• Pin it!

    Dwars

    De hele dag aan het werk geweest met de correctie van alle teksten voor de komende yang – een verdomd boeiend nummer over ‘Arbeid’ gaat het worden, met zowaar een bijdrage van Friedrich Engels en één van Bertrand Russell en nog het nodige waarover ik het later nog wel eens zal hebben (bijvoorbeeld over onze writer-in-residence Nick J. Swarth, een al jaren in de onderbuik van Tilburg fantastische teksten producerende auteur van wie yang al menige tekst bracht. Geen uitgever die hem oppikt – behalve IJzer, die zijn nogal wilde De napalmsessies op dvd uitgaf – al heb ik de indruk dat hij zelf ook niet al te actief zoekt. Sinds ik zijn werk enigszins ken, is Tilburg X-burg voor mij, en hangt het er vol spinnen – zie zijn Spinnenverdriet in Yang 2002, nummer 3 [staat vanwege copyright niet op de website, helaas, maar u kunt natuurlijk bestellen]).
    Er is ons in dit nummer nog meer eigenaardigs toegevallen – zo noem ik de dingen die we onverwachts in onze postbus aantreffen; daarin belandt zo heel af en toe naast uitgebreide verhandelingen in proza of poëzie over scheidingsleed, alcoholproblemen, zelfmoordneigingen, en naast op zweverig-esthetische, hevig geroerde toon gestelde ontboezemingen over wat de natuur ons zoal aan schoons te bieden heeft – bijdragen waarin de boodschap vaak duizendmaal belangrijker lijkt dan de vorm waarin die tot ons komt (en een boodschap krijgt pas door de vorm enig belang) –, zo heel af en toe belandt in onze postbus een pareltje, dat wij vervolgens natuurlijk ijverig opwrijven, en waarbij we soms het hijgerige krijgen van journalisten op zoek naar een scoop, want ‘heeft hij/zij al ergens gepubliceerd? Nee? Nee?’ Ditkeer zullen we het moeten doen met iemand die al veel publiceerde, zij het nog niet zoveel in het Nederlands: Gwenaëlle Stubbe – gij zult dat alles wel zien.
    Intussen verscheen gisteren in DMB het stukje dat ik maakte voor links/rechts, en meteen vond ik in mijn postvakje emails van generatiegenoten die het roerend met mij eens waren, ook al speet hen dat zeer. ‘Van nature rechts?’ heette het:

    Over ‘ouder worden’ kan men de laatste tijd flink wat lezen; er zijn speciale tijdschriften voor vijftig plussers verschenen, waarin artikelen over het voorkomen van hart- en vaatziekten en over het leven mét hart- en vaatziekten afgedrukt staan naast fleurige portretten van vijftig- en zestigjarigen die nog steeds de honderd meter onder de vijftien seconden lopen, die fietsen, wandelen, op dansles zitten, en al dan niet met looprek, hun dagen maar niet zat worden, om het eens bijbels te zeggen. Voor iemand op middelbare leeftijd schetsen die bladen een weinig aantrekkelijk perspectief. Dat men van zijn veertigste tot vijftigste nog wat aan sport doet om een laatste protest aan te tekenen tegen het verval, dat menigeen (vooral mannen) in die leeftijdscategorie voor de zoveelste keer in een mensenleven nog maar weer eens terugvalt in puberale neigingen – denk aan Manchild van de BBC – het zij de middelbaren (het zij mij) vergeven. Maar de gedachte dat ik ook na mijn vijftigste nog een Tour de France moet rijden, of dan toch ten minste zou moeten wíllen rijden, dat ik, al dan niet met behulp van vitaminecomplexen en anti-griepspuitjes, finaal vitaal moet willen zijn – het leidt tot een letale vermoeidheid op voorhand. Men mag niet defaitistisch worden, maar al die inspanning haalt ook niets uit. Ons nationale fietsenrek Guy Verhofstadt heeft ondanks fanatiek pedaleren nu toch ook hartklachten. Al die fitheid blijkt op den duur levensgevaarlijk te zijn.
    Anderzijds, het perspectief dat de Oostenrijkse essayist Jean Améry ooit schetste in zijn boekje
    Über das Altern (over het ouderworden; uit 1968) is ook maar weinig aantrekkelijk. Hij voorspelt bijvoorbeeld dat er een dag komt waarop men in de spiegel kijkt en zich met schrik om het hart afvraagt: wie in godsnaam is dát? Het doorgroefde, grauwe, wie weet zelfs plotsklaps gevlekte gelaat dat je daar aanstaart lijkt in niets meer op het beeld dat je van jezelf hebt, een beeld dat behoort bij een bepaalde leeftijd tussen jong en oud in. Wie oud wordt, wordt zichzelf vreemd, stelt Améry, en dat is nog maar het begin. Want in het verlengde daarvan wordt ook de wereld vreemd. Wie jong is projecteert zich in de wereld; wie ouder wordt, merkt dat hij steeds minder wereld tot zijn beschikking heeft. Steeds minder wereld, steeds meer aandacht opeisend lichaam. Totdat er op een fatale dag die men zelf niet meer meemaakt geen wereld meer over is en men volledig lichaam is geworden. De rest van de wereld noemt dat dan onbarmhartig, maar terecht: een lijk.
    Améry, die men onmogelijk een zonnig karakter kon toedichten, beschrijft één en ander als onontkoombaar – niet als visie, maar als feit – en na lezing van zijn boekje heeft men dan ook dringend behoefte aan enig zelfbedrog. Men wil de hoeveelheid wereld die men nog tot zijn beschikking heeft met grote passen nameten, om tot geen andere conclusie te komen dan dat het allemaal nog dik meevalt. Ook dat kan voor de gezondheid fatale gevolgen hebben, want de schrik slaat je om het hart. Daarbij gaat het nog niet eens om wat men zelf nog aan (adem)ruimte meent te hebben, maar om de ruimte die de rest van de veranderde wereld je nog laat.
    Zo bevreemdt het mij zeer dat de VLD* een jongerenafdeling heeft (waarbij ik vergeet dat een aantal kopstukken ongeveer van mijn leeftijd is). Dat er in Keulen duizenden en duizenden snotneuzen een aftands en affreus instituut als de paus stonden te bejubelen. Dat homoseksualiteit voor sommigen, wie weet zelfs voor velen blijkbaar nog een issue is. Dat vrouwen nog steeds minder verdienen dan mannen. Dat de alternatieven voor de geregelde vormen van samenleven die geregelde vormen inmiddels niet hebben verdrongen maar integendeel vooral lijken na te bootsen (een samenlevingscontract is een huwelijk zonder bruiloft). Dat mijn generatiegenoten zo verschrikkelijk beginnen te lijken op de ouders die ze, samen met mij, ooit verketterden. Dat bezit, geld, carrière, voor velen zo belangrijk is geworden dat men met het grootste gemak vroegere principes terzijde schuift. Dat mensen van mijn generatie zo verdomde rechts geworden zijn, terwijl de nieuwe generatie me bepaald niet links lijkt, maar eerder pragmatisch (wat weinig hoop biedt op een andere, laat staan een betere wereld).
    De grootste schrik is dat dit precies het soort klap is van een oudere meneer die meent dat het vroeger allemaal beter was. Of dat dit soort overwegingen een soort Simon Vinkenoog van je maken: een geheel verkreukeld, kromgetrokken heerschap met puberpraat en een Peter Pan-complex. ‘Papa is blijven steken in de sixties,’ zoals een lied uit, ik meen eind jaren zeventig het verwoordde.
    Men kan nu geheel fatalistisch worden en napraten wat filosofen al enige tijd beweren: dat onze identiteit geenszins ons eigenste eigendom is, maar door de traditie, de cultuur, wordt samengesteld. Dat, met andere woorden, mijn vooruitstrevendheid een kwestie van tijdgeest is geweest, of erger nog: een modeverschijnsel. Want dat mijn linksigheid niet per se door de puberteit werd gestuurd, bewijzen immers de huidige pragmatische pubers.
    Misschien is linksheid een aberratie en is de mens van nature rechts, of dan toch behoudend? Mensen houden niet van verandering, zo leert ook mijn ervaring. Ik vertoef immers zelf graag in die wereld waarin de emancipatie van de vrouw gelijke tred houdt met die van de man en er enkel nog, overigens altijd noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden uitgevoerd hoeven te worden; in een wereld waarin mijn homoseksuele vrienden zonder vrees hand in hand met hun geliefden door welke wijk van welke stad of welk dorp dan ook maar kunnen lopen; een wereld die beseft dat ecologie en economie niet aan elkaar tegengesteld zijn; een wereld die niet gelooft in het hiernamaals, maar hoogstens in het verhaal daarover, zoals Jonathan Safran Foer het in
    Extreem luid & ongelooflijk dichtbij zo mooi omschrijft – kortom: ik koester mij in wat meer en meer een fictie lijkt te zijn op dezelfde manier als de ouderwordende mens in de spiegel een beeld van zichzelf ziet dat als zodanig al niet meer overeenkomt met wat anderen zien. Van iemand die de wereld wilde veranderen, veranderde ikzelf in iemand die een wereld wil behouden, daarin gesteund door nog slechts enkele generatiegenoten met dezelfde behoudende instelling als ik.
    Eén troost: voor zover er mij nog wereld gelaten is om mijzelf in te projecteren, zal ik de mij toebemeten ruimte gebruiken om op mijn beurt – want het gebeurde al veel vaker – als neo-oerconservatief mijn versie van de Bezwaren Tegen De Geest Der Tijd kenbaar te maken. Dat men in bejaardentehuizen de borst alvast nat maakt.
    [*= voor de Hollanders: VLD = VVD]

    Het was een beetje een zondagmiddagstukje, omdat het mijn beurt was in de reeks en er achter mijn naam nog geen onderwerp stond (de volgende keer ga ik schrijven over een heuse katholieke mis...) – in die zin stond het ook vlot op papier. En dat men in de bejaardentehuizen maar alvast de borst nat moet maken, is zelfs genetisch bepaald. Mijn goede oude grootvader (1891-1987) was een socialist van het eerste uur, ging vroeger nog met de kalkemmer de straat op om leuzen te schilderen tegen het kapitalisme, en bleef tot op zeer hoge leeftijd, ondanks een zeer zachtmoedig karakter, een dwarskop. Toen men bijvoorbeeld zijn bejaardentehuis wilde verbouwen – van drie kamertjes twee kamers met elk een eigen badkamer wilde maken – stelde hij als voorzitter van de bewonerscommissie droogweg zijn veto. Zelf had hij nog maar één been, en ook de rest van de bewoners bestond uit een ‘stel stumpers’ als hijzelf, meende hij (niet ten onrechte), en geen van hen kon ook maar iets beginnen met een eigen badkamer. De verbouwing is in ieder geval afgeblazen tot nadat hij overleden was.
    Hoe dan ook, om mijzelf te wapen,en tegen het met een zekere leeftijd verbonden cynisme, schafte ik me Change the World Without Taking Power van John Holloway aan, en las er ter hartversterking vanochtend een paar hoofdstukken uit. Dat viel aanvankelijk niet mee, omdat de eerste reflex precies die is die Holloway zelf beschrijft: ‘Change the world without taking power? Ha! Ha! Very funny’ – maar daarop volgt dan toch een hoofdstuk waarin hij uitlegt dat ‘the apparent impossibility of revolution at the beginning of the twenty-first century (...) in reality [reflects] the historical failure of a particular concept of revolution, the concept that identified revolution with control of the state.’ Dat leidt, zegt hij, tot het volgende:
    What starts as a scream of protest against power, against the dehumanisation of people, against the treatment of humans as means rather than ends, becomes converted into its opposite, into the assumption of the logic, habits and discourse of power into the very heart of the struggle against power.
    Uiteraard dreigt dit boek op iedere pagina wat zweverig te worden, maar tegelijkertijd intrigeert me deze poging los te komen van een logica die me vaak cynisme voor realisme doet houden.

  • Pin it!

    Damage-control

    Er bereiken mij nu van her en der mails aangaande mijn opmerkingen over de sollicitatie bij het Nederlands Fonds; sommigen melden geshockeerd te zijn; anderen bespeuren wrevel; en men vraagt zich af of ik iets tegen Tatjana Daan heb.
    Om met dat laatste te beginnen: geen kwaad woord over Tatjana Daan, die ik zolang ik haar ken (en ik ken haar al lang) altijd zeer heb geapprecieerd en absoluut competent acht. Ik bedoelde alleen maar te zeggen dat mij werd gesuggereerd dat T.D. dit jobje er eventjes bij zou doen; ik heb geen idee of T.D. dat zelf ook zo ziet, en ik hoop het eerlijk gezegd niet.
    Geshockeerd zijn door zoiets lijkt me ook niet nodig; die dingen werken zo, en dat was ook één van de redenen om er melding van te maken: zo werkt het in de literaire wereld. Het is ontzettend mensenwerk, allemaal. Ik wil (alweer) zeggen: geen reden voor de Kregting-reflex, al moeten degenen die geschokt zijn nu toch echt zijn boekje wel eens gaan lezen.
    Wrevel ten slotte – men moet eerlijk zijn: lichte teleurstelling, omdat ik graag buiten elke polemische sfeer om me eens gebogen had over de huidige poëzieproductie. Ik ben nu eenmaal ook nog een gediplomeerd literatuurwetenschapper en daarbij nieuwsgierig naar ontwikkelingen die ik niet ken. Uiteraard – dat zou ik zeker niet willen beweren – kan men ook met die houding nooit de volledige neutraliteit betrachten (zie Jeroen Mettes), en ik heb ooit al eens Hans Groenewegens Schuimen langs de vloedlijn bekritiseerd in yang (2002, nr. 4) vanwege juist die fictie van neutraliteit die hij daar hoog houdt; maar er zijn daarin allerlei gradaties en nuances – en men moet toegeven dat lezen zoals Groenewegen dat doet uiteindelijk het nodige oplevert, in sommige (zij het dan zeker weer niet alle) gevallen meer dan de in stekelig discours verpakte lezingen van het werk van anderen door Van Bastelaere.
    Enfin, dit alles bij wijze van damage control, want ja, de literatuur is heel gezellig, en juist daardoor kan het plotsklaps heel onaangenaam worden. Misschien is het nog het beste om te zeggen dat de gezellige literatuur ieder moment kan ontaarden in een variant op Thomas Vinterbergs Festen.

  • Pin it!

    Literatuur is gezellig

    Gisteren in hoog gezelschap vertoefd te Vollezele – één van de residentiehuizen van Het Beschrijf: directeuren van de beide Letterenfondsen in de lage landen, minister van cultuur die een duidelijk door anderen geschreven tekst voorlas en, ocharme, de naam van Derrida die door één van zijn kabinetsmedewerkers in de tekst gemoffeld was per abuis uit zijn mond liet rollen als ‘Dèr-ríé-da’. Hij voelde er zich duidelijk wat ongemakkelijk bij, omdat het stuk zo totaal niet in de stijl was die hij zelf hanteert wanneer hij het over cultuur heeft. Overigens was de naam van ‘Dèr-ríé-da’ op die plek ook lichtelijk misplaatst – een halve bijzin over Brussel als één van de door ‘Dèr-ríé-da’ in zijn De l’hospitalité genoemde ‘vluchtsteden’. Dat had nu werkelijk niet zo heel veel te doen met de riante huisvesting van en kloosterachtige functie die de residentie in Vollezele vervult. De auteurs die daar nu zitten – op wellicht Choman Hardi na, hoewel ook die een voorbeeld is van een inmiddels volledig geïntegreerde vluchtelinge – zijn maar met moeite vluchtelingen te noemen, of ballingen. Eva Gerlach? Richard Powers?
    Pers was er ook – zodat ik Gudrun de Geyter nog wat heb zitten dollen door steeds maar te roepen dat ze iets aan yang moest doen bij Klara – en toen ik van Piet J. vernam (in functie als medewerker van de residentiewerking van Het Beschrijf) dat hij met G. nog graag een eerder mislukt stukje interview over zou doen, stelde ik dat ik dan zélf wel op de achtergrond Flauberts papegaai zou nabootsen, en continu ‘lees yang! lees yang!’ zou roepen – wat G. niet goed vond natuurlijk. Verder nog goedmoedig zitten mopperen op weer een andere medewerker van weer een andere instantie, die vertalingen had gemaakt van een L=a=n=g=u=a=g=e-dichter, maar ze niet naar yang wilde sturen uit vrees dat zijn werkgever dat niet koosjer zou vinden. ‘Je mag dus in je vrije tijd niet vertalen?’ vroeg ik hem, en opperde dat we al bij al niet ver meer van een Culturele Revolutie naar oud-chinees model leken te zitten.
    Ook weinig verbaasd te vernemen dat een door mij ergens in het voorjaar verstuurde sollicitatie naar het Nederlands Fonds om zitting te nemen in de Adviesraad voor poëzie, uiteindelijk niet is gehonoreeerd. Eerst kreeg ik al een briefje dat ik de enige kandidaat was, en dat vond men wat aan de magere kant. Men ging nog wat verder zoeken. Dat begreep ik. Natuurlijk. Uiteindelijk vond men (het lijkt wel: met pijn en moeite, maar dat weet ik natuurlijk niet precies), helemaal in Zuid-Frankrijk Tatjana Daan – en die droeg men dan maar voor. Die wilde het wel doen want ze had toevallig ook nog wat andere klusjes in Nederland, zo werd mij uitgelegd door de bevoegde persoon. Niet om mijzelf nu op de borst te kloppen, maar ik solliciteerde omdat ik poëzie belangrijk blijf vinden, en er na in 2004 weer eens de hele jaarproductie gelezen te hebben, goede zin in had ook de volgende jaren alle bundels helemaal te lezen en de diverse adviezen van de professionele lezers bij elkaar te brengen in een goed afgewogen advies naar het fondsbestuur toe. Voor mij was het niet iets wat ik er wel even ‘bij’ zou doen, omdat ik toevallig in Amsterdam of elders nog wat andere ‘klusjes’ had ook.
    Dit klinkt verongelijkt, maar het verbaast me werkelijk niet. Ik heb nu eenmaal nooit behoord tot de inner-circle van beleidsmakers, programma-samenstellers of andere Amsterdamse kringen – en daarbij sta ik waarschijnlijk bekend als ‘lastig’ en ‘kritisch’ (hoewel men dat bij het Fonds wel beter weet; een advies over een werkbeurs is iets heel anders dan een recensie (of, for that matter, als een jurylidmaatschap), en ik heb heel wat adviezen geschreven). Ook hier gelden weer de regels van de sociale omgangsvormen, en ik heb me daaraan in het verleden, vrees ik, niet al te goed gehouden (al was het maar omdat ik tijdenlang in – godbetert - Groningen bleef wonen; waarom kwam ik toch niet naar Amsterdam?) Dus kiest men liever voor Tatjana, die na haar activiteiten in Perdu en haar directeurschap van Poetry International een goede bekende genoemd mag worden – ook al lopen haar reiskosten dan nog hoger op dan die van mij gedaan zouden hebben. Ik hoop alleen dat Tatjana tijdig inziet dat het niet ‘een klusje’ is; haar voorganger las werkelijk alle bundels mee en bemoeide zich op grond van kennis van zaken met de uiteindelijke rapportage. Het gaat om de poëzie, uiteindelijk.
    Intussen, een dag als gisteren: eigenlijk is dát hedendaagse literatuur in optima forma: een sociaal gebeuren dat je zozeer in beslag neemt dat er eigenlijk geen tijd blijft om ook nog maar één boek te lezen. Wij waren uiteraard in onze sas – later nog in Passa Porta bij de officiële opening van de daar gevestigde boekhandel -, want kijk eens: gratis liflafjes, gratis rode wijn, gratis champagne, zodat alras een duizelingwekkend gevoel van gemeenzaamheid de overhand kreeg.

  • Pin it!

    Literatuur en relevantie (bis)

    Jeroen T. mailt me met wat vragen omtrent mijn opmerkingen over Foer (hieronder), en ik realiseer me dat ik geen wonder van duidelijkheid ben geweest. Dat de maatschappelijke relevantie van literatuur schuilt in het feit dat ze de lezer op ieder gebied naar die relevantie laat zoeken – ik geef toe dat het op boerenbedrog lijkt. Het definieert literatuur nog maar weer eens als datgene wat buiten elke in de cultuur voorhanden betekenismogelijkheid ligt, en als zodanig is het dan ook behoorlijk nietszeggend. Het is ook zeker niet wat er bedoeld wordt wanneer het over de maatschappelijke relevantie van literatuur gaat. Daarmee doelt men wel degelijk op iets wat in onze cultuur voorhanden is; het klinkt wat tautologisch, maar men doelt daarmee op datgene wat in onze cultuur maatschappelijk relevant genoemd wordt. Of het vervolgens ook relevant is, daar valt eindeloos over te discussiëren, maar in geen geval wordt die relevantie gezocht in het feit dat een bepaalde tekst je dwingt naar relevantie te zoeken.
    Het gaat er uiteindelijk om dat een literaire tekst om maatschappelijk relevant genoemd te worden, de mogelijkheid moet bieden tot een interpretatie in die zin. Dat een Rushdie zo de nadruk legt op de meer literaire kanten van zijn Shalimar... is in het licht van de bijna automatisch reducerende lezing van zijn werk begrijpelijk. Sinds Khomeini’s fatwa moet hij steeds uitleggen dat zijn boeken daar niet over gaan, of niet per se. Om dezelfde reden werd ik voor de Val van de Muur altijd wat kregel van de al te simplificerende lezing van het werk van Oost-Europese schrijvers, of vond ik het later ronduit idioot dat het werk van Grunberg altijd maar weer in het verlengde van de holocaust werd gelezen. Op die manier werd aan de literaire tekst een kader opgelegd dat weliswaar voor een deel op die teksten gelegd kon worden, maar tegelijkertijd een zeer groot deel van de complexiteit en rijkdom van die teksten onzichtbaar maakte. Het is een beetje hetzelfde als bij de bespreking van een dichtbundel uitgaan van een poëtica die zus-of-zo in elkaar zou zitten, of die-en-die kenmerken zou hebben. Het is een tijdlang in de Nederlandse poëziekritiek de gewoonte geweest om de poëtica vóór de poëzie te schuiven (reden waarom ik bijvoorbeeld ooit in De groene over Kouwenaar een langer stuk schreef met de titel: ‘De dichter is geen ding’, en waarom ik me altijd verzet heb tegen de gedachte dat zijn werk met het klimmen der jaren allengs ‘anekdotischer’ geworden zou zijn – flagrante nonsens (het was nooit niet-anekdotisch, zoals het ook vandaag de dag nog steeds uitermate ‘talig’, of zo men wil: autonomistisch, is gebleven)). Overigens vind ik de koudwatervrees van amateur-dichters voor poëticale reflecties weer van een ander, nogal kortzichtig uiterste, maar dit terzijde.
    Ik vermoed – want ik las het nog niet – dat Rusdie’s nieuwe roman inderdaad ruimschoots de mogelijkheid biedt tot een (ten opzichte van de literaire complexiteit van de tekst zelf) reducerende lezing waarin de roman het moslimterrorisme aan de kaak stelt. Op dezelfde manier laat Foers roman zich begrijpen als 9/11-literatuur. In beide gevallen wordt de roman verbonden met bepaalde voorvallen in onze huidige samenleving. Je kunt in de literatuurgeschiedenis nog talloze romans vinden die op dezelfde manier verbonden waren met voorvallen die de meesten van ons nu niet meer kennen, terwijl ze als roman overleven. Enerzijds omdat ze niet van het voorval afhankelijk zijn (zoals Foers roman dat niet is), anderzijds omdat ze in het refereren aan dat voorval de mogelijkheid in zich dragen tot een meer actualiserende lezing. Dat laatste is in hoge mate afhankelijk van de bereidheid van de lezer om daartoe over te gaan. Als ik dat bij mezelf naga, dan merk ik dat ik altijd de neiging heb gehad om de meest voor de hand liggende lezing weliswaar te signaleren, maar er een wat minder voor de hand liggende aan toe te voegen. Of misschien moet ik zeggen dat die meer actualiserende lezing een vorm van inlijven is: als reflectie op de roman tegelijkertijd projectie van de lezer – niet van hyperpersoonlijke problemen en gevoelens, maar van de objectiveringen daarvan in zoiets als een persoonlijke visie. In onderstaande recensie, die ik schreef in 1995, wordt wat de meeste lezers zullen begrijpen als kampliteratuur, door mij in het licht geplaatst van een kwestie die me toen erg bezig hield: afkeer van het al te Hollandse ‘postmodernisme’ – eigenlijk niets anders dan ‘anything goes’ en daarin totaal verschillend van wat er hier in Vlaanderen voor doorging (het is, om dat nog eens scherp te stellen, Zwagerman tegenover Van Bastelaere). En dat het boek daarnaast nog relevant leek in verband met de Balkanoorlog verrast (en verschrikt) me vandaag de dag zelf nogal.

    EEN KAMELEON IN AUSCHWITZ
    over: Alexander Tisma,
    De kapo. Vert. Reina Dokter. (Meulenhoff)

    Het was in Abel Herzbergs
    Amor fati, een in 1946 verschenen bundel opstellen over Bergen Belsen, dat ik een stuk las over de figuur van ‘de kapo’, dat me altijd bij is gebleven. Niet letterlijk natuurlijk, maar wel de toon. De toon waarop Herzberg over de kapo sprak, over de gevangene die niet alleen heulde met de kampbewaarders maar die zelfs bereid was medegevangenen te mishandelen of te doden als hem dit werd opgedragen – de toon waarop Herzberg over deze kapo's sprak was er één van totale verachting.
    Een kapo, zo begreep ik, was in feite nog erger dan een SS-er.
    En toch, zo heb ik zelf vaak gedacht, ik kan me de houding van zo'n kapo op een bepaalde manier wel voorstellen. Op een bepaalde manier, inderdaad, want voor mij is de kapo niet iemand met een gezicht, iemand van vlees en bloed (zoals voor Herzberg en al die anderen wel het geval was), maar een ‘verschijnsel’ dat zich voordeed in de concentratiekampen van Nazi-Duitsland. De kapo roept bij mij hopeloos abstracte, morele vragen op, niet pijnlijk concrete stokslagen en bedreigingen. En juist die abstractie maakt dat ik bereid ben om voor zijn gedrag verklaringen te zoeken, waar Herzberg en al die anderen niet geneigd, of zelfs niet eens in staat waren zulks te doen.
    Waar komen die verklaringen van mij op neer? Op een soort excuses, vrees ik; op degedachte dat een kapo toch ook vooral slachtoffer was, dat hij de rol van beul niet ‘uitovertuiging of behoefte’ speelde, maar dat hij was ‘verijsd in de wanhoop dat hij het er alleen op deze manier levend af kon brengen’. Kortom, mijn verklaringen komen erg dicht in de buurt van hetgeen Vilko Lamian, de hoofdpersoon van Aleksandar Tisma's roman
    De kapo aanvoert om zijn eigen gedrag in Auschwitz te verklaren.
    ‘Hij sloeg zichzelf als hij anderen sloeg,’ zo staat er in de roman, ‘met de tanden op elkaar en met dichtgeknepen ogen, er in zijn binnenste om smekend dat hij zo snel mogelijk de genadeslag zou geven, het lijden zou bekorten, de lijdenden zo snel mogelijk, vlugger in een toestand van niet-voelen, niet-lijden zou brengen.’
    Nu is dit, ook in mijn naoorlogse ogen, een wel heel schaamteloze manier om het slaan en doden van medegevangenen te verklaren. Immers, Vilko's in opdracht van een kampcommandant uitgevoerde onmenselijke daden worden hier door hemzelf in een vals humaan schemerlicht geplaatst: niet alleen doet hij het voorkomen dat hij zíjn slachtoffers juist uit hun lijden verloste (in plaats van toe te geven dat hij één van de belangrijke oorzaken van dat lijden is), maar bovendien maakt hij van zichzelf een martelaar: het slachtoffer bij uitstek.
    Nu lijdt Lamian inderdaad, en je kunt dat lijden het beste samenvatten door te stellen dat hij het sterkste verlangt naar wat hij het meeste vreest: ontdekt, ontmaskerd te worden als ‘Kapo Furfa’, de naam die hij in Auschwitz droeg. Hij zoekt vergiffenis voor een schuld die ‘te veel voor één hoofd, voor één geweten’ is, maar tegelijkertijd is zijn schuld zo groot dat zij koste wat kost verzwegen moet worden.Lamians schuld is groter dan die van de kapo, dan die van het slachtoffer dat de beulskap opzet om te overleven. Lamian is in het kamp op een zeker moment beulgeworden zonder zelf nog slachtoffer te zijn, d.w.z. zonder van zijn kampcommandant opdracht te hebben gekregen te doen wat hij deed: het verkrachten van vrouwelijke medegevangenen. Hij beseft zelf dat hij op dat moment geen kapo meer was, maar zelf een SS-er.
    Deze laatste, in feite ondubbelzinnige schuld, is alleen te delgen wanneer hij Helena Lifka vindt, de enige van de door hem verkrachte vrouwen die het kamp overleefde. Dat is de reden waarom
    De kapo de vorm heeft aangenomen van een zoektocht naar deze Helena. En uit het feit dat Lamian, als hij Helena's adres heeft achterhaald, geconfronteerd wordt met het bericht dat zij enige maanden daarvoor aan kanker overleden is, zou je zelfs kunnen concluderen dat Tisma hier een moralistische boodschap verkondigt: Lamian krijgt geen vergeving voor het absoluut onvergefelijke.
    Nu geloof ik inderdaad dat Tisma hier een ethische kwestie aan de orde stelt, maar die is niet alleen maar verbonden met de beul/slachtofferproblematiek uit de concentratiekampen. Veeleer is die problematiek zelf een metafoor voor hetgeen Tisma werkelijk aan de orde wil stellen (en in romans als
    Het gebruik van de mens (1976) en Argwaan en vertrouwen (1983) ook al aan de orde stelde).
    Als je Lamian namelijk zou moeten karakteriseren dan is hij het voorbeeld van eenontwortelde: iemand die geen eigen identiteit meer heeft en zich bij gebrek aan eendergelijke toetssteen telkens volledig aanpast aan zijn omgeving, een kameleon wordt. De uiterste consequentie van een dergelijke houding is de kapo, zo lijkt Tisma te willen zeggen; in ieder geval, iemand die bereid is te handelen op gezag van anderen en zelfs volledig met die anderen gaat samenvallen, zich ermee identificeert.Daarmee wordt Vilko Lamian óók de kameleontische, postmoderne mens die moeiteloos de kleur aanneemt van iedere rood aangelopen schreeuwlelijk die beweert de waarheid in pacht te hebben. Of dat nu de ‘waarheid’ van het fascisme is, zoals in dit boek, of de nationalistische leuzen van Serviërs en Kroaten in het voormalig Joegoslavië – het land waarin dit boek speelt, het land ook waar Tisma vandaan komt.
    Niet dat
    De kapo ‘eigenlijk’ over de huidige burgeroorlog gaat (het boek werd in 1987 geschreven); maar het gaat om de schuld die een ieder heeft wanneer hij ophoudt een rechtvaardiging te zoeken voor zijn eigen, individuele bestaan en de invulling van zijn identiteit overlaat aan anderen. Die schuld heeft in dit boek een even krachtige als beklemmende vorm gekregen, waarbij de verachting die men vaak voor Lamian voelt een persoonlijk probleem kan worden zodra men zich realiseert hoeveel men soms op hem lijkt. Nee, niet in zijn wandaden natuurlijk, maar in wat daaraan ten grondslag ligt: zijn kameleontische natuur.

    Oeioeioei, denk ik, als ik nu zoiets lees: De Balkanoorlog toeschrijven aan het postmodernisme – dat gaat wel heel erg ver, zeker als je het vanuit de Vlaamse context bekijkt. Mijn enige excuus was het verzet tegen het ‘anything goes’, dat weliswaar een lezing van Tisma’s roman als ‘kampliteratuur’ niet verhinderde, maar daarin dan weer vooral enkel lippendienst bewees aan wat in Nederland allang tot een religie was uitgegroeid. Zelfs als kampliteratuur dreigde zo’n boek van Tisma, zoniet betekenisloos, dan toch ongevaarlijk te worden. Ik zocht (en zoek eigenlijk nog steeds) naar mogelijkheden om een leeservaring tot een existentiële ervaring te maken. Tisma schreef geen horrorverhaaltje waarbij wij de obligate formuleringen kunnen prevelen; hij heeft het over ons – en dat dan weer niet om ons te veroordelen, maar misschien om ons het al te makkelijke eigen oordeel over zo iemand als een kapo onmogelijk te maken.

  • Pin it!

    Literatuur voor de afsprong

    Gisterenavond bij VPRO’s RAM het interview van Chris Kijne met Salman Rushdie gezien. Opmerkelijk om hem zijn Shalimar the Clown vooral te horen bespreken in een nadrukkelijk literaire context, en typerend om vervolgens te zien hoe Chris Kijne steeds vragen stelde die het boek wilden reduceren tot de één of andere journalistieke waarheid. ‘Dat u dat personage dit-en-dat laat doen betekent toch dat u het moslimfundamentalisme aanvalt?’ ‘U haalt nogal uit naar de moslims.’ Op die laatste bewering antwoordde Rushdie dat je niet werkelijk aan het ‘uithalen’ bent als je vijf jaar aan een boek werkt. Voorts merkte hij op dat hij veel plezier had beleefd aan het schrijven van het boek, dat er derhalve van wrok (vanwege Khomeini’s fatwa in 1989) bij hem geen sprake was; integendeel, dit was nu eindelijk weer eens een boek waarin geen enkel personage voorkwam dat met hem persoonlijk in verband gebracht kon worden. Dat had dan weer voor een deel te maken met het feit dat zijn ‘lot’ na 11 september 2001 het ‘lot’ van het hele westen geworden leek te zijn; het hedendaagse terrorisme bedreigde nu ieders leven, terwijl het destijds alleen het zijne was geweest. Geconfronteerd met de recensies die in Nederland waren verschenen en die van zijn roman vooral een pamflet tegen het moslimterrorisme maakten, stelde Rushdie dat hem dat naïeve interpretaties leken die veeleer de diepe wens van journalisten weergaven om de complexiteit van een literair werk te reduceren tot de één of andere waarheid. Waarna hij min of meer zei (de precieze formulering ben ik kwijt) dat journalistiek en literatuur elkaar niet verdragen.
    Toch liep het gesprek niet uit op een louter esthetische benadering van literatuur – de ‘onschuldige’ literatuur=fictie-houding die door auteurs nog wel eens wordt bovengehaald wanneer een bepaald boek leidt tot gerechtelijke stappen (wat dat aangaat vind ik nog steeds dat Hermans gewoon had moeten volhouden dat weliswaar niet hij, maar zijn personage het katholieke volksdeel beledigde, maar dat hij er als auteur maar moeilijk bezwaar tegen kon hebben). Literatuur, zo stelde Rushdie ongeveer, doet iets en kan iets, wat de journalistiek niet kan, de filosofie niet, de psychologie en de sociologie niet – maar elk van die specialismen zullen in hun benadering van een (goede) roman (of, als het daar om gaat: een goed gedicht), in de eerste plaats geconfronteerd worden met hun eigen vooronderstellingen. Kijne had natuurlijk gelijk toen hij in het interview stelde dat bepaalde voorvallen in het boek toch onmogelijk alleen om zichzelfs wille geschreven konden zijn – en Rushdie ontzegde hem het recht niet om met dergelijke voorvallen aan de haal te gaan, maar wel met het voorbehoud dat ze deel uitmaken van een complex geheel dat zelf nooit eenduidig is of zelfs maar wil zijn. De fascinatie van een auteur als Rushdie ligt hier vooral bij het ‘daderschap’ en minder bij het slachtoffer – en dat kan ik volgen. In zekere zin is morele verontwaardiging en het ‘aan de goede kant’ staan eenvoudig, omdat het de eenvoud van een keuze a priori voor ‘de juiste wereld’ veronderstelt – een beetje zoals een ander programma dat ik gisterenavond zag: een uurlang op Canvas over de bedreigingen van het moslimterrorisme zonder ook maar de geringste poging tot een analyse in de diepte. Het programma had tot vijf minuten beperkt kunnen worden; de overige pakweg 55 waren een herhaling van een herhaling van een herhaling van steeds hetzelfde: dat die moslims gevaarlijk zijn, en nog wel het meest wanneer ze keurig aangepast lijken te zijn. Dat men maar vast beginne met het gluren door gordijnen naar die duistere types die bij nacht en ontij op straat met elkaar staan te kletsen in een onverstaanbare taal...
    Waar het hier intussen om gaat is de vraag hoe literatuur maatschappelijk relevant kan zijn, of gewoonweg is. En dus om het soort vragen dat je aan een roman moet (wilt) stellen. Het boek van Jonathan Safran Foer, Extreem luid & ongelooflijk dichtbij, is bijvoorbeeld niet maatschappelijk relevant omdat het gaat over iemand die bij de aanslag op de Twin Towers is omgekomen, al is dat gegeven ook weer niet onbelangrijk (een boek waarbij iemand bij de ramp met de Titanic of bij een verkeersongeval was omgekomen, zou ongetwijfeld een ander boek zijn geweest). Het vormt de achtergrond van een verhaal over angst en het ontbreken van werkelijk alle veiligheid. Dat laatste niet omdat de vader van het negenjarige jongetje Oskar op 9/11 stierf, maar doordat hij dat deed (geen reden, maar oorzaak). 9/11 is als het ware de ‘trigger’ voor een onveiligheidsgevoel dat verder gaat dan het onveiligheidsgevoel van verzuurde burgers in volkswijken, dat existentieel is, en als zodanig de oorzaak verre overstijgt en uiteindelijk niet tot de aanslagen op de Twin Towers herleid kan worden.
    `Je kunt het zo, extreem banaal, samenvatten: we gaan allemaal dood. De context waarin Foer die banaliteit vat, en ook de manier waarop hij die boodschap-van-niets gestalte geeft, maakt er iets persoonlijks van, iets wat geen gedachte meer is, maar bloed, spieren, zenuwen, ademhaling en het stokken ervan – iets in de lezer, die dit ongetwijfeld al wel wist, maar het nu als iets onontkoombaars opgediend krijgt. Foer laat geen middel onbenut om die fysieke ervaring van een banale waarheid bij de lezer teweeg te brengen, tot en met een pathetisch-huiveringwekkende serie foto’s van iemand die van de Twin Towers springt, aan het slot van het boek in omgekeerde volgorde afgedrukt, zodat wie snel met zijn duim langs de pagina’s gaat een mens omhoog ziet vallen. Was dat de werkelijkheid, ja dan was het zoals de laatste zin van het boek het formuleert: ‘Alles was veilig geweest.’ Maar dat is de werkelijkheid niet – al was het maar omdat in onze wereld dingen nu eenmaal uit elkaar en niet in elkaar vallen, zoals Stephen Hawking in de bestseller A Brief History of Time (1988) heeft uitgelegd, een auteur aan wie de negenjarige Oskar herhaaldelijk brieven schrijft. Er staat hier dat niets veilig is, al wil het hele boek het tegendeel, vraagt het om wat Améry de onmogelijke, maar humane omkering van de tijd noemt – een kwestie die me na aan het hart ligt (zie ook de terugdraaiende filmpjes op Foers site)

    (Zon sta stil en dat ik terugkeren kon naar wat ik me herinner om het over te doen en zo te voorkomen wat zich in wat ik mij herinner ondanks alles toch weer afspeelt zoals het zich heeft afgespeeld en voor altijd zal blijven afspelen omdat het gebeurde zoals het gebeurde maar niet nooit had mogen gebeuren ook nu niet nog steeds niet)

    Op exact dezelfde manier redt Foer ook de gebeurtenissen op 11 september 2001 van journalistieke, ethische, politieke en andere waarheden waarmee die verknoopt zijn geraakt; je zou kunnen zeggen: hij haalt de torens neer op een individueel niveau – iets wat de makers van rampenfilms al vroeg begrepen toen ze, laten we zeggen bij A Towering Inferno (1974), kozen voor het ‘volgen’ van een aantal individuen dat, ieder op zijn manier, bij de ramp in kwestie betrokken raakte. Opnieuw is het hier de stijl van het geheel die maakt dat 11 september tot iets persoonlijks in de lezer wordt, en juist daardoor als ook politiek, journalistiek en ethisch feit niet uitgewist kan worden. Wie ooit doden te betreuren heeft gehad, weet dat de vraag naar het ‘waarom’ ervan zich onvermijdelijk opdringt, zeker wanneer het ging om een ontijdige, en nog meer wanneer het ging om een gewelddadige dood – en hoe onbeantwoordbaar ook, de noodzaak van een antwoord wordt er alleen maar dwingender door.
    Waarmee ik maar zeggen wil dat de maatschappelijke relevantie van een boek als dat van Foer vooral ligt in het feit dat het ons op ieder gebied naar die relevantie laat zoeken, dat het een antwoord van ons eist op elke denkbare manier. Het is in die zin enigszins als het kijken naar het huiveringwekkende beeld van een mens die zich van de Twin Towers stort, als het trachten je een voorstelling te maken van dat moment ‘voor de afsprong’, waarin een heel leven, een leven als het onze, zich samenbalt, en betekenis móét hebben tot en met de afsprong zelf.

  • Pin it!

    Alles inhoud

    Gisteren met B.B. in Antwerpen geluncht als waren wij zakenlieden - waarmee ik niet per se bedoel dat we chique hebben gedineerd. Natuurlijk hebben we het nog even over zeep gehad, en voorts over de moeilijkheid van het recenseren. Dat wordt inderdaad nog wel eens over het hoofd gezien: dat een goede recensie niet per se een stuk is dat ook in een meer gespecialiseerd literair tijdschrift had kunnen staan (voor zover die überhaupt nog bestaan, want veel van de huidige tijdschriften – de goeden niet te na gesproken (u weet wel) – lijken in een ernstige competitie verwikkeld met de krant, wat al bij al tamelijk dom is). Een goede recensie is inderdaad voor een ‘breder publiek’, ook al is dat nog altijd smaller dan de meeste niet literair onderlegde hoofdredacteuren of commerciëel directeuren menen. Maar het koord tussen die-hards die wekelijks vijf of meer bijlagen doorvlooien om toch maar vooral geen recensie te missen (wat deze weken vooral betekent: om toch maar vooral het zoveelste interview met Peter Verhelst niet te missen) en de werkelijk in literatuur geïnteresseerde lezer is zeer slap. De recensent – zelf, als het goed is (men twijfelt regelmatig), een die-hard – schrijft zowel voor zijn peer-group als voor die in literatuur geïnteresseerde krantenlezer, en mag alleen maar hopen dat de redactie van de bijlage niet al te zeer op de lijn zit van hen die een krant alleen zien als kaskoe – van linkse of rechtse signatuur, dat maakt weinig verschil. De weg tussen beide groepen is een soms nauwelijks begaanbaar paadje.
    B. zei het aangenaam te vinden dit genre nu eens een tijd te beoefenen, en dat kan ik me voorstellen, omdat men er, komend uit een academische omgeving, ‘het nodige van leert’, om het eens truttig te zeggen. Zo althans heb ik het zelf ervaren. En als het goed is leert men via die stiel ook omgaan met de macht die men accumuleert, ook al zijn de meeste recensenten op dat vlak jammerlijk naïef. Misschien omdat ze ‘macht’ alleen associëren met de Grote Wereld; maar het gaat natuurlijk om macht binnen het eigen veld. B. is alleen al door de frequentie waarmee hij nu voor De Morgen Boeken schrijft bezig om ‘van belang’ te worden, wat dat verder ook moge betekenen. Als hij er mee doorgaat, komen er binnenkort vast uitgevers hem met een joviale toek op de schouder vragen om eens een keertje te lunchen.
    Aan de andere kant: een zekere relativering ís natuurlijk toch op zijn plaats, want wat kan zelfs de invloedrijkste criticus beginnen tegen het media-offensief waarmee Verhelsts Zwerm is gelanceerd. Iedereen noemt het het boek van het (na)jaar, en De Gouden Uil-jury zal alvast een harde dobber hebben om het te... negeren (want zo zou een eventuele niet-uitverkiezing onmiddellijk worden genoemd). Maar zo is ook elke serieuze kritiek op het boek (positief of negatief) onmogelijk geworden, of staat al op voorhand in het perspectief van meeloperij of zure oprisping. Het zingt rond, en dat dit rondzingen verdacht veel lijkt op wat we vroeger in onze rockbandjes met gepaste trots ‘feedback’ noemden (het hoge gepiep dat van sommige nummers een onverveemdbaar deel uitmaakt), is alleen aan de incrowd bekend (Chantal Pattyn in De Morgen van gisteren, die Zwerm tussen neus en lippen ‘zowat het meest fantastische boek’ noemt dat ze ‘in lange tijd’ heeft gelezen, maar Verhelst en Pattyn, en dat lijkt me geen geheim, kennen elkaar nogal goed buiten alle literatuur om). Geen reden voor een Kregting-reflex, overigens. Het gaat er maar om dat de nu al torenhoge status van het boek voorlopig weinig met het boek zelf te maken heeft en dat het lastig is geworden – in de openbaarheid misschien wel onmogelijk, tenzij dan in een schaars verlicht hoekje van de openbaarheid als een goed literair tijdschrift (u weet wel) – dat het lastig is geworden om op een serene manier over het boek te oordelen. Ik heb het in ieder geval wel met dat doel gekocht (zei de verkoopster tegen mij: ‘Helaas zijn alle gesigneerde exemplaren al weg’; blijkbaar worden die bij elke boekhandel doos-gewijs aangevoerd?). Ik schreef zelf over Verhelst in De inwijkeling, had zo mijn problemen met Tongkat en zeker met de niemendalletjes die hij daarna aan de lopende band leek te produceren – en ik ben nu eens benieuwd naar dit nieuwe grote werk.
    De zeep-kwestie hebben B. en ik tussen ons opgehelderd, want ja, hij had wel gezegd dat hij daar aan Ponge had gedacht, maar meer nog aan een bepaald soort experimentele werkjes waarin de vorm de inhoud overwoekert. En tja, dat Ponge daar dan eigenlijk weer niet bijhoorde, zag hij, gegeven een bepaalde invalshoek, ook wel weer. Ik sprak hem natuurlijk aan op wat in de vlotheid werd geschreven, en waaraan nu een onevenredig zwaar gewicht werd toegekend. Op een generalisatie, kortom, op datgene wat ook al onvermijdelijk tot de stiel van de recensent behoort (voor al te veel nuance is eenvoudigweg geen plaats).
    Ik wees hem nog op een stukje dat Huub Beurskens ooit schreef in het waarschijnlijk nergens ter wereld nog verkrijgbare boek Buitenwegen (1992) (wat is dit toch een suïcidale cultuur, eigenlijk). Dat ging over Ponge’s Le carnet du bois de pins, een boekske over pijnbomen dat Ponge in augustus 1940 zo wat bij elkaar krabbelde, en dat Beurskens in de begindagen van de eerste Golfoorlog had zitten lezen. De misschien grootste schok van die oorlog bestond uit de tv-beelden van ‘smart-bombs’, waarvan sommige zelf uitgerust waren met een camera zodat we met het projectiel meevlogen tot op het moment dat het zijn doel raakte. Een met recht dodelijke blik, zo zegt Beurskens ongeveer. Ik citeer:

    ’Het is fascinerend te zien hoe de historische ontwikkeling van ballistische wapens in feite neerkomt op het streven naar het samenbrengen van oog, projectiel en doel, naar het verwezenlijken van de dodende blik; (...) [W]at wordt waargenomen is verloren...’

    Die historische ontwikkeling was in de Tweede Wereldoorlog al in volle gang, zo memoreert Beurskens, en het is in het licht van dat alles dat hij in de met haast wanhopige nauwkeurigheid over pijnbossen schrijvende Ponge ineens ‘een strijder’ ziet,

    ’maar dan wel als een bijzonder subversieve strijder, een die zonder terug te verlangen naar middeleeuwen en verloren rijken, de bezits- en vernietigingsdrang die de menselijke waarneming misschien eigen is of steeds eigener geworden is, wil bevechten juist mét die waarneming zelf. Iemand die zich inspant om toegang te hebben tot, omgang te krijgen met de dingen in plaats van ze tot informatie te herleiden, tot signalen te abstraheren. Een strijder die het schier onmogelijke onderneemt, het tegenovergestelde namelijk van de poging om het object door een vanuit het menselijk vizier gestuurd projectiel (geladen met explosieven of met woorden...) om het leven te brengen, maar dat met een even grote nauwkeurigheid. Ponge als mijn held in een ware niet-oorlog.’

    Voor al het overige, de meer zichtbare bekommernis met de wereld, volstaat het misschien er op te wijzen dat Ponge actief lid was van de communistische partij? Daarmee wil ik niet alsnog een scheiding maken tussen de dichter/estheet en de burger/activist, maar alleen maar zeggen dat men in die werkelijkheid, als de tijd er naar is, met politieke middelen strijdt, en in de literatuur diezelfde strijd voert met literaire middelen.
    Met een, in internetkringen wellicht late reactie op de sympathieke, maar mislukte pogingen van Bas Belleman om een debat over de relevantie van poëzie aan te zwengelen: alle poëzie heeft inhoud als je bij alle poëzie bereid bent om de vraag naar die inhoud te stellen, zelfs wanneer bijgeleverde poëtica’s, de dichter zelf, of ernstig ogende academici beweren dat er ‘geen inhoud’ is. Er is geen bepaalde ‘soort’ poëzie die op ‘inhoud’ het alleenrecht heeft; evenmin is er een bepaalde ‘soort’ poëzie die het zonder kan stellen. In die zin wordt het hoog tijd dat in de discussie over poëzie (voor zover die er momenteel überhaupt nog is) de aandacht eens wordt gericht op de vooronderstellingen van in de allereerste plaats de poëziebeschouwers, op het soort vragen dat zij bereid zijn te stellen.

  • Pin it!

    randwandeling

     

  • Pin it!

    All that feeling

    ‘Ik haat moralisme. Ik merk dat het een behoefte is, een emotionele nog wel,’ schrijft Jeroen Mettes op zijn al allerwegen, terecht opgemerkte weblog. Dat is van een eerlijkheid die je nog maar zelden tegenkomt, want ofwel zwicht men onder een in zekere kringen tot waarheid verheven relativering van alle waarheid, en is als de dood om zelfs maar moralistisch te klinken, ofwel men keert met een gevaarlijk soort nostalgie terug naar Zekerheden Van Weleer – waarbij ‘nostalgie’ eigenlijk een te onschuldig of zelfs een geheel incorrect woord is. Vaak lijkt het te gaan om de horror vacui uitmondend in het verlangen naar sterke figuren, krachtige uitspraken, grote waarheden, onomstotelijke werelden. Men ziet beide maar zelden samen optreden, zoals in deze uitspraak van Mettes (gedaan overigens naar aanleiding van de gebeurtenissen in New Orleans). Het laat maar zien dat moraal, moreel handelen en zijn, altijd een probleem vormt. Pas waar dat niet zo is, is er sprake van moralisme (of van immoralisme, natuurlijk).
    In het verlengde daarvan: ik herinner me een boeiend gesprek met Jos Joosten tijdens een autorit door het akelig vlakke landschap boven Leeuwarden, zo’n landschap met veel te veel hemel erboven, zodat men zich haast vanzelf gereformeerd voelt worden. Het ging om de ‘zuiverheid’ van de theorie, de ‘schoonheid’ ervan ook, die volgens J. beslist mogelijk was, en in ieder geval voor hem domweg bestond. Al dan niet onder invloed van hoge hemelen decreteerde ik de onmogelijkheid van zuivere theorie; een theorie is niets zonder zijn praktische consequenties, stelde ik op de apodictische toon van iemand die het stuur vasthoudt. Dat resulteert natuurlijk in een denken met lemen voeten, en het getuigt van een moralisme dat ik nu juist door uit te gaan van praktische consequenties meende te ontlopen. Dat op zich toont een bepaalde behoefte in mijzelf, die ik dan weer niet in overeenstemming kan brengen met wat ik zelf wenselijk acht voor… voor de wereld, vermoed ik, ik vrees zelfs: voor de mensheid. Want ook ik haat moralisme. En zie…
    Deze zaken laten zich, heb ik gemerkt, vrijwel nooit werkelijk uitleggen in een discussie over dit of dat. Als ik met Piet J. over Badiou praat, ben ik alras bezig de filosofie van die man ‘terug te vertalen’ naar wat mij beter ligt – misschien het bondigst te omschrijven door te zeggen dat ik zo’n Badiou geneigd ben door een camusiaanse bril te bekijken – en daarmee ga ik dan onmiddellijk voorbij aan Badiou’s eigen bedoelingen, die ik, in zeker opzicht, buitengewoon bedenkelijk acht. Maar om uit te leggen waarom dat zo is, kom ik in eerste en in laatste instantie telkens uit bij mijn eigen vege lijf, en hoe relevant dat uiteindelijk ook is, het frustreert elke discussie, en herleidt de argumenten tot een ‘ik-voel-dat-zo’, zonder de mogelijkheid te hebben dat voelen op een meer bovenpersoonlijk niveau te tillen. Er komt in dergelijke gesprekken altijd een punt, bedoel ik maar, waarop je het gevoel hebt te moeten kiezen uit elkaar tegensprekende gevoelens en gedachten, er bijvoorbeeld toe gedwongen wordt te zeggen dat je waarschijnlijk een ‘humanist’ bent en geen ‘poststructuralist’, en in het verlengde daarvan: dat Foucault toch veel onzin heeft beweerd, om over Derrida maar te zwijgen (geruststellend om te zien dat bijvoorbeeld die laatste wonderlijk helder en menselijk werd zo vlak voor zijn dood, en dat hij ook nooit iets anders bedoeld kan hebben gedurende zijn leven). Het leuke daarvan is dat je dan meteen herrie in de tent hebt, maar dat leuke is soms daarom ook juist het vervelende, al was het maar vanwege alle misverstanden waartoe het kan leiden.
    Leve de kunst, derhalve? De goede, welteverstaan. Leve de literatuur die, als zowat enig medium, in staat is om die complexiteit als complexiteit te laten zien, ook al kan een criticus soms weinig anders doen dan die complexiteit reduceren. Dat laatste omdat de complexiteit van een literair werk je soms als criticus ook dwingt een positie te kiezen, op dezelfde manier als dat in discussies het geval is (nog even afgezien van de onmogelijkheid van nuance als het gaat om een krantenstuk). De schoonheidservaring waar het allemaal om te doen is, gaat daar net aan vooraf. Remco Ekkers citeert op zijn website een schitterende passage uit Austerlitz van Sebald en vraagt zich af: ‘Waarom ontroert dit mij zo diep?’ Die ontroering is er bij mij ook, maar het grappige is dat als we over die ontroering met elkaar zouden spreken, we in dezelfde discussie terecht zouden komen die we nu al meer dan twintig jaar met elkaar voeren: we zouden waarschijnlijk uitkomen bij een verschil dat we elkaar nu al al die jaren proberen uit te leggen, en natuurlijk ook telkens opnieuw wíllen uitleggen.

  • Pin it!

    Intussen in Europa

    B. schrijft me dat hij in zijn stuk in De Morgen niet refereerde aan een hoofdstuk uit Touchdown toen hij het over ‘miniatuurtjes over zeep’ had (zie hieronder). Hij doelde op Ponge’s Le savon. Ik schreef hem al dat mij nu niets anders overbleef dan mijzelf op deze plek als vreselijke ijdeltuit te drogen te hangen: dat ik zelfs maar heb kunnen dénken dat B. naar mij verwees. Toch, schreef ik, was mijn gedachte zo vreemd niet, daar hij het in zijn stuk toch vooral, zij het impliciet, over de tegenstelling tussen Amerikaans superproza en laaglands gefrunnik in de kantlijn had (ook al omdat na de ‘miniatuurtjes over zeep’ een sneer volgt over ‘Haagse etiquette’) – en daarbij verwacht je dan geen verwijzing naar Ponge. Bovendien, Le savon is een prozagedicht, en leunt eerder aan bij de poëzie (met name Ponge’s Les parti pris des choses (1942), in het verlengde waarvan Ponge in 1943 aan zijn Zeep begonnen moet zijn (hij rondde het pas in 1967 af)). Poëzie gaan vergelijken met The Great American Novel om te beweren dat in dat laatste tenminste iets wordt verteld, is dan wel heel gemakkelijk je gelijk halen. In die zin zijn die ‘miniatuurtjes over zeep’ nogal een, voor B. wat merkwaardige uitglijder toch. En ook nog eens een miskenning van het in Le savon verscholen engagement; men kan die tekst niet zonder de context van de Tweede Wereldoorlog lezen.
    Maar bon – om dit soort particuliere zaken moet het nu juist niet gaan, noch in de kritiek, noch elders. Ik was juist geërgerd vanwege de veronderstelde persoonlijke steek onderwater terwijl een directe, niet persoonlijke maar publieke confrontatie tussen de criticus B.B. en de romanschrijver M.R. tot nu toe ontbreekt. Dat laatste is tot daaraan toe – al heb ik hem al vaak gezegd het jammer te vinden, júíst omdat ik vermoed dat hij zich kritisch zou verhouden tot mijn proza, en er aan de hand van zijn kritiek misschien eindelijk weer eens serieus gediscussieerd zou kunnen worden. Maar aan steken onderwater zonder eerst een open en eerlijke uiteenzetting met het geviseerde werk in kwestie, daaraan heb ik een broertje dood. Dat is me inderdaad al net een keer te vaak overkomen (zij het dan weer niet met het laatste boek, wat een verademing was, moet ik zeggen).
    Al evenmin wilde ik B.’s redenering omdraaien en een warm pleidooi houden voor Heimatliteratuur ten koste van Amerikaanse overdrijving. Ik heb Dave Eggers destijds met zeer veel plezier gelezen (al is het boek toch écht 300 pagina’s te dik...), en ik ben nog lezende in Foer, en vind dat bij vlagen werkelijk zo briljant als de opgeklopte flapteksten beweren. Underworld van DeLillo is groots – met uiteraard zwakke pagina’s zo af en toe – en Franzens The Corrections dwingt mijn bewondering af. Maar geen van die boeken is voor mij aanleiding om vervolgens een Vlaamse, maar helaas (en dat meen ik oprecht) mislukte poging tot een dergelijke schrijverij – Verhaeghens Omega minor – om die reden de lucht in te steken. Of, for that matter, de gestapelde columns in Naegels’ Los op voorhand uit te roepen tot boek van het jaar.
    Ik weet het... ik weet het... dit is weer te kort door de bocht en een voorbeeld van wat mijn vrienden ‘een weinig effectieve manier van kritiek voeren’ noemen. Het is ergernis over recensentendom, en ergernis over het feit dat je er als krantenschrijver maar nauwelijks aan ontkomt en je er op een zeker moment vanzelf aan gaat bezondigen. Ik heb dat ook gedaan in de tijd dat ik wekelijks voor Het nieuwsblad van het noorden schreef en tegelijk minstens maandelijks (soms nog vaker) voor De groene Amsterdammer.
    Waar het in de door B. aangesneden kwestie werkelijk over gaat, staat in deze zin uit zijn artikel: dat de Amerikaanse powerprozaboeken ‘de zuivering en troost van de gefingeerde waarheid (...) bieden.’ Daarover valt een behoorlijk potje te discussiëren, en dat moet eigenlijk ook eens gebeuren. Het zinnetje wil meer betekenen dan dat elke roman zijn eigen werkelijkheid creëert; het gaat hier eerder om de woorden ‘zuivering’ en ‘troost’ dan over die ‘gefingeerde waarheid’, denk ik, en in beide gevallen houd ik er vermoedelijk geheel andere opvattingen op na dan B. Ik kijk uit naar het komend najaar (overigens: al schitterend ingeluid met het stuk dat Jos Geysels afgelopen woensdag in de Links/Rechts-reeks van De Morgen Boeken schreef).