• Pin it!

    Het witte wachten

    Verbroedering is vooral een kwestie van gedeelde humor. Vanaf zondagmiddag rond twaalven tot vanochtend rond negenen samen met mij voordien volmaakt onbekenden in gedeelde misère die aanleiding gaf tot milde zelfspot voor een schoolpoort de wacht gehouden om Emma ingeschreven te krijgen op de school van onze keuze — vrij onverwacht dan toch niet de school waarover ik het hier eerder had. De ironie is dat waar ik juist na het bezoek aan die school het gevoel had dat ik daar, ondanks mijn levenslange scepsis, nu dan toch het links-didactische denken uit de jaren zeventig praktijk zag worden, ouders van voormalige (en zelfs huidige leerlingen) een toch wat ander verhaal ophingen over de praktische uitwerking van een en ander. Dat deed ons op de valreep besluiten aan te schuiven in de rij wachtenden voor een andere, door ons witte middenklasse, gestudeerde, voor het overige ook goed-gesitueerde en — laten we wel wezen — zonder uitzondering verdomd interessante ouders uit het rijke schoolaanbod te Gent geprefereerde school. Of, zoals de schepen van onderwijs die laat in de avond nog langs kwam om een en ander aan ons inmiddels rond een vuurkorf kleumende groepje bevoorrechten uit te leggen, het in bedekte termen zei: er zijn in Gent echt meer dan voldoende plaatsen voor alle kinderen die ingeschreven moeten worden, maar ja, de meeste van die scholen worden door ons rotverwende, o zo politiek correcte, maar intussen misschien dan toch wat xenofobe ouders allemaal afgewezen op het veronderstelde gebrek aan kwaliteit, iets wat wij enkel en alleen afleiden uit het percentage ‘buitenlanders’ op de speelplaatsen en uit indianenverhalen over taalachterstand en dergelijke.

    Nee, zo zei hij het niet natuurlijk (de gemeenteraadsverkiezingen naderen immers). Wél dat er ‘in principe’ voldoende plaatsen waren en dat ‘mensen’ soms een verkeerd idee hebben over die zogenaamde ‘concentratiescholen’ — en hij kwam met het verhaal over zo’n school die, geheel toevallig, schuin tegenover ons huis ligt: 98% allochtonen, maar onderzoek had uitgewezen dat het een school was waar het grootste leereffect gemeten was. Cynici zeiden na zijn vertrek dat een leereffect natuurlijk al snel aardig groot is als een kind in een paar jaar van eentalig Turks min of meer tweetalig Turks/Nederlands wordt (let wel: min of meer...). En weer iemand anders zei haar kinderen toch niet te willen laten bloeden voor haar eigen politieke correctheid, niet in de laatste plaats omdat ze zelf uit een gezin kwam waar haar politiek correcte ouders haar wél hadden laten bloeden voor hun keurige opvattingen en overtuigingen. Wij mompelden instemmend, ons inmiddels wat behaaglijker installerend in de refter van de school, want dezelfde schepen had na een blik op ons groepje rond de tafel vol aangebroken wijnflessen, blikjes bier, flessen water, mandjes overgebleven paaseieren, resten van afhaalmaaltijden, kranten als De Standaard, De Morgen en De Tijd, een Humo, een Knack, iemand las Annelies Verbeke, een ander las Verhelsts Zwerm, ik corrigeerde drukproeven van yang — diezelfde schepen had in zijn barmhartigheid vanwege een inzettende druilregen de directeur van de school gebeld met het verzoek voor de wachtenden de school open te stellen, en die had dat gedaan. Ook dat had volgens velen onder ons iets met de nakende verkiezingen te maken — al weet ik vrij zeker dat deze schepen niet opnieuw verkiesbaar is.

    Maar onze met zelfspot gelardeerde beklagenswaardigheid zorgde van meet af aan voor verbroedering — of misschien is het een klassebewustzijn dat we, omdat het ons een slecht geweten bezorgt, níét zo wensen te noemen: een ‘herkenning’ die maakt dat je meteen wéét dat zelfspot, ironie en overdrijving zullen aanslaan bij de anderen. Ikzelf was overigens nog maar juist op tijd om me bij de wachtenden aan te sluiten. Ik was de avond voordien (zaterdag) al een paar keer langs de school gereden, en zag daar dan wat mensen rondlopen met gsm’s die even wantrouwig naar mijn uit de auto loerende hoofd keken als ik naar hun gedrentel — dat evengoed het gedrentel van bewoners kon zijn, want de school staat in het Prinsenhof, een schitterend groen dorp in de stad, direct tegen het centrum aan, en qua huizen inmiddels volstrekt onbetaalbaar. De daar rondwarende personen — die inderdaad ook op verkenning bleken — pasten wel in die wijk. Gisterenochtend, nadat ik voor permanentie op de ook dit weekend plaatsvindende boekenbeurs DRUKsel had gezorgd, reed ik nog eens langs, en de omgeving bood dezelfde aanblik van onschuldig schuldig drentelende personages die naar mijn langzaam schuldig onschuldig voortrollende voiture keken. Er zat nog niemand, dus nog maar eens huiswaarts om me op yangs drukproeven te storten. Juist voor het middagmaal opnieuw die kant uit. Ik draai de hoek om en zie tot mijn schrik inenen een trottoir vol min of meer goed geëquipeerde mensen (vouwstoeltjes, thermos- en waterflessen). Ik draaide mijn raam open en vroeg: ‘hoeveel?’ Negen, luidde het antwoord, zodat ik kon juichen; er waren immers 11 plaatsen. Waarna ik gezeten op de stoeprand ging bellen met Hanna, haar zei wijn mee te nemen, de drukproeven, de roman van Kees ’t Hart waaraan ik nog steeds niet ben toegekomen, de krant ook. En het (alleszins aangename) wachten begon, het keuvelen, het kennismaken; tussendoor, terwijl Hanna met Emma de honneurs in de wachtrij waarnam, nog even naar DRUKsel om de yang-tafel te ontruimen (en te zien dat we in twee dagen twéé losse nummers verkochten en twéé abonnementen; daarvoor hebben twee mensen elk een hele dag gezeten...), weer terug, waarna Hanna nog dekens haalde, een kussen, de winterjas, twee kampeerstoelen en nog een klaptafeltje. Overigens was een kwartier na mijn aankomst ook de elfde plaats vergeven en zag het gezelschap gedurende de nacht nog meerdere ouders langskomen, waarvan er een paar besloten te wachten om hun plek op de wachtlijst te verdedigen, anderen teleurgesteld afdropen.

    Later op de avond kwam tot mijn verrassing JT nog langs (hij had Hanna gebeld met de vraag waar ik zat en ik was vergeten dat hij me al veel eerder had beloofd om deze nacht eens langs te komen om de beklagenswaardige ouder in mij, zoals hij het grijnzend ongeveer zei, wat steun te geven). Hij had nog wat wijn bij zich en in de allengs wat induttende refter begonnen wij een monter gesprek over de dood — dit naar aanleiding van de stille mars in Brussel.

    Voorts hadden we het nog even over het stuk dat ik met zuchten en steunen uiteindelijk dan toch over Tom Naegels’ Los voor yang heb geschreven en waarover ik aanvankelijk zeer ontevreden, na nog eens wat herwerken iets minder ontevreden, maar nog steeds niet tevreden was en ben. Tijdens het werken eraan werd ik steeds gehinderd door de overweging dat Los echt een boekje voor de stapel oud papier is, maar dat aan dat boek een zeer grote relevantie is toegekend door de literaire goegemeente, iets waartoe je dan een bepaalde verhouding moet zien te vinden. Je mag niet de vergissing begaan om Naegels persoonlijk te verwijten dat het journalistieke deel van de literatuurbeschouwing zijn boek en vervolgens zijn persoon zo hebben gehypet de afgelopen tijd — dat is een vergissing die ik al eens ten aanzien van Anna Enquist heb begaan (een vergissing die me tot op de dag van vandaag achtervolgt, en Enquist ook trouwens). Maar het valt niet te ontkennen dat juist de toegekende ‘relevantie’ van het boek naast de — volgens mijn literaire maatstaven — volstrekte nietswaardigheid ervan tot een grotere felheid leidt dan het boek dan weer verdient. Dat heeft niks te maken met wat Bert Bultinck een paar weken geleden in de krant smalend ‘jaloerse stemmen’ noemde. Of liever: het heeft te maken met precies de cynische manier waarop ook B. elke meer literaire kritiek op dit boek afblokt door elke kritische reactie op voorhand aan kinnesinne en jaloezie toe te schrijven (ik vermoed dat zijn opmerking over de jaloerse stemmen met Sven Vitse’s review in DW&B te maken heeft).

    En dan is er natuurlijk nog het probleem dat Naegels zelf de muren tussen het verhaal in zijn boek en zijn eigen persoon nadrukkelijk heeft gesloopt, zich niet ‘achter personages’ wilde ‘verschuilen’ bij een zo belangrijk onderwerp als dit (het gaat immers over de houding tegenover de multiculturele samenleving tegen de achtergrond van de rellen in Borgerhout van een aantal jaren geleden, en tegen de achtergrond van links denken en volks denken). Dat maakt dat zijn gekronkel in de media (van het tv-programma ‘Morgen beter’ tot het frequent geven van een gevraagde mening in de krant, op de radio, in openbare fora) dan toch onwillekeurig verbonden wordt met het gekronkel van zijn hoofdpersoon (Tom Naegels zelf) in het als ‘roman’ geafficheerde boekje. Het compliceert het schrijven over dat boek. Nog even afgezien van het feit dat je moet optornen tegen het gevaarlijke misverstand bij journalisten dat de werkelijkheid die zij dagdagelijks menen te verslaan (maar eigenlijk: mee helpen creëren) tegenover zoiets als ‘de fictie’ van literatuur staat als waar tegenover onwaar. Dat is althans zeker in Los het geval. Enfin, J., die geloof ik net van een boekenbal of een voorleessessie kwam, was mild voor me, en vond mijn laatste versie ‘beter’ dan de vorige, maar ik blijf toch aan het stuk duidelijk zien dat ik het liever niet geschreven had.

    De nacht ben ik vervolgens ingegaan met een iPod, liggend op de schitterende, maar harde tegelvloer van de refter, nadat ik het eerst in één van de door Hanna meegebrachte stoelen had geprobeerd. Niet echt geslapen. Tegen half zes maar opgestaan en weer gaan kleumen bij het nasmeulend vuurtje voor de schoolpoort, waar iemand, toen iedereen weer zo’n beetje wakkker was, met een gigantische zak vol koeken (zoete broodjes, croissants e.d.) aan kwam zetten. Er waren er maar elf, grapte hij; het waren er minstens veertig. Na dit alles was natuurlijk de uiteindelijke inschrijving een behoorlijke anticlimax.

  • Pin it!

    Geen reden

    Wij kunnen niet leven met contingentie. Als ik de naar alle kanten uitwaaierende commentaren lees en hoor die na de dood van Joe Van Holsbeeck gegeven zijn, dan zie ik vooral de krampachtigheid waarmee men tracht om aan de stuitende banaliteit van de moord een minder banale betekenis te geven. De multiculturele samenleving stond al meteen op het programma omdat Joe’s nabestaanden hadden begrepen dat het feit dat ‘iemand van Noord-Afrikaanse afkomst’ de moord pleegde tot een uitbarsting van geweld tegen allochtone minderheden zou kunnen leiden. Ook zij wisten dat mensen niet met het toeval en de zin- en betekenisloosheid overweg kunnen, dat voorvallen Betekenis moeten krijgen, en dat er zelfs in een wereld van MP3-spelers (Apple verkocht er alleen in België vorig jaar 300.000, tegen 24.000 het jaar daarvoor), 4x4’s, LCD-tv’s en wat al niet graag naar een zondebok wordt gezocht voor alles wat hier blijkbaar zo verschrikkelijk verkeerd is, en slecht ook vooral. Er is veel onbehagen waarvan we de werkelijke oorzaak niet willen aanpakken.

    Ik heb uiteenzettingen gehoord over de immense onveiligheid in dit land. Dat de Belgen als gekken blijven rijden (maar zij niet alleen) en op het vlak van de verkeersregels er een sport van maken om vooral zoveel mogelijk onduidelijkheid in het verkeer te creëren (van de voorrang-van-rechts-regel tot en met de precieze betekenis van een ambulance of politiewagen met blauw zwaailicht: alles is een kwestie van interpretatie en aanvoelen) — het zorgt vooralsnog voor veel meer onveiligheid op de weg dan elders. Maar de mythe is hardnekkig. Nog recentelijk was er hier iemand die een defect aan onze geyser met gesloten afvoer kwam reparen en hier blijkbaar sluipend tot aan mijn deur was geraakt, want dit was toch een buurt waar je maar beter op je hoede kon zijn. Het verbaasde hem niet dat de gemeente hier de parkeermeters had weggehaald; er was hier toch niemand die betaalde, zo wist hij zeker, en als parkeerwachters hier een boete probeerden uit te schrijven dan stond er binnen de kortste keren een menigte van wel vijftig Turken om hem heen — en dus durfden ze hier eigenlijk niet te beboeten.

    ‘Nou...,’ begon ik, en wilde zeggen dat ik nog steeds leefde, dat mij kogels noch messen om de oren vlogen en dat, als ik het nodig vond, ik gerust mijn zegje deed tegen wie dan ook — of het nu mijn ergernis over de pokkenmuziek uit een omgebouwde auto met te brede banden van een allochtone, danwel iets soortgelijks van een autochtone onverlaat betrof — en ja, als je dat wat doorvoert en zelf je stem verheft dan kunnen er wel ’s een stuk of wat mensen om je heen komen staan ja. Maar meestal gaat dat goed. Eigenlijk had ik meer zin om deze waarschijnlijk in een nette blanke buurt wonende monteur — zijn voorrijkosten alleen bedroegen al 50 euro (Hanna had 15 verstaan, en achteraf kan het best zijn dat dit heerschap mij ‘er opgelegd heeft’), zodat ik vermoed dat hij zich wel een bungalowtje permitteren kon — eigenlijk had ik zin hem de straat op te sturen met achterop zijn overall een papiertje waarop stond ‘ik haat Turken’ — een beetje zoals Bruce Willis in één van de Die Hard-films. Ik vermoed echter dat hij dan nog gemakkelijk ongeschonden het einde van de straat zou halen.

    Ik heb de afgelopen dagen ook uiteenzettingen gehoord over een gebrekkige opvoeding. Die allochtone mama’s (de vaders blijven merkwaardig genoeg buiten schot) zijn niet streng genoeg voor hun kroost, vooral niet voor de jongetjes dan natuurlijk, want ook dan kunnen we het weer verbinden met de islam — een machocultuur immers. Zeker, maar of dat met de islam te maken heeft? De bijbel kan er ook wat van, en hoelang zijn die vrouwen van bij ons nu eigenlijk bevrijd van de hemeltergende definities van het christendom? Gelijk zijn ze nog steeds niet, als je kijkt naar de salarissen. Daarbij: alle mannen ten zuiden van Brussel lijden aan het macho-complex: Fransen, Spanjaarden, Italianen niet te vergeten — karikaturen van mannelijkheid zijn het. Het lijkt me soms minder met religie dan met het afnemen van de gemiddelde lengte te maken hebben. Kijk, wij blonde reuzen hebben niet zo’n behoefte aan al die drukte; maar die kleine donkerharige mannetjes — die moeten wat compenseren...

    Als verklaring even onzinnig. En gevaarlijk.

    En dan: opvoeding? Doet de westerse mens het dan zoveel beter? Ach, ga naar een willekeurige school en aanhoor het koor van klagende ouders die van leerkrachten eisen dat ze allerlei zaken op zich nemen die in feite tot de opvoeding behoren die ze zelf geacht worden te geven. Christopher Lasch schreef het al in de jaren zeventig over de Amerikaanse situatie: de dag was niet veraf meer, schreef hij, dat het noodzakelijk zou worden om de edele kunst van het veters strikken bij wijze van academische cursus aan te bieden — want zoiets leren ze thuis niet meer... Kijk naar al die strontvervelende welvaartskindjes die de meest elementaire kennis over omgangsvormen blijkbaar missen en bij wie je vermoedt dat het beëindigen van de borstvoeding, het spenen, vroeger niet helemaal goed is verlopen: het zijn narcistische babymonsters in puberverpakking.

    (Allemaal? Nee, natuurlijk niet allemaal)

    Werkeloosheid onder allochtonen, riep iemand (of onder autochtone misdadige types, zou je eraan toe kunnen voegen, maar dat gebeurde niet natuurlijk). Waarop iemand anders weer zei dat zoiets uiteraard nooit als excuus kon dienen voor het plegen van een moord. Nee, de perversiteit van misdadigers die zelf voor de rechtbank al zeggen dat ze zo’n slechte jeugd hebben gehad, heeft wel ongeveer zijn grens bereikt lijkt me toch. Ik wacht nog op een rechtszaak waarin een delinquent zegt: ik heb dit gedaan omdat mijn ouders me links hebben opgevoed; ik kreeg geen grenzen. Wie zijn eigen verzachtende omstandigheden kan formuleren, verdient ze niet.

    Maar niemand kon het laten bij een: Joe Van Holsbeeck is vermoord om niet meer dan een MP3-speler. Punt.

    Is dát de wereld waarin we leven?

    Dat is de wereld waarin we leven. En denk maar niet dat de wereld op precies dát punt vandaag de dag zo verschrikkelijk veranderd zou zijn. Ik hoorde iemand in Nederland zeggen, naar aanleiding van soortgelijke gebeurtenissen daar, dat er tegenwoordig beslist niet méér geweld is dan vroeger, maar dat we het dagdagelijkse geweld ontwend zijn geraakt — misschien omdat ons diets wordt gemaakt dat de wereld een rationele constructie is, met oorzaken, gevolgen en vooral: redenen voor dat alles. Hoe de Verlichting Duisternis heeft gecreëerd — een op zich al te duister zinnetje. En alweer: gevaarlijk als je doordenkt.

    Misschien hebben de ouders van Joe Van Holsbeeck met hun oproep vooral getracht dat naar voren te brengen waarmee zij het hardst worstelen: de zinloosheid van de dood, de tot stikkens toe gevoelde noodzaak aan dat alles Betekenis te geven, en weten dat het niet gaat, dat die er niet is. Het is nu twaalf jaar geleden dat ik mijn zus ten grave droeg — om onopgehelderde redenen in de nacht van 18 op 19 april 1994 ergens van de weg geraakt. Waarom? Stilte. Waarom juist zij? Stilte.

    Naar betekenis wordt nog steeds gezocht. Dat moet ook. Maar in de wanhopige, meedogenloze overtuiging dat die er niet is — of dat althans enkel een MP3-speler niet genoeg is, dat het groter moet zijn dan dat.

    De nieuwe Witte Mars morgen zou een mars tegen de dood moeten zijn — waar ook, hoe dan ook —, een menigte op zoek naar een reden die niemand, maar dan ook niemand mag geven. Dat zou, op een paradoxale manier, een werkelijke troost kunnen zijn voor Joe’s nabestaanden: de collectieve erkenning dat die er niet is. Dichterbij de rouw van een ander kun je niet komen, denk ik.

  • Pin it!

    Autonomie




    Gisteren in Amsterdam de inaugurele rede van Thomas Vaesssens bijgewoond, en voor het eerst opgestaan voor hem — en voor de ook in toga binnenschrijdende Buelens en Joosten, overigens. G. zat nadien in een café met de schilderachtige naam De Engelse Reet nog wat te schamperen op die hem wezensvreemde kermistoestanden aan de Hollandse universiteiten. Het zijn inderdaad verkleedpartijen en kniebuigingen die niet alleen herinneren aan vroeger tijden, maar ze ook op het moment zelf daadwerkelijk weer terugroepen, en ergens klopt er dan iets niet als het gaat om gewone jongens die hun plek wat mij betreft beslist verdienen (al zijn er, bleek me ook gisteren naderhand, altijd enkelen die dat luidop of iets minder luidop durven te betwijfelen), maar daarmee niet ineens tot een andere klasse zijn gaan behoren. Maar men moet misschien uit Vlaanderen komen om niet onder de indruk te zijn van de verheven status van de hoogleraar op, althans ten minste de dag van je aanstelling. In ieder geval refereerde T. in zijn rede een aantal keren aan zijn illustere voorgangers, in wier voetsporen hij deze dag trad, iets waarvan hij zich zeer bewust bleek te zijn. De ervaring leert dat na de ‘pomp and circumstance’ van officiële aangelegenheden de huidige generatie hoogleraren niets meer heeft van de haast negentiende eeuwse hoogwaardigheid die ze in toga en tijdens het protocol uitstraalt.

    Zelf bevond ik me onder andere in gezelschap van twee dichters/essayisten waarmee ik naar hartelust grappen kon maken over het feit dat wij het niet verder hadden gebracht dan de status van doctorandus. ‘Ah ja,’ zei ik, maar wél cum laude afgestudeerd natuurlijk; dat lijkt me toch van tel!’ — waarop de één zei: ‘Ach, jij ook al; wie eigenlijk niet?’; en de ander dat hij één duizendste punt tekort had gehad voor de lof, maar dat hij dat altijd verkocht als een principekwestie: vooral niet met lof afstuderen — dat was zo gewoontjes. Waarna wij elkaar, de één met meer stelligheid dan de ander, verzekerden dat promoveren niets voor ons was en een carrière aan de universiteit al evenmin. Uiteraard.

    Vaessens’ rede intrigeerde me zeer, zozeer dat ik nadien tegen hem zei: dit is inderdaad ons kernprobleem. Kort gezegd ging het over de botsing tussen, wat hij noemde: autonomie en massificatie — en in die zin sloot het natuurlijk aan bij de stukken die in kranten en tijdschriften al voor de nodige ophef hebben gezorgd, en waarover ook ik het hier al heb gehad. Je kon natuurlijk al onmiddellijk een massa vraagtekens plaatsen bij het gebruik van juist deze twee termen, en dat gebeurde nadien aan de borreltafel dan ook.

    Ik heb zelf al eens geprobeerd om het poëzie‘debat’ zoals dat oplaaide na de verschijning van Redbad Fokkema’s Aan de mond van al die rivieren enigszins te ontwarren (in Bzzlletin 274, jrg. 30, oktober 2000, p. 3-23) door de klakkeloos gebruikte termen en begrippen weer te verbinden met hun oorsprong — om zo te laten zien dat het hele ‘debat’ een ratjetoe was, maar als zodanig toch ook een realiteit vertegenwoordigde. Er is heel wat (symbolisch) bloed gevloeid rond slecht begrepen termen als ‘autonoom’, ‘expressief’, ‘experimenteel’ en ‘traditioneel’, om er slechts enkele te noemen — en het feit dat T. hier nu het ‘autonomie’-begrip opnieuw van stal haalt, zorgt in die zin zowel voor herkenning als voor verwarring. Iemand, ik geloof G.B., zei gisteren, niet ten onrechte, dat het hoog tijd werd dat er eens een uitgebreide studie verscheen waarin de geschiedenis van dat begrip uit de doeken werd gedaan.

    Het feit dat ik onmiddellijk na de rede tegen T. zei dat hij ‘ons’ probleem had geformuleerd, duidt er al op dat ik in eerste instantie in de door hem gebruikte begrippen ook het nodige herkende. ‘Autonomie’ heb ik altijd opgevat in zowel een poëticale als in een sociologische zin. In beide gevallen gaat het om de verhouding tot de werkelijkheid. In poëticale zin drukt het begrip dan eigenlijk een, wat we nu zouden noemen, ‘postmoderne’ houding uit: de ‘autonomie’ van het literaire werk bestaat uit het feit dat de in dat werk tot stand gebrachte werkelijkheid niet automatisch een afspiegeling is van de alledaagse werkelijkheid daarbuiten, of van een meer eenduidige, als objectief beschouwde (bijvoorbeeld door God geschapen) werkelijkheid. Een autonoom kunstwerk drukt de discontinuïteit uit die er tussen subject en wereld in de moderne tijd bestaat. In die zin kan een ‘autonoom’ werk kritisch zijn ten opzichte van een wereld die nog een min of meer eenduidig beeld van de werkelijkheid koestert — en je kunt zeggen dat avant-gardistische literatuur altijd de pretentie heeft gehad om met haar (poëticaal gesproken) ‘autonome’ literatuur een revolutionaire (zij het dan: esthetische) revolutie in de wereld teweeg te brengen (het opheffen van de kunst, zoals dat toen tamelijk naïef werd geproclameerd, was bedoeld als een bevrijding van die kunst uit de kluisters van een bestaan terzijde van de burgerlijke maatschappij).

    De ironie van vooral de meer geëngageerde ‘autonomistische’ literatuur is natuurlijk geweest dat ze zich door haar vreemdheid in sociologisch opzicht steeds meer isoleerde. Van bijvoorbeeld een auteur als Jacq Vogelaar kan men nooit beweren dat hij zich met zijn literatuur van de wereld en de werkelijkheid heeft willen afwenden; integendeel (en zijn essays getuigen daar ook vanaf het prille begin van) ze waren juist met alles gericht op die maatschappij, op de samenleving, op bewustwording en zelfs op verandering. Toch gold hij op een zeker moment als één van Neêrlands meest onleesbare schrijvers, en eigenlijk als hét typevoorbeeld van iemand in een ivoren toren, iemand die onbegrijpelijke teksten maakte die alleen door een intellectuele elite gesmaakt konden worden.

    Zelf denk ik wel eens dat deze typering van schrijvers als Vogelaar — of van dichters als Kouwenaar, Faverey en andere van ‘autonomisme’ beschuldigde poëten — veel te maken heeft met de nadruk die in commentaren op het aspect van de negatie is komen te liggen: op inderdaad die kritische impuls in dit werk. De literaire trucs en tics werden ingezet om de traditionele verhoudingen te ontwrichten: die tussen taal en werkelijkheid, die tussen subject en wereld. De als vanzelfsprekend beschouwde ‘alsof’-situatie in literatuur werd aan de kaak gesteld, alsmede het feit dat ‘literair’ altijd gelijk zou zijn aan ‘fictie’ — in de betekenis van ‘verzinsel’, van ‘niet echt’. Terwijl er veel minder aandacht werd besteed aan het feit dat voor deze auteurs ook die werkelijkheid een verzinsel was, een op allerhande ideologische vooronderstellingen gebaseerde constructie die als objectief werd voorgesteld (zoals dat ook vandaag de dag nog aan de lopende band gebeurt, iedere keer wanneer een politicus het heeft over wat ‘realistisch’ mag heten en wat niet, bijvoorbeeld). En bijna nooit is er werkelijk aandacht besteed aan wat de negaties van deze auteurs nu uiteindelijk voor bedoeling hadden.

    Zelf vind ik het allang niet interessant meer om te zien wat een auteur ‘ontwricht’, ‘uit zijn hengsels licht’, hoe hij ons ‘op het verkeerde been’ zou zetten, etcetera. Ik ben niet benieuwd naar de manier waarop een auteur de als alledaags beschouwde werkelijkheid en de daarin aanwezige vooronderstellingen ontkent; ik ben vooral benieuwd naar de werkelijkheid die hij creëert: naast, tegenover, of juist samenvallend met wat vanzelfsprekend als de alledaagse werkelijkheid wordt beschouwd. Dat veronderstelt natuurlijk dat ook voor mij de alledaagse werkelijkheid een fictie is, een verhaal — een verhaal dat we met z’n allen leven, of we er nu mee instemmen of niet —, maar dat de ‘literaire’ werkelijkheden daarmee op gelijke hoogte staan, door mij derhalve ook op hun praktische consequenties worden gelezen (wat soms leidt tot een tenenkrommend moralisme, overigens; ik zie het in mijn eigen recensies, waarvan ik er maar weer eens een aantal de afgelopen dagen op het net heb gezet).

    Ik dwaal af.
    Het was gisteren niet geheel duidelijk of Vaessens het autonomiebegrip zo hanteerde als ik het hier nu omschrijf. Ik heb het met hem, naar aanleiding van zijn eerdere stukken, al wel gehad over ‘onze avant-gardistische reflex’, die veel te maken heeft met onze ‘opvoeding’ in de literatuur. Als wij literatuur lezen dan doen we dat vrijwel onmiddellijk, en min of meer vanzelf vanuit die eigenlijk behoorlijk intellectualistische vooronderstellingen over de verhouding tussen literatuur en werkelijkheid, over literatuur als kritiek of bevestiging, over ook de eigenschappen van een typisch literair werk volgens de tekstimmanente benadering waarmee we zijn grootgebracht (een verschil met de Vlamingen, vermoed ik toch, die zo streng ‘merlinistisch’ niet zijn opgevoed). Dat zijn allemaal aspecten van wat je onder die ‘autonomie’ zou kunnen verstaan — een hele geschiedenis eigenlijk. En het is precies deze geschiedenis die in het huidige literaire klimaat niet meer van tel lijkt te zijn, of misschien is het beter om te zeggen: die van het huidige literaire klimaat gemaakt heeft wat het is.

    Een speeltuin, een onschadelijke dépendance van de cultuurindustrie, een irrelevant geworden, op zijn hoogst nog amusante aberratie. In die zin heeft het literair autonomisme, hoezeer ook wortelend in de kritische traditie, zichzelf overbodig gemaakt. Dat is eigenlijk wat Vaessens gisteren nog eens liet zien aan de hand van — verrassend genoeg — Bij nader inzien van Voskuil. Een literair boek wordt door vrijwel niemand nog als relevant beschouwd, tenzij het in sociologische zin een betekenis krijgt: een grote, mediagenieke prijs wint bijvoorbeeld, of zich gemakkelijk laat herleiden tot een handvol journalistieke waarheden (zoals men naar aanleiding van Rushdie’s laatste roman probeerde te doen). Het literaire van een boek is al op voorhand van geen tel, en werkt eerder tegen dan voor een boek, voor zover er aandacht aan geschonken wordt of voor zover het aandacht vraagt.

    En dat alles zou de literatuur aan zichzelf te wijten hebben, juist omdat ze in het verleden haar eigen activiteit definieerde als negatief tegenover de gangbare werkelijkheid, als kritisch tegenover elke ideologische beperking, als ‘ruimte van het volledig leven’, als de zucht naar een absolute vrijplaats waar een auteur zonder gehinderd te worden door welke eisen van welke macht dan ook maar zijn geheel eigen gang kon gaan. Misschien is het niet zo gek om te veronderstellen dat met de Val van de Muur elke legitimering voor precies die houding ook voor westerse auteurs is weggevallen. Als je ziet hoe er in de jaren daarvoor zowat op een verbeten manier aandacht werd geschonken aan de verdrukte, de gemuilkorfde schrijvers van achter het IJzeren Gordijn — een verbetenheid die mij toen soms al wat leek op een vorm van nostalgie — dan lijkt het erop dat men de eigen al grotendeels verloren positie trachtte te recupereren via de censuur waaronder anderen leden. Het is iets waaraan ik mijzelf ook wel eens heb bezondigd, herinner ik me nu, namelijk op het moment dat ik de geproclameerde irrelevantie van literatuur wilde tegenspreken. (Anderzijds heb ik ook vaak mijn irritatie over deze afgeleide vorm van legitimatie uitgesproken en er voor gepleit dat men werk van Duoduo of Herbert op zijn eigen, literaire merites beschouwde, om pas daarná dat literaire als in maatschappelijke zin explosief te beschouwen).

    Ik moet Vaessens’ tekst natuurlijk nog eens uitgebreid bestuderen om er meer over te kunnen zeggen. Ik weet wel dat ik me op voorhand wat minder bezwaard voel door mijn meer ‘literaire’ houding, door mijn eigen avant-gardistische (of romantische) reflex dan bij hem het geval lijkt te zijn. Wat betekent dat een boek voor mij niet automatisch ‘relevant’ is omdat het zo weinig literair is, zoals tegenwoordig wel wordt beweerd (niet door Vaessens uiteraard). En hoewel ik onder allerlei constateringen omtrent de maatschappelijke onbelangrijkheid van literatuur niet uit kan, blijf ik me er tegelijkertijd met hand en tand tegen verzetten. Dan liever een Don Quichote! Dat ik daarmee de westerse samenleving celebreer wil ik niet weten, natuurlijk; zij staat me vooralsnog immers toe om dwars in de tijd te liggen zonder te verhongeren...

  • Pin it!

    Na weken

    De afgelopen weken verdronken in redactie- en schrijfwerk, me zorgen gemaakt over een plotsklaps van de aardbodem verdwenen redacteur, me vervoegd bij maar liefst twee boekpresentaties, me gestort op jury-arbeid, en vooral veel geredderd als moderne man (of was het nu ‘nieuwe man’?). Hanna was voor een week in Rome met haar leerlingen en hield me via sms en telefoontjes op de hoogte van de temperaturen daar, het bronzen van de huid, het verrichten van gidsarbeid voor de leerlingen en het bezoeken van winkels. Ik trachtte tussen het verversen van luiers door Emma van voedsel te voorzien, op tijd in de crèche te krijgen, er op tijd weer vandaan te halen, op tijd en stond met haar op de vloer te liggen spelen, op tijd en stond uitgebreide gesprekken met haar te voeren waarin het merendeel der gebruikte woorden iets mysterieus hield, haar zo nu en dan toch ook wat te slapen te leggen — en natuurlijk werd het meisje toen ook nog wat ziekjes: koortsigheden, hangerigheid, huilerigheid, en enige symptomen van verlatingsangst die maakten dat als ik bijvoorbeeld naar de voorraadkast liep voor een nieuw pak koffie ik als een peilzender steeds moest roepen ‘ik ben hier ik ben hier ik ben hier’, daar er met even grote frequentie gevraagd werd waar ik was. Daarbij moest er gewassen en afgewassen worden, en gekookt en boodschappen gedaan. Ik moet toegeven (ik heb er nooit echt aan gewild): maar het was een behoorlijke aanslag op zelfs maar de mogelijkheid om schrijvenderwijs iets voor elkaar te krijgen (ik koester geen ‘romantisch’ beeld van het schrijverschap: de noodzaak van afzondering, Thomas Mann-achtige scènes waarbij mijn huisgenoten sluipend door het huis moeten omdat ‘de tovenaar’ schrijft...) Redigeren tot daar aan toe, maar zelf iets opzetten deze week: het was bijna onmogelijk. Ook het bijhouden van deze aantekeningen schoot er bij in.

    Dat laatste ook omdat ik nog nader op de kwestie van de literatuurgeschiedschrijving in wilde (en wil) gaan, maar daartoe dan eerst toch even het inmiddels nieuwe nummer van Literatuur wilde lezen dat een paar weken terug bij de Groene Amsterdammer zat. Daarin stond een uitgebreid stuk van Heumakers waarnaar ik erg nieuwsgierig ben. Nog steeds. Misschien moet ik maar eens ten uitvoer brengen wat me sinds het aanzwengelen van de hele kwestie al voor ogen staat: er een ferm stuk over maken.

    Intussen lees ik Dick Pels, Een zwak voor Nederland. Ideeën voor een nieuwe politiek — en ik ben er aan begonnen met de nodige scepsis, of liever: met precies de hoeveelheid scepsis die ik altijd, van meet af aan heb gehad tegenover min of meer klassiek ogend links, progressief gedachtengoed dat zijn wortels in de jaren zeventig heeft. Het blijft, bij het lezen van zo’n boek vooral, een merkwaardig schouwspel mijn eigen instemming met wat idealiter het geval zou moeten zijn door mijzelf onderuit te zien halen met wat ik ‘realiteitszin’ noem, terwijl ik tegelijkertijd het beroep op ‘realiteitszin’ ter rechterzijde van het politieke spectrum altijd uiterst kritisch tegemoet treed vanwege de daarin geïmpliceerde, maar nooit werkelijk geëxpliciteerde en dus eigenlijk vooral weggemoffelde voorstelling van wat de werkelijkheid zou zijn, en van wat dus wél realistisch mag heten. Het irreële van links is dan vooral datgene wat niet conform de realiteitsopvatting van rechts is. Maar al lezend kom ik daar niet uit.

    De scepsis tegenover dat linkse gedachtengoed (bij Pels heet het dan ‘sociaal individualisme’, of zelfs ‘sociaal-liberalisme’ (we zouden nu allemaal liberalen geworden zijn, zo zegt hij enigszins provocerend)) — de scepsis tegenover dat linkse gedachtengoed heb ik al gehad vanaf het moment dat het min of meer werd geïntroduceerd; ik maakte er eind jaren zeventig kennis mee via vooral de didactiek (enfin, ik schreef daar al eens over (25-2-2005)). En het was misschien omdat ik me pas na die kennismaking realiseerde hoezeer ik er zelf al als leerling onder geleden had, dat ik geneigd was de achterliggende ideeën te verwerpen. Om maar iets te zeggen: het contrast tussen hypersociale ideeën op didactisch vlak en de samenleving waarvoor het onderwijs je zou moeten toerusten, was eenvoudigweg veel te groot (iets wat ik later ook tegen stagedocenten zei die naar mijn lesgeven kwamen kijken en bijvoorbeeld vonden dat ik te weinig creatieve werkvormen gebruikte, of domweg veel te weinig ‘democratisch’ was als leerkracht; ‘als ik het zo doe als jij het wilt, dan zitten ze te kaarten achter in de klas,’ zei ik). De nadruk op het emotionele en muzische naast het cognitieve (terwijl het traditionele onderwijs vooral, en uitsluitend, dat cognitieve benadrukt) leidde in mijn ogen tot veel te weinig nadruk op kennis, zodat ik het gevoel had vooral van de middelbare school afgekomen te zijn met een schromelijk tekort aan inhoud.

    Dat het onderwijs zelf een middel zou kunnen zijn om op maatschappelijk vlak veranderingen teweeg te brengen, zoals het tot op heden een middel is geweest om een bepaald maatschappijbeeld in stand te houden en te verstevigen — het heeft er bij mij nooit goed in gewild. Als het ergens zou kunnen gebeuren, dan wel daar natuurlijk — maar het gebeurt niet en is ook na de jaren zeventig niet gebeurd. Was ik daadwerkelijk dat onderwijs ingestapt en dan natuurlijk toch vol in de contramine gegaan: ik zou nu een murw gebeukte veertiger zijn die al zijn pogingen om veranderingen teweeg te brengen systematisch de nek omgedraaid zag. Ik ken die leerkrachten: grote idealisten, die gevochten hebben voor verandering, voor wie lesgeven heel iets anders was dan een 9 to 5 met lekker lange vakanties, en ik ken geen mensen met een zwartere humor, een peillozer cynisme dan juist deze mensen. Opgebrand, níét aan het vele extra werk dat zij zich op de hals haalden door hun afwijkende didactiek, maar aan tegenwerking, aan de rücksichtslose afbraak van wat zij nog maar net hadden opgebouwd, door ‘hervormingen’ die enkel en alleen door de portemonnee werden ingegeven. Men moet misschien kiezen tussen een iets hogere staatsschuld met beschaving, en een afgeloste staatsschuld met een aan barbarij grenzende onwetendheid, zo parafraseer ik, nu wel héél losjes, een uitspraak van Marijnissen.

    Het klinkt nu een beetje alsof ik toen al voorzag dat het uit zou draaien waarop het is uitgedraaid. Dat is niet zo. Maar ik denk dat ik altijd minder dan de werkelijke hervormers fiducie heb gehad in de mens als zodanig (wat ook kan betekenen dat ik mezelf op dit punt allerminst vertrouwde). Ik vrees dat mijn mensbeeld te somber is voor het ware linkse gedachtengoed — althans, dat is ook wat ik bij het lezen van Pels weer merk. Des te meer omdat zijn ideeën minder ‘nieuw’ zijn dan de ondertitel van zijn boek aangeeft, en hij veel voorstelt waarvan we de praktische gevolgen al hebben gezien. Sterker nog: het zijn juist die praktische gevolgen die hem ingeven de ideeën opnieuw te lanceren. Alsof hij de kwaal bestrijdt met de oorzaken ervan.

    (Je zou hier trouwens een parallel kunnen zien met de meer wanhopige literaire generatie uit de jaren tachtig, die in feite een bepaalde, in een zekere poëzie tot uitdrukking gekomen poëtica bestreed met de uitgangspunten van diezelfde poëtica; Maximaal, zo heb ik al eens geschreven, was een aanklacht tegen de (‘academistische’) verstening van een in wezen postmodernistische poëtica. Zo lijkt Pols zich te verzetten tegen een individualisme dat in alle richtingen is doorgeschoten door juist het oorspronkelijke individualisme weer in stelling te brengen).

    Hoe dat ook zij, het opmerkelijkste is wel dat ik bij een schoolbezoek afgelopen donderdag ineens voor jaren zeventig-didactiek weer helemaal gewonnen leek te zijn. Hier in Vlaanderen nadert de voor ouders met kinderen geboren in 2004 in zekere zin gevreesde 24ste april: de dag waarop we geacht worden ons kind in te schrijven op een school. (voor de Hollanders: ja, zo vroeg al). De bedoeling is dat Emma op haar twee-en-een-half naar school gaat. Niet dat ze dan al moet, maar het mag — en als het gaat om het vinden van een school kun je er beter maar zo vroeg mogelijk bij zijn. Voor ons is dat dus de 24ste, en de dag is zo gevreesd omdat sinds de invoering van het Gelijke Kansendecreet, dat onder andere de vorming van ‘zwarte’ scholen, of ‘concentratiescholen’ zoals het hier heet, moest tegengaan, er geen mogelijkheid meer is om al op voorhand bij een school te kennen te geven dat je graag wilt dat je kind daar les krijgt. Je wordt geacht die dag aan de schoolpoort te staan. Bij sommige scholen is dat geen probleem om de eenvoudige reden dat het... — juist ja, ‘zwarte’, ‘concentratiescholen’ zijn. Nee, het gaat om de meer alternatieve vormen van onderwijs waarvan alleen ‘witte’ burgers kaas gegeten hebben die ervoor zorgt dat mensen op de 24ste april niet gewoon om 8.00 uur aan de schoolpoort zullen staan, maar met tentjes, slaapzakken, flessen drank en wat dies meer zij al de avond voordien aan de schoolpoort kamperen, want het aantal plaatsen is beperkt. Het is dus dringen geblazen.

    Ook wij kunnen Emma gemakkelijk naar een concentratieschooltje sturen hier heel vlakbij (95% allochtone populatie, wat er bij sommige allochtonen hier uit de buurt al toe heeft geleid dat ze hun kinderen juist daar niet naar toe willen sturen, want er wordt op de speelplaats geen Nederlands gesproken; dat dat komt omdat ze dat thuis ook niet hebben gedaan, vergeten ze even). Maar zo heroïsch multiculti zijn we nu ook weer niet, en bovendien is er in deze straat nog een school die ons de moeite waard leek om eens te bekijken, overigens geen exclusieve ‘witte’ school, maar met iets betere verhoudingen tussen oorspronkelijk alloch- en oorspronkelijk autochtoon.

    Daar dus geweest afgelopen donderdag. En kijk, daar kwamen al mijn colleges didactiek weer langs, maar nu binnen de muren van een gebouw dat opzettelijk niet eens een schoolgebouw is, maar een oud, villa-achtig herenhuis (ook al staat het gewoon in de rij) dat aan schoolactiviteiten is aangepast, binnen een context van een praktijk die zichzelf al geheel van het traditionele onderwijs heeft geëmancipeerd in een periode van nu bijna dertig jaar, kleinschalig is, individualistisch, maar — ik zou nu willen zeggen — op een Dick Pelsachtige manier tegelijk sociaal, met de nadruk op óók het muzische en emotionele, maar daarbinnen ligt de nadruk dan weer op dat óók, want het cognitieve wordt er allerminst verwaarloosd. Enfin, bij al mijn gebruikelijke scepsis tegenover ‘jaren zeventig-gedoe’ kreeg ik bij deze school ‘een heel goed gevoel’, zoals dat heet, dat alleen maar toenam na een paar kritische vragen over de aansluiting met het secundair onderwijs, toetsingsmomenten etc. Ik weet dus waar ik kampeer, de nacht van de 23ste op de 24ste april.

    Bij mijn lezen van Pels helpt het echter niks. De twijfel over wat ik hiervan vind, neemt er alleen maar door toe.

    Intussen, gisterenavond in Walry de presentatie van Jeroen Theunissens boek Het einde, met een toespraak door de weledelgeboren in de hogere regionen van het publicitaire leven vertoevende, want immers chef van de Standaard der Letteren, zij het dan toch ook ex-redacteur van yang Jeroen Overstijns, wat je al bijna kunt opvatten als een verdere consecratie van Theunissen als één van de nieuwe grote jonge schrijvers — waaraan anderen, tot J’s oneindige plezier, ook al het nodige hebben bijgedragen met opmerkingen in dag- en weekbladen. Het gaf Harold Polis (onze uitgever, zal ik maar zeggen) al in dat er voor het volgende boek in ieder geval op het kaft al te weinig ruimte zou zijn voor de ‘persstemmen’. Tenzij hij zijn boeken nog ‘breder’ gaat uitgeven; J’s boek is bijna twee centimeter breder dan ‘normaal’ — een nieuwigheidje van Meulenhoff/Manteau. Op het huidige boek staan er overigens drie: ‘Een geraffineerd verteller’ (De tijd), en ja, dat klopt; ‘Lef, ambitie en stilistisch vernuft’ (De Morgen), jazeker, dat ook; ‘Een gevaarlijk talent’ (de Volkskrant), eentje waarmee J. en ik al geweldig gelachen hebben, maar vooruit: absoluut een gevaarlijk talent, die Theunissen, u kunt maar beter uitkijken.

    Na Overstijns’ lofrede en enige ‘minder makkelijke muzieken’ (om eens een dichter te citeren) las J. nog een tweetal stukken voor, waarna tijdens de receptie de aanwezige yang-ers hem onder mijn aanvoering wat begonnen te kloten door te zeggen dat we allemaal geweldig trots op hem waren (daar houdt hij niet van; dat mag geloof ik alleen zijn moeder tegen hem zeggen).

    Maar buiten al dit feestgedruis om: ik denk dat Het einde iets laat zien dat op dit moment in de Vlaamse literatuur ook elders voorkomt. Het is dat soort ‘zelfstrippende’ engagement dat wel wil maar niet kan geloven in wat het zelf noodzakelijk acht; het onvermijdelijke meta dat de wereld, de werkelijkheid, het eigen gevoel voortdurend tot het spel reduceert waaraan het individu nu juist wil ontsnappen, op zoek naar de ‘echtheid’ die zonder aanhalingstekens niet meer met goed fatsoen geschreven kan worden, zodat bijvoorbeeld Het einde voortdurend op de rand van het religieuze balanceert, zich voortdurend voorover en languit in een helder allesverklarend geloof zou willen storten — maar het niet kan. Het is bevlogen cynisme, zou je kunnen zeggen, of sceptisch idealisme, waarbij geen van de beide delen het weet te winnen. Het is ontheemding die niet bij zichzelf thuis is — en dat lijkt me een verschil met wat hiervoor in de literatuur gaande was. Het accent is van relativering verschoven naar verlangen — al is dit ongetwijfeld allemaal wat al te kort door de bocht.

    Voor de presentatie gisteren nog naar Antwerpen heen en weer gereden, voor het juryberaad rond Met andere zinnen: jong talent, proza, poëzie, rijp en groen — mooi werk wel, al was het maar omdat het bevestigt wat ik altijd voel wanneer het gaat over literatuur die tot historisch verschijnsel geworden zou zijn: dat ook een heel nieuwe generatie (laten we zeggen rond ‘83 geboren) schrijft alsof hun leven ervan afhangt, met het sérieux van zij die geloven dat juist in het literaire de mogelijkheid ligt om iets over de wereld en de werkelijkheid te zeggen dat anders niet gezegd kan worden.

    Alsof één boekpresentatie in de week niet genoeg is, presenteerde Stefan Hertmans dinsdagavond in De Vooruit zijn Muziek voor de overtocht — uiteraard een totaal andersoortige presentatie (al was ook daar, zag ik, Jef Geraerts aanwezig, net als gisterenavond bij J.). Het mag niet gezegd worden, omdat het bij iemand als S. (bij zijn soort rusteloze schrijverschap) ook niet wáár is, maar deze avond had iets meer monumentaals. Juist dat Muziek voor de overtocht een grafzerk zou zijn, werd fel tegengesproken — en nogmaals: dat is het ook niet — maar het is onvermijdelijk een afsluiting, een samenbrengen en -nemen, en gezien het feit dat S. vooral een dichter is, zoals iemand in één van de toespraken opmerkte (ik meen Herman Balthazar), is het in die zin een voor zijn hele oeuvre belangwekkend boek (zoals Bange natuur (1997) dat voor het werk van Beurskens was, die ik natuurlijk niet voor niets noem; bladerend in Muziek voor de overtocht valt nog maar weer eens op hoezeer deze beide auteurs in de beginfase als het ware voor elkaar waren voorbestemd; ook in hun verwerking van de meest strenge opvatting van de zogeheten autonomistische poëtica — die van de taalscepsis — is er een opvallende gelijkenis, en in beide gevallen is het fraai om te zien hoe ze als dichters als het ware zijn ‘teruggekeerd’ naar wat in hun allervroegste, vaak ongepubliceerd gebleven, maar hier opgenomen werk al zichtbaar was (bij Beurskens vind ik het dan in zijn Blindkap (1975)).

    Na een voordracht van Els Dottermans (een beetje ongeïnspireerd, vond ik), Dirk Roofthooft (die man doet gewoon alles goed), een laudatio van oud-gouveneur Balthazar, volgde nog een optreden van S. met een band van Peter Hertmans — waarna wij hapjes- en wijnwaarts gingen, onder ons, met z’n allen.