• Pin it!

    Zeer plaatselijk nieuws

    Het jaar eindigt met fysiek en vooral materieel ongemak. Een tijdje terug meldde ik terloops een mysterieuze autoruitbreuk; gisterenavond, kort nadat het begon te sneeuwen, gleed een oud vw’tje hardhandig tegen onze, zoals de politie het later verwoordde, ‘correct geparkeerde wagen’ — hetgeen mij vloekend de straat op deed rennen als de burgerman die zijn kostbaar bezit vernield zag en onmiddellijk verhaal wilde halen, en daarbij uiteraard al op voorhand het ergste scenario voor zich zag (geen verzekering van de schuldige, waardevermindering van het vehikel in geval van doorverkoop, eventueel zelfs een gevluchte dader, een verhoogde verzekeringspremie wegens het wonen in een buurt met verhoogd risico). Ik bedaarde snel: achter de auto lag een oudere Turkse man op het trottoir, akelig stil en onder een bedroevend dun dekentje. Hij was bij bewustzijn, maar sprak noch bewoog. Hij keek van links naar rechts naar de druk met gsm’s in de weer zijnde omstanders die rond hem stapten, soms ternauwernood over hem heen. Niemand die bij hem neerzat en zijn hand vasthield. Niemand die op hem inpraatte. Ik ken hem goed; hij zit bij goed weer gewoonlijk recht tegenover het raam van mijn studeervertrek op een wit plastic tuinstoeltje voor een kledingwinkel die hij zo zo’n beetje in de gaten lijkt te houden. Wij zwaaien vriendelijk; hij spreekt nauwelijks Nederlands.

    Het verslag van de jonge vrouw die met haar auto tegen de mijne was gegleden, kwam nogal chaotisch over — wat me niet verwonderde. Wel dat ze eerst toegaf de man ‘mee te hebben gehad’, en vervolgens — vooral toen de politie eenmaal was gearriveerd en de man met een ziekenwagen was afgevoerd — dat ze de man niet had geraakt. Daarbij had ze blijkbaar iets van de houding herwonnen waarmee ze gewoonlijk door het leven gaat: het soort assertiviteit dat vooral verongelijktheid verraadt en dat maakte dat het maar een haar scheelde of ze zou gezegd hebben: die man had daar dan maar niet moeten lopen.

    (Een beetje zoals de juffrouw die hier achter in een hofje woont en herenbezoek had dat zijn auto dwars voor de mijne had geparkeerd vorige week, zodat ik niet weg kon om onze babysit naar huis te voeren. Ik dacht toen nog: laat ik nou ’s moeite doen, en dus wandelde ik de club binnen om het daar verzamelde Turkse manvolk te vragen of de betrefffende auto misschien van één van hen was; dat bleek niet het geval, maar ik moest, wachtend op de politie, wel twee Jupilertjes drinken natuurlijk. Toen de politie eenmaal arriveerde en via de nummerplaat de identiteit van de eigenaar had achterhaald, kwam vanuit het hofje de eigenaar, en achter hem aan: de vrouw des huizes aangestormd. Ze hadden de walkie-talkies gehoord en onmiddellijk begrepen wat er aan de hand moest zijn. De mevrouw viel tegen mij uit in plat Gents dat ik geen goede buur was, dat ik toch even aan had kunnen bellen in plaats van ‘meteen de flikken’ te bellen; ze vertoonde een zuurtegraad die normaal voldoende is om enige metalen mee op te lossen. Ik antwoordde nog dat er hier honderden deuren waren en dat het misschien ook van goede buurschap zou getuigen in het geval je iemands auto klem zet, even een briefje onder je ruitenwisser te doen om te zeggen waar je zit. Laat maar, zei één agent tegen mij, ’t zou ’s andersom hebben moeten zijn — en daar moest ik inderdaad even niet aan denken. Men heeft het in Nederland wel over het ‘te korte lontje’ van de huidige Hollandse consumens die gezonde assertiviteit niet meer weet te onderscheiden van hondse agressiviteit; hier denk je bij zulke types onmiddellijk aan een knokploeg van het VB).

    Hoe dat ook zij: de achterkant van mijn auto vertoonde een enorme deuk die onmogelijk door de aanrijding veroorzaakt kon zijn; het was min of meer de lichaamsafdruk van de man op de grond, die dus met kracht tegen mijn auto gesmakt moet zijn. En dat de juffrouw zich aan de snelheid gehouden zou hebben, zoals ze naarmate de avond vorderde begon te beweren, was ook onwaarschijnlijk als je zag dat én een boom ontworteld én een ijzeren boog die met betonpalen in de bodem was bevestigd volledig uit de grond was gereden. Daarvoor was meer nodig dan de hier toegestane dertig kilometer per uur.

    Enfin, het was een avond van louter wachten in de vrieskou, wachtend tot er van het ziekenhuis het bericht zou komen dat de aangereden man niet in levensgevaar was en de al die tijd innig met elkaar verstrengelde auto’s uit elkaar gehaald mochten worden. Dat kwam mijn zich maar voortslepende verkoudheid niet ten goede, natuurlijk, ondanks het feit dat ik alweer de club werd binnengesleept, maar nu voor koffie. En weer moest ik de sigaretten afslaan die me daar bij bosjes werden aangeboden. ‘Ah nee, is voor jouw sport, natuurlijk,’ grijnsde er één die evident nog nooit een sportveld van nabij zag. Uitleggen dat ik die sigaretten afsloeg juist omdat ik een eeuwig, zij het momenteel dan niet-rokende verslaafde ben, zou, zo voelde ik onmiddellijk, op volledig onbegrip zijn gestuit.

  • Pin it!

    Cabaret Stalin presenteert...

    Het artikel van Abe de Vries in De Revisor, 3/4, 2005 nog eens gelezen. Het schijnt dat mijn opmerking dat ik het niet zo heb op mensen die mij weer een eenduidige werkelijkheid voorschotelen mij in zijn ogen tot een ‘cabaretier’ maakt. Dat niveau dus... Tegelijkertijd zouden mijn reserves bij de voorkeur van dergelijke mensen — die ik vooral in de hoek van Vlaams Belang en erger vind — van mij volgens weer anderen een ‘stalinist’ maken. Dat niveau dus...

    Nochtans had de heer De Vries’ stuk in De Revisor niveau genoeg. Ik denk dat hij niet ongelijk heeft wanneer hij in het boek van Vaessens en Joosten een, laat ik zeggen: klassiek-polemische ondertoon waarneemt. Het is het boek waarin nog één keer literatuurgeschiedenisje-oude-stijl wordt gespeeld: het postmodernisme als de vervanging van het modernisme, als de nieuwe ‘norm’ in een literatuurgeschiedenis die zich baseert op normverandering. Dat daarbij de avant-garde — die overigens minder ‘dood’ is dan wordt aangenomen, maar die zich uiteraard (het is avant-garde per slot van rekening) niet manifesteert in de gedaante van de historische avant-garde (waar de verklaarde tegenstanders nog steeds van uit lijken te gaan) — dat daarbij de avant-garde de voorkeur van de auteurs wegdraagt, is gezien beider voorgeschiedenis niet zo heel erg vreemd, al lijkt het me dat Vaessens hier toegevingen heeft moeten doen aan Joosten, die van zijn proefschrift tot zijn essaybundel Onttachtiging de wereld steeds indeelde in verdorven traditionalisten en toffe ordeverstoorders. Dat leidt tot een overzichtelijkheid die het postmodernisme zelf niet in huis heeft, en dat zal juist bij al die ontregeling een prettige bijkomstigheid voor hem zijn geweest.

    Het is juist die eigenaardigheid die maakt dat het boek niet is geworden wat het had kunnen zijn. En in ieder geval is het de reden waarom ‘het’ postmodernisme (ondanks alle, zij het wat obligate voorbehouden van de auteurs zelf bij deze term) er als voorlopig laatste stadium van de Geschiedenis van de poëzie verschijnt. Het boek is inderdaad mogelijk ‘dwingend’ in wat het voorschrijft, zoals De Vries stelt in zijn Revisor-stuk, niet in de laatste plaats als ik denk aan de generatie studenten die mogelijk met dit boek wordt opgevoed in wat dan de ‘postmoderne poëzie’ heet. Maar voor het overige dient het natuurlijk vooral tegengesproken te worden — iets waar de auteurs zelf ook nadrukkelijk om vragen (waarbij het dan weer jammer is dat ze al die tegenspraak, al die uitnodigingen tot discussie niet zijn aangegaan; ik verwijs hier ook even naar het stuk van Groenewegen in yang bijvoorbeeld (2003, nr. 4; het is online)).

    Abe de Vries stelt in zijn stuk vanuit de filosofie een aantal vragen bij de postmoderne uitgangspunten, maar dat doet hij helaas dan weer op een dusdanige manier dat ik daarbij zelf weer zo mijn vragen heb: hij doet het vanuit het defensief. Van de weeromstuit worden daarmee de ‘waarheden’ van o.a. Putnam, Searle, Ricoeur even groot en dwingend gemaakt als de ‘waarheden’ van de postmodernisten waarmee De Vries het liefst geheel wil afrekenen. Maar uiteindelijk lijkt het mij toch te gaan om het probleem dat er in de botsing tussen beide, tot kamp getransformeerde standpunten opdoemt: de vragen die we hebben te beantwoorden.

    Het zal De Vries misschien verbazen (hij is bij mijn weten geen abonnee) dat dát nu juist één van de dingen is waarover het in yang voortdurend gaat; en daarbij staan binnen de redactie met het structuralisme opgevoede redacteuren soms lijnrecht tegenover hen die met het existentialisme werden opgevoed, ‘deconstructivisten’ tegenover ‘personalisten’ — maar steeds met hetzelfde voor ogen: dat literatuur over werkelijkheid handelt, haar misschien niet afbeeldt, haar wellicht deconstrueert (ontregelt, zou Joosten zeggen), maar niet zonder dat die deconstructie zelf iets genereert, en er is zo langzamerhand toch binnen de redactie wel een consensus dat het duizend keer interessanter is om te kijken naar wat literatuur aan werkelijkheid toevoegt, dan naar wat ze aan de werkelijkheid ontneemt, dat het interessanter is om te zien wat literatuur bevestigt, dan wat ze ontkent. Het gaat vervolgens verwoed om wát er dan wordt bevestigd (lees ook het dossier ‘Wat?’, 2002, nr. 4).

    Ik speel het nu via yang (zoals ik dat ervaar), maar ik kan ook wijzen op mijn essaybundel uit 2002, De inwijkeling (thans verkrijgbaar in de ramsj; rep u naar de winkel, u liet het eerder immers na!) In dat boek heb ik me met een werkje van Timothy Bewes (ik haal hem steeds aan omdat zijn formuleringen me zo bevallen) in de hand al verwonderd over diegenen die het postmodernisme opvatten als ‘an ontological declaration of the state of objective reality (the dissolution of metanarratives)’ en niet als datgene wat het mijns inziens alleen maar kan zijn: ‘a strategy of conceptual interrogation towards objective reality (an “incredulity toward metanarratives”).’ In het laatste geval stelt het postmodernisme een probleem en kun je misschien zeggen dat het de algemeengeldigheid van de Grote Verhalen van weleer ondermijnt, maar het verlangen naar die Grote Verhalen levend houdt. Het is juist op dat punt dat we waakzaam dienen te zijn, omdat een dergelijk verlangen gewoonlijk de kortste weg naar het doel zoekt — en dat is precies waar populistische politici als Dewinter hun garen bij spinnen. Overigens zegt Abe de Vries in zijn Revisor-stuk niet zoveel anders; er is, schrijft hij, voor de ‘roekeloze opgeruimdheid’ dat het volledige (het ‘zuivere’, de ‘waarheid’ — zo vul ik aan) binnen bereik is, nu geen plaats meer. Ik deel alleen zijn conclusie niet dat , wat hij noemt, ‘het loslaten van het nederlagenprogramma’ (van de moderniteit, bedoelt hij waarschijnlijk), ‘een liberalisering in de poëzie en de poëziekritiek’ zou betekenen, en zou leiden tot een brede, tolerante poëtica. Zo’n brede, tolerante poëtica is in zekere zin juist hoogst postmodernistisch in pejoratieve zin — of liever: geeft in zijn bedoeling richtingloos te zijn de poëzie uit handen aan de geplogenheden van de markt, aan die zogenaamd ideologisch neutrale instantie die van gedichten objecten met enkel een ruilwaarde maakt. We leven inmiddels lang genoeg in tijden van overdreven consumentisme om te weten dat zoiets nivellering betekent.

    Intussen blijf ik, ook bij de meest postmodern te noemen dichters (denk aan een Van Bastelaere) dwars tegen de niet zelden in hun gedichten zelf geponeerde leesvoorschriften in op zoek naar wat ze te zeggen hebben. Dat de vorm daarbij een grote rol speelt, spreekt wel vanzelf, en wie zich daardoor laat afschrikken moet geen poëzie lezen, ook niet de meest zogeheten ‘toegankelijke’.

  • Pin it!

    Relevant

    Inmiddels is er ook in Nederland — al evenmin voor het eerst als hier in Vlaanderen — een discussie losgebarsten over kritiek, meer specifiek: de poëziekritiek. Dat heeft al tot uitgebreide uiteenzettingen geleid (onder meer hier en hier), waarbij me telkens weer opvalt dat de gebruikte terminologie warrig is. Nog steeds wordt in de Hollandse discussie over poëzie werkelijk alles door elkaar gebruikt: filosofische termen, begrippen uit maar half begrepen of zelfs nooit volledig geraadpleegde theorieën uit een meer academische hoek, aanduidingen die zo inexact zijn dat er alles onder verstaan kan worden en dus vervolgens ook verstaan wordt, en ook: fantasieinvullingen van bepaalde begrippen die oorspronkelijk iets heel anders betekenden. Daarbij lijkt er ook geen duidelijk onderscheid meer te bestaan tussen constaterende analyse (hoezeer ook díé dan uiteindelijk teruggaat op bepaalde vooronderstellingen) en het op grond van zo’n analyse ingenomen standpunt. Als Vaessens in zijn Groene-stuk constateert dat de ‘klassieke’ literatuurgeschiedschrijving, die zijn wortels heeft in de Romantiek, blijkbaar niet meer voldoet, omdat de vooronderstellingen ervan, toegepast op de, pakweg laatste twee, drie decennia eigenlijk niets meer opleveren — dan is dat alles, lijkt mij, in de eerste plaats een analyse van de situatie. We hebben het hier bovendien over een stuk dat blijkens de titel het eerste deel vormt van een langer stuk over literatuurgeschiedschrijving, en ik heb al eerder aangegeven dat ik bepaald benieuwd ben naar een volgende stuk, júíst omdat Vaessens nog niet verder kwam dan de analyse. Maar de analyse alleen al is blijkbaar voldoende voor een paar over hun eigen tong struikelende heethoofden om Vaessens een standpunt toe te schrijven. Nu geloof ik onmiddellijk dat Vaessens er zo persoonlijk wel zijn standpunten op nahoudt, maar in het betreffende stuk staan die vooralsnog niet geformuleerd

    Als het gaat om het probleem van de relevantie van poëzie — ik heb dat al eens eerder geschreven — is het werkelijk heel eenvoudig: men beslist dat die er is. Waar de hele discussie mank aan gaat, is de gedachte dat een maatschappelijk-relevant gedicht per se over — wat zullen we eens nemen? de moslims maar weer? vooruit: — dat een maatschappelijk-relevant gedicht per se over moslims moet gaan. Dat lijkt me helemaal niet nodig. En het is een opvatting die op zich al een poëtica veronderstelt, een bepaald soort poëzie boven de andere stelt, en daarmee eigenlijk impliciet nog steeds hetzelfde spelletje speelt waarmee het tegelijkertijd zegt te willen afrekenen: het blijft binnen het keurslijf van de gedachte dat de literatuur van een bepaalde tijd een normensysteem vormt dat om de zoveel tijd vervangen wordt door het normensysteem van een andere, een nieuwe generatie.

    Op Poetry International van twee jaar geleden vertelde Ramsey Nasr in het kader van een programma over engagement en literatuur een mooi verhaal. In zijn bundel 27 gedichten & Geen lied staat het lange gedicht ‘Geen lied’. Wie dat leest komt misschien tot de slotsom dat Nasr hier behoorlijk navelstaarderig nog maar eens een Orpheus/Eurydice-achtig motief in een lang vers heeft verwerkt. Dat is ook zo. Dat is althans één van de kaders die je er op kunt leggen, één van de brillen waardoor je kunt kijken om vervolgens te zien wat je al verwachtte. Nasr vertelde dat, tot zijn eigen grote verrassing, dit gedicht in de Palestijnse gebieden plotsklaps een geheel andere betekenis kreeg, dat men het, toen hij het daar voorlas, begreep als het verhaal over Israël en Palestina, over minnaars die tot aan hun kin in hun eigen bloed staan en één voor één hun ledematen afgesneden hebben — als een hoogst geëngageerd gedicht, kortom.

    Wat ik in de verslaglegging van de Perdu-middag een beetje mis, dat is het besef dat het niet de poëzie is die een gebrek aan wereldwijsheid verweten moet worden, en ook niet dat dit gebrek verbonden zou kunnen worden met zogenoemde postmoderne of autonomistische of expressieve strategieën in de teksten zelf. Ik heb in het hier al eerder vermelde Bzzletin-stuk (‘Welkom in Babel; nr. 274, oktober 2000, p. 3 vlg.) destijds gezegd dat als je per se naar de Nederlandstalige poëzie zou willen kijken met gebruikmaking van de terminologie uit de Utrechtse Sötemann-school (‘er zijn vier poëtica’s: expressieve, mimetische, pragmatische en autonomistische’), je eigenlijk niet anders kunt dan de hele poëzieproductie van de twintigste eeuw ‘autonomistisch’ noemen. De term heeft namelijk betrekking op de binnen die poëtica omschreven verhouding tussen poëzie en werkelijkheid, tussen gedicht en wereld. Vrijwel alle onderscheiden poëtica’s in de twintigste eeuwse poëzie gaan ervan uit dat er niet langer meer een ‘objectieve’ werkelijkheid bestaat. Duur gezegd: er is sprake van een discontinue relatie tussen gedicht en wereld. Of je het daarbij nu hebt over de verzenbakkerij van Rawie of over die van Kouwenaar, over het lispelen van Faverey of het boeren van Pfeijffer, over het zacht menselijk zoemen van Kopland of het onmenselijk hard willen schreeuwen van Verhagen. Dat er vandaag de dag weer dichters opstaan die denken dat er wél zoiets als een ‘objectieve’ werkelijkheid bestaat (waarmee ze dan meestal die van hun eigen zieleroerselen bedoelen), lijkt mij, voor zover het als symptomatisch beschouwd mag worden voor meer dan enkel het gilde van de poëzie, iets waarover we ons grote zorgen zouden moeten maken. Het zit rechts, vér rechts van het huidige CDA, om het zo maar te zeggen, en zelfs het VB wordt hier wellicht nog rechts ingehaald.

    Overigens is er geen enkele reden om poëzie per se vanuit de Sötemann-hoek te benaderen — het is maar dat nu juist dat (maar dus nogal op een wrakkige manier) lange tijd in de poëziekritiek is gebeurd. Je kunt dat, niet ten onrechte, de academisering van de kritiek noemen, zoals dat ook is gedaan; maar die ‘academisering’ betekent niet per se een academistische poëzie, zoals de Maximalen destijds meenden. Dan verwar je het kader met de poëzie zelf en geef je impliciet aan zelf over te weinig creativiteit te beschikken om eens anders te kijken naar teksten die vanuit een bepaalde invalshoek een canonieke waarde hebben gekregen. Ik heb het voorbeeld al vaak aangehaald: de gedachte dat iemand als Kouwenaar anecdotischer geworden zou zijn, is minder interessant dan vaststellen dat zijn zogeheten niet-anecdotische vroegere werk veel minder van zijn latere verschilt dan over het algemeen wordt aangenomen. En waarom zouden we Faverey niet eens heel anders lezen dan volgens de voorschriften van Rein Bloem (Van Bastelaere schreef daarover ooit al eens een mooi stuk; en alweer jaren geleden sprak ik met Bas Bellleman op Poetry tijdens een etentje over Faverey en vond ik zijn lezing van dat werk heel boeiend en, in mijn ogen, ‘anders’)? De weerzin tegen bepaalde poëzie is heel vaak terug te voeren op een verabsoluterende tendens in het denken van diegenen die zich ertegen weren: ze maken van een toevallig kader een wet en van de poëzie die binnen dat kader positief wordt gewaardeerd de boosdoener. Het aardige van poëzie is dat iemand als Willem van Swaanenburg (1679-1728) ineens een tijdgenoot kan worden, zoals Tonnus Oosterhoff liet zien in Ook de schapen dachten na — enfin, dan toch een tijdgenoot van Oosterhoff...

    Daarmee pleit ik zelf helemaal niet voor vrijblijvendheid of voor een ‘ieder zijn ding’. Critici die mij diets willen maken dat er een eenduidige, afbeeldbare werkelijkheid bestaat en dat alleen poëzie die die werkelijkheid tot uitdrukking brengt de moeite waard is, blijf ik uiterst kritisch tegemoet treden — om meer dan enkel poëticale redenen overigens. Want dat is nog zoiets: wie het over poëziekritiek heeft, wie het over literatuur in het algemeen heeft, heeft het over onze werkelijkheid. Een discussie over poëzie is een discussie over de wereld. Het is maar door de plaats waar poëziekritiek plaatsvindt — in kranten, tijdschriften, de dienaars van de cultuurindustrie — dat de indruk ontstaat dat poëzie irrelevant zou zijn. Of het onder druk van die industrie is dat recensenten zijn gaan meehuilen met de wolven in het bos weet ik niet — maar in het algemeen zou het al geweldig veel uitmaken als alle in deze tak van de cultuurindustrie werkzame besprekers eendrachtig zouden zijn in hun overtuiging dat literatuur relevant is — en dat er juist daarom alle reden is om het over de precieze invulling van wat vervolgens die literatuur is of zou moeten zijn, hartgrondig oneens te zijn met elkaar.

  • Pin it!

    Intussen in Gent

    Drukte met alweer een nieuw yang-nummer, dat we — dat zijn in eerste instantie vooral onze beide vormgeefsters en ikzelf — dit keer nu graag eens voor de kerstvakantie in kannen en kruiken wilden hebben. De voorgaande jaren zat ik altijd tussen afvallende dennennaalden, lauwe appelbeignets en de resten van copieuze maaltijden nog snel even een essaytje te corrigeren, een drukproefje door te nemen, een kommaatje te verplaatsen — en bijgevolg waren ook de beide dames vormgeving in die dagen in touw. Drukker en distributiecentrum waren natuurlijk gewoon op vakantie. Het ziet er naar uit dat het echter deze keer lukt alles voor eind volgende week bij de drukker te hebben; die begint er dan weliswaar pas in januari mee, maar wij hebben de laatste week van december vrij.

    Overigens zij hier opgemerkt dat Herlinda Vekemans over het laatste yang-nummer op de Contrabas een stuk schreef, en dat Hugo Bousset in een interview over 150 jaar DW&B stelde dat zijn, zoals hij meende: ‘trendsetttende’ blad geen ‘betoogtijdschrift’ was, zoals yang dat volgens hem is, maar dat dan weer zonder dat hij over yang een kwaad woord zou willen horen. Ik ga ook geen kwaad woord over DW&B zeggen, zelfs niet als ik opmerk dat deze Grande Dame van de Vlaamse literatuur misschien toch iets minder ‘trendsettend’ is dan haar eerbiedwaardige hoofdredacteur meent, al blijft zij bij het diep in het Hollands moeras weggezonken oudste tijdschrift van Nederland, De Gids, een wonder van lenig- én (dat moet ook eens gezegd) leepheid.

    Met dat laatste bedoel ik enkel dat het blad zowel in wat het brengt als in hoe het georganiseerd is een soort slimheid aan de dag legt die ons bij yang vooralsnog ontbreekt. Het wonderlijke van zo’n presentatie vorige week is bijvoorbeeld dat veel mensen die daar niet komen opdagen achteraf zeggen misschien wel te hebben willen komen, maar dachten dat je er speciaal voor uitgenodigd moest zijn. Er hangt rond yang iets van beslotenheid, al is dat het laatste wat de zittende redactie nastreeft, en eigenlijk alleen verklaarbaar uit het verleden van het blad. Natuurlijk, yang brengt geen hapklare blokken, en wellicht heeft Vekemans gelijk wanneer zij stelt:

    Rond het tijdschrift Yang hangt (…) een filosofische wolk. Filosofen, zo stel ik hier positief maar door de geleden novembersomberte wel aan de luie en nonchalante kant, zijn de masseurs van de geest, en de geest moet vaak verwend of van stramheid bevrijd, anders wordt het een knoestige oude bromberenboom.

    Er lijkt me ook geen enkele reden om de dingen zodanig te versimpelen en te reduceren dat wat er overblijft minder is dan een halve waarheid — evenmin als er reden is dingen zozeer te compliceren dat een simpele waarheid op goddelijke openbaring begint te lijken of dat toch lijkt te willen. Dat laatste, zo gebiedt de eerlijkheid, overkomt ons nog wel eens.

    Toch, het blijft wat irritant om steeds maar weer met dat odium van ‘moeilijke jongens’ geconfronteerd te worden, zoals recentelijk Bert B. en mij nog weer overkwam toen we na een genoeglijke Uitgelezen in De Vooruit aan de bar wat stonden te slempen en door iemand van De Morgen aan presentatrice Fien Sabbe werden voorgesteld als ‘de moeilijke jongens van yang’, waarop wij er natuurlijk na aan toe waren om ten overstaan van Sabbe te bewijzen dat wij ontzettend eenvoudige boerenlullen waren — enfin, dan toch in ieder geval aardige jongens.

    Overigens, dat Uitgelezen: men staat toch even te kijken wanneer men, na er enige tijd niet geweest te zijn, bij een programa waarin vier mensen op een podium over van tevoren bepaalde boeken met elkaar een praatje houden, in een zaal komt die tot de laatste stoel gevuld is met zo’n 200 tot 250 bezoekers… Grappig om vervolgens te merken dat er in de presentatie meteen ook iets veranderd is ten opzichte van de keren dat er maar zo’n 50 mensen in de zaal zaten; ‘En dan nu,’ kondigde Sabbbe aan, ‘Jóóóós Géyselssss!!!’ — waarna Geysels glimmend en glimlachend onder een als daverend te omschrijven applaus het podium opkwam; hetzelfde bij Sierens en Luyten en bij de Poolse dame wier naam ik kwijt ben. Met de toename van het publiek leek het circusgehalte ook wat omhoog gegaan, en het gesprek was van lieverlede gemoedelijker dan de keren dat bijvoorbeeld Baetens of Bultinck-zelf in het panel zaten. Erg is dat niet, vind ik; wellicht moet zo’n avond, op die plek, met die opzet, niets anders bieden dan infotainment — en zoals ik al zei: het was genoeglijk, en wees mij persoonlijk nog op een boek dat ik blijkbaar heb gemist: Makanins Underground. In bestelling derhalve, hopelijk te lezen in de vrije kerstvakantie. Hopelijk, want Houellebecq ligt er nog, Peter Terrins Blanco en van David Nolens Het kind, om een paar van bovenop de stapel te noemen…

    Intussen wel gelezen: Albinoziel van Huub Beurskens, waarover een volgende keer. Ondanks weer eens wat flatulente opmerkingen van de nationale windbuil Komrij — die het boekje niks vond — is het zeer de moeite waard.

  • Pin it!

    De Rode Pomp

    Gisterenavond in De Rode Pomp in Gent Overhead alsnog gepresenteerd voor, ik schat zo’n dertig man/vrouw publiek. Voordien was ik nog in zeven haasten naar Urgent.fm gefietst, de studentenradio alhier, om er heel in het kort iets over yang te vertellen, en over de presentatie. Die haast was dan weer het gevolg van de ontdekking dat iets of iemand de achterruit van onze voor de deur geparkeerde auto had verbrijzeld, waardoor de verzekering gebeld moest worden, de auto naar de Carglass gereden en de stoep schoongeveegd (minieme splintertjes waar ik af en toe dan natuurlijk toch in greep, waardoor ik al snel bebloede handen had). ‘Vandalisme’ hebben we uiteindelijk maar op het schadeformulier ingevuld. Een paar jongens van de club hier tegenover trokken een duister gezicht, want zij dachten tot hun eigen grote ergernis dat er iemand in onze auto had ingebroken en hadden zoiets van: ‘houdt dat nou nooit eens op in deze buurt?’ Maar van inbraak was geen sprake, noch heb ik hier in de buurt het gevoel dat er aan de lopende band autoruiten worden ingeslagen om iets te pikken. Het kunnen, zeiden wij, net zo goed wat kleine kinderen zijn geweest die vervolgens niet hebben durven zeggen wat ze gedaan hadden.

    Al met al was ik maar net op tijd klaar toen PJ hier met Gwenaëlle Stubbe en nog een vriendin van haar op de stoep stond om van hieruit eerst nog even langs te gaan bij de Bed & Breakfast die ik voor Stubbe had geregeld. Vandaar naar De Rode Pomp, waar Nick Swarth al was gearriveerd en ook Els Moors, en Hoste wat later kwam binnenwandelen — Hoste die in de Rode Pomp zo al zijn eigen historie heeft. Ooit las hij er, achter elkaar, één van zijn boeken volledig voor. De grote vrees dat het publiek zou afhaken, werd toen niet bewaarheid ¬ en dat is geen wonder voor wie weet hoe Pol leest. Ik hoorde het gisterenavond na zijn voordracht ook weer iemand zeggen: dat hij gewoonlijk door de boeken van Hoste niet heen kon komen, maar als je hem dan zo hoorde voorlezen begon je je toch af te vragen waarom eigenlijk niet. Waarschijnlijk, dacht en denk ik, omdat zoiets als de gedurige wisseling van register, van stijl soms, van ruimte en perspectief de lezer het gevoel geeft iets vreselijk ‘moeilijks’ te lezen dat juist vanwege die moeilijkheidsgraad wel een verschrikkelijk diepe betekenis zal hebben — iets machtig filosofisch waarvoor je jaren universiteit gedaan moet hebben. Het lijkt me niet moeilijk over Hoste’s werk een doctoraat te schrijven dat inderdaad zo diep in filosofische en andere buidels tast en dat vooral de ‘complexiteit’ van dit werk benadrukt. Maar de eerste de beste videoclip op MTV kan tot eenzelfde soort diepzinnigheid aanleiding geven. Feit is dat Hoste’s voordracht je wel helpt in het snelle schakelen dat zijn teksten van je eisen. In die zin lijkt mij heel goed te verdedigen dat hoogst literair werk als dat van Hoste dichter aanleunt bij de orale traditie dan je zou vermoeden.

    Het was trouwens voor het eerst sinds lange tijd dat ik van een viertal forse voordrachten achter elkaar weer zo heb genoten. Met ‘toegankelijkheid’ of ‘laagdrempeligheid’ had het niets te maken. Swarths teksten hebben een grote dichtheid, maar zijn gedichten draagt hij uit het hoofd voor, zijn derhalve kleine toneelstukjes, tekst met fysieke begeleiding. Niet dat hij op zijn hoofd gaat staan, ondertussen met drie ballen jongleert en tussen strofe één en twee een rondje vuurspuwen weggeeft; het gaat om de overtuiging waarmee ze worden gebracht.

    Datzelfde gold ook voor Gwenaëlle Stubbe, die er uitzag als een lieve vrouw die vast een kruidentuin heeft en verder in haar vrije tijd wat tokkelt op een spinet. Haar poëzie is dan een ander kopje thee. Niet omdat ze rauw zou zijn, maar ze is wel uiterst raar, en daarbij ontstellend grappig. Ook dat werd pas wérkelijk duidelijk door haar voordracht, die ze overigens in het Nederlands deed. Dat heeft onbedoeld natuurlijk voor ons altijd al iets ‘grappigs’: een Waalse die Nederlands spreekt; zoiets gaat niet zonder een verspreking hier en daar en niet zonder een prachtig accent. Maar de geestigheid van haar poëzie werd niet daardoor veroorzaakt, maar door wát ze schrijft en hoe ze het vervolgens voorleest: soms duwde ze tegen de woorden (anders kan ik het niet uitdrukken), soms leek ze ze uit haar mond te trekken, soms leunde ze haast letterlijk (alsof zoiets zou kunnen...) tegen haar eigen teksten aan, en steeds was er die mimiek die je het gevoel gaf dat ze een moeder was die aan haar kinderen een verhaal vertelde: ogen gesperd, lichtjes samengeknepen, en zelfs zonder geluid dacht je: dit is spannend, dit is een bloedstollend verhaal, ga door ga door...

    Els Moors ten slotte las haar poëzie voor op een manier die mij zeer bekoorde — en dat dan weer zonder nadere toevoegingen. De poëzie werd er tegelijk helderder en raadselachtiger door. Ik had het daar nog met haar over: hoe ik minder en minder over een instrumentarium lijk te beschikken waarmee ik poëzie als die van haar of die van Swarth of Stubbe zou kunnen kadreren. Wellicht is de behoefte aan kaders strikt persoonlijk, maar het maakt dat ik me wat onthand voel. Terwijl — en dat is dan het merkwaardige — ik tegelijkertijd uit een stapel inzendingen voor yang die van Moors haal, al lezend denk: goed, en dan (want zo ging het destijds) bij één van de door haar ingezonden teksten: nee, deze niet. Voor een tijdschrift mag dat wellicht; die keuzes maak je achter de schermen, en bovendien doet zich daarbij het merkwaardige feit voor dat je niet de enige bent die bij die inzending blijkbaar heeft zitten knikken. Maar ook in de redactievergadering komen we dan niet verder dan instemmend gemompel of het met instemming citeren van regels. Maar het zit in mijn natuur om daarna op zoek te gaan naar termen en begrippen die het me mogelijk maken om mijn strikt persoonlijke leeservaring voor anderen beschikbaar te maken op een meer intersubjectief niveau.

    Hoe dat ook zij: ik ga zeker 24 januari aanstaande aanwezig zijn bij de presentatie van Moors eerste bundel in de Minardschouwburg hier in Gent, met, zo kondigde ze aan, Erik Lindner, Erik Jan Harmens, Martin Reints (o.v.), Luc Devos, Bent van Looy en de hardcore band Harry Pie and the Dough e.a. Luc Devos is natuurlijk een beetje spijtig — maar ‘dat ‘m nog maar eens zijn Mia kweelt’ en zich verre houdt van zijn semi-literaire praatjes (hij en Rick de Leeuw zijn zo ongeveer de ergerlijkste popmuzikanten die na hun uren wat aan literatuur doen, maar dan natuurlijk op de ouwe-jongens-krentenbrood-wij-zijn-eenvoudigen-van-geest-u-toch-ook?-manier).

    Gisteren net voor het hele gebeuren rondde ik nog een kort artikeltje af voor Rekto:Verso; die hadden contact met me opgenomen naar aanleiding van mijn verslag over de avond over literaire kritiek in Passa Porta, en zij wilden in het volgende nummer van hun tijdschrift aan die avond graag nog een vervolg breien. Ik kon het niet laten toch maar weer een klein beetje te provoceren, zodat het stukje gaat verschijnen onder de titel: ‘Leve de negentiende eeuw!’ — wel tussen aanhalingstekens (althans dat is de bedoeling). Ik hoorde van één van de redacteuren van het blad gisterenavond dat het aardige was dat een andere redacteur nu juist met opluchting had geconstateerd dat het in de discussie over literaire kritiek in ieder geval niet meer om negentiende eeuwse standpunten ging. En kijk...