• Pin it!

    Vlaanderen boven

    Vorige week in de krant gelezen dat Filip Dewinter zichzelf en de rest van de rasechte Antwerpenaars een uitwijzingsbevel heeft gegeven: in een boekje van zijn hand eist hij dat iedereen in Antwerpen op straat Nederlands spreekt. Dat heb ik nu nog nooit uit zijn mond mogen vernemen, Nederlands, noch uit die van welke sinjoor dan ook maar. Ten opzichte van wat Algemeen Beschaafd Nederlands heet te zijn, spreekt de Antwerpenaar behoorlijk barbaars. Men mag in de Scheldestad zelf vinden dat het niet nodig is om het Antwerps koeterwaals op tv te ondertitelen (maar hier in Gent vinden ze iedereen voorbij Lokeren een ‘dikke nek’, natuurlijk, en Antwerpen is qua verwatenheid ook zo’n beetje het Amsterdam van Vlaanderen), het blijft toch grotendeels onverstaanbaar gebrabbel. Net als het ‘rasechte’ Amsterdams overigens, of, als het daarom gaat, het Rotterdams. Gronings is ook niet te verstaan, maar dat verbaast niemand. En Utrechts?

    Rita Verdonk, minister boven de grote rivieren en door het Nederlands, zichzelf zeer respecterende journaille vorig jaar uitgeroepen tot ‘politica van het jaar’, want mevrouw heeft zo’n ‘rechte rug’ — Verdonk dus, komt oorspronkelijk uit Utrecht. Mevrouw is maar vijf jaar ouder dan ik, en dat schokt me toch een beetje. Wel heeft ze Atheneum gedaan — ik ben benieuwd met welk vakkenpakket ze haar eindexamen haalde (voor de Belgen: sinds de invoering van de Mammoetwet in de jaren zestig in Nederland moest men op een Atheneum nog slechts in zeven vakken eindexamen doen, waarvan Nederlands en Engels verplicht waren; op een HAVO (Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs) ging het nog maar om zes vakken). Het feit dat ze sociologie studeerde, maakt de keuze voor wat in mijn tijd wel een ‘pretpakket’ heette aannemelijk; sociologie: dat was toen geen serieuze studie, wél een modieuze studie.

    Enfin, waar het me hier om gaat: Verdonk en Dewinter liggen nu eindelijk in hetzelfde bed, ook al heeft Rita-Rechte-Rug haar eis dat in Nederland op straat Nederlands gesproken moet worden dan toch weer gedeeltelijk ingeslikt. De Nederlandse journalisten mogen zich eens serieus op het hoofd krabben bij die constatering: ze hebben een crypto-fasciste in de bloemetjes gezet. Dewinter heeft ook vast een rechte rug.

    Begrijp me goed, ik zou ook graag willen dat buren, overburen en buurtgenoten mijn, na ruim zeven jaar Vlaanderen zonodig nog diffuser geworden versie van het Nederlands beter verstonden dan ze doen, en voor zover dat Belgen van Turkse origine zijn (de Vlamingen versta ik zo langzamerhand wel), ik hun uiterst summiere Nederlands ook — zodat ik ze eens kan vragen of het misschien ongepast is hen met Pasen een doos beschilderde eieren of een paasbrood of iets dergelijks cadeau te doen. Tijdens het recente Offerfeest gewerden wij zo ongeveer een half ritueel geslacht schaap in diverse onderdelen (waaronder een grote glanzende lever), en bovendien kregen we nog een warme pannenkoek aan de deur — maar wat je voor hen terug kunt doen, is me niet duidelijk, wat gepast is (een fles wijn? aan een moslim? toegegeven: hier tegenover in de club zie ik ze wel eens wankelend naar buiten komen, maar dat wil nog niet zeggen dat je ze alcohol cadeau mag doen, natuurlijk). Daarover zou ik het wel eens willen hebben, en daarvoor ben ik dan zelfs bereid me te schikken naar christelijke feestdagen en dito gebruiken.

    Me intussen erg vermaakt met het artikel van Arjen Fortuin in NRC van afgelopen vrijdag, ‘De Belgen zijn beter’, waarin hij op basis van het navertellen van Annelies Verbeke’s Reus en, Dmitri Verhulsts De helaasheid der dingen verregaande conclusies trekt over het hedendaags Vlaams proza. Blijkbaar groot nieuws, want de Morgen vertelt het stuk vandaag na op pagina 3 van de reguliere krant. Fortuin stipt even aan dat de Hollandse literaire goegemeente zich tegenover het Vlaamse literaire erfgoed altijd wat arrogant heeft gedragen, maar uiteindelijk geeft zijn stuk weinig blijk van minder verwatenheid, als je zijn onwetendheid althans zo mag omschrijven. Hij zou het verschil tussen een Terrin of een Verhulst en het suikergoed van de omhoog geschreven Mortier (hét voorbeeld van wat Fortuin zelf negatief omschrijft als ‘een enigszins achtergebleven poëtica van dorpsromans’ die met de nieuwe generatie Vlamingen nu eindelijk overstegen zou zijn) toch moeten zien, en dat de alleen met een foto en zijn naam bedachte Verhaegen dan toch nog weer heel wat anders is dan Annelies Verbeke. Kortom, het is allemaal erg met de grove borstel geschreven, een vlot stukje met een pakkende kop die misschien — wie weet? — wel voor controverse zal zorgen. De suggestie is toch een beetje dat het vooral werd geschreven om het Hollandse hoederhok weer eens op stelten te zettten, en minder omdat men wérkelijk geïnteresseerd is in wat er in de hedendaagse Vlaamse literatuur gebeurt.

    Daarvoor is iets anders nodig, een groter besef van de achtergrond van deze literatuur, de specifiek Vlaamse situatie, die door Vlamingen zelf — je zou zeggen: haast symptomatisch — zovaak negatief wordt geduid. Nog recentelijk stuurde Geert Buelens me een artikel dat later dit jaar in Etudes Germaniques zal verschijnen, waarin hij refereert aan opmerkingen die ik maakte in de enquête die in yang 2002.4 stond; daar schreef ik:

    ’De verzuchting van Geert Buelens in Van Ostaijen tot heden, dat de Vlaamse poëzie maar steeds met die vermaledijde Vlaamse Beweging verbonden leek te blijven, moet misschien aangevuld worden met de opmerking dat die verbondenheid de literatuur en denken over literatuur in Vlaanderen in ieder geval tot nu toe gevrijwaard heeft van een situatie waarin literatuur definitief is bijgezet in het graf waarin ook ideologische ontsporingen en religieuze verdwazing uit het verleden hun definitieve rustplaats hebben gevonden, waarin literatuur alleen nog maar een historisch verschijnsel is in een tijd die meent dat de geschiedenis zelf ten einde is. En daarmee bedoel ik uiteraard niet de Vlaamse Beweging als een zichzelf trots bevestigende volksmennerij, maar als een probleem, als een vraag naar wie men is binnen een werkelijkheid die ons voorschrijft wat we zijn moeten.’

    Het was voor mij eind jaren negentig inderdaad een verademing om in de Vlaamse boekenbijlages die zoveel meer vanzelfsprekend lijkende band tussen literatuur en samenleving aan te treffen, zelfs al komt die verbondenheid voort uit (zelfs enigszins enge) ideeën over volksopvoeding, -verheffing en taalstrijd. Al voor mijn komst naar Vlaanderen was me in de poëzie opgevallen dat het postmodernisme in Vlaanderen iets totaal anders was dan het postmodernisme uit Amsterdam (en dat het enige literaire tijdschrift dat in de buurt van de Vlaamse invulling kwam het door de Nederlandse literatuurbeschouwing als inmiddels ouderwets beschouwde en met een vies gezicht ‘avant-gardistisch’ genoemde Raster was — Raster-oude-stijl, dan welteverstaan).

    Dat verschil school vooral in de betrokkenheid van literatuur op de samenleving — iets wat iemand als Bert Bultinck, zo heeft hij vaak gezegd, nu juist in de Vlaamse hedendaagse literatuur zo node mist. Het gaat om het politieke, maar ook om het ethische, sociale aspect van literatuur — korter: om de ideologische lading ervan. Hoe bevreesd men daarvoor in Nederland nog steeds is, bleek me vorig jaar uit het slecht verlopende gesprek met Graa Boomsma in Perdu destijds: ik stelde voor de literatuurbeschouwing een, wat ik met een monsterlijk woord noemde, ‘re-ideologiserende leeswijze’ voor, en Graa kreeg daar behoorlijk veel jeuk van omdat het hem herinnerde aan al die bebaarde en bebrilde marxistische nitwits uit de jaren zestig met hun eigen variant van het Nederlands, die vooral ‘aktivisties’ te keer wensten te gaan. Zo wilde hij niet lezen. Mijn poging hem uit te leggen dat ‘ideologiserend lezen’ voor mij niet betekende dat je een roman of gedicht langs de meetlat van één bepaalde ideologie legt, maar eenvoudigweg als uitdrukking van een ideologische bepaaldheid ziet, of de auteur zich dat nu wel of niet bewust is — die poging mislukte.

    Als het stuk van Fortuin de aanzet zou mogen geven tot een verandering in de Polderlandse literatuurbeschouwing dan is er alle reden om te juichen, maar daarvoor is het veel te oppervlakkig en veel te snel geschreven. ‘Door hun eigengereid en compromisloos schrijven stralen de boeken een urgentie uit die bij veel Nederlanders ontbreekt,’ zo stelt hij weliswaar, en ook nog:

    ‘Deze Vlamingen zijn geen mensen die zijn gaan schrijven omdat ze de mogelijkheid hadden om van hun hobby hun beroep te maken, het zijn mensen die bleken te moeten schrijven. Ze willen méér weten. Over zichzelf, hun obsessies, hun verlangens, hun geschiedenis, hun samenleving.’

    Maar de wérkelijke analyse ontbreekt, waardoor het stuk er één wordt in de eindeloze match tussen Holland en België, meer precies: Amsterdam en Vlaanderen — en Vlaanderen heeft dan nu een doelpunt gescoord. Dat lijkt ook de teneur te zijn van de samenvatting van Fortuins artikel op pagina 3 van de Morgen. Het is een welkom, maar ook nog steeds blijkbaar als verbazingwekkend beschouwd bewijs van de de plotsklapse Vlaamse superioriteit over een in recordtempo in haar eigen moeras weggezakt Nederland — nu ook op literair vlak.

    Maar kom, laat ons eens pragmatisch zijn, dat wil zeggen: uitgaan van de werkelijkheid zoals ze wordt voorgesteld. Dan moet je zeggen dat dit een welkome veer is in ’t Vlaams achterdeel, ook al is dat dan een beetje al te breed voorgesteld. En hoewel ik zelf iemand als Mortier eerder als de chocolatier beschouw van de Vlaamse volksaard zoals een Dewinter zich die in zijn stoutste dromen voorstelt, de auteur zelf plaatst zijn werk buiten zijn werk om nadrukkelijk tegenover precies die kleingeesterij — en heeft bovendien de moed zich tegen de tot cultuurminister bevorderde volksjongenAnciaux te keren (zodat we auteursintentie en resultaat hier misschien maar even los moeten koppelen (voor de Nederlanders: Anciaux is uiteraard géén Vlaams Belanger)). In die zin, pragmatisch beschouwd, lijkt me zo’n stuk in NRC een klap in het gezicht van Vlaams Belangers — al had de klap dan zoveel harder kunnen zijn als Fortuin ook maar even wat beter had nagedacht over de achtergrond, de context van de door hem gevoelde urgentie.

  • Pin it!

    Spel

    Nu ik me weer eens met de Amerikaanse dichter Weldon Kees heb bezig gehouden (voor het stukje in De Morgen van vandaag), is het besef nog maar weer eens scherper geworden dat ‘we’ niet kunnen ontsnappen. Of ik wilde deelnemen aan..., vroeg een op mij afstappende man met een vriendelijk gezicht die me vast wilde interesseren voor iets mens-, dier-, natuurvriendelijks, voor versteviging van de democratie, voor zuivere koffie of rechtschapen bananen, maar ik liet hem niet uitpraten: ‘nee!’ baste ik. Niet eens: nee, dank u, of: nee, sorry, ik ben niet geïnteresseerd – botweg: ‘nee’, en ik liep door terwijl ik hem, zag ik in mijn ooghoeken, blijkbaar wat geschokt achterliet op het trottoir. Ik had ook ‘flikker op’ kunnen zeggen, of, uit het diepst van mijn tenen kunnen schreeuwen: ‘laat me nu eindelijk eens met rust, ja!’

    Rust. ‘In spite of loss and guilt / And hurricanes of time, it might be built: // A refuge, permanent, with trees that shade / When all the other cities die and fade,’ schreef Kees, die hoogstwaarschijnlijk zelfmoord pleegde — ik denk: niet omdat hij niet van het leven hield, maar omdat hij niet hield van wat er van gemaakt was in ‘mid-century America’. Zonder er een alternatief voor te hebben, overigens, misschien alleen een vaag idee van ontsnapping, die dan altijd een ontsnapping aan de tijd zelf wil zijn, aan datgene waaraan niemand ontkomt: de eigen tijd, het heden, nu.

    Kees’ regels zijn een beetje... puberaal, zoals zijn zwartgalligheid iets adolescenterigs houdt, zelfs ondanks de afloop. (Ik ben het werk van bijvoorbeeld Jotie T’Hooft ook nooit gaan waarderen omdat hij een einde aan zijn leven maakte, en de treurigheid erin heeft tot de dag van vandaag voor mij nog steeds meer met het niveau van zijn gedichten dan met de inhoud ervan te maken). Kees lijkt als dichter soms de party-pooper die de onbekommerdheid van anderen bederft door alleen maar in een donker hoekje ver van de dansvloer over de zin van het leven te willen praten, en dan natuurlijk vooral over het ontbreken ervan. Dat lijkt hij als dichter, inderdaad; als mens bleek hij een aangename feestganger die graag veel praatte en lachte, een ogenschijnlijk sociaal wezen dat zich maar moeilijk in verband laat brengen met de figuur van Robinson uit zijn Robinson-gedichten. In dagboekachtige notities die later van hem teruggevonden werden, blijken echter de gezelligste feestjes voor hem toch vaak het summum van schijnheiligheid te zijn, en is hij sarcastisch over al diegenen met wie hij gelachen heeft, en gepraat. En hij benadrukt vooral zijn terzijde staan. Hij keek, zodra hij een pen vasthield, vooral naar zichzelf zoals hij dacht dat anderen naar hem keken, zo lijkt het wel.

    Overigens is het volstrekt begrijpelijk dat een ieder die de schrijverij serieus neemt aan het sociale aspect van het schrijverschap zou willen ontsnappen. Tussen toen en nu is er geen verschil qua vaak misplaatste eigenwaan in die kringen. Men verkeert in ieder geval tussen mensen wier bestaan minstens voor de helft de openbaarheid toebehoort of is toegewijd, en die daarom zeer begaan zijn met hoe ze daar verschijnen.

    Dat dat leidt tot een te veel aan (ook eigen) ijdelheid (en tot schijnheiligheid jegens elkaar) staat buiten kijf, maar aan de andere kant is het misschien maar goed dat men zich althans bewust is van die openbaarheid aan de rand van eigen en andermans blikveld. Anders wordt men misschien zoals Tom Naegels, die zich de laatste tijd wel op een heel twijfelachtige manier manifesteert. Dan heb ik het niet over zijn columns in De Standaard, en ook niet, niet in eerste instantie althans, over zijn overigens wel degelijk twijfelachtige laatste roman, maar dan heb ik het over wat ik bijvoorbeeld vandaag weer van hem lees in De Morgen. Die krant is doende boekjes over het leven en werk van de grote filosofen aan lezers en lezers in spe aan te bieden, en vandaag is er dan een boekje over Nietzsche. Blijkbaar is Naegels gevraagd om op een paar uitspraken van Nietzsche te reageren, en net als in een boekenbijlagestuk van weken terug waarin hij stelde erg van de Harry Potter-boeken te genieten en niet te begrijpen wat daar op tegen zou zijn, hangt de auteur — die er overigens uitziet als het prototype van de bolleboos, van ‘het studentje’, iemand die het tussen dokwerkers nog geen vijf minuten uithoudt — maar weer eens ‘de gewone jongen’ uit die nu eenmaal door de openbaarheid van de media waarin hij schrijft gedwongen wordt tot ferme standpunten die hij in werkelijkheid allemaal niet zo meent, of maar voor de helft, of helemaal niet. Hij wordt gedwongen de Intellectuele Schrijver Met Een Mening uit te hangen, terwijl hij eigenlijk zo enorm ‘gewoon’ is. Dat helemaal niemand hem dwingt om buiten zijn eigen boekjes te gaan en in columns, op tv en elders die hem blijkbaar zo opgedrongen ferme standpunten in te nemen, wordt voor het gemak even vergeten. Op mij komt zoiets, ondanks de fermheid van de standpunten, dan toch nog behoorlijk laf over, omdat in laatste instantie de auteur maar het rolletje speelt dat van hem verwacht wordt. Exit Naegels, denk ik dan.

    Ik had graag gezien dat iemand als Naegels de verantwoordelijkheid nam voor wat hij er zoal uitkraamt en niet voortdurend zo opzichtig flirt met ‘das gesunde Volksempfinden’ dat nu eenmaal niet van ‘studentjes’ houdt, van intellectuelen in het algemeen. Ik heb liever een Naegels die zijn ingenomen standpunten verdedigt, die instaat voor wat hij zegt, want aan intellectuelen-die-het-niet-willen-zijn en dus de relativering nog aan de formulering van hun waarheden vooraf laten gaan, heb ik een broertje dood.

    Bovendien, iemand moet hem toch eens uit de droom helpen: dat hij géén ‘gewone jongen’ is, dat ‘gewone jongens’ niet met hun kop op tv komen, in kranten mogen schrijven of zelfs maar kunnen zeggen dat de openbaarheid hen dwingt tot standpunten die ze in werkelijkheid zo erg niet menen. Hij mag voor mijn part dan van The Strangers houden, of van de Zangeres Zonder Naam — ik ken nog minstens één auteur die huivert van ontroering bij Corry & De Rekels — de gedachte dat hij daarmee op gelijke hoogte met de die-hard fans van het genre zit, is (op zijn best) zelfbedrog; zelfs in deze zo nadrukkelijk ‘volkse’ voorkeur is hij mijlenver verwijderd van iemand die zijn lever aan Andre Hazes gegeven zou hebben, mocht dat hebben geholpen om de zanger in leven te houden.

    Veronachtzaming van het feit dat je voor een deel in de publieke ruimte spreekt, beweegt, hardop denkt, je manifesteert, leidt tot een andersoortig, en wellicht kwalijker schijnheiligheid, bedoel ik maar. Men kan alles als een spel zien, en op grond daarvan als Kees eventueel verlangen het spel te verlaten, maar uiteindelijk blijft ook bij een dergelijke zienswijze recht overeind dat het spel tegelijk alles is, en dat wie daar uitstapt de meest radicale optie kiest. Dat schept verplichtingen. Zelf heb ik wel eens de diepe wens om taxichauffeur te worden, of nog beter, want eenzamer: vrachtwagenchauffeur. Met niemand iets te maken hebben. ‘Met de vlam in de pijp scheur ik door de Brennerpas,’ om ook eens een duit in het folkloristische zakje te doen. O ja? En die wegrestaurants dan? De parkeerplaatsen? De collega’s? En wanneer heb je dan eigenlijk tijd om ook eens iets te schrijven?

  • Pin it!

    Verraad

    Vorige week nog maar eens met JT een hele middag over Het einde gesproken. Ik maakte me inmiddels een beetje zorgen over de vraag of hij niet naar aanleiding van onder andere mijn vorige commentaar nu aan zo ongeveer alles was gaan twijfelen, en inmiddels in het stadium terecht was gekomen waarin een auteur aan elke zin begint te peuteren en eigenlijk het liefst geheel overnieuw zou willen beginnen. Er zijn van die auteurs die je als het ware hun teksten gewoon uit handen moet trekken omdat ze anders blíjven herwerken. Maar ik had me zorgen gemaakt voor niets.

    We waren het er vrij snel over eens dat een nog later toegevoegd, en al eerder in yang gepubliceerd verhaal, niet in dit boek opgenomen moest worden. Niet omdat het de vereiste kwaliteit niet had — verre van —, maar domweg omdat je een beetje te veel moest redeneren om het binnen het geheel te laten passen. Uiteindelijk blijkt meestal alles van één bepaalde auteur met een beetje buigen en wrikken wel pasbaar te krijgen binnen willekeurig welk boek van zijn hand, maar zonder dit verhaal werkt de rest gewoon veel sterker, wordt hechter; de samenhang is meer ongedwongen. Verder had ik op deze laatste versie niet heel veel meer aan te merken, wat J. dan weer wat verbaasde, omdat er ergens in zijn boek nog een passage voorkomt waartegen ik de vorige keer ernstige bezwaren had en die hij in deze versie toch gewoon had laten staan. Omdat, zei ik ongeveer, ik ook wel begreep dat mijn bezwaren te maken hadden met het in die passage beoefende genre — en dat ik voor dat genre nu eenmaal niets voel — maar daar hoeft de auteur natuurlijk geen rekening mee te houden. Gelukkig waren er blijkbaar in zijn omgeving nog andere ‘tuttelaars’ dan alleen ik die over die passage ook waren gestruikeld, zodat hij in een nog nieuwere versie de betreffende passage dan toch had geschrapt.
    Enfin, mooi werk, en een vruchtbare middag.

    Later die week in Antwerpen afscheid genomen van Bert Bultinck als redactielid. Vooraf hadden PJ en ik hemel en aarde bewogen om te achterhalen wat we hem ten afscheid zouden kunnen schenken. Het lastigste van lieden als wij is dat we het liefst een goed boek of een pracht-cd zouden krijgen, maar inmiddels dermate gevulde, of dan toch op zijn minst eigenzinnig gevulde boeken- en cd-kasten hebben dat het onmogelijk is om te voorspellen of we een en ander niet al hebben of nog zouden willen hebben. Bij B. dubbel zo moeilijk, omdat hij als recensent de nieuwste boeken ontvangt. Uiteindelijk haalde ik tijdens een telefoongesprek met hem, onder meer bedoeld om het restaurant vast te leggen, de flauwe truc uit net te doen alsof ik achter mijn computer zat en er iets fout ging met het daarop geïnstalleerde woordenboek. Of hij dat er ook op had staan? Nee. Voila. Zijn reactie was een equivalent van onderstaande vrolijkheid.



    Aan vrolijkheid tijdens het samenzijn geen gebrek overigens, met naar goede yang-gewoonte tussen dessert en pousse-café nog een helse discussie die in ieder geval een mogelijk door alle vrolijkheid wat gedesoriënteerd geraakte Jeroen Mettes weer de indruk gegeven moet hebben dat hij tóch bij dat bloedserieuze tijdschrift terecht was gekomen dat het tijdens zijn eerste redactievergadering (in december, toen er aan tafel bij wijze van spreken messen werden geslepen) leek te zijn. Dat was nadat de ober — een geduldig mens die op geen enkel moment onrustig werd van het feit dat zijn laatste gasten maar niet wilden vertrekken — bereidwillig bijgaande foto trok. Na de eerste op het schermpje bekeken te hebben, stelde hij zelf voor een tweede te maken, maar alweer is het niet gelukt ons als jonge goden en dito helden op de foto te krijgen. Terwijl er toch geen twijfel over bestaat dat we dat zijn.



    Intussen stuurde HB mij een stuk van Offermans op dat afgelopen zaterdag in NRC stond: ‘Onze maatschappij is vervelend, daarom gedragen kinderen en hun ouders zich slecht’, zo heet het. Het begint met het pamflet dat Thomas Rosenboom uitgaf, Denkend aan Holland, waarin hij al dan niet met een ironische ondertoon — Offermans meent eerder van niet — ‘de jeugd van tegenwoordig’, en daarmee in één adem door ook ‘de ouders van tegenwoordig’ neerzette als lomp, ongemanierd, egocentrisch en nog zo wat. Ik las Rosenbooms strafrede tegen, vermoed ik, vooral mei 68’ers en iets later, tot op heden nog niet, maar ik ben geneigd hem ongelezen gelijk te geven. Doorgedreven individualisme van diegenen die (overigens ten onrechte) meenden het individu het eerst op de traditie veroverd te hebben, of die als eersten van de nieuwe verworvenheden konden genieten, heeft maar al te vaak tot verregaande verwaarlozing van plotsklaps als achterhaald beschouwde opvoedkundige taken en/of sociale verplichtingen geleid (men ziet de gevolgen in hun kinderen die nu midden twintig zijn), terwijl het al te starre moralisme van de ouden vervangen werd door een even moralistisch liberaal gedachtengoed en een overdreven verheerlijking van ‘vrijheid’ — die meestal niet anders werd begrepen dan als ‘bevrijding’ en nooit, ondanks waarschuwingen van de befaamde scheelkijker Sartre, als de ‘verschrikkelijke vrijheid’ die ze in feite is en waarmee velen geen weg weten. (Het is — terzijde — opmerkelijk dat ook in kringen van onderwijsvernieuwers al van oudsher een duidelijk onderscheid werd gemaakt tussen de vrijheid als bevrijding en de vrijheid als een innerlijke houding; Montessori bijvoorbeeld beschouwde de afwezigheid van dwang in de opvoeding slechts als middel om juist tot tucht te komen, maar dan tucht die door het kind zelf, van binnenuit, als noodzaak werd gevoeld). Misschien dat die vrijheid voor Rosenboom (°1956), of voor mijzelf (°1960) al iets meer van zijn verschrikkingen prijsgaf, omdat wij sociologisch gesproken tot de Verloren Generatie zouden behoren die, ter wereld gekomen, alle grote waarheden al ontmaskerd zag (niet in de laatste plaats door de Offermansen van deze wereld, overigens) en die zelfs haar eigen seksuele identiteit al op voorhand gedefinieerd zag door een generatie (sociologisch gesproken wel de Protestgeneratie genoemd) die ons onze pudeur en onhandigheid leek te ontzeggen (bovendien zouden we ook ‘verloren’ zijn, omdat we na ons afstuderen, net op het hoogtepunt van de economische crisis tussen 1975 en 1985 werk moesten vinden). Kortom, met onze (vooroorlogse) ouders hadden we niets op, maar onze eigen bevrijding, zoniet in persoonlijke zin dan toch zeker voor zover het onze culturele identiteit betrof, was al door de vorigen gecodeerd en leidde niet werkelijk tot een gevoel van vrijheid.

    Tot verveling wellicht, waarover Offermans spreekt. ‘Het moderne bestaan is vervelend,’ schrijft hij,

    ’Werkelijke gevaren die een beroep doen op heldhaftigheid, strategisch inzicht en improvisatietalent, zijn uitgesloten, werkelijke noodsituaties die dwingen tot handelingen op leven en dood doen zich in de naoorlogse samenleving niet meer voor. Wij moeten het doen met de zelfbedachte surrogaatuitdagingen, -excessen en -extasen.’

    En daarop volgt dan het typische verhaal van de babyboomer die het, ondanks zijn vroegere toch meer utopische expedities, uiteindelijk maar heeft opgegeven en die ons nog maar eens fijntjes chanteert met het min of meer recente verleden waarin utopieën en andere revoluties uitliepen op bloedvergieten, om niet te zeggen genocide: ’Terug naar de echte uitdagingen en excessen kunnen we niet meer,’ schrijft hij, en voegt toe: ‘tot ons geluk.’ Want ‘de laatste grootscheepse Europese onderneming in die richting was die van het Derde Rijk.’

    Ik blijf het merkwaardig vinden dat iemand met de intelligentie van een Offermans zo blind is voor het feit dat hij zich met een dergelijke opvatting uit- en overlevert aan een ideologie die evenzeer als de inderdaad desastreus te noemen ideologieën die een ander antwoord trachtten te geven op de burgerlijke, kapitalistische samenleving, volledig uitgaat van exact hetzelfde chiliasme — en dat niet eens als iets wat nog komen moet, in een verre of meer nabije toekomst, maar als iets wat al werd bereikt: het einde van de geschiedenis. Het is des te merkwaardiger omdat Offermans in zijn oeuvre meermalen over Sloterdijk heeft geschreven — hij doet het in dit krantenstuk trouwens terzijde nog eens — en dus moet weten dat hij hier uiterst cynisch is. Maar hij lijkt blind voor het feit dat zijn eigen defaitisme in tegenspraak is met de kritiek die hij wat later dan nog wel op het neoliberale denken uit: het één maakt van het ander weinig meer dan lippendienst aan zijn eigen plotsklaps zowaar wat heroïsch ogende kritisch verleden.

    Nog cynischer wordt het als hij aan het slot van zijn stuk besluit de weg op te gaan die in het verleden al door onder andere Heumakers werd bewandeld en, na eerst min of meer tussen de regels door nog eens de — om het zo maar te zeggen — kritische theorie verruild te hebben voor het ‘engagement van de nabijheid’ (een algemene trek (of truc) van oud-Raster-redacteuren die waarschijnlijk met de Val van de Muur de kluts zijn kwijt geraakt), de kunst als het creatieve knutselhoekje aanwijst waar de machteloze burger, zonder tot verveling te vervallen, het ei kwijt kan dat buiten die omheining onmiddellijk zou breken. Dat klinkt bij Offermans zo:

    ’Kunst is geen noodzaak, zoals door nostalgische zelfopofferaars wel wordt beweerd, juist niet en gelukkig niet - tenzij men de noodzaak bedoelt te ontsnappen aan de ondraaglijke lichtheid van het bestaan. Uiteindelijk is kunst niets anders dan een toevlucht voor de creativiteit en het intellect waarvoor in de realiteit geen emplooi meer bestaat, niets anders dan het autonome domein van de zelfgecreëerde problemen en de zelfgecreëerde opwinding, hoezeer het ruwe materiaal daarvoor ook door de werkelijkheid wordt aangeleverd, mogelijk met pijnlijke kracht wordt opgedrongen.
    Maar anders dan de eveneens uit verveling geboren vindingrijkheid van de kwelgeesten van Rosenboom - en dat is een essentieel verschil - gaat de vindingrijkheid van de kunst niet ten koste van anderen, voor de realiteit heeft ze immers geen, of hoogstens zeer indirecte, gevolgen. Wel staat het iedereen vrij in haar hogere vorm van opwinding te delen. Zou dat niet de kwintessens van beschaving zijn?’


    Ik zou zeggen dat hier een recept voor barbaarsheid wordt gegeven: kunst die zo volledig terzijde van de werkelijkheid staat, is een bron van opperste verveling, zoals heel veel in musea tentoongesteld hedendaags werk nu al laat zien en heel veel om niet uitgegeven literatuur nu al bewijst — en het zijn de werkelijk reactionairen in onze samenleving die daar garen bij spinnen. Misschien is de essayist Offermans, die zich schuchter ook wel eens aan andere genres heeft gewaagd, hier een beetje uit het oog verloren dat ook heel veel hedendaagse schrijvers en kunstenaars nog steeds werken vanuit die blijkbaar zo te beklagen ‘nostalgische zelfopoffering’ waarmee ze blijven geloven dat hun werk in de huidige werkelijkheid iets vermag — ware het niet dat literatuurbeschouwers als Offermans op een plek waar de werkelijkheid niet alleen becommentarieerd, maar in dat commentaar ook vorm krijgt hen domweg verraden door al op voorhand al hun bestrevingen als niet terzake doende aan de kaak te stellen, en dat maar weer eens onder verwijzing naar de grote ideologische ontsporingen in de vorige eeuw. Schrijvers en kunstenaars hebben er misschien geen talent voor, maar Offermans zogenaamd ‘realistische’ houding (zijn realisme is niets anders dan een weigering om te reflecteren op wat met de nodige fataliteit ‘nu eenmaal onze werkelijkheid’ wordt genoemd) is een kweekvijver voor terroristen — en dan bedoel ik niet eens ‘literaire terroristen’ (dat zou hem maar gerust stellen), maar diegenen die in terrorisme zelf iets literairs zien (en dat zijn enge mensen).

    `Tegenover zoveel, voor mij toch onverwacht cynisme past alleen maar steeds hetzelfde pleidooi: laat allen die menen dat literatuur en kunst niets vermogen, er met de handen vanaf blijven. Dat Offermans er nooit meer over schrijve. Of, wat te prefereren valt, laat hij zich in extremis dan nog herinneren dat hij en zijn oeuvre er volledig toe behoren, en dat hij derhalve een verantwoordelijkheid heeft naar op zijn minst de lezers die zich meermalen aan zijn oeuvre hebben gescherpt of soms gestoten omwille van de werkelijkheid zelf — en daar reken ik uiteraard mijzelf toe.

  • Pin it!

    Eiland (2)

    Aan moed geen gebrek gisterenavond, en niettegenstaande mijn eigen, enigszins gecultiveerde — we-gaan-toch-niet-gezónd-doen!? — vooroordelen (ik weet al wel beter): biologische wijntjes zijn best wel zéér drinkbaar. Maar bij de voortreffelijke maaltijd met JT, zijn vriendin en Hanna nog wat doorgeborduurd op waar ik het hier gisteren over had, en van Houellebecq bij Verhelst terecht gekomen, waar J. op dit moment mee aan het werk is. Ik moest toch nog efkes dóórlezen, stelde hij voor toen ik mijn bezwaren tegen de eerste honderd pagina’s van dat boek (verder kwam ik nog niet) kenbaar maakte. Mijn bezwaren snapte hij heel goed, en ook na tweehonderd bladzijden — waar het boek toch een stuk beter werd, vond hij — zou ik nog pagina’s tegenkomen die ronduit slecht geschreven waren en veel onzin bevatten. Maar voor het project als zodanig leek hij toch sympathie te hebben opgevat. Ik ben eens benieuwd naar zijn stuk over dat boek.

    Meer in het algemeen sprekend formuleerde ik nog eens mijn bezwaren tegen de in mijn ogen al te goedkope, tot niets verplichtende destructiepoëtica, en meteen daaropvolgend: hoe ik van een boek toch altijd weer eis dat het ‘de auteur iets gekost heeft’.

    Merkwaardige formulering op zich, want wat weet ik van de gemoedstoestand van de auteur tijdens het schrijven? En wat zou me dat überhaupt interesseren (meestal interesseert me dat ook niet). Het is dus inexact geformuleerd: ik ‘eis’ van literatuur blijkbaar dat zij in haar omgang met het Niets niet al te amicaal wordt, en die ‘eis’ steunt overduidelijk op de overtuiging dat — zoals Canetti het ooit zo prachtig verwoordde — ‘men niemand in het Niets verstoot die daar graag was’ (ik gebruikte het als motto voor De inwijkeling). Het Niets kan voor mij niets anders zijn dan het tijdelijk vluchtpunt waarin alle lijnen een moment lang oplossen: de onmogelijke positie die men inneemt om de bestaande termen en begrippen waarmee over het aanzijn van onze aanwezigheid wordt beslist in vraag te kunnen stellen — de definities die de tijdgeest, de cultuur in ons tijdsgewricht voor ons beschikbaar heeft om ons te omschrijven als wie en wat wij zijn en ook zijn moeten. Het is het Niets dat de ontmaskering van de grote waarheden van een bepaalde tijd mogelijk maakt — en in die zin, vanuit een verlangen en een noodzaak tot kritiek, vertoeft men graag in dat Niets, in de zekerheid dat het anders zit dan de voorhanden termen en begrippen toelaten, maar zonder vooralsnog verder te komen dan de eigen sprakeloosheid. Maar dat wil niet zeggen dat men degenen die dergelijke kritiek formuleren ook daadwerkelijk in dat Niets mag verstoten, hen tot dat Niets mag veroordelen — als ‘Ungeziefer’ bijvoorbeeld, als ‘Untermensch’ bijvoorbeeld, als... enfin, het zal duidelijk zijn wat ik bedoel.

    Het is vanuit die, in se sterk moralistische houding dat ik schrijvers die een dergelijk Niets verheerlijken meestal pervers vind — en het maakt me dan verder niet zoveel uit hoe die verheerlijking wordt ingekleed. Men kan het mild formuleren en zeggen dat het Niets er is getransformeerd tot een bonbonnetje voor intellectuelen die het op voorhand, althans op recepties en in theorie, met de auteur gloeiend eens zijn, maar uiteraard zelf gewoonlijk heel erg ver afstaan van welk Niets dan ook maar; het Niets als geësthetiseerd, louter literair, in de zin van: fictief spelletje. Mij treft dergelijke literatuur juist om die reden heel vaak als leugenachtig, of op zijn ergst: als schijnheilig. Als loos gebaar. Een ‘kijk mama, zonder handen!’ — maar ondertussen wel steunwieltjes aan je fiets hebben.

    Daarmee wil ik niet zeggen dat een auteur die per se wil op- en ondergaan in dat Niets van hem de praktische consequenties ervan dan ook maar moet aanvaarden (zich met een ‘sterft gij oude vormen!’ een kogel door zijn hersenpan moet jagen, bijvoorbeeld); ik bedoel hoogstens dat literatuur voor mij pas wérkelijk interessant wordt waar degene die in het Niets vertoeft zich juist op die plek realiseert wat hij van en voor zichzelf blijkbaar toch wil behouden (al is het uit angst, uit lafheid, uit een onuitroeibaar sentiment). Bijvoorbeeld in het met ijzeren consequentie beschrijven van de ge-dehumaniseerde, gekloonde, van voortplanting en ander, een besef van menselijk tekort veroorzakende factoren bevrijde mens, toch die mogelijkheid van een eiland in de tijd blijven poneren — omdat de ‘eerlijkheid’ gebiedt (en eerlijkheid is natuurlijk altijd een hinderlijke beperking op weg naar De Absolute Waarheid) dat in die gedehumaniseerde mens iets verloren raakt waarzonder we elk voorstellingsvermogen kwijtraken. In het Niets, en in onze onmogelijkheid daar te overleven, ervaren we onze onmogelijkheid ‘zuiver’ te zijn.

    Maar, stelde J. ongeveer, er is toch niets op tegen wanneer iemand zich in dat Niets eens volledig laat gaan, tot in de, ook voor mij allerbedenkelijkste aspecten ervan? Waarom zou dat niet mogen, vroeg hij zich af. Dat laatste kan ik onmogelijk beantwoorden, want aan de ene kant is het natuurlijk idioot om wat ik van literatuur ‘eis’ dwingend aan anderen op te leggen (nog even afgezien van de vraag hoe ik het daartoe benodigde gezag zou kunnen legitimeren), maar anderzijds is mijn reactie op die literatuur niet alleen tot literatuur beperkt (een andere reden waarom ik de esthetisering van het Niets bedenkelijk vindt; het maakt daarvan inderdaad iets ‘literairs’, ‘fictiefs’ en zondert daarmee literatuur nog maar eens af van de rest van de samenleving). Maar misschien is het ook de verkeerde vraag. Het gaat er niet om of zoiets ‘mag’ — je zou er simpelweg op kunnen wijzen dat het feit dat onze op een bepaalde manier gedefinieerde hedendaagse cultuur het blijkbaar toelaat — maar of het ‘wenselijk’ is. Het gaat erom of we niet eens de uiterst gevaarlijke, veel riskantere taak op ons moeten nemen om eindelijk eens af te rekenen met de eindeloze negaties van de moderniteit, in plaats van steeds maar te blijven hangen in wat in zekere zin volstrekt onschuldig is geworden, ondanks alle dikdoenerij van kunstenaars en schrijvers die er zich mee bezig houden: de eredienst van de ontmaskeringen.

    Ik noem dat gevaarlijk en riskant, maar niet uit een eigen behoefte aan heroïek. Ik bedoel dit: als je Beuys’ hoekje vet met de vuilnis meegeeft (zoals ik gisteren bij wijze van scherts deed), zijn het niet je geestverwanten die staan te applaudisseren, maar precies de mensen die je tot in het diepste van je tenen veracht.

  • Pin it!

    Eiland in de tijd

    Intussen Houellebecqs Mogelijkheid van een eiland gelezen, en me achteraf wat verwonderd over de heisa die er rondom — en, zo heb ik begrepen, zelfs al vóór het verschijnen van de roman — over is ontstaan. Maar dat krijg je waarschijnlijk wanneer je schrijft zoals Houellebecq doet. Hij is duidelijk voorbij de schijnheiligheid van een samenleving die onder algemene goedkeuring alles tot koopwaar reduceert, maar daar niet op aangesproken wil worden. En het zal wel waar zijn, zoals hier en daar in wat intelligentere stukken over Houellebecq en/of over specifiek deze laatste roman werd opgemerkt, dat je in het op zich weinig moralistisch ogende werk van Houellebecq een morele bekommernis kunt waarnemen die — doorgeredeneerd én verbonden met de soms wat racistisch en xenofoob klinkende, vaak enkel als seksistisch te begrijpen passages — een sympathie voor extreem rechts zou kunnen verbergen. Maar het enige wat ik er onder ontdek is een diep verlangen niet ten prooi te vallen aan de machteloosheid van de melancholie en nostalgie, van het bewenen van een bepaald type ‘menselijkheid’ — iets wat bij de dieperliggende drijfveren van dit schrijverschap mij niet onmogelijk had geleken.

    In ieder geval had de laatste roman geen betere titel kunnen hebben: alles staat in het licht van die ‘mogelijkheid van een eiland binnen de tijd’, zoals het tegen het einde van de roman bij wijze van niet al te bijster interessante poëzie geformuleerd staat. Dat is in het licht van de door Houellebecq zelf in zijn grelheid beschreven rücksichtslose, onbarmhartige wereld van markt en strijd wellicht vooral sentimenteel, maar het is niet reactionair. Het houdt het verlangen open, zelfs in een futuristische wereld waarin met dergelijke, bij een bepaalde mens behorende gevoelens allang afgerekend zou zijn. Uiteindelijk schetst Houellebecq de uiterste consequentie van een consumentistisch universum — zoals De Sade dat eerder voor de vrijheid deed (en wel zo dat zijn oeuvre me nog steeds verplichte kost lijkt voor een ieder die extreem neo-liberale politiek zou willen bedrijven) — en is het slechts de mate van wellust waarmee hij die consequenties beschrijft die hem verdacht maakt in de ogen van zijn critici. Maar zijn inzet ligt bij het verlangen, bij dat wat in laatste instantie ook voor hem niet uit te doven valt.

    Die wellust in de wijze waarop hij beschrijft hoe we met z’n allen naar de kloten gaan, maakt overigens voor een niet gering deel de aantrekkingskracht van deze roman uit. Stilistisch is er niet héél erg veel te beleven, en misschien moet dat ook niet (ik blijk, ondanks mijn personalistische invalshoek als het gaat om literatuur, toch ook steeds een behoorlijke stijlfetisjist te zijn). Maar ik heb breeduit zitten grijnzen toen ik de honend bedoelde opmerking las over hoe mannen van zekere leeftijd altijd maar weer bij de oude Grieken uit blijken te komen — natuurlijk omdat ik mannen van die leeftijd ken (een leeftijd die ik overigens zelf gevaarlijk dicht begin te naderen) die er zich met graagte aan overleveren (en ik alleen maar kan hopen dat ze diezelfde passage met een grijns hebben gelezen). Ook de schets die één van de personages op een zeker moment geeft van de ‘drie grote tendensen’ in de hedendaagse kunst is kostelijk, vooral als het gaat over de tendens waarbij het om de ironisering van de kunstmarkt zou gaan (‘waarbij het erom gaat de kijker een gevoel van malaise of schaamte te geven, of allebei, door hem zo’n erbarmelijk, gebrekkig schouwspel voor te schotelen dat hij zich voortdurend kan afvragen of het ook maar de minste artistieke waarde heeft’). Natuurlijk is dat de kunst waardoor ik mij in musea ‘niet meer laat beetnemen’, zoals ik dan altijd luidkeels sta te beweren, die mij precies één dun ideetje aan de hand doet en voor het overige geen meerwaarde heeft (het is kunst die men maar één keer hoeft te zien; een beetje zoals veel grappige teksten van K. Schippers die voor poëzie doorgaan, maar uiteindelijk hoogstens ideetjes voor poëzie bevatten). Het is ook kunst waar je, wat doorgaand op een bepaald élan, ‘extreem rechts’ op zou kunnen reageren, bijvoorbeeld door te zeggen dat als de schoonmakers en –maaksters per abuis een hoekje vet van Beuys opkuisen, dat hoekje toch écht wel rotzooi geweest zal zijn... Enfin, zoals Houellebecq het zelf pagina’s en pagina’s later (en over iets totaal anders) zegt: ‘het begint ermee dat je je een beetje ongemakkelijk voelt in het leven, en het eindigt ermee dat je gaat hopen op de invoering van een islamitische republiek.’

    Het zijn natuurlijk dit soort (en nog andere, ergere) opmerkingen die Houellebecq verdacht hebben gemaakt, maar tegelijkertijd is het ook een soort humor (al ziet men dat er dan niet in) van iemand die blijft rekenen op tolerantie — zoals ik op mijn mogelijk eigen eilandje in de tijd tegen mijn homoseksuele vrienden nog wel eens wil zeggen dat ze malkander toch wel érg ver in de kont kruipen. Dat is uiteraard een vreselijk politiek-incorrecte opmerking, om het nog mild uit te drukken, maar volledig vertrouwend op een — overigens, als je het uit moet leggen, razend ingewikkelde — context waarbinnen homoseksualiteit zozeer geaccepteerd is dat je zonder problemen de oude vooroordelen bij wijze van ironisch commentaar in stelling kunt brengen. De hoop is dat je een grap maakt zonder tegelijk slachtoffers te maken. Dat zoiets steunt op een volledig vertrouwen in juist de correctheid van de spreker, wordt misschien iets duidelijker wanneer je het niet over homoseksuelen maar bijvoorbeeld over joden zou hebben. De ironie is (als het dat al is) dat soortgelijke opmerkingen over joden nog steeds (maar onterecht) als erger worden beschouwd dan die over homoseksuelen.

    Enfin, waar het om gaat is dat Houellebecqs ‘controversiële uitspraken’ (of erger) volgens mij voor een groot deel toch vertrouwen op een gemeenschap die de over de kop gaande ironie ervan onmiddellijk begrijpt. Die gemeenschap is in de openbaarheid waartoe Houellebecq is veroordeeld, niet meer te vinden, en soms lijkt het alsof Houellebecq zelf daar totaal geen rekening mee gehouden had. In de openbaarheid zijn er misschien nog gelijkgestemden, maar die blijken bij nadere beschouwing dan toch vaak aan de geheel verkeerde kant van het politieke spectrum te vertoeven. Het zijn, kortom, extrapolaties die al een dergelijk eiland in de tijd veronderstellen, een keukentafel, een vertrouwd gezelschap, knisperend haardvuur en een fijn wijntje bij een goede maaltijd. Men komt op dreef. Men zegt eens iets op een kruidige manier. Men kleedt zijn waarheden eens wat minder in het vereiste kostuum en men scheurt eens zijn broek aan dit of aan dat. Dat volhouden in de openbaarheid getuigt van een zekere moed waarover velen niet meer beschikken.

    Wat dat eiland betreft: vanavond uit dineren bij JT — vrijwillige landarbeider in Zuid-Amerika, bio-boer in spe (geen biefstuk vanavond), volbloed romanticus, volbloed scepticus, dientengevolge schrijver van erg elastieken zinnen, auteur van het dit voorjaar te verschijnen Het einde. De uitgever zoekt nog sandwichmannen en –vrouwen die tegen die tijd in Gent, Brussel en Antwerpen willen rondlopen met de tekst: Het einde is nabij. Jeroen Theunissen ook. Wij zullen weer flink, zij het vegetarisch en macrobiotisch moedig gaan zijn aan tafel.