• Pin it!

    Atheologie

    Juist voor het weekend kwam het al langer geleden bestelde boek van Michel Onfray binnen, Atheologie. De hoofdzonden van jodendom, christendom en islam — speciaal besteld met het oog op het stuk dat ik vandaag voor De Morgen moest schrijven in de serie ‘Lost. Verloren maar niet vergeten’. Ik zou het daar over God hebben. God als degene die ‘we’ kwijt zijn geraakt, of, zegt weer een andere ‘wij’, van wie ‘we’ zijn verlost. Opmerkelijk dat bij de voorbespreking van deze reeks een aantal maanden geleden, bij het nadenken over wat er zoal weg raakte, wat er verdwenen is, God al snel op de lippen komt, zelfs al is het er niet de tijd naar om zelfs maar te veronderstellen dat dit heerschap wérkelijk uit onze cultuur verwijderd zou zijn en nog slechts sinterklaas speelt voor een paar wel érg eenvoudigen van geest. Veeleer ben ik geneigd zijn verdwijning te scharen in het rijtje van vermeende overwinningen van linkse intellectuelen, waaronder ook de gelijkberechtiging van mannen en vrouwen thuishoort, de volledige en onvoorwaardelijke acceptatie van homoseksualiteit in een zodanige zin dat het bestaan van militanten op homoseksueel, lesbisch of bi-seksueel vlak eigenlijk volmaakt overbodig geworden is, en ook het besef dat milieu van belang is. Enfin, al die zaken waarover ik al eens eerder heb gezegd dat ze deel uitmaken van mijn overtuiging, en als zodanig juist duidelijk maken hoezeer ik soms tot mijn eigen niet geringe schrik naast ‘de werkelijkheid zoals zij is’ leef (waar nog steeds geen gelijkberechtiging van..., geen volledige acceptatie van..., en waar milieu lastig wordt bevonden, ook al snoert fijn stof ons zo langzamerhand de keel dicht).

    Om die reden had ik uitgekeken naar Onfrays boek, deze filosoof die op zijn 28ste een hartinfarct kreeg en op dat moment iets van zijn lichaam leerde dat omgezet zou worden in hedonisme, zoals hij het verwoordde in De kunst van het genieten. Het viel te verwachten dat Onfray met religie niet al te veel op zou hebben, en zou ik zelf nog volledig hebben kunnen vertrouwen op de juistheid van mijn overtuigingen, ik zou het boek niet hebben willen lezen. God bestaat niet. Ja hoor. Nou, daar kijken wij van op, zo zou ik waarschijnlijk honend hebben gezegd.

    Voor mij persoonlijk is religie nooit een issue geweest, en eigenlijk ben ik het schoolvoorbeeld van iemand aan wiens ontwikkeling je kunt aflezen hoezeer het nadenken over zoiets als religie het gevolg van vooral sociale druk is, van het blote feit dat de cultuur waarin men opgroeit nu eenmaal van die religie doordesemd is, hoe wereldlijk ze aanvankelijk ook geworden lijkt te zijn. Toen ik vorig jaar op de reünie van mijn oude middelbare school te Lochem was, liep ik daar een oud vriendinnetje tegen het lijf, met wie ik verkering had toen ik een jaar of veertien was. Ze herinnerde zich meer dan ik. Ze herinnerde zich bijvoorbeeld dat onze verkering uit was gegaan vanwege het feit dat ze gelovig was. Volgens haar zou ik gezegd hebben dat haar geloof ‘elke toekomst tussen ons in de weg stond’... Eerlijk gezegd schrok ik minder van het feit dat ik dat van die religie niet meer wist, dan van het feit dat ik de dingen op mijn veertiende zo geformuleerd zou hebben (wat een pedant kwastje!) — ook al klopte het wel. En ondanks het feit dat ik met het geloof nooit lastig ben gevallen — werkelijk areligieus ben opgevoed — en dus ook nooit werkelijk de behoefte heb gehad om fel van leer te trekken tegen het geloof als zodanig (zoals ‘afvalligen’ wel doen), was niet-geloven paradoxaal genoeg voor mij blijkbaar toch zoiets als een geloofsartikel. Wellicht is het dat nog. Met de persoonlijk gevoelde behoefte, misschien zelfs noodzaak van transcendentie heeft dat niet zoveel te maken — die is er, en beschouw ik als inherent aan de condition humaine, zoals ook het menselijk tekort en alles wat het verlangen naar vervulling in een meer religieuze zin voorstelbaar maakt. Maar die onrust is er niet om ongedaan te worden gemaakt, maar als een voortdurend probleem, als iets dat niet tot rust gebracht mag (want kan) worden.

    Dat maakte Onfrays, eigenlijk net iets te felle, ernstige en daardoor soms bijna humoristisch te noemen aanval op de godsdiensten dan toch weer de moeite waard, want hij richt zich, behalve op de vertegenwoordigers van de drie wereldreligies zelf, vooral op de intellectuelen die de afrekening met God maar voor de helft voltooid zouden hebben — die met en in de afschaffing van God een waarheid geformuleerd meenden te hebben die als zodanig nauwelijks iets verschilt van de dogmatische waarheden die ermee overwonnen zouden zijn. Met de aantekeningen dat ondanks die terechte kritiek Onfray zelf ook door een dergelijk dogmatisch geloof wordt bedreigd.

    Onfray wil niet liever dan naar de nietzscheaanse onbarmhartigheid toe, en hij is daarin zo steil dat hij op een bepaalde manier Nietzsche zelf ontrouw wordt. Hij heeft groot gelijk wanneer hij het slappe nihilisme aanvalt van degenen die bij de negatie van de Grote Waarheden van weleer zijn opgehouden, de afbraak daarvan als het eindpunt hebben gezien van ook die geschiedenis. Nietzsche’s eigen nihilisme lijkt me ook nooit door hem bedoeld als de wat al te gemakszuchtig verkregen waarheden van godloochenaars, maar steeds als een probleem. Nietzsche’s filosofie eindigt niet bij de door hem geproclameerde dood van God, schreef ik vandaag in de krant, ze begint er pas. ‘De ontkenning van God is geen doel,’ schrijft ook Onfray, ‘maar een middel om te komen tot een postchristelijke of ronduit wereldlijke ethiek’ — maar het is net op dat laatste punt dat mij, in de haast om met religie af te rekenen, precies die neiging tot transcendentie vergeten lijkt. Postchristelijk is zeker mogelijk — er lijkt me geen reden om te blijven verwijlen bij enkel en alleen de (overigens rijke) verhalen van het christendom — maar het erin geïmpliceerde post-transcendente lijkt me een onmogelijkheid. Jammer dat die grappenmakers die evolutionaire psychologie als wetenschap verkopen en zo stof leveren voor krantenbijlages vol leutige weetjes over mannetjes (jagers, mevrouw!) en vrouwtjes (broedmachientjes, meneer!) die van Venus of van Mars komen, van achter de maan of uit de zon, en die zo tevens iedere Jan Lul die een scheve schaats rijdt van een prehistorisch geweten voorzien — jammer dat zij nooit eens onderzoek hebben gedaan naar de biologische grond van de neiging tot religiositeit (of ik ben er niet van op de hoogte natuurlijk).

    ‘Ik geef Onfray geen ongelijk,’ zo heb ik geschreven, ‘God moet misschien wel écht dood, net als Allah en Jahweh’ (en juist daarvan hebben ze bij de krant de, hoe heet dat? de streamer? gemaakt: een groter afgedrukte tekst die de aandacht van de lezer trekt, zodat ik misschien alvast nieuwe ramen moet gaan bestellen) — ‘God moet misschien wel écht dood,’ schreef ik dus,

    ’uit naam van een mens die door geen enkele inperkende definitie meer wordt geamputeerd (geestelijk en lichamelijk beide). Al was het maar omdat alle stampij van door plaatjes of domweg door een bepaalde levenswijze blijkbaar tot in hun merg beledigde gelovigen door mij als een belediging van mijn eigen overtuigingen wordt ervaren — en of het daarbij nu om moslims gaat, om joden, of om christenen (die het overigens volgens de bijbel ook niet is toegestaan om af te beelden; dat we de Sixtijnse kapel platbranden...). Het op luide toon geëiste respect kan ik bij zoveel respectloosheid jegens míjn waarden niet opbrengen.
    Maar de vraag is wel of de, vanuit Onfrays perspectief bezien, leugenachtigheid geen integraal onderdeel is van het menszijn. Ons bewustzijn van de dood is, zo zei Pascal ooit, onze misère; maar ze is zeker ook onze grandeur. Dat wegsteken achter een als waarheid voorgestelde leugen van welke religie dan ook maar, kan nooit de bedoeling zijn geweest van de verhalen die door die religies worden verteld. En die men elders nog vindt: bij de Grieken, in China en Japan, bij de Inuit, in de Noorse mythologie. In de literatuur, de onze en die van anderen. Die verhalen zelf zijn de bedoeling, al was het maar omdat ze nergens, noch in heilige en zeker niet in seculiere boeken, eenduidig zijn, nergens aanleiding geven tot het soort conclusies dat er door zogeheten rechtschapen gelovigen aan wordt verbonden.
    Maar ze bieden wel, voor de duur van ons lezen, beschutting tegen een realiteit die we misschien uit de aard der zaak niet verdragen (‘Niemand kan van nature / in lijve de dood verduren,’ schreef de dichter), maar die we uit diezelfde aarde der zaak evenmin mogen verloochenen. En is het niet net die paradox die de kern uitmaakt van de verhalen in onder andere Bijbel, Torah en Koran? God is dood, leve zijn verbeelding?


    Zo combineert men een pleidooi voor literatuur als iets anders dan amusement met de problematiek van de transcendentie, die, zo kan men vaststellen, ik blijkbaar in geen geval opgelost wil zien (want bij het schrijven van mijn stuk, kwam toch ook nog weer even Sloterdijks Regels voor het mensenpark op mijn bureau terecht, en dreigde ik me ook daar in dat 1000-woordenstukje nog even mee in te laten; ik ben niet voor het ‘posthumane’ omdat het me teveel lijkt op iets wat gemakkelijk tot het post(h)ume leidt).

    Of zoals iemand me vandaag naar aanleiding van mijn stuk mailde: ‘dat het dus op het spel blijft staan, dat is zo goed.’

  • Pin it!

    kleine rechtzettingen

    Voor Thomas V., zo meldde hij me, was nu eindelijk het mysterie van Van Ostaijens regels: ’zo zijn ze gezellen naar zee de kano de maan en de man / waarom schuiven de maan en de man getweeën naar de zee’ opgehelderd dankzij Emma’s A. Voor het overige was de avond van het ultieme debat over de literatuurkritiek en –geschiedschrijving bij de SLAA teleurstellend verlopen, schreef hij me nog, omdat het uiteindelijk dan toch weer was uitgedraaid op het soort onderonsje dat T. nu juist aanklaagde.

    Ook ik blijf het moeilijk hebben met wat T. wil openbreken, om alle hier al eerder genoemde redenen, ook al ben ik ervan overtuigd dat het romantisch paradigma is uitgehold. Maar, zoals Xavier Roelens al opmerkte in zijn reactie op een eerder bericht, het is niet dat ik een oplossing heb. Daarbij, ik moet bekennen dat ik erg graag ‘onder ons’ ben, ook al omdat ik me verbeeld (en het zal ver- of liever inbeelding zijn) dat men binnen die gemeenschap bereid is om te blijven denken, om dingen in vraag te blijven stellen, ook al voelt men er zichzelf wat ongemakkelijk bij. Hoe naïef kan men zijn?

    Over ongemakkelijkheid gesproken: intussen wees Jacq Vogelaar de ganse redactie van yang op het feit dat Benjamins ‘De verteller’ ook al eens in Raster werd vertaald (nr. 13 uit 1980), terwijl wij er wel degelijk van uitgingen dat het nog steeds onvertaald was. Een stommiteit die ik vooral mijzelf aanreken. Goed, die nummer 13 staat nu net niet bij mij op de plank — daar springt het van 11 naar 15 — maar ik schreef wel over het jubileumboek, Ga ik weet niet waar, haal ik weet niet wat. Een keuze uit honderd x Raster, en daar stond Benjamins ‘De verteller’ immers ook in afgedrukt, in een vertaling van Vogelaar en Mertens. Dat had ik me op zijn minst mogen herinneren.

    En ik moet nog wat rechtzetten. Augustus (23-8) vorig jaar schreef ik kort over Michons Roemloze levens:

    ’Ik meen me te herinneren dat ik destijds bij De Groene Amsterdammer dit boek nog voorstelde als boek van de maand, maar helemaal zeker ben ik er niet van, want zelf heb ik er niet over geschreven (wat wel gebruikelijk was bij de boeken die je nomineerde). In ieder geval was, ik meen Jacq Vogelaar wat geïrriteerd door de stilistische brille van Michon (en van Rokus Hofstede, die hem vertaalde). In wat hij zei leek ergens het verwijt van schoonschrijverij te willen opduiken. Dat kan ik me – zij het dan weer niet van Vogelaar – wel voorstellen (…)’

    Het ging daar niet over Roemloze levens, maar, herinner ik me nu, over Rimbaud de zoon, en daarover was hij destijds minder enthousiast, in ieder geval minder enthousiast dan over het boek dat het toen haalde als boek van de maand (ik weet niet meer welke dat was). Over Rimbaud de zoon schreef ik inderdaad wél, zij het dan een kort stukje (ik neem het later nog op de al enige tijd niet bijgewerkte recensie-site op, maar hierbij:)

    RIMBAUD WORDEN
    Pierre Michon,
    Rimbaud de zoon. Vert. Rokus Hofstede. 103 blz. Van Oorschot.

    Over de dichter Arthur Rimbaud zijn bibliotheken vol geschreven, en wie ook maar een fractie van al die boeken las, ontdekt al heel snel dat het daarbij zelden of nooit alleen maar het
    werk van de dichter is waarom het gaat. Rimbauds dichterschap duurde al met al niet langer dan vijf jaar. Daarna leidde hij - in Afrika, in Nederlands-Indië - wat wij geneigd zijn een avontuurlijk leven te noemen, was koffie- én wapenhandelaar, militair en deserteur, en aan het eind van zijn leven schijnt hij zijn eigen poëzie als ‘kinderachtigheden’ te hebben afgedaan. Er doemt achter de naam Rimbaud een donker gat op, een haast peilloze diepte die zich het beste laat beschrijven in nu juist de dichtregels die hij schreef, of in citaten uit zijn zogeheten Zienersbrief. Je est un autre, ik is een ander, zo luidt een veel geciteerd zinnetje, en daarin gaapt het gat dat misschien veel van de Rimbaud-beschouwers in de eerste plaats in zichzelf hebben herkend en hen tot hun fascinatie voor deze dichter hebben gebracht.

    Rimbaud de zoon, het derde boek van de Franse schrijver Pierre Michon dat in Nederlandse vertaling verschijnt (eerder verschenen De hengelaars van Castelnau en Meesters en knechten; Het leven van Joseph Roulin), is de eerste tekst die ik lees waarin die persoonlijke fascinatie met, zoals het hier heet, ‘de duistere put in zijn binnenste’ expliciet wordt gemaakt. Je zou dit boekje natuurlijk heel goed kunnen lezen als de zoveelste bijdrage aan de Rimbaud-receptie, maar wie het daar op leest, ontdekt weinig nieuws, zij het dat Michon het Rimbaud-verhaal niet vertelt in de vorm van een biografie of een studie, maar in de vorm van een novelle. Rimbaud de zoon lijkt veeleer geschreven vanuit het besef dat Rimbaud een beeld is voor precies die duistere ander die in het eigen ik van de schrijver huist. Je zou bijna zeggen dat Michons boek helemaal niet over Rimbaud gaat.

    ‘Men zegt dat Vitalie Rimbaud (...) het leven schonk aan Arthur Rimbaud,’ zo begint Michon, en in dat ‘men zegt dat...’ wordt onmiddellijk duidelijk waar het hem om begonnen is: Rimbaud losweken van al die commentaren, hem opnieuw, voor zichzelf, in bezit nemen — ik geloof zelfs dat Michon in dit boekje probeert om Rimbaud te wórden. Zonder succes overigens. Hij weet dat hij, gezeten aan zijn eigen ‘dichterstafel’, onvermijdelijk tot degenen behoort die Rimbaud alleen maar, en voor de zoveelste keer, zijn dichterschap kunnen
    verlenen: tot de Izambards (een leraar van Rimbaud), de Banvilles (een eerbiedwaardige dichter uit die tijd), misschien op zijn hoogst tot de Verlaines (de dichter met wie Rimbaud een stormachtige verhouding had die eindigde met een paar door Verlaine afgevuurde pistoolschoten). Hij ís de ander niet die in zijn eigen ik huist; hij ziet die ander alleen maar in de figuur Rimbaud - nadert hem, omspeelt hem, maar blijft de afstand voelen, de afstand die nu juist de kracht uitmaakt van zijn fascinatie.

    Het heeft geleid tot een werkelijk schitterend boekje met lange golvende zinnen waarin je Michon als het ware Rimbaud zíet naderen, terwijl je tegelijkertijd dat ziet wat hem van Rimbaud gescheiden houdt. ‘Het is de weigering van de taal die
    ik zegt,’ schrijft hij ergens, de taal waar Michon zichtbaar te veel van houdt om dat te doen wat Rimbaud deed: die taal zelf weigeren en ‘langdurig gaan creperen in de wezenloze Hoorn van Afrika, bij volkeren zonder viool, waar je geen andere meesters hebt dan de woestijn, de dorst, het Lot (...).’ Michon verwijlt (gelukkig voor de lezer) in en bij de taal, waar Rimbaud met zíjn taal die taal achter zich liet.

    Dat Van Oorschot nog wat van die boekskes moge verkopen.