• Pin it!

    K.

    Vrijdag in Den Haag de presentatie bijgewoond van maar liefst twee boeken van Kees ’t Hart. Het mooiste leven..., het verslag van K’s jaar bij Heerenveen, bestond natuurlijk al als uitgave van het tijdschrift Hard gras. Nu verscheen het dan eindelijk in boekvorm, met de nodige toevoegingen. Daarnaast De krokodil van Manhattan.

    Het eerste boek werd ingeleid door Hans Vonk, destijds keeper van Heerenveen, nu de tweede doelman van Ajax, en mogelijk nog steeds de nationale doelman van Zuid-Afrika, maar dat weet ik niet zeker. Zijn voordracht was bijna des ’t Harts in die zin dat hij K. neerzette als natuurlijk een genadeloze leugenaar, die bovendien op allerlei manieren had ingegrepen in het reilen en zeilen van de Nederlandse topclub. Of dachten wij wellicht dat het toeval was dat trainer Foppe de Haan, die Heerenveen al twintig jaar onder zijn hoede had, kort nadat K. bij Heerenveen had rondgelopen, als trainer vertrok? En kort daarna ook de oud-voorzitter? En we wisten toch wel dat K. en zijn vrouw in het stadion een zitje hadden vlak achter de dug-out? Dat K. tijdens zijn jaar al regelmatig met de technische staf had zitten smoezen over ‘wie er scherp was’ en wie niet, zodat hij eigenlijk een grote invloed had op de opstelling? Dat K. in zijn boek schrijft dat het hem uiteindelijk lukte om 37 keer een balletje hoog te houden, moest volgens Vonk beslist naar het rijk der fabelen verwezen worden. Hij wist wel beter. De drie puntjes achter de titel van het boek, spraken volgens hem boekdelen: dat was het maximaal aantal keren dat het K. lukte om een balletje hoog te houden, en niet 37.

    Hans Vonk sprak de waarheid. Ik twijfelde geen moment.

    Abdelkader Benali las daarna een verhaal voor waarin de ik-verteller Kees ’t Hart was die vol verwachting bij Benali aan de deur klopte om te horen wat die van zijn nieuwe roman vond. Het was een verhaal vol omtrekkende bewegingen, maar wie het werk van ’t Hart enigszins kent, zag dat Benali heel precies analyseerde waar het in dat werk om draait — of in ieder geval in de nieuwe roman, die, lijkt mij op voorhand, weer en echte Kees ’t Hart is. Geen echte plot, verzekerde Annette Portegies me, en ik ademde op. Ook zij die van ontregelende literatuur houden — van boeken die niet op literatuur lijken, zoals K. het zelf ongeveer formuleerde in zijn dankwoordje — krijgen graag iets herkenbaars voorgeschoteld. Want zoveel is zeker: Kees ’t Hart mag zich niet al te veel ‘ontwikkelen’ van mij: ineens heel andere boeken gaan schrijven, boeken waarmee hij nog veel beroemder gaat worden dan hij nu al is, boeken met een plot en met herkenbare psychologische karakters of hoe heet het allemaal, en met keurig in aparte alinea’s uitgewerkte filosofietjes die voor de lezer nog eens de achterliggende gedachte van het verhaal netjes samenvatten. Mag niet. Als er dan al autoriteiten aangeroepen moeten worden, dan fictieve figuren als de Franse socioloog ‘Freusard’ in De revue bijvoorbeeld. En als er dan al filosofie in voor moet komen, dan het liefst op de manier van de revuedirecteur uit hetzelfde boek, die in een fabelachtige parodie op — zal ik het eens bijna zelfbeschadigend zeggen? — yangachtige Franse filosofen die soms de grootste banaliteiten weten op te pompen tot halve of zelfs hele openbaringen en die al die overdrijvingen verdedigen door te stellen dat stijl óók een ideologie is, een voordracht houdt die toch al dat Frans filosofische geschrijf — waarmee K. beter bekend is dan welke literatuurbeschouwer in Nederland die ik ken dan ook maar — níét belachelijk maakt.

    K. formuleerde het in een gesprekachtig interview (of een interviewachtig gesprek) met Hugo Verdaasdonk zelf heel scherp door te stellen dat hetgeen hij met zijn hyperbolen, zijn soms hysterische boven- en ondertonen in de zeik lijkt te nemen, op zijn minst voor de helft zelf uiterst serieus neemt — of ‘serieus nemen’ is niet de juiste omschrijving; het gaat om geloof (daarin volgt hij een rousseauiaans schema, zo stelde Verdaasdonk meer dan dat hij het vroeg, en K. bevestigde: de Rousseau van de Confessions is voor hem een, zeg maar, literair model). Het is wellicht mijn projectie dat het steeds om een panisch geloof gaat — om dat dat hetgeen is dat het dichtst in de buurt van mijzelf lijkt te liggen: een geloof dat tegelijkertijd wil en voorstelling is en als voorstelling de ware werkelijkheid zelf — om het eens ongeveer te formuleren zoals het in Touchdown herhaalde malen staat.

    Het was nadien alleraardigst om te midden van een soort reünie terecht te komen van mensen uit het noorden, onder andere L., wier Sri-Lankaanse dochtertje mij — het valt vrij precies te dateren — 18 jaar geleden een eerste kijk gaf op mijzelf als vaderfiguur. Ik was in de dierentuin van Emmen compleet idolaat van dat lachende meiske, en ik herinner me ooit nog een gedichtje voor haar geschreven te hebben dat ik later zelf kwijt ben geraakt. Dat heb je dan soms: je schrijft in één pennenstreek een gedicht en je weet: hartstikke goed, moet geen komma aan veranderd, absoluut bewijs van de eigen genialiteit, alleen jammer dat het maar zo sporadisch opduikt — en dan raak je dat kwijt in paperassen, scheidingen, verhuizingen of opruimwoedes. L. herinnerde me eraan: dat dat gedicht in de ‘poesiealbum’ van haar dochter zat — en ik vroeg haar het mij op te sturen. Het ging over de maan. En Emma wijst al vaak door de daklichten naar dat hemellichaam, noemt het bij de naam, maar met een A die het midden houdt tussen kort en lang, zodat de maan bijna (bíjna...) een man is.

  • Pin it!

    Kanttekeningen bij een debat

    Terwijl het nieuwe (december)nummer van yang alweer een paar weken geleden verscheen en er volop gewerkt wordt aan het eerste nummer van de huidige jaargang, ik bovendien het vorige jaar financieel en administratief moet afsluiten en een nieuw subsidiedossier moet opstellen, word ik vooral in beslag genomen door de discussie over literatuurgeschiedschrijving en -kritiek. Vorige week vrijdag, toen de voltallige yang-redactie zat te vergaderen op een gerieflijk appartementje in de binnenstad van Gent (met tussendoor de gebruikelijke bezorgpizza), vond in De Balie het als ‘ultiem’ aangekondigde literatuurdebat plaats tussen Robert Anker, Maarten Asscher, Hugo Brems, Marita Mathijsen en Thomas Vaessens. T.V. stuurde me voordien al de voordracht die hij zou houden, één die door de felle reacties op zijn NRC-stuk van eind januari helaas een wat defensief karakter heeft gekregen: hij moest zich teweer stellen tegen aantijgingen van Fens, (Carel) Peeters, Zeeman en de onvermijdelijke Doorman . Zelf vatte hij hun kritiek in zijn voordracht samen in de volgende alinea:

    ’Maarten Doorman verweet mij in dezelfde krant [NRC] dat ik mij neerleg bij de onwetendheid van mijn studenten. Kees Fens vreesde in De Volkskrant dat hij voor niets had geleefd: de literaire cultuur die hij mee opgebouwd heeft, zou bij al deze nieuwlichterij in een klap van tafel geveegd worden. Michael Zeeman wilde daar nog graag aan toevoegen dat men in Italië toch meer respect heeft voor de traditie. Carel Peeters, tenslotte, trekt in Vrij Nederland van deze week van leer tegen de zap-benadering van literatuur die ik enthousiast zou propageren.’

    Zo geformuleerd is de kritiek op T.’s bedenkingen onheus, en komend uit kringen waarin men vooral bezig is om de behaaglijkheid van de eigen posities te verdedigen. Fens’ commentaar is een beetje pathetische oude mannen-taal natuurlijk, en het zal wel niet gemakkelijk zijn om bij leven en welzijn te moeten vaststellen — nee, niet dat men voor niets geleefd heeft, maar dat men tot de geschiedenis behoort (al zijn er ergere dingen, zoals bijvoorbeeld totaal niet tot de geschiedenis behoren). Fens heeft al jaren een status aparte als de respectabele heer die vreemde boeken mag bespreken die niemand graag leest op een plek waar men literatuur zelf al heel lang als deel van de cultuurindustrie beschouwt — iets waarvan hij zich, gezien zijn afscheid van de reguliere literaire kritiek ergens in de jaren zeventig, toch bewust moet zijn. Zijn jammerklacht is dus de ijdelheid van iemand die tot zijn eigen verontwaardiging in Nijmegen nog steeds geen bronzen standbeeld kreeg.

    Zeeman tracht ook in Italië een George Steiner te zijn, en in velerlei opzichten is hij het ook. Ik heb dat graag, en ik hoor hem graag tijdens het voeren van een gesprek het volledige gedicht ‘Novemberland’ van Koos Schuur voordragen, zoals ik hem dat ooit daadwerkelijk hoorde doen (wie weet nog wie dát was, deze vergeten, ooit naar Australië uitgeweken en weer teruggekeerde Vijftiger? ’Dit is mijn land: onder pastellen luchten / liggen de akkers eindeloos en triest; / de wind neemt aanloop tot al wijder vluchten / en, spelend rond een eenzaam huis, verliest / hij telkens even aarzlend zich en briest / in een verlaten boom’; of, beroemder misschien: ’Om wat ik van de liefde weet / en van de vrouw die mijn moeder is, de vrouw die / mijn vrouw is, de vrouw die mijn dochter zal zijn / o mijn dochter / en van het vechten vuur om vuur / en van de liefde’). Maar toch is het een houding die alleen leidt tot het bewenen van wat verloren ging, tot melancholie op zijn best, als het al geen bitterheid is of zelfs totale wanhoop die aanleiding geeft tot een religieus renouveau (bij Steiner dan toch). Het enige wat dan rest is het verworven gezag, de positie die men bekleedt, die het (vooralsnog) toestaat te volharden in een steeds meer uitsluitend eigen gelijk.

    Peeters is ook niet onmiddellijk een wat je kunt noemen frisse stem in welk debat dan ook maar. De man maakte zich onsterfelijk belachelijk met zijn brochure over het postmodernisme, waarin hij eigenlijk ook al niet zo heel veel verder kwam dan de vaststelling dat het om een zapcultuur ging. Het zou niet bij hem opkomen dat de door hem zo geliefde Ter Braak en Du Perron — hoezeer ook geconsacreerd als Hollandse modernisten (zij het dan weer met een afkeer van avant-garde) — vanuit een postmodern perspectief interessante lectuur kunnen opleveren.

    En over Doorman kan men kort zijn: een volstrekt boterhoofd — nooit te beroerd om bepaalde poëzie te kapittelen omdat hijzelf die niet onmiddellijk begrijpt, en als filosoof om den brode heel erg tegen welke filosofische redenering in of over poëzie dan ook maar (poëzie lijkt voor hem zoiets als de maagdelijkheid van het gevoel te zijn, die terzijde van het ‘echte’ leven moet blijven staan, een ongereptheid die door geen denken ‘bevuild’ mag worden; een weinig vruchtbare houding als men zich tegelijkertijd in ieder debat meent te moeten mengen). Iemand, kortom, die in de publieke ruimte vooral veel gepleit heeft voor eenvoud en simpelheid, en als zodanig elke serieuze discussie over poëzie nodeloos heeft gefrustreerd.

    Men kan zijn critici niet kiezen, maar ik schreef T. al dat hij moest proberen om nu zoveel mogelijk bij de zaak te blijven; het mediastormpje waarin hij terecht is gekomen vreet energie, want je kunt op een bepaalde manier niet níet reageren — en dus verspil je tijd aan het rechtbuigen van wat anderen hebben kromgetrokken in je oorspronkelijke betoog. Ik bedoel: veel van deze kritiek is naast de kwestie. Het gaat om iets anders.

    In de discussie die ik via de mail met T. voerde hebben we nog eens geconstateerd wat ik hiervoor al aangaf: dat er in ons waarschijnlijk een hardnekkige rest avant-garde (of romantiek) schuilt die het ons verhindert om naar literatuur te kijken op een andere manier dan zoals de literatuurgeschiedenis het ons heeft aangeleerd. Ik ben hier en elders al vaker te hoop gelopen tegen de gedachte dat literatuur niets meer met de samenleving van doen zou hebben, dat literatuur zoals ik die ken vandaag de dag nog uitsluitend een historisch verschijnsel zou zijn. In de huidige literatuurbeschouwing is de ideologische angel er uitgetrokken — het feit dat in literatuur met nadrukkelijk literaire middelen een werkelijkheid tot stand wordt gebracht (over afbeelden, weergeven, kopiëren en dergelijke heb ik het niet, óók niet als het om ‘realistische’ literatuur zou gaan) die zich op een bepaalde manier verhoudt tot de werkelijkheid van alledag, de (overigens bepaald niet eenduidige) werkelijkheid zoals die gestalte krijgt in kranten, in de politiek, in allerlei de alledaagse werkelijkheid definiërende fenomenen en instanties. Het is die claim van de literatuur op de werkelijkheid zelf die bijvoorbeeld recentelijk door Offermans nog maar eens als achterhaald werd verklaard. Met een variant op de scrabbleterminologie: de werkelijkheidswaarde van woorden wordt voortdurend gereduceerd tot nul (iets wat uiteraard niet alleen in literatuur gebeurt).

    Men kan nu grofweg gesproken twee kanten op: men kan een zogenaamd ‘realistisch’ standpunt innemen en in alle rust, mét Offermans (in het kielzog van al eerder Heumakers en in zijn kielzog weer vele anderen), constateren dat hun beschrijving domweg aangeeft wat het geval is. Het heeft namelijk geen enkele zin om te ontkennen dat literatuur in het huidige tijdsgewricht ‘postliterair’ is geworden (zoals ik het in De inwijkeling naar analogie met Žižeks ‘postpolitiek’ (o.a. in Pleidooi voor intolerantie (1998)) formuleerde). Maar het is nog wat anders om je daar als literair criticus (of als auteur), als deel van het literaire systeem, ook bij neer te leggen, om je te laten opsluiten in het reservaat dat de samenleving de literatuur gelaten heeft. ‘Realisme’ van de literatuurkritiek komt hier altijd neer op zelfvernedering, en week na week zeggen critici eigenlijk: het is mooi, of het is niet mooi, maar het maakt niets uit, want het dient nergens toe. In deze tijd brandt schoonheid schoonheid zich aan niets, noch ontbrandt zij iets.

    Datzelfde ‘realisme’ speelt me parten als ik T.’s pleidooi voor een andersoortige benadering van het academische literatuuronderricht lees, en in het verlengde daarvan van de traditionele literatuurkritiek. Zijn betoog is, lijkt me nu, enigszins gespleten. Het gaat enerzijds over het feit dat studenten vandaag de dag hun eerste werkelijke literatuuronderricht pas krijgen wanneer ze — om wie weet welke reden — hebben besloten dat ze zoiets als literatuur willen gaan studeren, en in die eerste confrontatie dan meteen kopschuw dreigen te worden gemaakt omdat het gehanteerde literatuurbegrip mijlenver van hun eigen beleving afstaat. Aan de andere kant gaat het over ‘het autonome veld van de literatuur’, waarin, schrijft T., ‘éigen wetten en een eigen hiërarchie’ gelden.

    Het één heeft zeker met het ander te maken voor zover de autonomie van de literatuur en de daar heersende wetten en hiërarchieën leiden tot een onderwijspraktijk waarin literaire teksten onmiddellijk verbonden zijn met andere literaire teksten, waarvan kennis eigenlijk noodzakelijk is (of althans als noodzakelijk wordt voorgesteld) voor een beter begrip van een en ander (bij sommige sterk poëticale teksten kun je je zelfs afvragen of ze überhaupt wérken als je niet weet waartegen ze zich richten). Voor zover de literatuur van de moderne tijd als één van haar definiërende kenmerken haar plek in een gedurig actie-reactiepatroon heeft, niet alleen beschouwd kan, maar zelfs moet worden als reactie op wat er aan voorafging, ontkom je er niet aan studenten precies dit literatuurbegrip bij te brengen. De ‘realiteit’ van hun eigen fragmentarische lezen dient dan uitgebannen te worden ten gunste van een historische geheel dat (ironisch genoeg) ooit wel eens is omschreven als ‘de traditie van de breuk’ (Paz).

    Maar Vaessens stelt nog een andere vraag die er dwars doorheen loopt: in hoeverre het paradigma van de huidige literatuurgeschiedschrijving niet volledig achterhaald is. In ieder geval lijkt het Romantisch paradigma uitgeput te zijn (zeker is dat niet). Dichters als Oosterhoff of Bruinja, als Duinker of Wijnberg presenteren hun werk in ieder geval niet langer binnen het schema dat de literatuurgeschiedenis hen oplegt. Ik herinner me ooit in Leeuwarden Tonnus Oosterhoff geïnterviewd te hebben (voor de gebruikelijke 11 man publiek) en hem bij die gelegenheid — ook op grond van zijn proza (en dan doel ik eigenlijk vooral op zijn meest toegankelijke proza, de roman Het dikke hart) — de vraag te hebben gesteld in hoeverre je zijn werk als postmodern mocht beschouwen. Oosterhoff schoot onmiddellijk in een koleire, maakte afwerende gebaren en zei ongeveer: ‘er is maar één werkelijkheid hoor’, waarmee hij en passant duidelijk maakte hoezeer de hoofdpersoon van Het dikke hart, Gerrit van Houten, en de auteur (zoals hij Van Houten portretteerde) aan elkaar verwant waren. Ook mijn lezing van zijn werk — in recensies in de Groene bijvoorbeeld — als ‘kritisch’ in de oude zin van het woord, waren hem altijd hoogst onwelkom.

    Nu heeft dat me nooit heel erg gestoord (met de intentie van de auteur heb ik niks te schaften, alleen met het — voor hem zelf soms wellicht onbedoelde — effect van die intentie), maar je kunt je wel afvragen of hier mijn ‘ouderwetse’ literatuuropvatting en de daarop gestoelde benaderingswijze niet botste met een andere literatuuropvatting. In zijn lezinkje en al eerder gaf Vaessens steeds aan dat er in de huidige poëziekritiek en in de academische poëziebeschouwing eigenlijk helemaal geen aandacht is voor wat zijn studenten aan poëzie eventueel interesseert. Hij noemt daar afwisselend poetry slams, performance en de ‘bewegende gedichten’ die op het internet te vinden zijn (met die laatste experimenteert ook Oosterhoff nu al geruime tijd). Punt is dat er bij al die vooral formele experimenten, die afwisselend interessant en criant vervelend zijn, pompeus en ouderwets of juist heel hip en sloganesk, van een werkelijk nieuwe poëzie geen sprake is — althans niet volgens het literatuurbegrip dat ik hanteer. Als ik in het soms aandoenlijke gefröbel, het soms zeer professioneel ogende electronische knip-, plak en animatiewerk wél een ‘nieuwe’ poëzie moet zien, dan word ik bijna gedwongen me op het standpunt te stellen van diegene voor wie poëzie enkel nog een spelen met woorden is, maar dan nadrukkelijk zonder in ‘het metafysische’ geankerd te zijn (Van Ostaijen), zonder ideologische claims of zonder ook maar iets uitstaans te hebben met de werkelijkheid zelf.

    Ik wees Vaessens terzijde ook nog even op een passage uit één van de Frankfurter Vorlesungen van Ingeborg Bachmann (gehouden in de winter van 1959-1960). Zij schreef:

    ’De werkelijkheid wordt alleen dan tegemoet getreden met een nieuwe taal, als er een omslag plaatsvindt op het gebied van de moraal of de kennis, en niet als men probeert de taal op zich nieuw te maken, alsof de taal zelf kennis zou kunnen injecteren en zou kunnen getuigen van een ervaring die men nooit heeft gehad. Als er alleen maar met de taal wordt gemanipuleerd om haar een nieuwe indruk te laten maken, wreekt zij zich spoedig en ontmaskert de opzet. Een nieuwe taal moet een nieuw geluid hebben, en dit geluid heeft ze alleen als ze door een nieuwe geest wordt bewoond.’

    In alles wat Vaessens aanhaalt om te zeggen dat literatuurkritiek en –onderwijs zich te veel in hun eigen autonomie hebben teruggetrokken, in de aandacht voor nieuwe media, voor het fragmentarisme als apriori (en dus niet als protest tegen welke geordend geheel dan ook maar), in dat alles toont zich allesbehalve een ‘nieuwe geest’. Integendeel soms. Het is vaak vooral een gedweeë geest, een getemde geest, één die wat knipt en plakt, wat inkleurt en overtrekt — maar in en met dat alles geen andere bedoeling meer heeft, want geen andere bedoeling meer kan vinden. Het is spelevaren binnen de gegeven (technisch en eigenlijk ook commercieel bepaalde) mogelijkheden en niet langer een mogelijkheid om voorbij dat wat gegeven is te komen. Het gaat er niet om dat men de nieuwe technische mogelijkheden buitensluit, maar uiteindelijk is de verbinding tussen die nieuwigheden en een ander paradigma voor literatuurgeschiedschrijving en –kritiek misschien toch niet zo dwingend als hier wordt voorgesteld?

    Dat alles neemt niet weg dat de literatuurgeschiedenis die volgens ‘de traditie van de breuk’ werd geschreven, hoognodig zoniet aan vervanging, dan toch aan serieuze nuancering toe is. Eens kijken wat ‘de nieuwe Knuvelder’ te bieden heeft. Ik ben uiteraard in de eerste plaats geïnteresseerd in het deel van Brems.

  • Pin it!

    Individu

    Tussendoor Thomas Rosenbooms Denkend aan Holland eindelijk gelezen (Offermans refereerde er aan in zijn NRC-artikel van een aantal weken terug), het ‘pamflet’, zoals de ondertitel het noemt, dat hij bij wijze van Kellendonklezing februari vorig jaar voorlas in Nijmegen. ‘Tot hilariteit van de zaal,’ zo meldt de flaptekst, en dat valt te begrijpen, want in deze korte zedenschets manoeuvreert Rosenboom zich zorgvuldig in de rol van de lijdzame intellectueel die moet toezien hoe de wereld, en dan vooral Nederland, naar de donder gaat — en dat heeft altijd iets onuitsprekelijk grappigs. De enige keer dat groepen jongeren, schoolklassen of anderszins collectief optredende mensen hem géén schrik aanjagen, is wanneer hij zich op tijd realiseert dat hij in het buitenland is: in Duitsland, in België ook. Zelf bewoont hij een statig grachtenpandje in het Gomorra dat Amsterdam geworden is, waar hij alweer lijdzaam toekijkt hoe zonder uitzondering benevelde idioten in scheepjes onder zijn balkonnetje doorvaren, hem vriendelijk groeten, om vervolgens in woede te ontsteken wanneer hij daar niet op reageert dan door met dezelfde norse blik, inwendig foeterend, voor zich uit te blijven staren.

    Een grachtenpandje...
    In Amsterdam...

    Die Rosenboom zit goed in zijn slappe was — dat moge duidelijk zijn. En of het op grond daarvan is dat hij meent zich hooghartig van de wereld af te mogen keren, wordt niet helemaal duidelijk, maar een en ander geeft aan zijn werkelijk wel lollige pamflet — ook ik heb gegniffeld — toch een beetje een rare bijsmaak.

    Om te beginnen is het opsommen van de symptomen van hetgeen er scheef is gegroeid in het zo liberalistische (en liberale) Nederland gemakkelijker — en door het gekozen perspectief inderdaad ook een stuk vermakelijker — dan het geven van een analyse, iets wat Rosenboom zorgvuldig nalaat. Daarnaast is het geven van een analyse dan altijd nog weer makkelijker dan het bedenken van oplossingen, en daarover hoor je bij Rosenboom helemaal niets, natuurlijk. Bovendien, en daar begint mijn hierboven al tentoongespreide scepsis, lijkt Rosenbooms eigen houding mede aan de basis te liggen van alles wat hem in het huidige Holland zo tegenstaat: een doorgeschoten individualisme. Dat heeft zich ten noorden van de Moerdijk — maar ik maak me sterk: ook allang ten zuiden daarvan — vertaald in de overtuiging dat men alles mag doen wat men wil, en dat een ieder die daar bedenkingen bij heeft — expliciet, maar ook impliciet, bijvoorbeeld door niet op de gewenste wijze te reageren op de inderdaad soms stuitende uitingen van dit ‘individualisme’ — een aanslag pleegt op de vrijheid van het individu. Die houding op zich duidt op een gebrek aan gemeenschapszin, ook al is de eis tot tolerantie voor wat dan ook maar alomtegenwoordig en is precies dit soort doorgeschoten individualisme een collectief verschijnsel.

    Rosenboom protesteert — vanuit een humoristische lijdzaamheid — tegen het individualisme van de massa, om dat van hemzelf alle ruimte te geven. Wat hij wil is met rust gelaten worden, het absolute recht zich niet te hoeven engageren en, tegelijk, encanailleren (het zijn bij hem beslist synoniemen); hij wil een haast landelijke rust in zijn grachtenpand in hartje Amsterdam, en overal elders waar hij komt ook: op de schoolpleinen, in musea, op straat.

    Begrijpelijk, maar als aanklacht een beetje een zwaktebod; Rosenboom, die misschien prat gaat op zijn schrijverschap en wellicht niet verward wil worden met het prototype van de intellectueel (hij schrijft romans, geen tractaten; hij doet aan kunst, niet aan politiek) – Rosenboom had hier toch de tegenstrijdigheid in zijn lamentatie moeten zien. De symptomen die hij zo geinig aanklaagt, houden verband met een flagrant gebrek aan gemeenschapszin. Een ‘eng’ woord misschien — in elke betekenis (benauwend, griezelig) — maar het is niet per se nodig bij dat woord aan de jaren vijftig te denken, of aan Balkenende’s normen en waarden. Gemeenschapszin is alleen eng wanneer ze op een rigide manier is gedefinieerd, lijkt me.

    Natuurlijk sta ik hier zelf in de buurt bekend als één van de heftigste klagers: over laweit van het Turkse mannencafé hier tegenover (recentelijk in het holst van de nacht een vechtpartij die de hele buurt in ochtendjas en met pantoffels aan op straat bracht: twee kinderachtig achter elkaar aan rennende, over de grond rollende, weer achter elkaar aan rennende, schreeuwende, tierende mannen, omgeven door druk gebarende, druk pratende, soms aan de armen van één, dan weer aan de armen van de ander hangende mannen), en recentelijk ook maar eens aangebeld bij een huis waar op zolder een band oefent. Die deden dat al een hele tijd, op zondagavond, van een uur of zeven tot een uur of tien. Men verdraagt dat gemakkelijk. Maar recentelijk begonnen ze ook door de week. Aangebeld, gezegd dat het nu wel een beetje erg werd, misschien. Eerste verdedigingslijn: we wonen hier in een stad, en dan moet je maar het een en ander verdragen (het argument van de schepen hier in Gent, die daarmee klagers afserveert, en niet te beroerd is om er aan toe te voegen dat die klagers het typevoorbeeld van verzuurde Vlamingen zijn (lees: VB-ers)). Eerste tegenwerping: precies, we wonen in een stad, dus bepaalde dingen kunnen niet, bijvoorbeeld met een band op een zoldertje oefenen in een wijk met gezinnen met kinderen. Dat is er over. Ga dan iets zoeken op een industrieterrein, waar je drummer zich ten volle kan ontplooien.

    Ik verbeeld me echter dat deze klachten een meer algemeen doel dienen; ze dienen niet alleen onze, ook dan relatieve, want immers stadse rust, maar die van de wijk als zodanig, waar te veel mensen wonen die achter de geraniums mokken en zich ingraven in hun koleire, in plaats van confrontaties aan te gaan (zo blijkt dan vaak achteraf). Uiteraard zou het schijnheilig zijn om te beweren dat het hier een individuele opoffering voor het welzijn van allen betreft — in eerste instantie is het wel degelijk mijn irritatie die soms ook bij mij een rosenboomse vorm aanneemt. Maar men komt er niet mee om nors kijkend op zijn vorstelijke balkonnetje te blijven zitten; men moet, om er iets aan te veranderen, zich engageren. Dat, of van het balkon springen natuurlijk.

  • Pin it!

    Fragmenten

    Vandaag in de Morgen de resultaten van een muziekonderzoek onder jongeren. Daaruit blijkt dat jongeren nauwelijks nog cd’s kopen, maar veelal muziek downloaden van het internet. Dat doen er wel meer — en niet alleen jongeren. En behalve dat zoiets een klap is voor de muziekindustrie, zeker waar het gaat om gratis (illegaal) downloaden, zou het ook wel eens een serieuze streep door de rekening kunnen zijn van artiesten en groepen die hun eigen muziek nog serieus nemen. Een cd is in de regel meer dan een willekeurige verzameling bij elkaar gezette songs (zoals een dichtbundel meer is dan een willekeurige verzameling gedichten). Human Conditions van Richard Ashcroft bijvoorbeeld, moet bij elkaar genomen meer zijn dan de losse nummers, en dus wekt het ergernis wanneer de Music Store van iTunes niet de volledige cd aanbiedt op haar site. Men wil uiteindelijk een groep of artiest ook in zijn zwakkere nummers leren kennen, en menig zwak nummer op menige cd is in de loop der jaren uitgegroeid tot iets herkenbaars, soms tot iets herkenbaar irritants, maar vaker tot iets wat men ondanks alles koestert als deel van een geheel waarvoor men zijn hand in het vuur zou willen steken, als deel van een ervaring met die titel, bestaande uit die nummers, in die specifieke volgorde.

    Je zou kunnen zeggen dat het internet als postmodern medium nog maar eens het denken in grotere verbanden om zeep helpt. Of vanuit een andere invalshoek: dat het nog maar eens het typische consumentengedrag bevordert dat meer bezadigde reflectie verhindert en, ondanks de schijn van het tegendeel, juist de mogelijkheid om werkelijk te kiezen verkleint.

    Het sluit een beetje aan bij wat vorig weekend in Antwerpen op het tijdschriftenforum werd besproken: dat is de jaarlijkse samenkomst van alle literaire en culturele tijdschriften in Vlaanderen voor zover door het Vlaams Fonds voor de Letteren gesubsidieerd. Het onderwerp daar was: digitalisering. Vrijwel alle Vlaamse tijdschriften hebben inmiddels een website — het Fonds zelf heeft daar in het verleden ook op gehamerd — en die is in de meeste gevallen redelijk uitgebouwd (veel beter dan de meeste tijdschriften in Nederland, zo bleek uit de opmerkingen van iemand van het Nederlands Literair Productie- en Vertalingen Fonds, het Fonds dat in Nederland de subsidies voor literaire tijdschriften verzorgt; die keek ook enigszins jaloers naar de activiteiten van CeLT, die op haar webstek doorverwijst naar die van de bij haar aangesloten tijdschriften, en die bovendien een resum distributie- en promotieactiviteiten ontplooit). Het Vlaams Fonds wilde nu eens wat filosoferen over verdergaande digitalisering. Daartoe was een aantal mensen aangezocht om een korte presentatie te houden, en één van hen was Dirk Van Eylen, webredacteur van De Brakke Hond. Die stelde een aantal mogelijke organisatievormen voor van literaire tijdschriften op het web, en zijn meest verregaande, meest gedigitaliseerde organisatievorm kwam neer op weinig anders dan een database vol auteurs.

    Dat is een vorm die bijvoorbeeld voor yang niet zou werken, om de simpele reden dat yang zijn identiteit haalt uit de context, uit het bij elkaar plaatsen van precies die onderwerpen door precies die auteurs in precies dat specifieke nummer. Dat wij, om eens een dwarsstraat te noemen, Tonnus Oosterhoff of Arjen Duinker publiceren, zegt op zich minder dan we misschien zelf wel zouden willen: het is in de huidige constellatie, in de huidige organisatie van het literaire veld, niet mogelijk om auteurs zodanig aan je tijdschrift te binden dat ze, ook al publiceren ze elders, toch steeds met jouw blad geïdentificeerd worden (zoals je vroeger typische Raster-auteurs had, die dan misschien nog wel in De Revisor terecht konden, maar zeker niet in Maatstaf of Tirade). Bij publicatie van Duinker of Oosterhoff is het de ons typerende context die bepalend is — iets wat ik ooit al eens met zoveel woorden heb gezegd toen ik samen met vertegenwoordigers van andere literaire bladen een avondlang in Perdu discussieerde over het ‘poëziebeleid’ van literaire tijdschriften. Of Oosterhoff het nu leuk vindt of niet, zei ik toen ongeveer (en natuurlijk enigszins provocerend), maar wij bepalen wel wat zijn werk betekent. Poëzie heeft geen kwaliteit, zo heb ik toen niet minder stoer ook nog gezegd; kwaliteit is wat je op grond van bepaalde vooronderstellingen aan zekere poëzie toekent — en het gaat om die vooronderstellingen.

    Die verdwijnen achter de horizon als je een literair tijdschrift deconstrueert tot een kaartenbak vol daarin publicerende auteurs, of als je een bepaalde cd reduceert tot een verzameling, dan plotsklaps willekeurig ogende nummers. Het selectiecriterium wordt verduisterd — iets wat tegenwoordig op bijna elk vlak gaande is (uitgaan van het succes van (cultuur)producten bij ‘het’ publiek reduceert elk van die producten louter tot zijn commerciële waarde). En daarmee, zo herhaal ik nog maar eens, de mogelijkheid om werkelijk te kiezen: te kiezen voor iets wat op een andere dan de gebruikelijke, marktconforme manier gedefinieerd wordt.

    Waarmee ik dan toch, een beetje tot mijn eigen leedwezen, alsnog bij het opiniestuk van Thomas Vaessens uitkom dat op 21 januari in NRC stond, bij wijze van warmmakertje voor de gedichtendag later die week. Tot mijn leedwezen, want ik heb het vanaf het moment dat ik het las een beetje een net te tendentieus stuk gevonden, of om het wat venijniger te zeggen: een soort marktconform meehuilen met de wolven in het bos. Een vriend die ik schreef dat nu ook Thomas V. de criticus al tot marktkramer omgevormd had, wees mij echter terecht: dat was een te grove samenvatting van hetgeen er stond, meende hij.

    Hij heeft gelijk natuurlijk, die vriend. Het stuk staat duidelijk in het verlengde van Vaessens' stuk over literatuurgeschiedschrijving in de Literatuur-bijlage van De groene enige tijd terug (iets waarop nog een vervolg zal komen, bijvoorbeeld in de vorm van de al aangekondigde discussie bij de SLAA later deze maand (17 februari)). Ook bij dat stuk — dat alleen nog maar de analyse bevatte — vreesde ik natuurlijk al hetgeen Vaessens nu in zijn NRC-stuk schrijft. In het hele stuk wordt maar telkens uitgegaan van ‘de jeugd van tegenwoordig’ die het geduld (of de gewoonte? Thomas? zou dat ook kunnen?) niet meer heeft (niet meer aangeleerd heeft gekregen?) om eens rustig een bundel te lezen, maar wier leesgedrag zich laat omschrijven als ‘zappend’. Vaessens:

    ’Mijn studenten lezen (...) de hele dag, maar op een heel andere manier [dan de literatuurliefhebber van weleer]. Ze lezen vooral rommelig. Of, als je het graag negatief wil stellen: zonder geduld. Het is geen automatisme een lang krantenartikel helemaal uit te lezen, want tijdens het lezen klinkt altijd wel een paar keer het bliepje van de mail of van de sms; staat de radio aan en teletekst; wordt er even iets gegoogled, et cetera. Lezen is voor hen nagenoeg altijd onderdeel van een meervoudig, hiërarchieloos en niet-lineair proces waarin de lezer meerdere teksten en tekstsoorten tegelijk tot zich neemt. Dit betekent dat studenten vooral fragmenten lezen [accentuering van mij]. Fragmenten die ze vervolgens verbinden tot een eigen tekst; al knippend en plakkend uit veel verschillende (soorten) bronnen zijn jonge lezers van nu graag zélf de auteur van de tekst die ze lezen. Mijn studenten zijn meesters van de compilatie, meesters van de dialogische tekst.’

    Er was een tijd dat Het Fragment gold als toppunt van avant-gardistisch verzet tegen het grote, maar daardoor altijd valse verband. Het fragmentarisme van de huidige generatie toont vooral aan dat een op die wijze opgevat ‘fragment’ alleen werkt wanneer de Grote Gehelen nog zodanig intact zijn dat ze een definiërende rol spelen in de werkelijkheid. Nu die Gehelen begin 21ste eeuw eindelijk vakkundig en geheel gesloopt lijken, de markt zich over het totaal van de resterende, inderdaad hiërarchieloze (of dan toch zo ogende) werkelijkheid heeft ontfermd, blijkt het fragment de laatste ijsschots te zijn in een almaar deinende zee van mogelijkheden, een mèr à boire die enkel de verdrinkingsdood laat — of ja, inderdaad de enige en laatste mogelijkheid om dan zelf maar, bij gebrek aan leermeesters die willen uitleggen hoe het zit, een ‘geheel’ in elkaar te knutselen.

    Ik bedoel dit: in zijn ijver de poëzie en de poëziekritiek (en ook nog de literatuurgeschiedschrijving) uit hun isolement te halen, schiet Vaessens in zijn schets van de jeugd van tegenwoordig in de kramp van de oude avant-gardist voor wie de afwezigheid van hiërarchie als toppunt van bevrijding gold — niet beseffend dat die bevrijding alleen verlokkend is voor wie onder het juk van een bepaalde hiërarchie moet leven. De neiging van zijn studenten om, zonder kennis van het geheel waaruit ze hun tekstfragmenten (of hun popsongs) hebben gehaald, dan zélf maar een geheel in elkaar te knutselen, laat zich voor mij nu juist begrijpen als een diep verlangen naar overzicht. Wellicht dat ze voorlopig zelf veel plezier beleven aan hun in wezen narcistische zelfbouwpakket, maar wanneer het door hen samengestelde geheel nergens mee blijkt te kunnen botsen, zal dat narcisme zelf al snel de (niet meer als zodanig begrepen) kerker zijn waarin het gevoel van onwerkelijkheid met geen iPod, geen draagbare DVD-speler, geen als complete radio- annex tv-studio ingerichte GSM meer te stillen is. Wat blijft is een onbehaaglijkheid die zich niet meer laat verklaren, maar bijvoorbeeld wel agressief maakt. (Ik schets hier natuurlijk slechts wat al grotendeels gaande is).

    Kortom: Vaessens’ stuk over de poëziekritiek — kritiek die zich nu juist aan deze zappende lezers en lezeressen zou moeten aanpassen in plaats van, zoals het dan heet, zich als een ‘esoterisch anachronisme’ te gedragen — lijkt me gebaseerd op de al grotendeels achterhaalde utopische dromen van de rest avant-gardist die er in hem (maar ook nog steeds in mij) rondwaart (zo zijn wij groot gebracht in de jaren zeventig en tachtig), en daarmee op een verkeerde inschatting van wat mensen wenselijk achten. Vrijheid, zeker, maar dan toch één die je ook daadwerkelijk ervaart, één die ook emancipatie is. Vaessens dient dus voor zijn collegezalen een aanvankelijk vriendelijk en allengs strenger verzoek tot zijn studenten te richten GSM’s uit te schakelen, de stekker van de tv uit te trekken en zich te concentreren (want dat kunnen ze best, namelijk). Misschien kan hij in Amsterdam een cursus yoga of meditatie op het curriculum krijgen?







    Net zomin als hij twijfel ik aan de intelligentie en de nieuwsgierigheid van zijn studenten, maar men zou ze de kans moeten geven die mij in mijn studententijd — door de per decreet opgelegde aansluiting bij mijn toen, eerlijk gezegd, behoorlijk diffuse, onduidelijke, chaotische, naar een hiërarchie snakkende belevingswereld, weetjewel — al meer en meer werd ontnomen (zodat je je docenten buiten de colleges lastig viel met even arrrogante als wanhopige vragen als: ‘ik begrijp dat je in college zegt wat je zegt, maar hoe zit het nu werkelijk?’ of ‘Ja, ik snap dat je me dit cijfer geeft (gezien het niveau hier), maar wat als ik dit nou in een heus blad zou willen publiceren?’) Vaessens zou ze de kans moeten geven een welomschreven Geheel tot zich te nemen — dát is de uitdaging waarvoor hij en zijn jonge collegae (Buelens in Utrecht, Joosten in Nijmegen straks) op dit moment staan, als je het mij vraagt, juist als je hebt vastgesteld dat de literatuurgeschiedschrijving nog steeds op negentiende eeuwse leest geschoeid is en als zodanig in de 21ste eeuw wellicht niet meer voldoet. Die constatering mag geen reden zijn om aan te sluiten bij het consumentistische hap-snap gedrag (dat domweg een andere, meer onzichtbare hiërarchie weerspiegelt, overigens), maar moet een aansporing zijn tot het scheppen van een nieuw geheel op basis van andere dan de negentiende eeuwse vooronderstellingen.

    Dat geldt mutatis mutandis dan ook voor poëziekritiek. Dat poëzie, literatuur in het algemeen, zijn centrale positie in het cultuurgebeuren is kwijtgeraakt, staat buiten kijf. Dat is zelfs allang zo. Maar dat je daarmee ook de mogelijkheid er toegang toe te krijgen onmogelijk maakt, is nog weer een ander paar mouwen. Waar ik aan toevoeg — Vaessens overige publicaties indachtig — dat ik er geheel van overtuigd ben dat hij schrijft vanuit een defensieve impuls, vanuit een verlangen te redden wat er nog te redden valt.