• Pin it!

    Mis misser mist

    Over de Franse en zelfs grensoverschrijdende geweldsuitbarstingen nog afgelopen woensdag met PJ gepraat na een bestuursvergadering en nadat er al de hele week via de mail stukken over de opstand in Frankrijk heen en weer waren gegaan op zoek naar iets bruikbaars voor yang. Dat vonden we tot op heden niet, al ontbrak het niet aan commentaren op het web en in de reguliere media. Het wonderlijkste aan het hele gebeuren is dat de analyses ervan vooral van buitenaf lijken te komen, dat er uit de roerige middens zelf niemand is opgestaan, niemand het woord heeft genomen, al werd er dan in allerlei straatinterviewtjes meer dan genoeg gezegd. Uit sommige van de commentaren is dan weer de wat absurde hoop af te lezen dat er van dit alles ‘een revolutie’ komt, zodat de analyse van het gebeuren vooral erg sloganesk is, terwijl anderen die wat overspannen verwachtingen vooral willen matigen, maar voor het overige dan met de mond vol tanden blijven zitten.

    Toch kan men er zijn schouders niet bij ophalen, zoals weer sommige anderen doen. Er is daar iets gebeurd, iets dat te groot is geweest om het nu als een incidentje af te doen, en elk gebeuren wil betekenis.

    Omgekeerd wil betekenis een gebeuren. Afgelopen zondag was ik als clandestiene reporter aanwezig op de achterste banken van de Heilig Kerst-St Salvator-kerk in de Sleepstraat in Gent, omdat ik voor De Morgen in de reeks ‘Links/Rechts’ een stuk moest schrijven over de katholieke mis. Ik voelde me Kuifje in Reli-land, omdat ik van mijn hele leven nog nooit een reguliere katholieke zondagsmis had meegemaakt (en trouwens ook nooit een protestantse kerkdienst bijwoonde). Ik schreef er dit over:

    MIS

    Een antropoloog kan men zichzelf met goed fatsoen niet noemen. Ook al speelde religie in mijn jeugd geen enkele rol (wij waren thuis voor noch tegen; het was domweg geen issue), laat staan dat er ter kerke werd gegaan — uiteindelijk blijkt men ook als volstrekt areligieuze burger nog op allerlei manieren deel uit te maken van een vooral christelijke cultuur. Zo waren wij van huis uit socialisten. Over een hemels koninkrijk werd bij ons thuis niet gesproken, maar wel over rechtvaardigheid en gelijkheid. Er waren eindtermen, ook al waren het eerder die van wat je biefstuksocialisme moet noemen en werd er over het proletarisch paradijs net zo min gesproken als over dat van het christendom. Het denken van de kerkgangers die zondag langs ons huis trokken, kan mij dus niet geheel vreemd zijn geweest.

    Maar nooit bezocht ik een kerkdienst. En al helemaal geen mis.

    Dat laatste is nóg een bewijs van inkapseling in godsdienstige denkstructuren. Soms moet men verhuizen om te ontdekken dat men als niet-gelovige Nederlander altijd nog meer protestant is dan zelfs de meest protestante Belg. Zoals de vrijzinnigste Belg in het diepst van zijn vezels een katholiek is, ook al zou hij dezelfde niet-kerkelijke, areligieuze achtergrond hebben.

    Grove versimpeling van de werkelijkheid, dit alles. Ik wil er alleen maar mee zeggen dat niemand zonder vooronderstellingen (of vooroordelen) een gebedshuis betreedt, en dat de allereerste mis van mijn leven die ik afgelopen zondag heb bijgewoond door mij niet is gadegeslagen als een antropoloog die niet althans ongeveer wist wat hij hier te verwachten had.

    Wat ik er te zien kreeg was zowel méér als mínder dan ik me vooraf had voorgesteld. Om met dat eerste te beginnen: ik had me het meest verheugd op hetgeen mij van hogerhand over de toestand in de wereld en over het zijn van de mens zou worden meegedeeld. Dat bleek meteen een ‘protestantse’ misvatting, of misschien was het misverstand vooral literair. Generaties met hun geloof worstelende (calvinistische) Nederlandse auteurs hadden mij in hun boeken de indruk gegeven dat de preek van de dominee als het kernstuk van de zondagsdienst beschouwd moest worden. U kent de literaire overdrijving wel: dominees die zo vol vuur over de hel konden preken dat nadien de blaren je op de billen stonden. Men werd des zondags
    gesticht.

    Daar bleek tijdens de mis die ik bijwoonde maar weinig van. Bijna 80 procent van de tijd ging op aan rituelen, allerlei vaste handelingen die uiteraard een bepaalde betekenis hebben, maar één die zo vast ligt dat de handelingen zelf iets leegs en betekenisloos hebben gekregen. Er wordt iets gekust, iets omhoog gehouden, op gezette tijden staat men op, er wordt gebeden, men gaat ter communie, en tot mijn niet geringe schrik begon iedereen elkaar op aangeven van de priester op een zeker moment de hand te schudden. Wie hier voor een prangende boodschap gekomen was, kwam van een koude kermis thuis.

    In de tijd die overschoot voor enige goede wenken, kreeg ik echter dan toch nog weer minder dan ik had verwacht of misschien zelfs gehoopt. Het christendom van het Nieuwe Testament (voor wie in Nederlandse literatuur is geïnteresseerd, is de bijbel vanzelfsprekend vakliteratuur) is mij vanuit mijn eigen achtergrond altijd sympathiek geweest door zijn grote nadruk op solidariteit met de verdrukten en vertrapten der aarde, zijn nadruk op gelijkheid ook. Die gelijkheid leek deze zondag — het was de laatste zondag van het kerkelijk jaar, ook wel ‘Christus Koning’ geheten — extra benadrukt te worden. In Christus’ koninkrijk, zo werd ons nadrukkelijk verzekerd, zetelt de koning niet op een machtige troon, maar tussen de mensen wier vieze voeten hij wast als een nederige. Daarmee blijft hij natuurlijk nog wel de eerste onder zijns gelijken, maar als zodanig roept hij ons op om ons te bevrijden van liefdeloosheid in het hart, van onze ik-zucht.

    Ook het fragment uit de bijbel dat werd voorgelezen (Mattheüs 25:31-46) legde de nadruk op de noodzaak een ander te helpen. Elke dorstige, hongerige, arme, zieke of gevangene moet men helpen als was die hulpbehoevende Christus zelf; alleen zo zou men het Koninkrijk Gods deelachtig kunnen worden. En waar Jezus in de tekst spreekt over verstoting in ‘het eeuwige vuur’ voor al diegenen die dat niet doen, werd deze zondag in de kerk gesteld dat het eigenlijk niet Christus is die oordeelt. Jezus oordeelt en veroordeelt niet, zo werd er niet bepaald conform de bijbeltekst gezegd: ‘hij houdt ons een spiegel voor. Wij zullen (op de Dag des Oordeels) de keuzes zien die we gemaakt hebben in het leven’. En, zo is de suggestie: wij zullen dus zelf beslissen of wij het eeuwige licht danwel het eeuwige vuur toebehoren.

    Een spiegel is wellicht het slechtste instrument voor de bepaling van het eigen zieleheil. Ik bijvoorbeeld meende nu al wel te mogen zeggen waar ik straks recht op had. Idealiter komt de mens inderdaad door introspectie tot de slotsom dat hij onbaatzuchtig moet zijn en het belang van de mensheid voor dat van zijn eigen ik moet laten gaan, maar zoveel idealisme is zelfs vanuit godsdienstig perspectief wat al te naïef, lijkt me toch. De solidariteit moet als een principe worden afgedwongen, zo leert ons de geschiedenis, en in die zin hebben we minder aan een Christus die onze voeten wast, dan aan één die zich Christus Koning noemt en naar zijn status en macht handelt.

    Misschien was het de scheiding van kerk en staat die een en ander tot een teleurstellende ervaring maakte, omdat zij de macht van ‘Christus Koning’ vooral tot onaardse zaken beperkt. De Liefde voor de Mensheid die er achterweg komt, blijft dan wat in de lucht hangen, wordt een haast krachteloos appel. Een dergelijke liefde is niets zonder daadkracht, zonder de politiek met andere woorden. Daarmee is een mis per definitie links noch rechts; de weg naar de praktische consequenties is op voorhand gebarricadeerd. De status quo blijft gehandhaafd, welke boodschap men ook heeft. Afgesneden van het maatschappelijk leven dreigen de woorden van Christus al op voorhand deel te worden van die lege, betekenisloze rituelen waaruit de katholieke mis mij grotendeels leek te bestaan.

    Niet dat ik van mening ben dat we de scheiding tussen kerk en staat weer zouden moeten opheffen, verre van. Het is maar dat die scheiding nog eens duidelijk maakt dat we voor solidariteit en andere klassiek linkse thema’s de christelijke godsdienst niet (langer) nodig hebben. Voor onze eigen zielerust wellicht wel, sommigen dan toch. Als troost voor wat ook dan het onverzoenlijkst blijft.

    Alweer kan ik me hierbij afvragen in hoeverre ik me in de zeepbel van mijn eigen wensen bevind. Vandaag in de krant de geur van achterlijkheid uit Polen, dat er blijkbaar niet voor teruggeschrokken is in het Europees parlement te Straatsburg een tentoonstellinkje op te zetten waarin abortus en holocaust op één lijn worden gezet. De europarlementariërs vinden nu dat ze ‘waakzaam’ moeten zijn, daarmee aangevend dat ook zij dachten dat dit soort affreuze domheid inmiddels verleden tijd was. Ik denk zelfs dat ze in de aanval moeten en niet nu al moeten beginnen te praten over een Europa ‘op twee snelheden’, waarbij sommige landen dan maar niet of slechts zeer ten dele integreren in Europa en alleen deel uitmaken van de gemeenschappelijke markt. Dat noem ik niet ‘waakzaam’ zijn; dat noem ik je overtuiging verkwanselen voor economische motieven.

    Ik zou toch niet van de weeromstuit zo ‘links’ aan het worden zijn dat ik straks zelfs bereid ben tot... actie??

  • Pin it!

    Xena

    Vandaag in de krant: merkwaardig om te merken hoe de werkelijkheid van het leven je ongeschikt kan maken voor het leven zoals het is. Op pagina drie van De Morgen een uitgebreid verslag van de rechtzaak tegen Cindy Kroon en David Buelens over de mishandeling van hun overleden dochtertje. ‘Hij nam haar vast bij haar beentjes en sleurde haar van de living naar de slaapkamer. Toen ze begon te wenen pakte hij met twee handen haar keel vast, tilde haar op en gooide haar in haar bed,’ zo lees ik vanmorgen, en ik kan dus niet verder. Keel zit toe. Woede en verdriet. En tegelijk: niet willen weten, niet willen lezen. Vooral dat laatste verbaast. Ik ben altijd van mening geweest dat je voor ook dit soort feiten je ogen niet mag sluiten, ook figuurlijk niet. Met dat laatste bedoel ik: films over concentratiekampen, het uiteindelijk eindig aantal beelden dat er van bewaard is gebleven — dat kennen we nu wel, niet waar? Nee, niet waar; we ‘kennen’ het pas wanneer we ons bij het zien van het eerder geziene de realiteit van wat we zien te binnen brengen, dat wat ons denken op een haar na uitschakelt. We moeten daar naar blijven kijken.

    Bij zo’n verslag van kindermishandeling met de dood tot gevolg ben ik blijkbaar al heel snel uitgeschakeld. Veel sneller dan bij het lezen van Schaduwkind van Thomése bijvoorbeeld, een boekje waarover men in mijn omgeving zei dat ik het maar beter niet kon lezen nu ik zelf een kind had. Maar dat boekje redeneert, het denkt, het denkt het ondenkbare, wil wat niet te zeggen is zeggen, zoekt, vindt niet, en de auteur zit, als een ieder die geliefden verliest, met zijn gezicht naar de muur waaruit hij bloedt (Faverey). Wat je overvalt is ontroering, méér dan medelijden, diepe compassie, want het eerste wat je doet is: meedénken. Maar juist de onmogelijkheid de dood van dat schaduwkindje adequaat in beeld te brengen — al staat er een aantal passages in dat boekje dat er akelig dichtbij komt — maakt dat je hier je gezicht niet afwendt. Terwijl een krantenverslag door mij tegenwoordig niet meer ten einde gelezen kan worden.

    Wat rest is woede en bepaald enge gedachten: dat mensen als Cindy en David van staatswege onherstelbaar gesteriliseerd dienen te worden; en in het verlengde daarvan: dat men jonge koppeltjes ouderschapstesten laat afleggen voordat ze een kind op de wereld mogen zetten. Ik bedoel: woede is natuurlijk nooit een goede emotie om over deze zaken nadenken. Men begint werelden te bedenken waarin men zelf niet zou willen leven.

    Nu is dat in een geval als dit allemaal nog wel te begrijpen; het lijkt hier om iets louter persoonlijks te gaan, immers. Maar helemaal waar is dat niet. De persoonlijke ontzetting, woede of verbijstering kadert in een bepaald wereldbeeld, en het is dat beeld dat er als eerste achter weg komt zodra men weer enigszins tot denken in staat is. Wat moet ik aan met bijvoorbeeld mijn verontwaardiging over de recente rellen in Frankrijk — juist wanneer ik merk dat die verontwaardiging niet in de eerste plaats de klassiek links-progressieve reflex is, maar dichter dan mij zelf lief is bij de oerburgerlijke middenklasse-indignatie ligt? Ik ben, als ik eerlijk ben, niet zo heel erg overtuigd van de motieven die aan de opstandige jeugd in de banlieus worden toegeschreven, en ben bijna — ik zeg bijna — geneigd eerder de vergelijking te maken met voetbalhooligans.

    Uiteraard moet ik mezelf op dat punt onmiddellijk corrigeren. Voor mij behoort discriminatie van de zogeheten ‘buitenlanders’ of ‘vreemdelingen’ (waarvan er velen toch in eerste instantie vooral Frans — of Belgisch, Nederlands, Duits of enzovoorts zijn) tot een dusdanig infantiel gedachtengoed dat ik zelf altijd meen dat ik het met hen die ‘oorspronkelijk’ Turks of Marokkaans zijn gerust principieel oneens kan zijn over de wel degelijk culturele verschillen die er tussen hen en mijzelf bestaan (zoals ik met Vlamingen — soms ook ten onrechte — meen van gedachten te kunnen wisselen over het al evenmin te verwaarlozen verschil tussen de Hollander en de Vlaming). In de praktijk blijkt dat helemaal niet zo gemakkelijk te zijn, en uit gesprekken hier in de buurt blijkt dan bijvoorbeeld dat de hier woonachtige Turken (vooral de jonge mannen) heel vlot zijn om aan te geven dat ze moslim zijn en dat ze ‘dus’ de dingen zus en zo zien, terwijl ze naar mijn eerder onder de vlag van de Verlichting geformuleerde principes niet eens willen luisteren. Dat laatste heeft iets te maken met de defensief-agressieve manier waarop die jongens hun ideeën naar voren brengen: op de toon van hen die niet anders verwachten dan dat ze op grond daarvan onmiddellijk veroordeeld worden. Maar tegenover een moslim heb ik geen andere houding dan tegenover een katholiek. Dat betekent inderdaad dat hun opvattingen mij wezensvreemd zijn, maar ik acht mijzelf nog niet zo wereldvreemd dat ik de betekenis ervan voor anderen niet zou kennen. En mijn opstandigheid tegenover dergelijke vormen van religie beperkt zich gewoonlijk tot de opmerking dat het van mij vanzelfsprekend geëiste respect dan misschien ook mag gelden voor de algemene principes die ik hoogacht.

    Mijn reserve bij het ‘uitschot’ in Frankrijk, zoals Sarkozy ze noemde, heeft zo bezien te maken met toch een gebrekkig voorstellingsvermogen, een soort dromerig vertrouwen in een voorstelling van de wereld waar ik in de jaren zeventig groot mee ben geworden, een wereld waarin gelijkheid van mannen en vrouwen vanzelfsprekend is, religie voor grijze duiven is, milieubewustzijn logisch en wijs, racisme iets uit het verleden, discriminatie van welke minderheid dan ook op zijn hoogst een atavisme van enkelingen. En altijd weer die verbazing als homoseksuelen zich genoodzaakt zien hun rechten te verdedigen en de Turkse jongens hier in de buurt zich bij het minste of geringste gediscrimineerd voelen — ook door mij wanneer ik ten langen leste om drie uur ‘s nachts mijn huis uit stuif omdat ik nu wel een keer genoeg heb van al die geluidsoverlast, irritatie die onmiddellijk wordt uitgelegd als had ik sympathie voor dat gajus van het Vlaams Belang. Altijd weer verbijsterd als ik mensen van mijn leeftijd en nog veel jonger, ofwel terug zie keren naar, ofwel zie bekeren tot een geloof. En dus ook het ongeloof als ik hoor waarom men Frankrijk in lichterlaaie meent te moeten zetten. Niet dat ik niet wéét dat mijn beeld van de wereld maar weinig te maken heeft met hoe de wereld uiteindelijk is — het is maar dat ik desondanks bij de confrontatie ermee toch steeds weer verbijsterd ben, of woedend, of geschokt.

    Het door haar ouders vermoorde meisje was zeven maanden oud en heette Xena. Haar doodsstrijd heeft weken geduurd.

  • Pin it!

    Kouwenaar

    Gisteren bij de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde te Gent de uitreiking van de vijfjaarlijkse prijs voor poëzie aan Gerrit Kouwenaar bijgewoond. Ik had me speciaal een uitnodiging laten sturen om Gerrit nog weer eens te spreken — het was inmiddels sinds Het Groot Beschrijf in Brussel dat we elkaar hadden gezien, en deze zomer kwam het er ook niet van om nog eens naar zijn verblijf in Zuid-Frankrijk af te zakken vanwege het experimentele ‘met-baby-in-tent-op-vakantie’-experiment dat we aan het volvoeren waren. Komend jaar zal het daar weer niet van komen vanwege een nakende verbouwing.

    Het was goed hem weer te spreken, en nog weer eens te horen lezen. Hij zei dat de prijs van dit gezelschap, dat hij voordien niet kende en dat hem deed denken aan de Maatschappij voor Nederlandse Letterkunde in Leiden, hem aangenaam had verrast. Nu heeft Kouwenaar natuurlijk zo’n beetje alle prijzen gehad die er uitgereikt worden, en de in zekere zin bescheiden prijs van de KANTL voegt daar niet zo heel veel aan toe, maar, zo stelde hij ook in zijn dankwoord, het bijzondere was toch wel dat hem deze prijs hem niet werd uitgereikt als betrof het een gouden horloge voor bewezen diensten — niet voor zijn oeuvre, kortom, voor het totaal van zijn dichterschap —, maar specifiek voor een bundel (Totaal witte kamer), ‘voor één werkstuk,’ zoals hij het zei. Blijkbaar is een dergelijke bekroning hem meer waard dan de zoveelste verzekering van het belang van zijn totale carrière — en dat is geheel in de lijn met de persoon die hij is: wat men deed, deed men goed, zodat men wat men doet, goed wil blíjven doen. Op alle momenten het uiterste eisen van jezelf, een uiterste dat naarmate de loftuitingen van de buitenwereld toenemen wellicht steeds moeilijker te bereiken valt; de buitenwereld is veel sneller tevreden dan de dichter zelf. De onzekerheid over het eigen kunnen, neemt toe. Hij moest er niet aan denken te eindigen zoals sommige ooit grote schrijvers en dichters zijn geëindigd, zei hij al eens bij een andere gelegenheid, als schim van zichzelf. Maar hoe groter men is in de ogen van de buitenwacht, hoe groter het risico dat men voor zichzelf tot een dergelijke schim vervaagt: er is niemand meer die het nog waagt om te zeggen: nee maestro, dat is geen goed gedicht.

    Ook aardig in zijn dankwoord was zijn tegenstribbelen: hij had tijdens het schrijven van zijn dankwoordje nog niet de mogelijkheid gehad om het juryrapport in te zien, maar uit de persberichten was hem wel gebleken dat de jury van mening was dat hij met Totaal witte kamer iets vernieuwends gebracht zou hebben. Dat wilde hij nu dan toch alvast even tegenspreken. Het kon heel goed zijn dat men iets vernieuwends in zijn werk had ontdekt, maar het was nooit zijn bedoeling geweest om iets, in die zin ‘nieuws’ te maken; hij had enkel de bedoeling gehad het maximale van zijn vermogens te benutten bij het schrijven van deze bundel. Ook mij was niet helemaal duidelijk wat de jury nu precies met dat ‘vernieuwende’ bedoeld zou kunnen hebben. Dat er in Totaal witte kamer in plaats van ‘men’-gedichten ook wel eens een ‘ik’-gedicht voorkomt? Dat is binnen Kouwenaars werk niet zonder betekenis, maar om op grond daarvan van vernieuwing te spreken, zou beslist overdreven zijn.

    Intussen: instituties als de KANTL, die onmiskenbaar iets negentiende eeuws hebben, iets van een voorbije plechtstatigheid misschien ook, iets wat ruikt naar ‘letteren’ — wat goed dat ze er nog zijn. Nog wel. Uiteraard wil de heer Anciaux — die het liefst zélf wel uitmaakt wat ‘cultuur’ mag heten en wat niet, en daarvoor al die lastige ‘deskundigen’ uit het veld niet van node heeft — uiteraard wil Anciaux met zoiets bestofts als de KANTL korte metten maken. Nog nooit een minister van cultuur gezien die zich zo vergiste in zijn eigen taakomschrijving. Men was hier beter af met zijn partijgenoot Van Grembergen, die althans nog zelf naar de KANTL kwam om prijzen uit te reiken.

  • Pin it!

    Na Groningen

    In het weekend van 4-6 november in Groningen vertoefd en er de vertrouwde najaarsgeur van de suikerbietencampagne opgesnoven; lekker kun je zoiets niet noemen, maar de vertrouwdheid ervan — ik woonde er per slot van rekening 17 jaar — maakt dat je het onmogelijk een smerige lucht kunt vinden. We verbleven eerst bij een goede oude vriendin, wat neerkwam op een voettocht door kinderspeelgoedland waarbij ik me weer eens een slechte vader betoonde door te verkruimelen bij zo ongeveer alle objecten waar ik twee jaar geleden nog mijn neus voor opgehaald zou hebben. Alles diende gekocht. Alsof dat blaag van ons nog geen speelgoed genoeg heeft. Gevolg is dat ons nu daags spiegeleieren, pizza’s, wortelen, champignons en boterhammen van hout worden geserveerd, klaargestoofd in een houten keukentje waarvoor Emma eigenlijk nog te jong is, en soms opgediend met de onvermijdelijke houten wasknijpers (die hier ten huize omwille van de tweetaligheid in één en dezelfde adem ook ‘wasspelden’ worden genoemd). Daarna bij ook goede oude vrienden in het nabijgelegen Z. Het is bijna thuiskomen, ook al is het steeds met juist het besef er niet meer thuis te zijn.

    Hoe dan ook: meer thuis dan in mijn arme geboortestadje, waarover ik juist dat weekend in een mij gratis in de Herenstraat toegestopte Volkskrant las: het onfortuinlijke Goor. Een uitgebreid onderzoek heeft nu dan eindelijk uitgewezen dat de daar gelegen Eternit-fabriek, voorheen producent van asbest-platen, buizen en wat dies meer zij, verantwoordelijk geacht mag worden voor een groot aantal doden in dat stadje. Soms werkt wetenschap wel héél erg traag. Nadat wij als kinderen in de jaren zestig er vast van overtuigd waren dat asbest ‘goed’, want brandwerend was, en wij er als peuters, kleuters en kleine kinderen ook geen graten in zagen om met de in de omgeving volop voorhanden asbest-producten te spelen (de platen werden onder meer gebruikt om de bospaden in de omgeving te verharden, en bij de afbraak van een gebouw waren er altijd wel delen te vinden waarmee je je eigen boomhut wat kon verstevigen én brandvrij houden); nadat wij leerden dat asbest ‘fout’ was en wij als jong-volwassenen gadesloegen hoe mannen in witte pakken de plaatjes asbest verwijderden die onze vaders een decennium eerder — lustig zagend, wat hoestend vanwege het ontstane stof, lustig borend en weer wat hoestend — in huis hadden aangebracht — na dat alles bleven wij ons verbazen over het feit dat wij gezonde boswandelingen maakten over de nog steeds met die tot kruimels gereden en vertrapte asbestplaten verharde wegen, en ook over processen van Eternit tegen medewerkers die inmiddels aan het gevreesde mesothelioom (buik- of longvlieskanker) leden of er al aan waren gestorven (nog absurder wanneer je bedenkt dat al in 1906 bekend was hoe schadelijk asbest was, zo bleek mij recentelijk uit een tv-documentaire). Ik heb geen school gekend waar op zo’n jonge leeftijd zoveel leerkrachten aan kanker overleden als de school waarop mijn eveneens aan kanker overleden vader werkte — ook al valt we-ten-schap-pe-lijk niet te bewijzen dat bijvoorbeeld mijn vader ten gevolge van de aanwezigheid van die Eternit-fabriek is gestorven. De man rookte ook sigaretten, tenslotte, en in het licht van de genetica: de ziekte zit in de familie.

    Men kan niet tegen de hele wereld opstandig zijn, maar de traagheid en ontoereikendheid waarmee — om het maar zo te formuleren — ‘het kapitaal’ reageert op zoiets gruwelijks als mesothelioom (een ziekte die een incubatietijd van twintig tot dertig jaar heeft; ik mag mijzelf dus argwanend blijven beluisteren en bekloppen), doet diep verlangen in dat zo lelijke plaatsje de fabriek in kwestie alsnog de lucht in te jagen. Men zou op zijn minst iets van Ter Balkt willen aanheffen.

    Oorzakelijk verband is er niet, noch met de suikerbietencampagne in het hoge noorden, noch met het asbest in de gemeente die tegenwoordig Hof van Twente heet, maar teruggekeerd uit Nederland werd ik ziek. Ik heb de hele vorige week welhaast slapend doorgebracht, om eenmaal weer ontwaakt in mijn mails te lezen dat het juist Ter Balkt is die zich in het nieuwe nummer van Awater erg boos maakt over iets wat ik gezegd of geschreven of gesuggereerd zou hebben. Ik zag het tijdschrift nog niet en zal het t.z.t. eens rustig tot mij nemen. Het heeft, geloof ik, alweer iets te maken met de vorige VSB-prijs.

    Ook zag ik — hoe noem ik het? — De Groene Literatuur: de meesterzet van het voormalige tijdschrift Literatuur om vier keer per jaar als bijlage bij De Groene Amsterdammer te verschijnen. Daarin een boeiend artikel van Thomas Vaessens over literatuurgeschiedschrijving. Hij laat zien dat de literatuurgeschiedschrijving die zich baseert op ‘normverandering’ niet langer gebruikt kan worden om de huidige literatuur in kaart te brengen — en dat is een constatering die ik alleen maar wil onderschrijven, al was het maar omdat het eindelijk eens een eind stelt aan de onzinnige, nonsensicale discussies die sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw onder de noemer van ‘het literaire debat’ gevoerd zijn, of het daarbij nu ging om de als ‘avant-garde’ gepresenteerde nostalgie van de Maximalen, of om het non-debat over toegankelijkheid en zogeheten ontoegankelijkheid, of, niet in de laatste plaats, om het presenteren van het postmodernisme als nieuwste laatste stap in de actie-reactie-dynamiek van de literatuurgeschiedenis (zoals Vaessens zelf eerder leek te doen). Het werd tijd dat we ons daar eens van bevrijdden

    Daarmee wordt overigens niets opgelost, maar komt alleen de weg vrij om de werkelijke problemen te zien. Het opgeven van de betreffende, met de Romantiek verbonden vooronderstellingen van de literatuurgeschiedschrijving op basis van normverandering, maakt een einde aan ‘de literatuur’ zoals we die, niet in de laatste plaats dóór die literatuurgeschiedschrijving menen te kennen. Onmiddellijk bespeur ik dan bij mezelf een reactionaire reflex (één die me al eerder over de huidige literatuur als over ‘postliteratuur’ deed spreken, en die bijvoorbeeld maakt dat ik zoiets als ‘performance-poëzie’ zelf eerder indeel bij theater dan bij literatuur). Het is dezelfde reflex die me in mijn stuk over Kregting (hier te raadplegen overigens) deed zeggen dat de literatuur zonder een beschavingsteleologie ten dode opgeschreven was. Dat is een depreciatie op voorhand van alles, althans: van toch heel veel van wat buiten de gebaande paden aan literatuur voorhanden is — bijvoorbeeld op het internet. Ik stel het, eigenlijk wat hulpeloos tegenover mijn eigen reacties, vast.

    Terecht stelt Vaessens — die met dit stuk natuurlijk alleen nog maar het probleem stelt (het heet ook: ‘Literatuurgeschiedschrijving (1)’, wat nog minstens een (2) belooft) ¬— dat deze veranderde kijk uiteindelijk betekent dat iemand als ik, opgevoed binnen de traditionele literatuurgeschiedschrijving en er als zodanig onherstelbaar door beïnvloed, voortaan de plicht heeft dat wat ik relevante literatuur acht te legitimeren. Zo geformuleerd klinkt dat eenvoudig genoeg, en ik ben zelfs geneigd te zeggen: natuurlijk moet dat. Maar het punt is dat die legitimatie niet los gezien kan worden van relevantie in meer maatschappelijke zin — en daar wordt het moeilijker. Benieuwd naar het vervolg in elk geval.

  • Pin it!

    Dwang & yang

    Vandaag via de mail tweemaal tekst binnen gekregen die me dwingt me, ofwel te verdedigen, ofwel te accepteren dat ik blijkbaar gekozen heb. Een voor yang gevraagd essay van Jeroen Mettes maakt een resoluut einde aan een aantal waarheden waarmee ik mijn bestaan blijkbaar wat al te comfortabel had ingericht. In zijn stuk — bedoeld voor yang 2005 nummer 4, het decembernummer dat op een buitengewoon onhebbelijke manier altijd maar weer in januari van het daaropvolgende jaar pleegt te verschijnen — in zijn stuk gebruikt hij mijn stuk over de poëzie van Duinker (in De inwijkeling) als sparring partner voor een verhaal dat nu eindelijk eens afrekent met de behaaglijke onbehaaglijkheid die in bepaalde kringen onder de noemer van het sublieme een nieuw soort consumentisme vertegenwoordigt. Het leidt onder andere tot een lezing van het werk van Duinker die ik tot nu toe nog niet heb gezien, en het laat bovendien zien dat mijn eigen lezing van dat werk helemaal niet zover afstaat van de lezingen die ik steeds verworpen heb, bijvoorbeeld die van Vaessens en Joosten in hun Postmoderne poëzie in Nederland en Vlaanderen. Hoe verleidelijk het ook is hier nu uitgebreid te gaan citeren (wat ik niet doen kan, mag (het ligt nog ter redactie) en uiteindelijk ook niet wil: men leze er yang straks maar op na) — het gaat me nu even om de pijnlijkheid van de constatering dat men zelf niet diep genoeg heeft nagedacht, en om nog een andere vaststelling ook: dat wat ik uit het essay als kritiek op mijn uitgangspunten kan lezen, mij in beeld brengt als dat wat ik hoogstwaarschijnlijk ben. Ik maakte kort geleden al melding van Han van der Vegts peinzende opmerking dat ‘melancholie’ in sommige kringen als een kwaliteit gold — en meer en meer moet ik toegeven dat ik wellicht zo’n melancholicus ben. Of misschien is het beter om van ‘romanticus’ te spreken. Het modernisme en ook het postmodernisme lijken me schijngestalten van de romantiek te zijn. Een gedachte om eens even op te kauwen, dunkt me.

    Niet goed nagedacht heb ik evenmin over hetgeen ik schreef op 3 oktober naar aanleiding van het gesprek van Jan de Roder en Wim Brands over Sebald, althans dat leid ik af uit hetgeen Gie Van den Berghe mij meldt. Volgens hem hield ik er een vreemd, postmodern, maar achterhaald beeld van de geschiedenis op na — en hij verwijst me door naar een lang artikel op zijn site. Of ik me door hem ook van de sokken laat praten, weet ik nog zo net niet, want al eerder bleken hij en ik er heel andere ideeën op na te houden over Améry. Mijn opstel daarover in De inwijkeling was, zo meen ik me zijn woorden te herinneren, een wel heel vreemde ervaring voor hem geweest; niets van wat ik daar schreef had voor hem met Améry te maken. Ik moet me daarover buigen de komende tijd.

    Overigens verscheen inmiddels de nieuwe yang: Overhead



    Ik stuurde inmiddels via de mail het volgende daarover naar een adresje of 1500:

    U heeft zich natuurlijk al geheel en al genesteld in het consumentisme?
    Geen mens dan de consumens?
    yang komt met een door redacteur Piet Joostens samengesteld dossier over arbeid & productie waarin aan het eindeloze consumeren op zijn minst het produceren wordt toegevoegd.

    Inleider van dienst, Friedrich Engels, stelt in zijn soms onbedoeld grappige opstel over ‘De rol van arbeid in de menswording van de aap’ dat arbeid ‘de voornaamste basisvoorwaarde voor alle menselijk bestaan’ is, een bron van zijn waardoor mensen pas op het punt kwamen ‘waar zij elkaar
    iets te zeggen hadden’.
    Zonder arbeid heerst de stilte.

    Wat niet wegneemt dat Bertrand Russell al in de tweede bijdrage een pleidooi mag houden voor luiheid. Het zou met name de literatuur een flinke impuls kunnen geven, meent hij: ‘In een wereld waarin niemand gedwongen wordt meer dan vier uur te werken, kan iedereen zijn wetenschappelijke nieuwsgierigheid stillen en [zullen] jonge schrijvers de aandacht niet meer op zich hoeven te vestigen met het schrijven van sensatiebeluste flutromans om de economische onafhankelijkheid te bereiken die nodig is voor monumentale werken die, als de tijd eindelijk daar is, zullen uitblijven door hun gebrek aan smaak en vaardigheden.’

    Daarnaast bevat dit dossier een verhaal van de Belgisch-Amerikaanse auteur Luc Sante ooit ‘voorbestemd om in een fabriek te werken’, die tot in de details het relaas doet van zijn wederwaardigheden als jobstudent in een kleine plastiekfabriek. Jan Baetens bespreekt
    Daewoo, een recente roman van François Bon die handelt over de sluiting van een aantal autofabrieken in Frans-Lotharingen. De auteur keert terug ‘naar de basis waaraan de representatie van arbeid in literatuur meestal aan voorbijgaat: de getuigenis.’ In zijn bewerking van het taalmateriaal tot een ‘absoluut literaire creatie’ (Baetens) presenteert Bon het schrijfproces uitdrukkelijk als een vorm van collectieve arbeid.

    In de volgende essays wordt nog meer ingezoomd op de schrijver als producent. Vertrekkend vanuit het nihil als fabrieksgeheim van de kunst en de metafoor van de schrijver/kunstenaar als arbeider, onderzoekt Dirk Van Hulle visies op het werk als fabriek bij uiteenlopende auteurs als Carlyle, Camus en Ponge. Sven Vitse herinnert aan de tijd waarin Daniël Robberechts en Jacq F. Vogelaar het literaire landschap in de Lage Landen wilden leren denken in termen van productie, producenten en productiemiddelen en vraagt zich af of een herwaardering van een materialistische literatuur en kritiek blijk zou geven van misplaatste nostalgie.

    Alvorens de Oostenrijkse schrijfster Lydia Mischkulnig de Firma zelve als grotesk personage enige sterke woorden in de mond legt, geven uitgeefredacteur Harold Polis en auteur Pol Hoste nog elk hun persoonlijke kijk op het boekenvak.

    Buiten het dossier om bespreekt Marc Reugebrink
    Zij zijn niet van Jeremia, waarin uitgever en auteur Marc Kregting al eind 2004 zíjn persoonlijke visie op het boekenvak gaf. Voorts kunt u hier zelf aan het werk met opmerkelijke nieuwe poëzie van de Belgische Franstalige dichteres Gwenaëlle Stubbe, met een lang ‘anthologisch’ gedicht van de Roemeen Alexandru Musina, met een redevoering over de wereld als prutswerk van Franzobel en met een verhaal van old time favorite Robert Walser waarin niemand minder dan Heinrich von Kleist zijn beroep loopt te vervloeken. Writer-in-residence Nick Swarth maakt serieus werk van het tweede deel van zijn Zinvol geweld.

    Ten slotte, bij wijze van epiloog bij het dossier, formuleert Pol Hoste een aantal uitdagende standpunten over werkbeurzen voor schrijvers. In een volgend nummer hopen wij hierop een aantal reacties te publiceren.