree dientengevolge bepaald onwaardig. Uit de blikken die er dan geworpen worden — en ik verbeeld me dat die wérkelijk worden geworpen en niet dat die een constructie van mijzelf zijn (zo ingewikkeld is het dan ook wel weer: het vermoeden niet te behoren tot de klasse waartoe men in dergelijke gelegenheden dient te behoren, maakt dat men zijn eigen minderwaardigheid projecteert op het personeel die het dan als oordeel terugkaatst) — uit die blikken maak ik op dat ik niet op mijn plaats ben, iets wat me er dan meestal toe brengt de rol van ongelikte beer met nog wat meer verve te spelen. Dit keer heb ik me ingehouden, al was ook dat tegen de etiquette vrees ik (iedere keer ‘merci’ zeggen als je water- of wijnglas wordt bijgevuld, bijvoorbeeld, terwijl dat, lijkt me, iets is wat je met een air van vanzelfsprekendheid moet laten passeren).

    Dan was de samenscholing donderdagavond heel wat ongedwongener. Van een aantal kanten werd ik natuurlijk bestraffend toegesproken over mijn Naegels-stuk (klik op yang, archief & teksten, 2006, 1 en in de inhoudstafel op het betreffende artikel), waaraan ook in de laatste Knack gerefereerd zou zijn, zei iemand (ik zag het nog niet), maar meestal bleef dat in de sfeer van het al te persoonlijke: alsof ik Naegels persoonlijk onheus bejegend zou hebben. Ik sluit niet uit dat hij zich persoonlijk beledigd voelt, maar toch heb ik het, met alle reserve’s waarover ik het eerder al had, vooral over een kwestie willen hebben — en hoewel ik allang weet dat het daarover in het kippenhok van de letteren bijna nooit gaat, ben ik altijd weer wat teleurgesteld wanneer juist dat niet wordt opgepikt. Of wanneer er op de vreemdste manieren op wordt gereageerd: dat Los niet, zoals ik min of meer beweer, pretendeert om ‘de werkelijkheid’ weer te geven, bijvoorbeeld, omdat de beschreven gebeurtenissen niet helemaal corresponderen met hoe het ‘echt’ was. Ten eerste: toch voor een erg groot deel; ten tweede: de auteur zelf gaf buiten zijn boek om te kennen dat ‘echtheid’ toch wel zijn bedoeling was; ten derde: wat is er ‘echt’ gebeurd? Is literatuur er niet ook vooral om je bewust te maken van het feit dat de werkelijkheid van de werkelijkheid een kwestie is van weergave en dus van vormgeving? Wie enkel journalistiek bezig is, doet het wellicht af als filosofie (en dat is in die kringen meestal irritant), maar wie literair bezig is, weet dat ook de journalistiek de werkelijkheid creëert, en niet enkel weergeeft ‘zoals zij is’ (een platitude, denk ik altijd, maar toch...) Daarbij: het blijft merkwaardig zelfs een journalistieke schrijver als Naegels iets te horen beweren over ‘normale’ verhalen voor ‘normale’ mensen als hij het tegelijkertijd over de kwestie van de multiculturaliteit wil hebben. Die kwestie stelt wat ‘normaal’ is nu juist voortdurend ter discussie. En dan: had hij dat ‘normale’ in zijn boek maar op de spits gedreven — dan zouden we nog eens wat gelezen hebben! Nee, autobio- of voor mijn part semi-autobiografisch zou het dan niet meer geweest zijn (of tot schrik van de auteur misschien juist wel), maar in mijn ogen was het dan effectiever geweest in wat het wil laten zien dan het nu voor mij kan zijn.

    Enfin, het ligt natuurlijk voor de hand dat wanneer men een succesauteur kritisch bejegent, men zelf onmiddellijk in het defensief wordt gedwongen — heel vaak overigens met het impliciete verwijt dat men maar moeilijk doet en dat het hier toch gewoon om een leuk boekje gaat. En ook: dat men wel jaloers zal zijn. Daarmee wordt de kritiek monddood, of in ieder geval verdacht gemaakt — niet zelden door mensen die tegelijkertijd pretenderen heel erg kritisch te zijn. Dat is te betreuren.

    Ik bleef die avond wat dat aangaat overigens niet helemaal op mijn honger zitten. Ik sprak met iemand van de uitgeverij die het onderscheid tussen het één en het ander heel goed wist te maken en die op een verfrissende manier de noodzaak tot zakelijkheid en het verlangen toch literair te blijven denken met elkaar wist te verenigen. Natuurlijk dreigt in een dergelijk gesprek altijd de ‘postnostalgie’, zoals Marc Kregting dat zo mooi noemde (het nostalgisch terugverwijzen naar een vroeger-toen-alles-beter-was staat al op voorhand in het teken van de ironie: een ‘kijk-mij-eens-nostalgisch-zijn-maar-ik-weet-heus-wel-beter’), of, misschien net iets beter: heuse nostalgie. Voor mij staat het in ieder geval in het verlengde van een haast onwerelds geworden verlangen naar een discussie die niet al op voorhand, vanwege macro-economische en globalistische werkelijkheden, als niet terzake doende wordt afgeserveerd. Die discussie speelde zich na de samenscholing in een restaurant dan toch even af, al werd daar door sommige aanwezigen ook met dromerige blik over auto’s van de zaak gesproken, over Audi’s en BMW’s, en over het kleine schandaal dat één van de werkgevers had gemeend een tafelgenoot aanvankelijk met een Renaultje af te kunnen schepen. Het was alvast een voorsmaakje van hetgeen ik op de parkeerplaats van dat Franse kasteel ervoer: ik rijd in een soepblik op wielen — en soms kan me dat ineens nog wat schelen ook, al beweer ik desgevraagd manmoedig van niet.

    Er bestaat niet slechts één beeld van het zelf; daarvoor zijn er veel te veel anderen wier (vreemde) ogen dwingen. Zo wordt naar aanleiding van hetgeen ik afgelopen week schreef betwijfeld of ik wel schrijver werd ‘om aan een carrière te ontkomen’ (zie de reacties bij 15 juni hieronder). Als was het een negatieve keuze. Negatief was die keuze alleen voor zover het de ontkenning wilde zijn van een door reaganomics en thatcherisme bepaalde werkelijkheid (terzijde: vorig jaar werd Reagan tot de grootste Amerikaan aller tijden uitgeroepen…). Het was een negatie die zijn ruige kant kende (‘no future’, punk), althans voor zover die beweging niet al onmiddellijk werd gerecupereerd (de modeshows in Parijs waar de modellen al snel met een veiligheidsspeld door de neus in artistiek gescheurde kledij (ook al spoedig gescheurd en wel als nieuw te koop in warenhuizen als C&A en P&C) de catwalk opkwamen); maar er was ook de artistieke kant: de enscenering van de bohème, zo zou je kunnen zeggen (en daarover heeft Dyer het in zijn verhaal vooral), met alle idealisme en ideologie die daarbij hoort. De in feite huizenhoge idealen van het schrijverschap verdroegen zich niet met een wereld die in toenemende mate door carrièredwang werd geregeerd. In die zin was de negatie niet negatief, maar een vorm van compromisloos willen zijn, een eigen waardensysteem dus ook, dat zichzelf duizendmaal beter achtte dan de werkelijke wereld daarbuiten.

    Ik denk dat het onmiskenbaar is dat ik — door schade en schande wijs geworden, zoals dat dan heet — die aspiraties inmiddels wat heb bijgesteld, zoals wordt gesuggereerd, maar daarom nog niet opgegeven. Ik ben wat pragmatischer geworden als het gaat om de haalbaarheid van een dergelijk ideaal, en besef dat ik mijn eigen 'bohemienschap' betaal met, als ik afga op generatiegenoten die bakzeil haalden of op nog veel jongere mensen die al onmiddellijk pragmatisch redeneerden, bijvoorbeeld een veel te goedkope auto, weinig sociale status, en zelfs een geringe literaire status omdat ik, schrijvend wat ik nu eenmaal schrijf, blijkbaar niet schrijf wat men schrijven moet als men als schrijver werkelijk een schrijverscarrière hebben wil (in termen van, alweer, Kregting: een auteur met een A-status wil zijn). ‘Ooit of nog steeds moet u ernaar verlangd hebben om in de canon te worden opgenomen,’ schrijft mijn criticaster. Maar natuurlijk! Als de belangrijkste schrijver van mijn generatie zelfs! Voorlopig constateer ik dat ik in die canon een voetnoot ben (cf. Brems, Vaessens etc.). Daar legt niemand zich bij neer, natuurlijk, maar mijn meer pragmatische kant stelt vast dat dat qua ‘carrière’ nog niets eens zó slecht is… Dat lijkt bescheidenheid, maar vergis u niet: het is de springplank voor een zalige arrogantie — waarop ik niet aangesproken wens te worden natuurlijk…!

  • Pin it!

    80 & beyond

    Langer, veel langer gezeten aan een vertaling dan ik had gedacht. Vroeger leerde men je om te denken in de vreemde taal die je aan het leren was, en niet alles te relateren aan je moedertaal, maar voor vertalen is dat niet de aangewezen methode. Je stuit op allerlei volstrekt vanzelfsprekende woorden en, vooral, uitdrukkingen en zit enige tijd met de mond vol tanden op zoek naar een Nederlandse equivalent. Voeg daarbij onvertaalbaarheden, zelfs in de relatief rechttoe-rechtaan tekst die ik onderhanden had — een verhaal van Geoff Dyer — en een mens zit uren te kauwen op een zinnetje waar hij dacht in diezelfde tijd de hele tekst wel zo ongeveer te kunnen vertalen. Gebrek aan ervaring zal ook een rol hebben gespeeld.

    De tekst van Dyer maakt me overigens niet erg vrolijk, juist vanwege de herkenbaarheid ervan: de jaren tachtig, toen er, zoals hij het verwoordt, bij mensen als ik nog een duidelijk onderscheid bestond tussen aspiratie en ambitie. Van dat laatste was weinig te bespeuren; van dat eerste des te meer. Een goede vriend van mij, die ik inzake literatuur en intelligentie hoger inschatte dan mijzelf, besloot drie maanden voor het einde van zijn universitaire studie dat hij zijn thesis over Van Ostaijen niet ging afschrijven, dook het band-leven in (waarvan ik een blauwe maandag — één jaar, om precies te zijn — als zanger ook deel had uitgemaakt (Motown, Stones, Rockabilly (Stray Cats, Robert Gordon)), en verdiende zijn geld door als kok in een Mexicaans restaurant te gaan werken. Misschien werkt hij daar nog. Later hoorde ik dat hij mijn intrede in de literatuur als een bevestiging zag van mijn overambitieuze natuur — en nu, jaren nadat ik hem voor het laatst zag, wil ik hem er nog steeds van overtuigen dat daarvan geen sprake is. Ik ben, zoals Dyer het formuleert, schrijver geworden om aan een carrière te ontkomen en heb het schrijven nooit als carrière gezien, zoals, schrijft Dyer, de generatie na hem bleek te doen (‘Thatcher’s children’, noemt hij ze).

    Ver van mij mijn lot te beklagen, maar nu op middelbare leeftijd gekomen (het is puur het getal dat mijn leeftijd vormt, die me tot die bekentenis dwingt) en de opsomming lezend die Dyer geeft van wat er waarschijnlijk met al die mensen is gebeurd die hij in het midden van de jaren tachtig kende en waarmee hij zich verwant voelde, overvalt me toch de triestheid die kenmerkend is voor teleurstelling, misschien zelfs — ik ben niet zeker — een mate van bitterheid over al het onvervulde. Het is een kwestie van focus, meer niet. Maar een feit is dat voor veel nu een actieve wilsdaad van geloof nodig is, waar vroeger het geloof als het ware gegeven was. En dat heeft ook te maken met wat Dyer schrijft over de last van het te veel aan vrijheid waaronder hij in toenemende mate begint te... lijden. Ik ken mensen die er korte metten mee zouden willen maken — misschien terecht.

    Hoe dan ook: de vertaling van Dyers tekst kostte veel tijd en is bedoeld voor het komende yang-nummer, waaraan alweer koortsachtig wordt gewerkt. Ik wil nog proberen voor dat nummer over Thomas Vaessens recent verschenen Ongerijmd succes te schrijven, over ‘poëzie in een onpoëtische tijd’, zoals de ondertitel luidt. Uiteraard sluit dat aan bij wat ik hier al eerder over de noodzaak voor een nieuw paradigma voor literatuurgeschiedschrijving heb geschreven, bij Vaessens’ inaugurele rede, het stuk van Heumakers in de laatste Literatuur-bijlage van De Groene Amsterdammer. Ik weet echter niet of ik het nog voor elkaar krijg voordat het nummer dringend, dringend naar vormgeving en drukker moet. Ik wil het ook niet afraffelen. Zeker niet omdat ik tegenover Vaessens’ bedenkingen niet onwelwillend sta, maar er tegelijkertijd toch ook het nodige op heb af te dingen.


    Dat zal ook Kees ’t Hart doen in De groene (van deze week misschien? hij stuurde me zijn stuk alvast), en hij merkt in ieder geval al een ding op dat ook al één van mijn bedenkingen was: dat de constatering dat er geen algemeen geaccepteerd ‘centrum’ meer zou zijn van waaruit poëzie ‘gedefinieerd’ wordt, misschien toch een vertekening is. Het is waar: op het internet wemelt het van de sites van dichters die voor zichzelf zijn begonnen, wat in heel veel gevallen dan toch neerkomt op verskunst volgens kloosiaans model: rammelende, soms rammelend rijmende versjes over de zieleroerselen van de ‘dichtert’ in kwestie, meestal uitlopend op juist de allerergste clichés. Daarnaast — en dat is bepalend — veel giftig commentaar op de ‘officiële’ poëziekritiek die hun gevoelvolle versjes maar blijft negeren.

    Dit laatste betekent dat op het internet vooral dat contingent verzenbakkers te vinden is dat zich voorheen behielp met in eigen beheer uitgegeven dichtbundels, die ook al in eigen beheer werden vertaald (met een voorkeur voor Oost-Europese landen), en op obscure poëziefestivals ten gehore werden gebracht. Ik ben ooit — in Leuven — lang lang geleden eens in zo’n gezelschap verzeild geraakt en moest er na mijn voorleesbeurt eindeloos bladeren in een soort ‘poesiealbums’ (zoals het in het Nederlands wordt genoemd; Vlaamse meisjes met zo’n fraai boekje vol roerende teksten van tante Greet — ‘je kunt wel zien aan mijn pen / dat ik geen schrijver ben’ — en prachtige bloemige plakplaatjes of tekeningen noemen dat heroïsch gewoon een heus ‘poëziealbum’, zo wist H. me, een beetje verontwaardigd over mijn dédain, te vertellen). Het zijn juist deze hobbypoëten — vaak overlopend van pretenties — die blijven refereren aan een centrum waartoe ze tot hun olympische ongenoegen maar niet worden gerekend (zoals ze ook meestal van het Fonds voor de letteren nul op rekest krijgen als ze pogen voor hun boekjes een subsidie binnen te rijven). In die zin is de bloei van het genre op internet op zich geen bewijs voor het ontbreken van een ‘officiële’ poëzie. Hetzelfde geldt overigens voor de zogeheten ‘performance’-poëzie — iets wat ik nooit goed begrepen heb, want die heeft immers nog andere troeven, en ik zou als heuse performance-dichter juist geen enkele behoefte voelen om tot die zo statische ‘officiële’ poëzie gerekend te worden.

    Intussen had ik eindelijk tijd om Kees’ laatste roman te lezen, De krokodil van Manhattan, en hoewel ik al eens heb geschreven dat Kees een auteur is die zich van mij niet al te zeer mag ontwikkelen, was ik na De revue en Ter navolging toch nog wat verrast een zo... zo ‘klassieke’ Kees te lezen. Dit is weer volledig wat je — volstrekt positief bedoeld — grandioos geouwehoer zou kunnen noemen, en dat dan altijd weer met die dubbele bodem die maakt dat datgene waarover je vanwege de evidente parodistische humor in de lach schiet tegelijkertijd een uitermate tragische lading heeft. Ik ken geen auteur die dat zo goed kan, die zo klassiek clownesk kan zijn, die het onbegrip van de wereld dat maakt dat wij als toeschouwers om zijn strapatzen lachen tegelijkertijd als bron van wanhoop en verdriet weet weer te geven. Daarbij bevat het boek een fantastisch gedicht dat, zo melden de aantekeningen achterin, geheel is samengesteld uit zinnen van Robert Graves, Alfred Tennyson en Wallace Stevens en is het hilarisch in zijn eindeloze gelul over kunstonderwijs — met weer een paar typische Kees-woorden. We kenden van hem al het ‘ervaringsoverschot’ en het ‘sokkelprobleem’, maar nu heeft hij ook de ‘talentverdoezeling’ uitgevonden, en nog zo wat. Hoog niveau, kortom, en daarbij een boek dat ongetwijfeld zorgt voor een scheiding van geesten. Mensen die graag iets van literatuur zouden willen ‘leren’, komen hier bedrogen uit en worden ongetwijfeld gehinderd door het eindeloze gezaag en gezeur waaruit het dan plotseling uitsluitend lijkt te bestaan. Maar ook mensen met meer postmoderne sympathieën zouden hier teleurgesteld kunnen raken, want daarvoor is dit boek dan weer te... te ‘gewoontjes’, zeg maar.

    Over iets willen leren van literatuur gesproken: in de kolommen van de opiniepagina’s van De Morgen is een kleine discussie ontstaan over de door DM aangeboden boekenreeks: ‘chicklit’ — criant vervelende, mij brullend onverschillig latende kutliteratuur voor vrouwen als gedefinieerd door juist die kutliteratuur zelf. Ene Helena de Groot heeft de euvele moed gehad er De Morgen, die immers prat gaat op zijn brede kijk, op te wijzen dat het voor een kwaliteitskrant eigenlijk geen pas geeft dergelijke, ook nog eens volstrekt rolbevestigende rotzooi aan te bieden. Bravo! Uiteraard krijgt die mevrouw er vandaag van langs van heel erg breed denkende intellectueeltjes die haar ei zo na het elitisme verwijten dat altijd al op de lippen ligt van iedereen die zich bij die krant (of welke andere krant dan ook maar (over tv zwijgen we beter maar helemaal)) met cultuur bezighoudt. Maar ze heeft gewoon gelijk. En al diegenen die haar verwijten dat ze geen oog heeft voor diversiteit, leven in wel een heel vreemde wereld: alsof juist het aanbieden van ‘Sex & The City’ en andere kutliteratuur niet juist de zoveelste monoculturele manoeuvre is van een krant die haar eigen slogan (‘een open geest beleeft meer’) op dit punt telkenmale geweld aandoet.

    Zo bezien zou je zeggen dat ik de jaren tachtig-dwarsheid — per saldo een andere dan die uit de sixties — nog steeds niet helemaal heb afgelegd...