• Pin it!

    Over kritiek


    Gisterenavond in Passa Porta een avond over literaire kritiek — zo’n onderwerp dat eens in de zoveel tijd opduikt in literaire programmaties en dat in al die jaren dat ik het her en der op heb zien duiken gewoonlijk aanleiding gaf tot eenzelfde soort discussies. Een en ander werd vooraf heel mooi in een kader geplaatst door Erik Spinoy, die trachtte een analyse te geven van de stand van zaken in de literaire kritiek vandaag, daarbij vertrekkend vanuit de (eigenlijk nog tamelijk recente) geschiedenis: de ontzuiling en de wijze waarop daarna de cultuurindustrie zich van de literatuur meester heeft gemaakt. Met het verdwijnen van het dictaat van een bepaalde ideologische overtuiging voor één bepaalde groep; met het verdwijnen van de animositeit tussen die verschillende groepen — iets wat door vele critici destijds op gejuich werd onthaald — is er een nieuw ‘hegemonistisch discours’ opgekomen: dat van de cultuurindustrie zelf die boeken vooral op hun ruilwaarde beoordeelt en die bovendien het genot als algemene vooronderstelling hanteert. Literatuur is iets waar je van geniet, ook al lees je boeken die minder uit zijn op het bewerkstelligen van genot en andere behaaglijkheden. Spinoy haalde een recensie over een recent boek van John Banville aan, waarin de recensent vaststelde dat het over allerlei bepaald ongemakkelijk makende trauma’s ging, maar dat het desondanks ‘genieten geblazen’ was.

    Spinoy ging er verder niet op in, maar ik denk dat het genot dat literatuur moet verschaffen vaak verbonden is met tegelijkertijd de eis dat literatuur ‘verontrustend’ moet zijn en juist een zekere ‘onbehagelijkheid’ teweeg dient te brengen. Het kan zijn dat recensenten hier van de nood een deugd hebben gemaakt en een literatuuropvatting waarin de literatuur beslist iets anders is dan genotsmiddel in overeenstemming hebben willen brengen met de eisen van dat ‘hegemonistische discours’ die geen enkele andere opvatting over literatuur verdraagt — maar dat geloof ik eigenlijk niet. ‘Een gezellige vorm van onthechting,’ zoals Guus Middag dat ooit, maar dan wel met volle instemming noemde. De onbehagelijkheid als behaaglijke intellectuelenmodus — iets waarmee Kees ’t Hart in zijn vroegere werk zo prachtig de draak kon steken (‘Weet je wat jij moet doen? Boeken van Kafka lezen.’) — leidend tot typische cultuurbijlagenpraat waarin avant-garde en modernisme nog eens aan de hand van hun iconen uit de doeken worden gedaan als salonfähige ontsteltenis. En sla een willekeurige boekenbijlage open: ‘Ik wilde zoveel mogelijk destructie,’ zegt de ene schrijfster; ‘Mijn boeken zijn hard, zwart, gruwelijk,’ beweert een andere schrijver. Natuurlijk, want zachtmoedige, lichte en vrolijke boeken brengen het niet tot het opschrift ‘literatuur’: tot het vereiste huiveren bij de haard, het griezelend genieten, tot de destructie die niks kost.

    (Ik denk wel eens dat de in mijn ogen bepaald overspannen manier waarop iemand als Verhelst steeds maar weer de destructie predikt — al dan niet verpakt in de fondanten suikerlaag van een wat al te zelfgenoegzame stijl — veel te maken heeft met de recuperatie op voorhand door de cultuurindustrie, een inkapseling die leidt tot steeds meer heftigheid en hysterie, tot een verlangen naar literair terrorisme; ik kan de in mijn ogen wat al te betekenisvol leeg gelaten pagina’s in Zwerm niet anders lezen dan als een diepe wens om zoveel mogelijk gewicht te geven aan wat er dan nog wel aan tekst op die pagina’s achterbleef, een IK HEB VÉÉÉÉL GEZIEN, mensen, pas op hè, maar dan ook héééél erg veel, hè, niet zomaar wat, maar véél! Waarbij ik wil aantekenen dat ik door mijn irritatie over zoveel hysterie heen voor de woede wel begrip heb).

    Spinoy had het erover dat de kritiek het ‘exces’ van ‘le réel’ van literatuur fixeerde — en dat is natuurlijk precies wat de kritiek moet doen (zoals Bert Bultinck, naast Bart Vervaeck en Jeroen Overstijns één van de panelleden gisterenavond, terecht stelde), maar wat problematisch wordt als er maar één hegemonistisch discours rest waarbinnen dat kan én (een woord dat niemand van de betrokkenen graag hoort of gebruikt) — kan én mag. Want iets anders is eigenlijk niet gewenst, ondanks verzekeringen van de aanwezige panelleden dat zij allen hun gang gingen (of altijd zijn gegaan) en ondanks het schijnbaar zo permissieve ‘anything goes’ dat door bijlagenredacties wordt beleden. Dat de critici aan tafel hun gang gingen bleek al meteen niet meer dan een frase, want in de discussie die volgde ging het al spoedig over de noodzaak je te richten op ‘de lezer’ (alleen Vervaeck stelde zich van geen lezer iets aan te trekken, en dat lijkt me in zijn geval ook te kloppen). De vraag is dan wie daar precies onder wordt verstaan. Ik stelde op dat punt vanuit de zaal dat ik voor diverse media heb geschreven, maar dat me altijd is opgevallen dat ‘de lezer’ vrij nauwkeurig samenviel met de chef boeken van dienst — en voegde daar aan toe dat het dienaangaande niet altijd mee was gevallen. Het merkwaardige van die hoofdredacteuren van boekenbijlagen is dat ze er niet zelden persoonlijk heel andere ideeën over literatuur en zelfs literatuurkritiek op na kunnen houden dan wel blijkt uit wat ze zoal wekelijks laten verschijnen, maar dat zij weer gehouden zijn aan de geplogenheden van de krant als geheel — waarmee dan vaak een niet-lezende hoofdredacteur wordt bedoeld, of wellicht de commercieel directeur, of de mensen van de marketing.

    Dit appèl op de lezer is misschien — naast het dominante discours — een andere reden waarom veel van de huidige critici inwisselbaar zijn geworden. Het is nu niet om hem weer eens te viseren, maar in het gezelschap was Bert Bultinck een dankbaar voorbeeld: hij schrijft voor yang, hij schrijft voor De Morgen én hij schrijft voor Humo. Zijn ambitie omschreef hij gisterenavond zelf als: pogen om gegeven de omstandigheden de beste tekst te schrijven. Hij zal het experiment nog niet hebben uitgevoerd, maar eigenlijk zou hij het eens moeten doen: over één en hetzelfde boek voor yang, voor De Morgen en voor Humo schrijven. Dat levert beslist drie heel verschillende teksten op, en men zou er minstens twee vragen bij kunnen stellen: in welke tekst gaat de criticus Bultinck nu wérkelijk schuil, en: welke tekst doet aan het besproken werk het meeste recht? Uiteraard zijn dit typisch het soort vragen dat ík zou stellen, en verraadt het mijn eigen uitgangspunten (ik lees nu eenmaal het liefst de Bultinck in yang, en bovendien: ik zoek ook altijd naar de ‘persoonlijkheid’ van de criticus áchter zijn oordelen over de tekst: de soms de huik naar de wind hangende De Morgen-recensent is mij dan minder aangenaam, en over de, in se, flaptekstenschrijver in Humo wil ík het eigenlijk niet eens hebben). Het zijn met andere woorden vragen die niet overeenkomen met de bekommernissen van B. zelf, vermoed ik (en dat is dan natuurlijk weer ons werkelijke discussiepunt). Ik zat er gisterenavond al even over te grappen tegen hem: dat ik vond dat zijn stukken voor yang niet ingewikkeld genoeg waren, dat die nog een stuk onleesbaarder konden...

    Ik schrijf dit niet om hem te viseren, zei ik, en misschien helpt het wanneer ik daar aan toevoeg dat ik ook wel eens voor Het nieuwsblad van het noorden én De groene over hetzelfde boek heb geschreven, al rechtvaardigde ik de verschillen vooral door te wijzen op het verschil in lengte (wat me hier en nu doet besluiten om op mijn recensie-site toch maar beide versies op te nemen als daarvan sprake is). En bovendien: na de discussie kwam Jeroen Overstijns op me af om me goedmoedig te kapittelen over het feit dat ik het hem veel te gemakkelijk had gemaakt: ook ik was in mijn interventies overtuigd van het feit dat men bij het schrijven voor een krant rekening moet houden met ‘de lezer’. Ik heb in het verleden, in discussies met diverse chefs boekenbijlage, echter gemerkt dat ik de lezer van die bijlage veel en veel hoger inschat dan de krant (de chef) zelf doet. Het beeld van de lezer dat op sommige krantenredacties leeft, lijkt mij in veel gevallen een vorm van regelrechte ‘Publikumsbeschimpfung’. Je zou ook kunnen zeggen dat ik in dezen ‘elitairder’ denk — om dat woord dan nog maar weer eens van stal te halen. Ik heb nooit erg veel vertrouwen gehad in pogingen literatuur onder ‘het volk’ te verspreiden, zoals dat zo mooi heet — misschien omdat ik sinds mijn redacteurschap van het literatuurfestival Herfstschrift in Groningen (eind jaren tachtig) met eigen ogen gezien heb dat het literaire publiek in een universiteitsstad als Groningen een bepaald volume heeft dat niet groeit als je schrijvers de aap laat uithangen, liedjes laat zingen of je richt op beroemdheden die voor bespottelijke sommen een half uur lang een lezinkje komen houden dat ze blijkbaar een uurtje voor vertrek met enig knip- en plakwerk uit eerder werk bij elkaar hebben gerommeld (Mulisch destijds — al dient hier gezegd dat knippen en plakken in de tijd dat personal computers nog uitzonderingen waren, wel behoorlijk arbeidsintensief genoemd kon worden). Uiteraard houdt ook deze overtuiging weer verband met een bepaalde (‘elitaire’) literatuuropvatting die weigert om literatuur die veel en veel meer volk trekt, die massa’s op de been brengt die normaliter nog geen boek inkijken, ‘literatuur’ te noemen (ik heb zo even geen voorbeeld van dergelijke literatuur, overigens).

    Maar hoe je het ook wendt of keert: een al te sterk appèl op de lezer leidt tot een grote inwisselbaarheid van de recensent in kwestie — en literaire kritiek is nu juist vooral zo interessant vanwege de stem van de recensent: de uiteraard subjectieve mening die zich in het publieke domein op een bovenpersoonlijk niveau legitimeert en zo een bijdrage levert aan de continue discussie over wat literatuur zou moeten zijn.

    Die discussie, zo maakte Spinoy nog eens duidelijk, bestaat alleen nog in de vorm van onderhandelingen die een recensent voert met zijn boekenchef over de lengte van zijn stukken, en over de boeken die hij wil doen. Dat laatste is natuurlijk niet onbelangrijk en het zorgt godzijdank voor nog enige diversiteit in de literaire kritiek van vandaag de dag. Maar over wat literatuur hedentendage nu eenmaal is en moet zijn, daarover wordt niet onderhandeld.

  • Pin it!

    Schizo

    Twijfel boven alles. Nog eens nadenkend over mijn stuk over Zij zijn niet van Jeremia — inmiddels in druk en dus onachterhaalbaar geworden — denk ik wel eens dat de schizofrenie als meest te prefereren aandoening van een uitgever gezien nu eenmaal de barbaarse economistische uitgangspunten uiteindelijk ook overgaat op auteurs — zeker op diegenen die naast hun schrijverij geen ‘gewone’ baan hebben en het dus van het ‘papierkrabbelaarschap’ (Du Perron) en aanverwante zaken moeten hebben. Het feit dat ik tot die laatste categorie behoor, heeft me al meermalen in de positie gebracht van iemand die aan de ene kant als ‘bijzonder’ wordt beschouwd (‘een schríjver! ‘een díchter!’) — volstrekte onzin, natuurlijk, maar de romantiek er rond is onuitroeibaar, zo blijkt telkens weer —, maar die aan de andere kant wordt gezien als iemand die er de kantjes vanaf loopt.
    Recentelijk nog probeerde ik een goede vriend die zelf héél iets anders doet — laten we zeggen: een écht beroep heeft — iets duidelijk te maken omtrent mijn werkproces. En hoewel ik het niet heb op auteurs die zich beroepen op ‘inspiratie’ maak ik me vanuit het reguliere arbeidsethos bekeken meer dan eens schuldig aan tijdverspilling — een soort dralen en dreutelen, andere dingen doen dan die ik op dat moment volgens mijn werkschema zou moeten doen, me soms welbewust in een toestand van ernstige tijdnood brengen, om dan onder grote spanning iets af te leveren. Dat werkproces verloopt voor elke schrijver anders, maar tegen je huisgenoten zeggen — wellicht met het schuldbesef van een Elsschot (zie zijn inleiding op Tsjip) — dat je dringend ‘aan het werk moet’ om dan eerst in je werkvertrek nog even de krant door te nemen, het is iets wat ik vaker hoor in mijn kringen.
    Aan mijn vriend was het niet duidelijk te maken. Er kwam van hem alleen geschamper, en de wellicht ook vanuit zijn eigen opvattingen bekeken wat overdreven stelling dat werk nooit ‘leuk’ mag zijn. En uiteindelijk kon ik mijn eigen bestaan voor hem alleen verdedigen door een beroep te doen op een soort ‘loon naar werken’-redenering. ‘Het komt er op neer,’ zei ik, ‘dat ik betáál voor wat jij mijn vrijheid noemt. Als ik werkelijk betaald zou moeten worden naar het aantal uren dat ik bijvoorbeeld in het schrijven van een luizige recensie steek, dan werd zo’n stukje onbetaalbaar. Een ander zou geen poot uitsteken voor het uurloon dat ik krijg. En deze samenleving is het dus met je eens: wat ik doe wordt niet als écht werk beschouwd; desalniettemin doe ik het.’ Ik koop mijn vrijheid met een relatieve armoede.
    Maar zelfs die moet ik mezelf natuurlijk nog wel verdienen — ik heb verantwoordelijkheden tegenover mijn naasten, de ziekenkas en de wegenbelasting — en dat maakt dat ik me dan soms met een I’m only in it for the money-cynisme op werkjes stort die ik niet geheel in overeenstemming kan brengen met wat er zelfs op die momenten nog resteert van mijn principes. En dan behoor ik ineens tot mijn eigen schrik tot de ‘deskundigen’ waarop Kregting in zijn boekje zo inhakt — of liever: niet zozeer op die deskundigen zelf (ook al acht hij die verantwoordelijk voor wat je ‘polderproza’ zou kunnen noemen, omdat ze altijd kiezen voor ‘eenduidig, esthetisch taalgebruik met hooguit één bijzin, waarbij een tangconstructie een doodzonde is’), maar op de ‘deskundigencultuur’ bij uitgeverijen.
    Ik bedoel te zeggen dat ik op dit moment voor een uitgeverij een typoscript aan het lezen ben waarvoor de redacteur in kwestie geen tijd had om het zelf te lezen. Maar, schreef hij me, als het goed was, betrof het hier het magnum opus van de betreffende (buitenlandse) auteur, en hij wilde graag gewoon algemene informatie: wat ik ervan vind, of het een beetje leesbaar is, en — en die toevoeging is pas écht leuk — ook waar het over gaat. Hij voegde nog toe dat vooral de vraag of het boek niet te obscuur is zeer belangrijk was, en of het écht gebracht zou kunnen worden als een van de meesterwerken van de literatuur van een bepaald continent (even snel alle literatuur van dat continent lezen, denk ik dan).
    Ja, ik ben hier voorzichtig met én de naam van de auteur van dit geproclameerde meesterwerk, het continent waar die auteur vandaan komt, de naam van de redacteur en die van de uitgeverij die het verzoek tot mij richtte. Niet iedereen las al Kregtings boekje, en zo kan een illustratie van veel van wat hij schrijft alsnog tot woede leiden bij de betrokkenen — en kijk, dan blijft mijn rekening onbetaald. Ik bedoel het slechts als een voorbeeld van de volstrekte schizofrenie waartoe ik mezelf soms gedwongen acht. Dit is heel iets anders dan het begeleiden van een auteur, zoals ik het destijds — op diens eigen verzoek — met Buelens gedaan heb, en het binnenkort — alweer op verzoek van de auteur zelf — met nog iemand anders zal doen. Uiteraard gaat het in die gevallen om auteurs waarmee mijn affiniteit op voorhand vaststaat en met wie ik niet heel omzichtig hoef om te springen mocht ik werkelijk zware kritiek hebben.
    Intussen, vandaag in De Morgen: het bericht dat bij decreet van de Unesco althans de ‘audiovisuele industrieën’ niet onderworpen (mogen) zijn aan de regels van de vrije markt. De Unesco... — nou, dat zal indruk maken. Maar nee, ook ik ben niet van Jeremia. Ik klaag niet.

  • Pin it!

    Het reële

    GB schrijft me dat mijn opmerking over ‘Europa’ – mijn scepsis als het gaat om het culturele beleid van Brussel – hem wat overdreven lijkt. Dat ‘Europa’ sponsort toch de grootste literaire prijs van het avondland, en dat mag dan wellicht een cynische achtergrond hebben, hij gelooft desalniettemin dat ‘de Europese, culturele, meertalige, dus zeker ook literaire erfenis van belang wordt geacht’. Ik moet toegeven dat mijn scepsis me werd ingegeven door het beeld dat ik van Europa heb: een administratie die er enkel en alleen op uit is om het vrije marktdenken dwingend op te leggen en die het niet eens voor elkaar krijgt een fatsoenlijke sociale paragraaf aan haar handvest toe te voegen. Laat staan dat ‘cultuur’ een prioriteit zou zijn, zo denk ik dan op grond daarvan. En natuurlijk, er is het fenomeen van de culturele hoofdsteden, er zijn vast culturele projecten die met Europees geld worden gesubsidieerd, maar tegelijkertijd is Europa verantwoordelijk voor de BaMa-structuur aan universiteiten en ziet men op nationale niveaus dat het onderwijs als een bedrijf wordt gerund (hele lánden als bedrijven worden gerund) – met alle gevolgen van dien.
    Maar... het is waar: ik heb er geen cijfers naast, noch beschik ik over dergelijke cijfers (wat betekent: dat ik te lui ben om ze nu op te zoeken).
    Ik wilde overigens ten aanzien van de literatuur niet zo somber klinken als het misschien lijkt. Het moeilijkst te begrijpen aan mijn redenering is waarschijnlijk de mengeling van acceptatie en verzet. Het is een poging om de feiten te blijven zien (ik bedoel: te blijven zien wat er als feit wordt voorgesteld) en tegelijkertijd aan te geven zelf vanuit andere vooronderstellingen te willen vertrekken. Ik doe dat niet enkel als het om literatuur gaat, merk ik. Uitgaande van de acceptatie van het postmoderne uitgangspunt dat de Grote Verhalen hun algemeengeldigheid hebben verloren, kan ik niet anders dan vaststellen dat die verhalen als ficties hun werk blijven doen, waarbij sommige van die ficties ondanks alles de overhand hebben gekregen op andere. Zo is het neo-liberale denken voor mij geen noodlottig uitgangspunt, maar wel een noodzakelijk vertrekpunt: het is de fictie die op dit moment – ondanks beweringen van het tegendeel – bij het denken over van alles en nog wat de overhand heeft, en in zijn handelen heeft men met die aldus tot ‘realiteit’ verklaarde fictie rekening te houden. Alleen zo is het mogelijk er kritiek op te formuleren, denk ik. Omgekeerd blijf ik me vanuit mijn eigen vooronderstellingen bewust van het fictieve karakter van wat ik desalniettemin tot mijn ‘realiteit’ heb verklaard. Ik ben me in alle gevallen bewust van het feit dat ik vooralsnog in een samenleving vertoef die het me toestaat mijn fictie als de realiteit te kiezen waarbinnen ik leef en sterf – maar juist omdát die samenleving stoelt op altijd relatieve vooronderstellingen is het ook heel goed mogelijk dat een andere, nu nog wérkelijk fictief lijkende werkelijkheid tot stand komt die geen enkele andere fictie duldt dan de hare. Mijn voorstelling van ‘Europa’ is zo bezien eerder een schrikbeeld dan een adequate beschrijving van haar huidige werkelijkheid, ook al is ze tegelijkertijd niets anders dan de consequentie van de door dat ‘Europa’ gehanteerde uitgangspunten.
    Het is niet zo dat de door mij verkozen (de mij toegestane) ‘werkelijkheid’ mij een behaaglijk onderdak verschaft; zij bestaat in en door het voortdurende conflict met alles daarbuiten. Dat het mijn diepste verlangen is dat ik tot stilstand mag komen in mijn eigen veiligheid, mijn ‘sfeer’, om het met Sloterdijk te zeggen, is weer een ander chapiter, en soms is de neiging alles de rug te keren ook heel groot (uiteindelijk is dat een infantiel-menselijk verlangen). Ik schreef al eerder dat zelfs waar men dat denkt te doen, niet met rust gelaten zal worden.
    Op de site van Huub Beurskens vond ik een mooie passage die wat ik bedoel tot uitdrukking brengt:

    Zonder de verbeelding van ‘de wereld’, ‘de geschiedenis’ of ‘de politiek’ kan de mens niet bestaan. En ik besef dat veranderingen in die verbeelde wereld ingrijpende gevolgen voor het leven van miljoenen individuen kan hebben. Tegelijkertijd is het volgens mij even gevaarlijk om niet te willen of te kunnen beseffen dat ons of je eigen wereldbeeld een constructie is, verbeelding, en dat we die fictie nodig hebben om het reële aan te kunnen.

    Nog maar eens benieuwd naar zijn juist verschenen Albinoziel, een boek dat als ik het goed begrijp precies rond dat reële wentelt, draait, tuimelt – Beurskens gezien eerder werk wel toevertrouwd.


  • Pin it!

    Beschavingsteleologie

    Een paar dagen van stilte voor de laatste yang-drukproef: het merkwaardige lezen dat zowel op komma’s, aanhalingstekens, te grote spaties of juist het ontbreken van spaties let, als nog maar eens op zinsbouw en op inhoud. Nog maar eens, want het redactiewerk gebeurde natuurlijk voordat de drukproeven naar de betreffende auteurs gingen. En dan tijdens dat lezen, dat aanbrengen van tekentjes in de tekst, ontdekken dat je voor de derde keer struikelt over een door iemand gebruikt woord (‘citationele’ – zo’n woord dat alleen gebruikt wordt door hen die te veel in een zeker jargon zijn opgegaan), en dat je opnieuw in een tekst van iemand die je hoogacht geneigd bent een hele, echt beroerd geschreven alinea te herschrijven. Om het vervolgens uit je hoofd te laten. En ten slotte: het doorvoeren van de laatste correcties aan de computer.
    Zelf heb ik ontoelaatbaar gemarchandeerd met het begrip ‘deadline’, waarmee ik niet alleen redactiesecretarissen van andere tijdschriften gewoonlijk tot wanhoop drijf, maar ook mijzelf in die hoedanigheid. Uiteindelijk heb ik dan toch mijn stuk over Kregtings Zij zijn niet van Jeremia geschreven – ‘een evenwichtsoefening’, veronderstelde iemand uit de redactie, terwijl weer een ander meende dat ik zwaar overhelde naar de compleet verkeerde kant. Ik kan hoe dan ook naar aanleiding van Kregtings pamlflet niets anders concluderen dan dat hij in feite voor een revolutie stemt, en me blijven verbazen over het feit dat dat nu juist níét is wat hij doet – wel integendeel. Maar alle aanbevelingen aan het slot van zijn boek zijn alleen mogelijk als het systeem – lees het neo-liberale marktdenken – het veld ruimt voor iets anders. De opmerkelijkste passage in zijn boekje blijf ik die vinden over Mai Spijkers – iemand die overal en alom wordt gezien als de baarlijke duivel die nog wel het meest verantwoordelijk is voor de werdegang van het eens zo gerenommeerde uitgevershuis van J.M. Meulenhoff. Spijkers, zegt Kregting, heeft nooit rond de pot gedraaid en op een zeker moment zelfs gezegd dat een uitgever nu eenmaal niet aan filantropie doet. ‘Hij heeft de geprivilegieerdheid van literatuur van haar mombakkes ontdaan. Het zegt veel over zijn keurige collega’s dat ze hem daarom demoniseren, zwaaiend met een schaamlapje van een negentiende-eeuwse beschavingsteleologie, inclusief hiernamaals, dat hij heeft laten vallen.’ Die collega’s doen niets anders dan ‘pancake’ smeren ‘over de feitelijke inspanningen door te schermen met zorgvuldigheid en hogere doelen’, en zoeken op die manier een ‘legitimatie (...) op een plaats die men uit alle macht heeft verdrongen.’
    Wat dat laatste betreft heeft hij natuurlijk gelijk, maar de stelling in mijn stuk is dat literatuur zonder die beschavingsteleologie ten dode is opgeschreven. Ik stel:

    Wie de literatuur als literatuur wil redden – en er bestaat geen twijfel over dat het dat is wat Kregting voor ogen staat – komt vanzelf terecht bij een wellicht inderdaad negentiende eeuwse opvatting over literatuur. Of laat ik het anders zeggen: komt tot de slotsom dat hij literatuur enkel in die zin begrijpt en dat de hedendaagse, eerder materiële opvatting van het begrip aan die literatuur een einde stelt. Zonder mombakkes is literatuur misschien vooral tekst, en als tekst vooral bedrukt papier; zonder het schaamlapje van een zekere beschavingsteleologie staat de literatuur voor lul. Zo beschouwd is het vooral die teleologie die gered moet worden uit de klauwen van datgene wat er genadeloos mee afrekent, en dat met elke vorm van beschaving afrekent als die vorm niet verkoopt.

    Het mag zijn dat ik daarmee alleen maar onderstreep hoezeer het met dit soort literatuur is afgelopen in ons huidige tijdsgewricht – en het feit dat de zogenaamde discussies die er in de publieke ruimte nog over literatuur gevoerd worden meestentijds getuigen van een verbijsterend gebrek aan historisch besef lijkt dat te onderstrepen – maar ik ben eenvoudigweg niet in staat het anders te zien. En blijkbaar wil niemand in de branche zelf het verdwijnen ervan zonder meer toegeven – anders zou er niet zo veel door Kregting beschreven schijnheiligheid bestaan. (Op zich een reden om Harold Polis bij te treden, die in zijn bijdrage aan het komende yang-nummer juist stelt dat literatuur in die zin blijkbaar erg belangrijk is). Zolang iedereen met die teleologie blijft schermen, mag men eisen dat er naar gehandeld wordt. Ik heb al eerder geschreven dat ik het cynisme van critici jegens de literatuur zelf nooit goed heb begrepen, om het op zijn zachtst te zeggen; het minste en allereerste wat je van een literatuurcriticus mag eisen, is dat hij of zij gelooft in de literatuur – en niet over literatuur zelf met het dédain van de gemiddelde hedendaagse literaire journalist spreekt: al die klootzakjes die smalend literaire bijeenkomsten verslaan, die dichters en schrijvers eerst allerlei pretenties toeschrijven om er dan in één en dezelfde adem mee af te rekenen; dat ze met hun poten van de literatuur afblijven.
    Achterhoedegevechten, kan men nu brommen (en het lijkt inderdaad de plek waar in ieder geval de avant-garde zich bevindt), maar voor mij is het op haast terbraakiaanse wijze verbonden met menselijke waardigheid. Het geeft geen pas om hier de pathetische held uit te hangen en dingen te zeggen als: een wereld zonder literatuur heeft voor mij geen zin meer. Maar de ‘vergissing’ van Ter Braak zal ik niet maken. Ter Braak was op zoek was naar het ‘absoluut minimum’ dat een mens als zijn eigen, zijn laatste waardigheid voor zichzelf mocht, kon en moest claimen – een minimum waarop hij zijn rechten kon doen gelden. Hoe weinig dat ook was, uiteindelijk moet hij hebben ingezien dat ook dit absoluut minimum nog steeds geen recht, maar slechts een uiterst broos voorrecht was, een voorrecht dat hem in zijn geval door de binnenvallende nazi’s in handomdraai ontnomen kon worden (iets wat hij, zoals bekend, niet meer heeft willen meemaken). Een dergelijk minimum kan men voor zichzelf misschien alleen in stand houden als men het kan verdragen onder ogen te zien dat literatuur allang een subcultuur is geworden – uiteraard, net als elke subcultuur, steeds zoekend naar wegen om binnen de ‘officiële’ cultuur ‘aan het woord’ te komen, maar in principe daaruit verdrongen. Men hoeft maar even naar het onderwijs te kijken om te weten hoe laat het is. Ze wordt voorlopig nog gedoogd, maar met alvast een scheef oog naar ‘Europa’ is het maar de vraag hoelang nog.

  • Pin it!

    De Roder

    Jan de Roder stuurde me vast zijn essay uit de nog te verschijnen Armada en meteen is veel duidelijk aangaande zijn uitspraken in het radioprogramma met Brands. De Roder steekt namelijk zijn afkeer van Sebald niet onder stoelen of banken, en de manier waarop hij die belijdt, maakt ook duidelijk dat hij het doet vanuit de typische onwelwillendheid van iemand die Sebald gewoonweg ‘niet moet’. ‘Ik wantrouw Sebald,’ zo staat er onmiddellijk in het stuk, waarna er een met honend commentaar doorspekte beschrijving komt van het verhaal Il ritorno in patria uit Schwindel. Gefühle (1990).
    Prachtig vind ik dat. Het is redeloosheid op zoek naar zijn motieven – en die zijn natuurlijk altijd te vinden. De Roder hakt bijvoorbeeld in op Sebalds stijl, met ‘kunstmatige lange zinnen die terug doen verlangen naar die nog langere zinnen van Thomas Mann die je om ze te kunnen begrijpen niet opnieuw hoeft te lezen en die ritmisch bovendien een veel grotere variatie kennen.’ Uiteraard legt Sebald het af tegen de Tovenaar – en dat niet alleen voor De Roder (die een verklaard zwak voor Thomas Mann heeft), maar ook voor een wat minder gepreoccupeerd lezer, denk ik. Maar de geconstateerde zwakheden van Sebald verklaren De Roders scherpe toon nog niet helemaal. Die wordt minder veroorzaakt door het werk van Sebald, dan door de receptie van dat werk, zo blijkt. Daarmee is niet alleen bedoeld het succes van Sebalds werk, maar vooral de wijze waarop zijn werk wordt gelezen. Het is die leeswijze die tot dat succes heeft geleid.

    Ik ken die irritatie heel goed. Ik heb me destijds groen en geel geërgerd aan het werk van Anna Enquist en schreef daarover in De groene Amsterdammer ooit een recensie die van die ergernis luid en duidelijk getuigenis aflegde (16 maart 1994; zodra ik er qua updaten aan toe ben, te lezen op mijn recensie-site). Het is een recensie geworden die me nogal heeft achtervolgd, die te pas en te onpas werd aangehaald om te bewijzen dat ik in de poëzie dit-of-dat voorstond, wat in mijn geval dan altijd neerkwam op het verwijt dat ik ‘een autonomist’ was en daarom ‘gevoelige’ poëzie niet kon smaken. Over de onzin van dat soort verwijten en indelingen schreef ik al eens in het helaas ter ziele gegane Bzzlletin (‘Welkom in Babel. De spraakverwarring in de Nederlandse poëziekritiek’; in: Bzzlletin, jrg. 29, nr. 274, oktober 2000, p. 3-23) – overigens geen apologetisch stuk, maar een poging de wartaal van Elly de Waard en Piet Gerbrandy in een naar aanleiding van de verschijning van Fokkema’s Aan de mond van al die rivieren (1999) ontstane discussie in een iets juister perspectief te dwingen.
    Punt is dat ik in mijn recensie destijds Enquist vooral dat verweet wat anderen aan haar werk toekenden, terwijl haar werk zelf bij mij hoogstens leidde (en nog steeds leidt) tot een schouderophalen. Haar poëzie is vooral misbaar (veel van haar proza trouwens ook), maar mijn ergernis betrof de (professionele) lezers die dat misbaar, dat o zo poëtische gekrijs (en ‘poëtisch’ heeft hier dan eens een keer een pejoratieve betekenis), voor ‘echte poëzie’ verkochten. Grote Gevoelens, Authenticiteit – kortom: alles waarnaar het toen nog (schijn)heilig in multiculturaliteit gelovende Nederland al hevig verlangde (reality-tv kwam net wat later op, en de latere Martelaar Die Zei Waar Het Op Stond was nog gewoon professor): Echtheid. Tegenover een dergelijke leeswijze kwam mij Enquists werk voor als het valste dat in jaren geschreven was. Dat Enquists poëzie, net als die van Kopland overigens, daarnaast nu juist geschreven lijkt te zijn vanuit de acceptatie van de wereld zoals zij is en – zij het dan niet eenduidig – bepleit ‘een draagbare pijn / te kiezen boven een ramp’, leidt bij mij weer tot andere bezwaren. Maar nog steeds was er geen reden om zo van leer te trekken als ik deed (terzelfdertijd stelden Bindervoet en Henkes dat de poëzie van Enquist ‘gehoest uit een kale kut’ was, zodat ik mijzelf uiteindelijk nog als een wonder van beschaving mocht beschouwen).
    Terzijde: voor zover het de typisch Hollandse literaire kritiek betreft, lijkt men als criticus alleen impact te hebben wanneer men juist zo onheus en zo persoonlijk mogelijk wordt – reden waarom er in Polderland al decennia-lang geen werkelijke discussies meer van de grond zijn gekomen. Je zou het ook een uitvloeisel van de ‘columnitis’ kunnen noemen die ‘het publieke debat’ nu al zolang volledig overschaduwt.

    Ook in Jan de Roders essay dus door irritatie over de receptie van Sebalds werk ingegeven venijnigheden richting de auteur, maar dit alles wel nadrukkelijk zonder wérkelijk onheus te worden en Sebald bijvoorbeeld zijn snordracht te verwijten.



    Dat in die receptie – De Roder haalt Gerda Meijerink aan – Sebald letterlijk heilig werd verklaard (‘Ik denk dat Sebald heilig is,’ aldus Meijerink), is er ook wel wat te veel aan. Dat die heiligheid verbonden wordt met het feit dat Sebalds diepste beweeggrond zou zijn geweest ‘dat hij alles wat vergeten en verdrongen is, vooral over de joodse geschiedenis, de Duitse joden en hun diaspora vanaf 1933 over de wereld, dat hij die doden weer als levenden in ons midden wil brengen’ – het is er vér over en laat nog maar eens zien hoezeer de Shoah zelf heilig is verklaard (ik vraag me zelfs af of de heiligverklaring van de jodenvervolging – de ‘publieke religie rond Auschwitz’, zoals Jan Oegema het in Een vreemd geluk (2003) omschrijft – niet een verkapte vorm van anti-semitisme is: de jood afzonderen op grond van zijn slachtofferschap, hem verbijzonderen tot een ander, niet één van ons, maar iemand die zich maar beter houdt aan datgene waarmee wij hem telkens maar weer opzadelen, iets waar o.a. Grunberg zich tegen verzette in zijn, overigens barslechte Blauwe maandagen).
    Maar dan komt De Roder aan zijn werkelijke punt toe: in hoeverre de niet-jood Sebald zich in en door wat hij schreef heeft geïdentificeerd met het lot van de joden om dat van hemzelf – een émigré, maar toch niet werkelijk een balling – wat meer in de verf te zetten (en het is hier dat De Roder ter vergelijking met Wilkomirski en Friedman aan komt zetten, die in dit opzicht, weet ook hij, natuurlijk tien keer zo erg zijn). Dat is een principiële vraag die door De Roder ook zeer principieel wordt beantwoord, verwijzend naar Sebald als een schrijver van juist behaaglijk onbehaaglijke boeken. Het blijft enigszins verborgen in zijn tekst – ik bedoel: helemaal duidelijk wordt het niet, maar het lijkt erop dat De Roder Sebald hier uiteindelijk veroordeelt op stilistische gronden (zoals ik Enquist uiteindelijk ook verwerp op stilistische gronden). Het is de manier waarop Sebald zich het lijden en het lot van de joden eigen maakt die De Roder doet besluiten dat Sebalds verbeelding ‘het pathos van een valse authenticiteit verraadt’.
    Werkelijk aantonen doet hij het niet – zijn irritatie zit hem in de weg – maar als stellingname is dit buitengewoon interessant, temeer daar ‘het pathos van een valse authenticiteit’ niet zelden juist opduikt bij mensen die trachten om datgene wat ze wel degelijk zelf meemaakten, op papier te zetten…

  • Pin it!

    Ervaringswerkelijkheid

    Via Poëzienotities op het gesprek van Wim Brands met Jan de Roder uitgekomen, en mee afgegleden op de schaal die begint bij Wilkomirski en via Carl Friedman, wier biografie altijd begint met de opmerking dat zij in Eindhoven in een joods gezin geboren werd (terwijl zij gewoon in Eindhoven een katholiek meisje was), uiteindelijk uitkomt bij Sebald.
    Het nummer van Armada waar De Roders artikel in staat is er nog niet, maar tegen wat hij in het radioprogramma zei valt toch wel het een en ander in te brengen, lijkt me. Herhaaldelijk wordt Primo Levi geciteerd, wiens grootste angst was dat de latere generaties de waarheid omtrent de kampen niet meer zouden kennen. Die angst lijkt me terecht. De waarheid omtrent wat dan ook maar in het verleden blijkt telkens het lastigst te verwoorden, al is het maar omdat die opgesloten zit in een welhaast fysiek te noemen ervaring van bepaalde voorvallen door het individu, en zelfs al gaat het om een voorval dat door velen werd meegemaakt, dan nog ligt de waarheid in de individuele ervaring. De rest is abstrahering. De geschiedenis bijvoorbeeld vertelt nooit de waarheid, maar een op vooronderstellingen gebaseerde interpretatie van bepaalde gebeurtenissen – gebeurtenissen die zonder die interpretatie niet eens zouden bestaan.
    In het gesprek tussen Brands en De Roder werd nog even verwezen naar, zoals De Roder zei, het ongemakkelijke boek Jenseits von Schuld und Sühne van Jean Améry, een boek dat vooral zo ongemakkelijk is (en dat zei Jan er niet bij) omdat het juist de ‘waarheid omtrent de kampen’ voorgoed buiten bereik plaatst. De ‘waarheid omtrent de kampen’ is, volgens Améry, voorbehouden aan hen die het meemaakten. Dat zal waarschijnlijk ook Levi bedoeld hebben, en het leidde bij hem tot een afkeer van wat hij geloof ik ‘het duistere schrijven’ noemde (ook iets wat bij Améry voorkomt, trouwens, maar vanuit een totaal andere achtergrond), maar zelfs de helderste stijl biedt hier geen soelaas. Améry ging in velerlei opzichten veel verder dan Levi en leek ook veel beter te begrijpen wat de afgrijselijke consequentie van een en ander was: dat men met zijn kampervaringen, wellicht meer dan met andere hoge of diepe ervaringen (hoewel Améry de eerste was om nu juist dat te betwijfelen), in zichzelf gekerkerd zit. Er valt niets te delen. Laat staan dat ‘Auschwitz’ – als pars pro toto – een historisch feit zou kunnen zijn (al wordt daarmee natuurlijk iets heel anders bedoeld dan wat de negationisten er graag van zouden maken).
    Juist op dat punt is er misschien iets te verwachten van de literatuur. Ik zeg niet dat Sebald die verwachtingen heeft ingelost, en Friedman en al helemaal Wilkomirski waren en zijn pathologische leugenaars (de laatste in directe zin; de eerste voor zover zij de aan haar toegeschreven ‘joodsheid’ nooit heeft ontkend, maar zich zelfs (met graagte?) heeft laten aanleunen). Maar omdat de waarheid omtrent de kampen gelegen is in de daadwerkelijke ervaring ervan, is er misschien voor juist een medium als de literatuur een kans om die ervaringswerkelijkheid teweeg te brengen in een lezer. Daarvoor moet men in veel gevallen juist niet bij de vaak zo volkomen verslagen slachtoffers zijn, al zijn er hier uitzonderingen. Met name Imre Kertész’ Onbepaald door het lot blijf ik een voorbeeld vinden van een roman (van een literair werk dus) dat je de ervaringswerkelijkheid van de vernietigingskampen akelig dicht op de huid weet te brengen. Ja, zegt men dan, maar Kertész zat dan ook zelf in de kampen. Dat is waar, maar zijn literaire verwerking ervan is wel totaal anders dan die van Antelme of Semprun, auteurs wier werk over de Shoah ik overigens ook tot het betere deel reken. ‘Beter’ wil hier dan steeds zeggen: literair, ja zelfs esthetisch bevredigend, een kwalificatie die alleen ongepast is wanneer je ervan uitgaat dat esthetiek niet altijd tegelijkertijd ethiek is. Kertész is zich er zeer van bewust geweest dat arrangement noodzakelijk was, dat afstand nodig was, dat hij naar zichzelf moest kunnen kijken als was hij een personage.
    Dat anderen dat eventueel ook proberen – het blijft riskant. Dat niet zozeer vanwege het risico waarmee iedere auteur nu eenmaal te maken heeft – het risico dat zijn project mislukt in literaire zin – maar vanwege het feit dat de Shoah, de holocaust, de kampen nog steeds taboe zijn, voorwerp van een religieuze verering – een verering die, zo heb ik al eens betoogd, alleen maar lippendienst bewijst aan het ‘nooit meer Auschwitz’ dat op iedere herdenking te horen is. Misschien heeft Wilkomirski – aan wiens gestoordheid ik niet twijfel, overigens – maar één fout gemaakt (zoals Friedman die heeft gemaakt): niet te zeggen dat zijn door iedereen zo bewonderde boek geschreven werd door wie hij werkelijk was: geen kampslachtoffer. Zou hij in dat geval ook maar één literaire prijs hebben gekregen?
    Nogmaals, ik heb het stuk van De Roder nog niet gelezen, maar bij dit soort kwesties moet je ook altijd in het oog houden dat ‘de markt’ geilt op holocaustslachtoffers, en dat men voor minder in de verleiding kan komen zich als zodanig voor te doen. Zoals, omgekeerd, volstrekte nontalenten als Jessica Durlacher alleen maar een succes zijn vanwege de kampervaringen van hun ouders. Men moet de blaam daar leggen, waar zij thuishoort – en dat is niet altijd bij de auteur die poogt een ervaringswerkelijkheid te scheppen die niet per se voortkomt uit zijn eigen herinneringen.

  • Pin it!

    Perdu

    Nooit word ik een reiziger.
    Vrijdag besloot ik nu eens niet per auto naar Amsterdam te rijden om bij Perdu mijn aandeel te leveren aan het programma ‘Randwandelingen’, maar per trein. Ik had gemeld dat ik dus in Amsterdam zou blijven overnachten, iets wat ik ook ooit, één keer, heb gedaan toen ik in de redactie van De Gids zat, ook al werd mij na iedere vergadering destijds een gratis overnachting aangeboden – altijd in hotel ‘De Filosoof’. Daar was ook dit keer, maar nu door DW&B, voor mij geboekt. En alweer sliep ik er hondsberoerd en wenste ik dat ik dezelfde nacht nog per auto terug had kunnen rijden met, het liefst, een praatprogramma op de radio. Mij is het altijd net alsof ik op hotelkamers door De Dood zelf wordt bezocht, niet zozeer om me mee te nemen, maar om me in het door hem verspreide Niets gezelschap te houden met een reeks eindeloze negaties. Op hotelkamers kan ik me dan ook altijd levendig voorstellen dat ik er nooit meer uit geraak en tot in lengte van dagen op een vreemd bed lig te wachten tot het ochtend wordt.
    De middag en avond daarvoor gaven geen aanleiding voor slechte nachtrust. Eerst afgesproken met HB in De Balie en later met hem nog gegeten; onder andere nog maar eens gesproken over ouderdom, die overigens op hem nog geen vat lijkt te hebben: men houdt hem gemakkelijk voor een jonge veertiger en op straat zette hij er zozeer de pas in dat ik al snel huppeltjes moest maken om hem bij te benen. Daarna het programma in Perdu, waarbij ik de enige was die zijn voordracht niet vergezeld van lichtbeelden, geluidsbanden of duistere rituele handelingen presenteerde. Ik vertrouwde op wat ik geschreven had en op hoe dat zou kunnen klinken (waarmee ik niets ten nadele wil zeggen over hen die wel filmbeelden en foto’s gebruikten). Men kon in die paar minuten tenminste de ogen even sluiten – wat dan ook prompt iemand gedaan had, zoals zij me nadien toevertrouwde. Iemand anders zei dan weer dat ik altijd teksten schreef die hij vooral hóórde – wat ik maar als een compliment opvatte, want ik schrijf ze inderdaad om ze vooral te laten horen (ook al komt dat er bijna nooit van). In de tekst die ik voor de huidige DW&B schreef, staat daarom in ieder geval één zin die niet goed is doorgedacht, zo merkte ik tijdens het lezen. Het gaat daarbij overigens niet om de lengte van de zin, of om de vraag of er ingebedde bijzinnen, terzijdes en wat niet al in voorkomen, maar om ritme en melodie. Ik geloof dat mijn poëzie zich allang in mijn proza heeft verscholen (al lukt het me niet haar er weer uit los te maken, merk ik).
    Dat proza voor mij niet alleen maar meedelen is, maar wel degelijk meedelen in een bepaalde vorm (en door die vorm), leidde destijds tot enige consternatie bij Meulenhoff, waar men sommige zinnen in Touchdown wat merkwaardig vond, ze dan maar had gecorrigeerd in de proef en vervolgens aan de telefoon hing omdat ik ze weer had terugveranderd. Om dezelfde reden kan ik soms naar een geschreven bladzijde zitten kijken met het gevoel dat er ‘iets’ niet klopt, totdat ik een ogenschijnlijk miniem woordje verander, vervang, schrap – een operatie die aan de betekenis van het geheel niets of nauwelijks iets verandert, ogenschijnlijk dan toch. Proza schrijven is voor mij eerder verwant met het componeren van muziek (zoals ik me dat voorstel) dan met het verkondigen van waarheden. Proza lezen is dan eerder luisteren naar het hoe dan naar het wat. Eén van de redenen waarom ik de zo fel gesmaakte boeken van de ‘vertellers’ maar niet kan lezen, is omdat ik hun pagina’s vaak zo ontstellend saai vind, zo nietsig, dat het eventuele verhaal me op voorhand al niet meer interesseert. En nu bedoel ik ook weer niet dat iedereen zo uit moet pakken als bijvoorbeeld een Bruno Schulz (dat is op den duur ook nogal vermoeiend), of proza moet schrijven dat vroeger wel ‘dichterlijk’ heette te zijn (Roland Holst, bijvoorbeeld), of terug moet keren naar een soort Tachtigers-jargon en sensitivistische gedrochten moet voortbrengen als die van Van Deyssel destijds (slecht Vlaams proza heeft soms die neiging, misschien omdat de Nieuwe Zakelijkheid hier nauwelijks voet aan de grond heeft gekregen?). Maar proza verdraagt evenmin als poëzie willekeur.
    Han van der Vegt zei tegen me dat hij mijn bijdrage vol van melancholie vond, keek door zijn moderne bril naar iets achter of boven mij, of in een oneindige voor niemand zichtbare verte, en voegde er toen langzaam en peinzend aan toe: ‘Dat schijnt een verworvenheid te zijn’ – waarop ik in de lach schoot, want ja, Van der Vegt en melancholie, dat ligt een eind uit elkaar.
    Later op de avond in Perdu nog aan de bar gezeten met La Van Daalen, en haar goedmoedig uitgescholden omdat ze tijdens haar op ‘vodou’-rituelen gebaseerde voordracht kostbare rum op de grond had gegooid, en een sigaar had geofferd. ‘Kijk, had je dat nu daar stande pede opgedronken, ik zou het begrepen hebben,’ zei ik, ‘maar op de grond gooien, plengen, jezus Maria, dat moet toch écht verboden worden, vind ik.’ Godezijdank dronk ze aan de bar wel alles gewoon op – in een overigens schrikbarend tempo, zodat contact met de boven- of onderwereld alsnog tot stand leek te komen en er uiteindelijk een taxi gebeld moest worden. Intussen had iemand anders zich meester gemaakt van de sigaar en stond die met zichtbaar genoegen op te roken. Met Maria sprak ik verder nog af dat ik haar binnenkort een advocaat op haar dak ga sturen vanwege het feit dat ze van zins is om de complete correspondentie die ik met haar in de jaren tachtig voerde aan het Letterkundig Museum over te maken. Nu denk ik persoonlijk niet dat men daar bij al dat papier een gat in de lucht springt (van zulke ‘beroemdheden’, immers!), maar buiten dat: ik wens niet in musea te liggen, en dat had ik haar al eens eerder gezegd. Ik heb die dingen niet ‘voor het nageslacht’ geschreven. Maria was echter vastbesloten, zodat me nu wellicht niets anders overblijft dan me dan toch wat in die ‘vodou’ te verdiepen, rum te plengen, sigaren te offeren en vervolgens in een popje met haar naam met kracht enige spelden te steken. Een advocaat is immers niet te betalen...
    Daarna had ik dus per auto naar huis moeten rijden, nog even twee uur door een inktzwarte nacht. Maar er wachtte een hotel. Was het omdat ik in de Egyptische kamer lag, met op het plafond geschilderd: de binnenkant van een taps toelopende piramide?