• Pin it!

    Franzobel

    Eindelijk viel vanochtend de nieuwe yang op de mat, nadat ik vorige week maandag al bij het bedrijf dat onze nummers adresseert en verstuurt had aangedrongen op onmiddellijke verzending. Enfin, het bevat een dossier over ‘stotteren’, en we zullen dan maar zeggen dat deze jaargang stotterend uit de startblokken is gegaan. Geef me nog een dag of wat en ik heb de vertraging omgevormd tot een bewuste strategie naar onze lezers toe.

    Gisterenavond in Brussel Franzobel geïnterviewd, al leek het er heel even op dat er van het interview niet veel meer terecht zou komen. Er was met hem afgesproken dat hij vooraf het nodige zou lezen, maar dat lezen liep uit tot ruim drie kwartier, waarbij met name naar het einde van zijn voordracht toe de aandacht van de zaal wat verslapte — niet omdat hij te saai voorlas of iets dergelijks, maar het was gewoon iets te lang. Ik had daarna de wat ondankbaar geworden taak nog een gesprek op gang te trekken, en het was tijdens het gesprek dat ik begon te vermoeden waarom Franzobel zolang gelezen had. In tegenstelling tot wat ik op grond van op het internet teruggevonden interviews verwachtte, was hij niet werkelijk bereid om in mijn vraagstelling mee te gaan.

    Opvallend aan Oostenrijkse schrijvers die wij van belang achten, is hun aan haat grenzende afkeer van Oostenrijk zelf. Denk aan Jelinek. Denk aan de Wiener Gruppe, waaraan Franzobel overigens zeker schatplichtig is. Denk aan Thomas Bernhard. Bij Franzobel is dat dus niet anders. Over Scala Santa (2000) schreef de kritiek, en niet ten onrechte: ‘Es sind monströse, an Otto Dix erinnernde Speck- uns Schmähgestalten aus dem kleinbürgerliche-katholizistischen Wiener Milieu, in den die dumpfe Gewalt, die Sünde und eine alles verzehrende Sexualität blüht’. Voorts:‘Eine bizarre Parodie auf die pregnanten Wesenszüge des österreichischen Spießers’ en ook nog: ‘Ein Buch über den Österreicher ganz privat, den netten Alltagsfaschisten von nebenan.’ Over Lusthaus (2002) schreef één recensent dat Franzobel zijn ‘Kunst in den Dienst des Ekels vor der österreichischen Kleinbürgerseele gestellt’ heeft, en spreekt inderdaad onomwonden over ‘haß’ tegen Oostenrijk en de Oostenrijkers — met ook hier weer op de achtergrond die ‘Alltagsfaschisten’ die er blijkbaar op elke bergtop, in elk dal, in ieder dorp en iedere stad nog steeds de dienst uitmaakt. Voeg daarbij dat de boeken die ik in de relatief korte tijd die ik ter voorbereiding had wél kon lezen zich vooral kenmerken door een volledig uit zijn voegen tredende taal, door exces en overdrijving, door stilistische exercities, neologismen — Franzobel is zowel een ‘Sprachderwisch’ als een ‘Sprachanarchist’ genoemd — en uiteraard kwam bij mij de gedachte op — ook al door zijn verwantschap met de auteurs van de Wiener Gruppe — hier met een klassiek geval van avant-gardisme te maken te hebben. In ieder geval met een auteur die zijn eigen literatuur ziet als een mogelijkheid tot kritiek op de samenleving, en op zijn minst hoopt een soort ‘gevaarlijk schrijven’ te beoefenen.

    Dat was de vooronderstelling van waaruit ik mijn eerste vragen begon te stellen, en die hadden betrekking op de soms wel erg de spuigaten uitlopende horror die Franzobel in zijn boeken opvoert om een zeker schokeffect bij zijn lezers, bij die ‘nette Alltagsfaschisten’ en ‘Spießer’ teweeg te brengen. Om daarvan een kleine indruk te geven. In Scala Santa vindt men bijvoorbeeld iemand die met dode vrouwen neukt; een oom die tijdens een begrafenismaal in de toiletten zijn nichtje verkracht; er is de man die zijn vrouw vermoordt en haar vervolgens met de gehaktmolen (‘Fleischwolf’ in het Duits; ze zijn onverbeterlijk die Teutonen) vermaalt, maar niet nadat hij eerst nog met het op bestiale wijze verminkte lichaam copuleert; dan, in het lichtere genre: twee vrouwelijke Jehovagetuigen die zich door een bierbuik laten verleiden om er op die manier achter te komen dat seks een mens de nodige vreugde schenkt, waarop ze een reuzendildo kopen die dan later weer op onverklaarbare wijze in een van beiden geheel en al verdwijnt.

    Mij niet gelaten, zoals dat hier heet, maar bij een dergelijke opeenstapeling van gruwel en overdrijving (want het gaat maar door en door) begint een en ander toch zijn intensiteit te verliezen — en wat ik uiteindelijk wilde weten was of deze shock & awe iets te maken zou kunnen hebben met mogelijk de wanhoop over de onmogelijkheid om vandaag de dag met literatuur dat te bereiken wat men wil, de onmogelijkheid van literatuur als kritisch instrument überhaupt. Aanknopend bij het avant-gardisme van de Wiener Gruppe vroeg ik me onder meer af of een dergelijk engagement niet inmiddels een puur esthetisch aangelegenheid geworden was: het naspelen van opstand en revolutie in de context van markt en media die de artistieke opstandigheid als product heiligen, maar er tegelijkertijd elke realiteit aan ontnemen. En is dan het opbieden in gruwel wel de juiste literaire strategie om dat cynisme te bestrijden (op de achtergrond: is Sloterdijks hondse ‘kynisme’ als antwoord op het cynisme waarin het ontmaskeringsdenken vastgelopen zou zijn, uiteindelijk niet ook zelf verworden tot een cynisch meta-meta van waaruit Sloterdijk tegenwoordig de wereld en het gewemel der mensen beziet? Ik had het daar recent nog met JT over, die zoiets ontdekt in Sloterdijks Het kristalpaleis).

    Ik stelde mijn vragen wel, maar kreeg meteen vanaf het begin nul op rekest. In de eerste plaats was er aan wat hij aan horror beschreef niet zo veel overdreven of verzonnen, meende hij, en hij gaf nog een paar voorbeelden uit de krant, dat van een man die zijn vrouw vermoordde en haar in stukken gesneden lijk in vuilniszakken over de grens smokkelde, bijvoorbeeld. Daartegen had ik natuurlijk geen verweer, maar als deel van een welbewuste literaire compositie, in combinatie met een meer politiek te begrijpen afkeer van Oostenrijk, de impliciete en ook vaak expliciet gemaakte verbinding met alledaags, onalledaags en historisch fascisme — het leek me toch meer te zijn dan een beschrijving van wat nu eenmaal gebeurt in het leven. Ook op die politieke betekenis van zijn schrijverij wilde hij niet echt ingaan, en hij wekte zelfs even de indruk dat er hem voor de eerste keer naar werd gevraagd. Hij zei slechts dat het excessieve in de mens hem buitengewoon interesseerde. Een gevalletje van sublimiteit dus, dacht ik, maar tegelijkertijd leek me deze hele kwestie iets waarover hij liever niet wilde praten. Ik had het gevoel daarover niet door te moeten vragen, ook al omdat ik van het vele dat hij schreef onvoldoende had kunnen lezen.



    Maar de ontkenning van een en ander fascineerde me wel, zoals ook zijn wat verlegen schouderophalen bij mijn suggestie dat zoveel in Oostenrijk geïnvesteerde energie toch ook moest duiden op een liefde voor dat land (misschien wel: op een liefde voor precies de haat voor dat land). Zou het, opperde ik, niet mogelijk zijn om met liefde voor Oostenrijk te schrijven zonder te vervallen in een verkeerd soort Heimat-literatuur, in Lederhosen en in hun jurkjes zwierende Dirndl — en het lag me voor op de tong om, een beetje villein, te vragen of hij misschien zelf ook een Lederhose bezat (iemand had me zoiets gezegd). Uiteindelijk heb ik het over de boeg van de schrijfarbeid zelf gegooid: zijn zo evident vanuit de taal (en niet vanuit het ‘verhaaltje’) tot stand gekomen werk; hij is een auteur die met ieder boek op avontuur vertrekt en vooraf alleen ongeveer, maar nooit precies weet waarmee hij thuiskomt (want dat is wel steeds zeer duidelijk zijn bedoeling: na eindeloze uitweidingen en uitweidingen bij uitweidingen, is er altijd weer die soms bijna heroïsch te noemen poging om aan het eind van zijn boek alles weer bij elkaar te krijgen). Voorts hadden we het terzijde ook nog over voetbal, de voor Franzobel ‘große Gehirnabschalter’, zoals hij het eens ergens genoemd heeft. Hij betreurde dat hij vanwege zijn verblijf in Brussel niet aanwezig had kunnen zijn bij de wedstrijd tussen Hongaarse en Oostenrijkse schrijvers (met, geloof ik, Menasse in de spits; de wedstrijd werd door Hongarije met 8-2 gewonnen, meldde hij, al zou het met hem erbij zeker 10-2 voor de Hongaren geworden zijn). Daarnaast had hij net een boekje klaar met ‘voetbalstukjes’: Der Schwalbenkönig.

    Na een en ander werden wij nog thuis uitgenodigd bij de cultureel attaché van Oostenrijk — een allerliefste dame die ons en nog een hoop andere gasten (onder andere de simultaanvertaler die me goedmoedig toevoegde dat hij in mijn Duits maar ‘een paar foutjes’ had gehoord, wat me haast te aardig leek) rond elf uur ‘s avonds nog een diner voorschotelde in haar appartement in de Marollen. Waarna samen met Inge A. (die Franzobel voor yang vertaalde (2003.2 en 2005.3)) terug naar Gent, en I. had de goedheid gedurende de rit nog eens het gesprek te overlopen zodat ik niet rond half drie op een weliswaar bijna lege snelweg bij 120 achter het stuur in een zo welverdiende slaap wegdoezelde.

  • Pin it!

    Destabiel

    Men kan nooit genuanceerd genoeg zijn. In de reactie op mijn opmerkingen van 16 mei hieronder stelt René Huigen dat de scheiding tussen woord en daad misschien toch beter gerespecteerd blijft en dat het hier zelfs om het klassieke beschavingsideaal gaat. ‘”Au” is niet de pijn,’ schrijft hij, en dat iedere zichzelf serieus nemende schrijver natuurlijk op het verband tussen ‘fictie’ en werkelijkheid rekent, maar: ‘misschien is dat waarop hij rekent wel een misrekening.’ Huigen schrijft verder (men kan het zelf nalezen, maar ik citeer het hier toch even) dat hij zichzelf ziet als iemand ‘die met zijn literaire werk nieuwe ideeën tegenover de heersende ideeën hoopt te plaatsen.’

    Tegenover datgene ‘wat is’, datgene ‘wat had kunnen zijn’. Maar of datgene wat 'had kunnen zijn' ooit buiten het ideële, of zo je wilt het speculatieve dan wel het voorwaardelijke kan treden, blijft voor mij, en naar ik aanneem voor veel andere schrijvers, de vraag.

    Zo één op één als Huigen het hier nu begrijpt, had ik de relatie tussen woorden en werelden natuurlijk niet bedoeld, al lijkt het door mijn haast en verlangen wel zo te zijn. Ik heb niet voor niets gezegd dat het speculeren van denkers op datgene wat anders is dan het voorhandene me noodzakelijk lijkt — en ik denk dat veel goede schrijvers van dergelijke denkers zijn. Om menselijk te blijven is soms een zekere ‘onmenselijkheid’ onontbeerlijk, maar die moet wel als zodanig her- en erkend worden, en niet al op voorhand in een als onschuldig beschouwd hokje ‘literatuur’ worden bijgezet. Om een flagrant voorbeeld te geven: over De Sade gaat een mens pas werkelijk nadenken wanneer men hetgeen hij schrijft een werkelijkheidswaarde toekent. Dan pas gaat men nadenken over bijvoorbeeld het ultraliberalisme.Ik geloof ook niet dat literatuur ‘de taak’ zou hebben om politiek of anderzins ‘correcte’ wereldbeelden te tonen — of dat de ‘literaire werkelijkheid’, waar naast Pol Hoste ook Salman Rushdie het in interviews over zijn laatste boek steeds over had, een ideale wereld schept. Maar ze schept een werkelijkheid.

    Zouden de meeste auteurs te sceptsich geworden zijn om dat zelfs nog maar voor hun rekening te willen nemen? Nu even afgezien van de overigens gerechtvaardigde, meer filosofische twijfels die Huigen hier formuleerde? Afgelopen vrijdag in Antwerpen, in het Cultureel Centrum Berchem, in ieder geval een aantal prijswinnaars van Met andere zinnen aan het werk gezien voor wie het verband tussen tekst en (een) wereld in ieder geval nog min of meer vanzelfsprekend was — wat nog iets anders is dan dat ze het over particuliere pijntjes e.d. hadden in min of meer geregelde vormen (die kregen, althans van deze jury, geen prijs). Zelf las ik er ook op verzoek van de organisatie, als jurylid en als min of meer professionele auteur, net als Eva Cox, die overigens mooi voorleest. Eindelijk maar eens een stuk roman-in-wording uitgeprobeerd voor een zaal (ik was niet eerder in de gelegenheid). Het is soms de enige manier om te horen of je eigen toon op papier de juiste is, of de, met de bedoeling van achteloosheid neergeschreven regels, ook inderdaad de geniepige terloopsheid hebben die ik beoogde (‘geniepig’, omdat ik natúúrlijk verre van achteloos schrijf, zoals men begrijpt). Ik was zowaar heel tevreden. Veel zin om er aan door te werken, in ieder geval.

    Daar word ik voorlopig nog even van afgehouden door het stijlmonster Franzobel, een Oostenrijkse auteur van wie er in yang tot op heden twee bijdragen hebben gestaan: een vertaling uit zijn in 2002 verschenen Lusthaus, oder die Schule der Gemeinheit (in yang 2003.2) en een stuk dat in de Frankfurter Rundschau stond (over de wereld als prutswerk). Ik moet dinsdagavond in Brussel, in Passa Porta, met hem spreken, in het toch wat gevreesde Duits. Dat wordt weer handen-en-voeten-werk bij iemand tegen wie je maar een zacht duwtje hoeft te geven om uit zijn mond, ogen, oren en, niet in de laatste plaats, andere openingen de wonderlijkste, niet altijd even welgevoeglijke woorden te horen opklinken, zo is mijn indruk. Een immens productief schrijver daarbij (ik tel in de gauwigheid een publicatie of dertig sinds 1990, en dan tel ik inderdaad in de gauwigheid): onmogelijk om dat allemaal voordien gelezen te krijgen. Ook dat maakt nerveus; ik houd er niet van tegenover een auteur te zitten wiens werk ik nog niet voor de helft heb kunnen lezen. Wat niet wegneemt dat ik denk ik wel een kapstokje heb gevonden om het, in meer algemene zin, over zijn schrijverschap te hebben.

    Dat kapstokje houdt dan weer verband met een discussie die in kleine kring is losgebarsten over Van Bastelaere’s nieuwste bundel, ’De voorbode van iets groots’. De recensie die Huub Beurskens afgelopen vrijdag in SdL publiceerde zet in bepaalde kringen (zeg maar: mijn kringen (geen reden om flauw te doen)) meteen kwaad bloed, terwijl ze voor anderen reden is om nog maar eens fluks af te rekenen met Van Bastelaere. Ikzelf zie in de kwestie vooral nog maar eens het bewijs hoezeer het afknijpbeleid van bijlage-chefs (u mag, nee geen 1200, nee geen 1000, misschien net 750 woordjes schrijven over dit busseltje verzen meneer/mevrouw, anders kunnen onze lezertjes niet meer mee, snappu? (Nee, snap ik niks van)) — hoe het u-mag-voor-ons-schrijven-mits-u-uw-kloten-in-onze-bankschroef-steekt desastreuze gevolgen heeft voor een meer genuanceerde benadering van wat dan ook. Dat speelt ook Beurskens parten in zijn stuk, lijkt me.

    Het lijkt me in het geval van Van Bastelaere namelijk niet onterecht om, zoals Beurskens doet, de vraag te stellen of het verlangen te ‘destabiliseren’ hier niet dwingend aan het schrijven vooraf gaat — en het lijkt me legitiem om bij een positieve beantwoording van die vraag, zoals in het geval van Beurskens, enigszins geïrriteerd te raken. Maar zoiets wordt al snel gelezen als een pleidooi voor het tegenovergestelde, als wilde Beurskens alleen het fondanterige van de poëzie uit de Bonbonschool. Zo ongeveer alles in Beurskens’ eigen werk (niet alleen zijn poëzie, ook zijn proza, zijn essays niet in de laatste plaats), spreekt dat tegen. Zoals Beurskens’ grote reserve bij de onzin die veel conceptuele kunstenaars met veel poeha met succes aan museumdirecteuren met nog meer poeha weten te slijten als Gróhóte Kùhunst hem niet tot verdediger van een soort Biedermeier van voor het Modernisme maakt.

    Of dat betekent dat ik het met Beurskens eens ben? Ho ho, niet zo snel! De vraag lijkt me bij het werk van Van Bastelaere niet onterecht, zei ik, en ik heb hem zelf ook al eens gesteld in een wat andere context — en je kunt hem nog wat scherper stellen door je af te vragen of Van Bastelaere niet in zijn eigen opstand is vastgelopen (ongetwijfeld door een gebrek aan wérkelijke respons; er ligt in de receptie van zijn werk haast niets tussen verguizing en beate bewondering, lijkt het soms wel). Dat is nog wat anders dan door het medium gedwongen met rasse schreden op Het Oordeel afstevenen, naar dat wat het medium, het teksttype van je vraagt, nee eist. Ik zou graag eens een beschouwing lezen over zijn werk waarin die vraag een wat meer centrale positie innam, in plaats van beschouwingen die zich, voor zover positief, lijken te beperken tot de terminologie die Van Bastelaere zelf heeft aangedragen. Bij al dat destabiliseren, en het destabiliseren van het destabiliseren zelf begint een mens zo langzamerhand toch eens nieuwsgierig te worden naar de, wellicht ook voor de dichter zelf grotendeels verborgen drijfveer daarachter. Of, hoe kan de lyricus die VB ondanks zichzelf ook in deze bundel hier en daar wéér niet helemaal heeft weten te bedwingen, zichzelf zo weghouden van zijn eerste en laatste middel tot... expressie: de poëzie? Een boeiende vraag, lijkt me, boeiender dan waartoe een recensie in staat is, en sowieso boeiender dan het vruchteloos gekrakeel dat die recensie of Van Bastelaere zelf blijkbaar nu opwekt.

  • Pin it!

    Hoop



    Er is hoop. Gisterenavond in het niet altijd even geslaagde ‘Morgen Beter’ op Canvas stelde Tom Lanoye dat woorden meer zijn dan enkel woorden: dat ze bij elkaar genomen iets creëren, een werkelijkheid scheppen. Vandaag lees ik in de krant dat Kardinaal Danneels bij monde van zijn woordvoerder Hans Geybels laat weten de reclamecampagne voor een aantal met het verschijnen van De Da Vinci Code (the movie) gelieerde programma’s op Canvas te betreuren vanwege het breken van brood in een spottende context (en het is waar: men moet nooit ironisch het brood breken, noch wijn drinken met een feestmuts op) — en in het verlengde daarvan wordt een gezamenlijk schrijven van de Belgische bisschoppen aangehaald, waarin wordt gesteld dat De Da Vinci Code fictie is en ook als zodanig gelezen en bekeken moet worden. Diezelfde Geybels stelde echter al elders in een opiniestuk dat het dan weliswaar ‘maar om een roman’ gaat, maar: ‘Iedereen weet dat romans en fictie een grotere impact hebben dan filosofische traktaten of theologische debatten.’

    Er is hoop, zei ik, omdat hetgeen we met trots over de overwonnen waarheden tot ficties verklaard hadden, nu toch de kracht van werkelijkheid blijkt te bezitten. En misschien dat in het verlengde daarvan de dames en heren literaire critici ook weer eens naar literatuur zouden willen gaan kijken als iets anders dan louter onschuldig vermaak — ook al gebeurt dat momenteel, in het geval van Dan Brown, natuurlijk vooral omdat er veertig miljoen exemplaren van zijn romannetje verkocht zijn. Een schrijver als Tom Lanoye bestaat bij precies dit geloof in de werkelijkheidswaarde van literatuuur, ook als het daarbij gaat om verhalen die niet per se overeenstemmen met de een of andere historische waar- of werkelijkheid. En hij is niet de enige. Ik durf de stelling wel aan dat elke zichzelf serieus nemende schrijver rekent op dat verband tussen ‘fictie’ en werkelijkheid.

    Lanoye sprak natuurlijk over de werkelijkheidswaarde van woorden in verband met de verantwoordelijkheid van het VB voor de moorden in Antwerpen. Juist een schrijver weet of behoort te weten dat woorden niet onschuldig zijn, en we weten allemaal sinds het échec van de grote ideologieën uit het verleden dat elke voorstelling van de werkelijkheid, hoe absurd ze ons aanvankelijk ook toeschijnt, het in zich heeft om tot werkelijkheid te worden, kan omslaan in de eendimensionaliteit van het handelen. Het is in feite de belangrijkste... les die we wérkelijk van de holocaust moeten onthouden als we willen dat zoiets niet nog eens voorvalt. Het is daarom dat ik beate bewonderaars van enkel ideeën, en zelfs mij op voorhand niet ongenegen denkers die ‘het gevaarlijk denken’ op de agenda proberen te zetten (bijvoorbeeld wanneer het gaat om genetische manipulatie e.d., of liever: wanneer het gaat om de afbraak van ons beeld van de mens) — dat ik dergelijke denkers altijd wantrouw. Uiteindelijk gaat het om de praktische consequenties van theoretische bouwwerken, hoe schitterend die ook op het eerste gezicht lijken te zijn. Niet dat we zonder die zich naar de grenzen van de bestaande definities bewegende denkers kunnen — we zouden ons anders opsluiten in een mensbeeld zonder hoop op verlossing — maar steeds moet er terugverwezen worden naar wat een en ander betekent in het domein van de daden.

    Voor het overige hebben de gebeurtenissen in Antwerpen me verweesd achtergelaten, met de machteloosheid van velen, stel ik me voor, maar vooral met de ontzetting van de ouder van zelf een tweejarig blond meisje, dat ik van de weeromstuit nu achter neergelaten rolluiken en een gebarricadeerde deur voorgoed van het leven weg zou willen houden. Wat wel weer niet zal mogen, zeker?

  • Pin it!

    Conflictwaarde

    Vandaag in ‘De Gedachte’ — de opiniepagina’s van de Morgen komt opnieuw Lucas Catherine aan het woord, auteur van onder andere Islam voor ongelovigen (1997). Afgelopen vrijdag vroeg hij zich in dezelfde rubriek terecht af welke minister Marion Van San, die in 2001 in opdracht van de Belgische minister van Justitie een rapport publiceerde over criminaliteit onder allochtone jongeren, nu een opdracht zou geven ‘voor een onderzoek naar het verband tussen Poolse cultuur, katholicisme en criminaliteit’ — dit omdat de daders van de moord op Joe Van Holsbeeck ineens geen jongens van ‘Noord-Afrikaanse afkomst’ bleken te zijn, maar Polen (nee, Roma-zigeuners, zeggen sommige Polen dan weer, de noodzaak tot ook nog een onderzoek naar het verband tussen Poolse cultuur, katholicisme en racisme onderstrepend). ‘Polen hebben nooit deelgenomen aan onze renaissance of aan de verlichting,’ schreef Catherine vorige week provocerend, en vervolgde:

    Het enige wat ze ooit aan de westers cultuur hebben geschonken is de mazurka. Polen komen uit een land waar nu een fundamentalistische partij aan de macht is die een integristisch katholiek maatschappijbeeld doordrukt. Vrouwenbetogingen op de Internationale Vrouwendag worden er met stenen bekogeld. Holebi's moeten er hun vergaderlokalen en cafés sluiten. Ze staan onder invloed van een integristische, religieuze leider, een zekere Woytilla, pas overleden, die predikte dat de Polen de voorhoede moesten vormen van een beweging die de waarden die nu in West-Europa gelden, zou vernietigen en vervangen door de oude, christelijke waarden van voor de Franse Revolutie.

    Touché, zou ik zeggen. Het uitblijven van een dergelijke onderzoeksopdracht legt nog maar eens het vanzelfsprekend racisme bloot dat in onze contreien leeft — een racisme dat je ook weer niet moet overdrijven omdat het vrijwel nooit werkelijk persoonlijk bedoeld is (zoals de Hollander-haat van de Vlaming verdwijnt zodra je hem aanspreekt, of de kinderachtige ‘wo-kann-ich-mein-Fahrrad-bekommen’-houding van de Hollander tegenover de Duitser, die ondanks alles kan blijven rekenen op een welwillend in het Duits haspelende Hollander als hij in de buurt van Zandvoort om de weg vraagt). Anderzijds moet je het ook niet onderschatten en volstaat wellicht de vergelijking met het zo vanzelfsprekende antisemitisme dat voor de holocaust het Nederlands vocabulaire verrijkte met woorden als ‘jodenstreek’, ‘brillenjood’ en ander fraais dat we vandaag de dag natuurlijk niet meer over de lippen krijgen. Sommige op grond van nationaliteit, etniciteit of andere eigenaardigheden geïdentificeerde bevolkingsgroepen kunnen op die manier rijp gemaakt worden voor de slacht, bedoel ik maar.

    Het geweld tegen Joe Van Holsbeeck kan niet vanuit een specifieke culturele achtergrond verklaard worden; mogelijk vanuit een sociale achtergrond, of domweg vanuit het overdreven kapitalisme dat maakt dat we dus niet zozeer met islamfundamentalisten te maken hebben, maar met ‘consumptiefundamentalisten’, zoals Vande Veire dat noemde (in DM van 25 april). Hij schreef onder meer:

    Het probleem is dat de woede die vele allochtone probleemjongeren bezielt, voor henzelf allang niet meer is verbonden met de discriminatie op de arbeidsmarkt waarvan ze inderdaad het slachtoffer zijn. Ze vragen niet meer om een bescheiden plekje op de arbeidsmarkt en de daarbij horende sociale erkenning. Er is iets beangstigend aan hun verhouding tot de om zich heen woekerende consumptiecultuur. Terwijl de doorsneeburger slechts kan genieten van het leven voor zover hij een zekere afstand behoudt tegenover de geluksboodschappen waarmee de consumptiecultuur hem dagelijks bestookt, lijken zij die boodschappen letterlijk te nemen. Telkens grijpen ze naar the Real Thing en ze grijpen uiteraard telkens in het niets. Maar omdat ze vermoeden dat de van geluk stralende Joes ‘het’ wel hebben, haten ze hen.
    De bendes waaruit de moordenaars van Joe voortkomen zijn consumptiefundamentalisten. We maken hier geen 'botsing met een andere cultuur' mee, maar ontmoeten een sombere karikatuur van onszelf, en daarmee een pijnlijke brok waarheid.


    Dat mag zo zijn, maar toch blijft ook Vande Veire dat consumptiefundamentalisme in de eerste plaats verbinden met een andere cultuur — die van ‘de’ allochtoon (en dan doelen we toch meestal op islamieten) — en het is nog maar de vraag of hij in zijn analyses rekening had gehouden met Poolse daders, laat staan met Belgische, mocht dat aan de orde zijn geweest. Uiteindelijk gaat het steeds wel degelijk om de have nots, en die vind je in onze samenleving nu eenmaal in grotere getale in allochtone kringen. De door hem genoemde doorsneeburger blijft voor het ware consumptiefundamentalisme gespaard omdat hij zich het meeste wel kan veroorloven; de relativering van wat hij niet kan krijgen is deel van die luxe. De beheersing bestaat bij de gratie van onze uitspattingen.

    Terug naar Lucas Catherine, die vandaag in de krant reageert op de door een commissie van vijf wijzen geformuleerde ‘Vlaamse waarden’: vrijheid, gelijkheid, respect, burgerschap en solidariteit. Het eerste wat daaraan natuurlijk opvalt is dat de verbinding met ‘Vlaams’ hier nogal ridicuul is; dit zijn de idealen van de Franse Revolutie en de Verlichting. Het tweede — en daar trekt Catherine tegen van leer — is dat ze wel heel erg algemeen zijn en dat het bij elk van de gebruikte termen uiteraard gaat om de meer precieze invulling ervan. Misschien is het dan ook beter om te stellen dat aan deze waarden nog iets vooraf gaat: de bereidheid tot conflict en botsing. Vrijheid is gebonden aan de ander, gelijkheid is gebonden aan een model, en ook voor de andere drie geldt dat ze definities veronderstellen op een iets minder algemeen niveau. Vrijheid en gelijkheid zijn binnen bijvoorbeeld het neo-liberale denken alleen op een erg abstract niveau met elkaar te rijmen; de praktijk laat zien hoe vrijheid vaak ongelijkheid kweekt, om maar wat te noemen — om over de huidige bushiaanse invulling van ‘freedom’ maar te zwijgen; die kost aan velen het leven. En kan ik vanuit mijn ideeën over bijvoorbeeld de gelijkheid van mannen en vrouwen (zelfs in de erkenning dat het hier in het westen nog voor een deel een utopie is gebleven), over de in mijn ogen evidente ongelijkheid van mannen en vrouwen in de islamitische cultuur werkelijk oordelen als er ergens in mijn achterhoofd nog beelden ronddarren van Halfaouine - l'enfant des terrasses, die meesterlijke film van Férid Boughedir uit 1990, waaruit ik toch de indruk kreeg dat in Marokko de vrouw heel wat minder machteloos is dan men vandaag de dag op grond van een wandelingetje door een grootsteedse volkswijk zou verwachten? En hoe respectvol ben ik als ik eis dat een gelovige — van welke richting dan ook — mijn scepsis tegenover religie respecteert? Ik weet dat ik omgekeerd altijd zal blijven steigeren, dus botsen.

    Daarmee lijk ik, min of meer mijns ondanks, aan te sluiten bij een relativerend denken dat zegt dat identiteit (cultureel en nationaal) uiteindelijk een kwestie is van continue herdefiniëring. Voor een deel is dat ook zo. Het conflict met het andere als voorwaarde voor de vijf opgesomde waarden veronderstelt, op grond van juist die waarden, dat men het niet aangaat zonder die bereidheid tot herdefiniëring. Maar die bereidheid veronderstelt zelf dan toch reeds een definitie, steunt uiteindelijk op een met de paplepel ingegoten ‘cultuur’ (gaande van eetgewoonten en omgangsvormen tot algemene waarheden) die niet op voorhand als relatief wordt ervaren, ook al verliest ze in elke meer algemene discussie haar geldigheid (verschrompelt tot folklore, tot provincialisme). Ik werd pas een Hollander toen ik in Vlaanderen kwam wonen, en geconfronteerd werd met verrassend grote verschillen tussen wat ik ‘gewoon’ of ‘normaal’ achtte (‘doe normaal man!’) en wat hier gangbaar is. Anderzijds word ik in de rij voor een verblijfsvergunning op geen enkel moment ‘verward’ met een allochtoon.

    Punt bij alle discussie over inburgering, Vlaamse danwel Hollandse danwel Europese normen en waarden, is dat het vrijwel altijd om gemiste generalisaties gaat, om filosofieën zonder praktijk danwel om juist veralgemeningen van te particuliere ervaringen. Wil een multiculturele samenleving in evenwicht zijn dan heb je gewicht én tegengewicht nodig, en een continue ‘strijd’, of ‘afweging’ tussen beide. Dat gaat uiteindelijk vooraf aan de formulering van welke waarden dan ook.

    Het komt enigszins overeen met de omschrijving die Claude Lefort in Het democratisch tekort van democratie geeft: een samenleving die de verdeeldheid van de samenleving als normaal ervaart. Dat klinkt haast te geruststellend. Onder die normaliteit gaan spanningen schuil die we alleen maar kunnen beheersen door ze toe te laten. Een gelijk is er niet, maar aan het verlangen daarnaar mag niet getornd worden — ook niet uit naam van een politiek-correct relativisme. Dat moet leren zijn eigen verlangen te ontdekken in en onder wat het ontkent.