• Pin it!

    Americana (2)

    Iemand vraagt me naar aanleiding van eergisteren bezorgd of het wel goed met me gaat – niet zozeer, zoals je zou verwachten, omdat ik het inenen over zelfdoding heb, maar vanwege de wel heel rare kronkels in mijn stuk. ‘Hoe kom je in godsnaam van zo’n stukje van Buelens via suïcide in zo korte tijd tot de constatering dat ook jij een consument bent?’ Kwestie van bochten afsnijden en alles tegelijk willen zeggen – misschien ook wel een eigenschap van onverdragelijke idealisten? Het nooit bij één punt kunnen houden, maar meteen met bijbelse allures over Alles spreken?
    Het ging en gaat om mijn reserve bij het steken van de loftrompet over (het huidige) Amerika, en wat ik eergisteren misschien nog niet goed duidelijk maakte: zelfs als die trompet een valse blokfluit blijkt te zijn. Ik word heel nerveus als het over beeldvorming gaat, juist omdat we leven in een tijd van suggesties die onmiddellijk worden uitvergroot. Anderzijds ging het om de onmogelijkheid om niet deel te nemen. En ook om de onmogelijkheid niet verantwoordelijk te zijn voor het eigen heden, ook al heb je er in directe zin persoonlijk nauwelijks enige invloed op. Met weer een afsnijding: men moet altijd gaan stemmen, ook als het niet al wettelijk verplicht zou zijn. Men heeft de plicht zich voor politiek te interesseren in plaats van van politici te eisen dat zij zich in de eerste plaats voor ons persoonlijk zouden moeten interesseren. (Ik verwacht van een politicus een visie; geen handdruk).
    Misschien, zo heb ik al bedacht, gaat het bij het stuk dat Bert Bultinck in De Morgen Boeken van 17 augustus jongstleden schreef, niet eens om reserve – in ieder geval niet om het soort (immers: meer politieke) reserve dat ik voel bij het stuk van Geert B. (al heeft hij dus duizend keer gelijk een dergelijke invalshoek te kiezen). Misschien gaat het bij zijn stuk veeleer om een immense vermoeidheid. Ondanks de door B. gegeven verzekering dat het altijd opletten is met generaliseringen ‘die altijd weer een nieuwe stroming of nog maar eens een trend ontwaren’, is het effect van zo’n stuk natuurlijk toch dat er maar wéér eens ‘de’ Amerikaanse roman naast de schrijfsels uit onze eigen laaglandse gebieden wordt geplaatst, en onze eigen literatuur er bekaaid afkomt (als ik het goed gezien heb: inclusief die van mezelf, daar waar hij het heeft over auteurs die ‘miniatuurtjes over een stuk zeep’ schrijven en daarmee, zo is de suggestie, wel erg tenachter blijven bij de literaire prestaties van de Amerikanen; zeker dat dit over mijn ‘Hector’-hoofdstuk in Touchdown gaat, ben ik overigens niet; ik ben zelf nu eenmaal nogal gevoelig geworden voor naar mij uitgedeelde steken in enkel bijzinnen van nogal wat critici die gewoonlijk de rechtstreekse publieke discussie met mij uit de weg gaan).
    Let wel: zo staat het er niet – dat onze eigen literatuur niks voorstelt – maar het is moeilijk om het anders te begrijpen. En daarmee zijn we wat mij betreft dan weer terug bij professor Anbeeks eind 1980 geschreven ‘Aanval en afstandelijkheid: een vergelijking tussen Amerikaanse en Nederlandse romans’ (in: De Gids, jrg. 144, nr. 2/3, februari/maart 1981, p. 70-76); we beginnen na 25 jaar nog eens overnieuw, met wat andere voorbeelden deze keer (toen waren het Irving, Heller en Vonnegut), met hetzelfde voorbehoud (Anker stelde zelfs dat het hem er niet om ging te beweren dat de Amerikaanse literatuur beter was dan de Nederlandse) en met wellicht een wat minder groot, maar in ieder geval een groter effect dan B. in al zijn voorzichtigheid kan vermoeden (Anbeek is zo ongeveer samengesmolten met wat hij als zodanig in dat stuk helemaal niet zegt: dat er meer straatrumoer in de Nederlandse literatuur moest komen).
    Het gaat me er nu niet om B.’s (op zich ook weer niet ondubbelzinnige) bewondering voor het Amerikaanse proza af te doen als het gedweep van iemand die zich laat beduvelen door de cultuur van de megafoon; of andere mogelijkheid: als de typisch provinciale reflex van de laaglandbewoner met een ingewikkelde vorm van zelfhaat die in het andere al heel snel het betere herkent; het gaat me om de gesuggereerde tegenstelling. Dave Eggers’ door hem indrukwekkend genoemde debuut Een hartverscheurend verhaal van duizelingwekkende genialiteit is, net als de meer recent vertaalde roman van Jonathan Safran Foer, geschreven in het verlengde van Salingers Catcher in the Rye en alleen iets volumineuzer (bij Eggers: veel volumineuzer, om niet te zeggen: veel te veel) dan datgene wat de – het is waar – in New York woonachtige Grunberg in Nederland doet. Als men wil kan men heel goed verdedigen dat het hier om een typisch binnenvetters-, zelfs uitgesproken puberproza gaat, en pubers verdrinken gewoonlijk in hun eigen navel (dat de één daarbij een vader heeft die is omgekomen bij de aanslag op de Twin Towers zegt me dan niet zoveel). Wat hij over die en andere romans zegt – bijvoorbeeld: ‘als ze over gebroken liefdes schrijven, dan nooit alléén maar over gebroken liefdes. Meestal is hun onderwerp gewoon pijn. De pijn van vader en/of moeder verliezen, de pijn van gemartelde soldaten of juist de vriesletsels van een veilig, luxueus en volstrekt onzinnig bestaan’ – het lijkt mij toch ook voor heel veel van dat kleinere Nederlandstalige proza te gelden, toch voor zover het literatuur heet te zijn (zoals, om mijn gekwetste ijdelheid dan toch maar, terecht of ten onrechte, in het spel te brengen – zoals mijn ‘miniatuurtje over zeep’ echt ook over heel wat anders gaat dan enkel een stukje zeep). Dat wil niet zeggen dat er geen verschillen bestaan, maar het lijkt me hier toch vooral het medium te zijn dat daarvan zoiets als een waterscheiding maakt.
    Dat is dan wel weer een humoristisch neveneffect van het stuk zelf: dat het laat zien dat de door B. in het begin van zijn stuk aangehaalde en niet onwelwillend tegemoet getreden Gabriel Zaid in het ongelijk wordt gesteld. Deze Zaid schreef een als So Many Books vertaald boekje waarin hij de (over)productie aan boeken in de wereld (er verschijnt één boek per dertig seconden) verdedigde. B. parafraseert: ‘Waarom zou je je minderwaardig of dom moeten voelen als je nog nooit Ulysses gelezen hebt? Waarom zouden er eigenlijk van elk boek tienduizend exemplaren moeten worden verkocht? En als een alom geprezen roman je al na honderd bladzijden grondig de keel begint uit te hangen, dan schuif je het zogenaamde meesterwerk toch gewoon aan de kant en neem je een ander?’ Het antwoord op al die vragen luidt: omdat er hiërarchie bestaat; of liever: omdat mensen niet zonder kunnen, er naar hunkeren zelfs. Een literaire canon is op geen enkele manier met absolute argumenten te verdedigen (want altijd cultuur-, zelfs klasse-afhankelijk, en er is niemand in het Westen die het ook maar waagt ‘onze cultuur’ te definiëren) maar zonder een dergelijke canon bestaat er geen literatuur. En dus bestaat er (vooralsnog) een canon, of worden er in krantenstukken als die van B. pogingen gedaan om nog maar eens kaf van koren te scheiden, zelfs al is het met de verzekering dat er kaf noch koren bestaat. Ik zou wel durven beweren: júíst als er verzekerd wordt dat het niet om stromingen en trends gaat.
    In dat perspectief: een beetje meer clementie en welwillendheid ten aanzien van onze laaglandse schrijvers is dan misschien toch op zijn plaats. Het huidig proza in onze streken moet niet afgemeten worden aan het gemiddelde, maar aan wat boven dat gemiddelde uitstijgt en heel veel dat nu, haast moedwillig lijkt het wel, gelezen wordt als de particuliere pijntjes en verdrietigheden van de auteurs in kwestie, zal dan blijken méér te zijn, ook in minder volumineuze teksten met wat minder, of dan toch ándere trucs.

  • Pin it!

    Americana (1)

    Bij het doornemen van de boekenbijlagen van de afgelopen weken overvalt me enige twijfel. In twee ervan zie ik vrienden op een merkwaardige manier iets bepleiten met een mengeling van cynisme en provincialisme die maakt dat ik mezelf afvraag of ik niet een onverbeterlijke, en in één adem door dan ook maar gelijk onuitstaanbare idealist ben, en of dat idealisme me niet op voorhand een bepaalde lezing van beide stukken ingeeft, me blind maakt voor eventuele ironie.
    Het maakt dat ik bijvoorbeeld Geert Buelens’ bijdrage in de links/rechts-reeks van 24 augustus j.l. met de nodige voorzichtigheid drie keer lees. Er staat dat degenen die de rug naar Amerika keren vanwege het daar heersende cynisme, machismo en de ontstellende oppervlakkigheid ‘dwalen’, want, ‘of we het nu willen of niet, de wind komt uit Amerika.’ Al eerder staat er dat ‘spraakmakende ideeën over politiek en samenleving (...) toch nog het vaakst uit Amerika’ komen. De voorbeelden die hij vervolgens geeft versterken alleen maar het beeld van een machistisch, oppervlakkig, cynisch Amerika, en dus lijkt zijn pleidooi voor Amerika een soort verkapte waarschuwing te zijn: kijk niet weg van dat alles, want wat daar is, komt hier ook, en daar kun je dan maar beter op voorbereid zijn. De loftrompet wordt in dat geval een valse blokfluit waarmee de ‘stars and stripes’ eerder in hun hemd worden gezet dan op een voetstuk geplaatst. De rest van zijn stuk is ook vooral bedoeld om te waarschuwen voor de retorische trucs waarmee de neo-cons de huidige agenda weten te domineren.
    Op zich heb ik altijd enige moeite met het soort, op zichzelf genomen wat cynische pragmatisme dat hieruit spreekt, omdat inderdaad mijn waarschijnlijk al te idealistische inborst me hier de adem beneemt. Ik wijs al dat soort zaken af, rigoureus en zonder pardon, maar ik weet natuurlijk tegelijkertijd dat ik dan niet realistisch ben, dat het, zoals vaak tegen mij wordt gezegd, ‘weinig effect sorteert’. Ik merk dat mijn rigoureusheid met de jaren niet mindert, maar juist toeneemt, en dat ik meer dan eens voor mijzelf formuleer dat het me allemaal niet meer interesseert en dat men mij maar beter met rust laat – het soort bitterheid dat in zekere zin het prerogatief van de ouderen is (het spreekwoordelijke ‘oud en wijs’ is de mildere variant van de met rancune opgeladen gelatenheid die er soms achter schuilt). Tegelijkertijd weet ik dat dat laatste de allergrootste illusie is: men zal je nooit met rust laten. Het in angulo cum libris was, zo schreef Erasmus ergens, in de kloosters eigenlijk al niet toegestaan: een monnik mocht niet te veel verdiept zijn in zijn lectuur en daarmee in zijn eigen gedachten daarbij; méédoen was de boodschap.
    (Tussen haakjes: nog steeds de reden waarom zelfmoordenaars – suïcidanten, zoals Améry ze wat minder incriminerend wenst te betitelen – koste wat het kost gered dienen te worden, ook al schreef bijvoorbeeld diezelfde Améry, die toch in een concentratiekamp had gezeten, dat het allerergste dat men hem ooit had aangedaan de behandeling was die hem na een zelfmoordpoging weer tot de levenden terugbracht; erger dan Auschwitz, bedoelde hij daarmee (in Hand an sich legen, vertaald als De hand aan zichzelf slaan en verschenen bij Atlas). Hoe overtuigend Améry’s pleidooi ook is – wat doet men zelf wanneer men in zijn naaste omgeving iemand heeft die zichzelf de dood aan wil doen? Je beroepen op het humanistisch principe dat Améry van de zelfdoding maakt, blijkt moeilijk als het botst met een ander, even humanistisch principe; het is de worsteling van ‘das Prinzip Hoffnung’ met ‘das Prinzip Nihil’, zoals Améry het noemde, het ‘in sich widersprüchliche und dennoch unausweichliche Prinzip Nihil’. Als puntje bij paaltje komt wil men het resolute ‘nee’ van een medemens dan toch niet eerbiedigen, vrees ik, omdat men het lijden dat tot dat ‘nee’ voert onacceptabel vindt en altijd zal blijven vinden; desnoods ontzegt men zo iemand zijn vermogen om helder te redeneren, neemt men hem of haar ‘in bescherming tegen zichzelf’. De voor mij onoplosbare vraag is dan altijd wie er op dat moment gered wordt: degene die dood wil, of degene die dat niet toestaat. Als we hier de moraal er bij betrekken wordt het nog ingewikkelder, omdat ieder moreel handelen abstractie vereist, en het juist in dit geval niet om de abstractie gaat, maar om het uiterst concrete, nabije, dat zelfs het morele niet verdraagt).
    Om Amerika het hoofd te bieden, moet men er wellicht van houden, in enigermate dan toch, eigenlijk zoals dat bij alle afhankelijkheidsrelaties het geval is. Wie steeds maar de kont tegen de krib gooit, is weinig meer dan een puber. In die zin is er nog heel veel puberaal in mij. Waarom houd ik niet van de poëzie van Kopland bijvoorbeeld (ook al bewonder ik die om het vakmanschap en om de precisie, om datgene wat de meeste van zijn fans niet eens vermoeden)? Omdat hij alleen maar bezig is – verleidelijk is nu om te zeggen: als een psychiater bezig is, om in zijn gedichten uit te leggen ‘hoe of het zit’. Die ambitie máákt natuurlijk juist dat zijn (uiteraard enkel: béste) poëzie een haast ongeëvenaarde exactheid kent, maar juist daarin blijk ik haar dan juist te verwerpen: niemand gaat mij voorschrijven hoe of de wereld in elkaar zit.
    Maar met dit soort dingen is het als met bijvoorbeeld ecologische idealen: ga ik mijn auto weg doen? heb ik voldoende geld om telkens potjes appelmoes van € 1,23 te kopen, als het niet-biologische huismerk maar € 0,39 kost? kan ik het mij permitteren om bij de komende verbouwing een ‘groendak’ te laten aanleggen, om zo mijn steentje bij te dragen aan de waterhuishouding in dit land, een ‘groendak’ en zonnecellen? En een aparte installatie voor de opvang en het hergebruik van regenwater? Het is allemaal niet onmogelijk, maar het is allemaal wel extreem oncomfortabel, en deels inderdaad voor mensen met een niet al te dikke beurs niet goed mogelijk (terwijl zij er juist vaak toe bereid zijn).
    Om het heel kort samen te vatten: ook ik ben een consument.
    Ik dwaal af: het gaat er om dat bijvoorbeeld Buelens’ meer pragmatische houding tot Amerika (en uiteraard, vind ook ik, moet niet alles in en van de Amerikaanse cultuur per se verketterd worden) meer zoden aan de dijk zet júíst als je je er kritisch toe wilt verhouden.
    Dat brengt mij op het tweede stuk in de boekenbijlagen van de afgelopen maand: Bultincks stuk over ‘uitzinnig proza uit de Verenigde Staten’. Daarover morgen.

  • Pin it!

    Grens

    Het journaille blijft verbazen: vandaag veel verontwaardiging in De Morgen over een manoeuvre van zowel Knack als Het Laatste Nieuws, die minister Patrick Dewael gedwongen zouden hebben bekend te maken dat hij van zijn vrouw gaat scheiden en een relatie heeft met de vrt-radiojournaliste Greet Op de Beeck. We glijden af naar een Britse situatie, zo jeremieert men, en Yves Desmet meent in zijn commentaar ook dat er nu toch echt een grens is overschreden. Ik ben het daar mee eens, en het siert De Morgen dat ze ook melding maakt van het feit dat het hier om een gedeelde verantwoordelijkheid gaat: politici die verschijnen in quizprogramma’s, die zich op human interest-achtige wijze laten benaderen door zogenaamde kwaliteitsjournalisten van de tv (alhoewel ik werkelijk niet zou weten wie daarmee bedoeld zou kunnen zijn), politici met een glaasje wijn in een restaurant of met de kinderen op weg naar school... – men moet dan niet zeuren wanneer ook de scheiding in beeld wordt gebracht. En het journaille zelf moet niet zo schijnheilig zijn om te zeggen dat er in dit specifieke geval een grens overschreden is als ze zelf voortdurend die grens schendt.
    Op dezelfde pagina waar de commentaren op het voorval verzameld zijn, vindt men ook het sinds enige tijd door de politieke redactie van De Morgen ingestelde, waarschijnlijk als leutig bedoelde rubriekje ‘Onder vrienden’, dat begint met een mededeling dat de nog maar 49-jarige minister Frank Vandenbroucke opa is geworden. Wordt daarmee dan geen grens overschreden? Als we achter de echtscheiding en relatie van de ene minister complotten vermoeden om de paarse regering ten val te brengen – want daarvan is natuurlijk weer onmiddellijk sprake – wat mogen we dan achter deze, blijkbaar door De Morgen als onschuldig beschouwde familieberichten zoeken? Welk beeld van Vandenbroucke moet hier gevestigd danwel verstevigd worden? En welke opmaakredacteur is zo oliedom om de heilige verontwaardiging over de vermenging van het publieke en het privé-domein samen op één pagina te zetten met een rubriekje dat nu juist van die vermenging bestaat?
    Zou het geen idee zijn om journalisten nog eens in te peperen hoezeer zij zelf verantwoordelijk zijn voor het beeld van de werkelijkheid dat ze zeggen enkel te verslaan?
    Overigens zijn wij van mening dat De Morgen de veruit meest leesbare krant van Vlaanderen is...

  • Pin it!

    vacant

    Marja Brouwers uitlezen bij een suizende gaslamp, bij het geritsel van een nabij rondscharrelende egel en bij wat gesnuif van vee in een aanpalend weiland – het spreekt niet vanzelf. Een zo mondain boek in een zo landelijke omgeving, het is vragen om kortsluiting. Het één doet me altijd mijn messen slijpen, en bij het andere wil ik voortdurend achterover leunen en naar het kwinkeleren van gevogelte luisteren en naar krekels (of waren het nu cicaden? Beurskens nog maar eens vragen...), dit alles in de overtuiging dat de wereld Goed is. Misschien dat ik daarom (of is het toch ‘daardoor’? Bultinck nog maar eens vragen...) bij Casino de ene keer dacht dat het toch wel een knap boek was, al bij al, en de andere keer toch weer tot de slotsom kwam dat zoiets voor mij niet bedoeld is – wat eventuele knapheid niet tegenspreekt uiteraard, maar uiteindelijk toch ook te maken heeft met kwaliteitsoordelen. Gut ja, bij een uiterst cynische omschrijving van het grachtengordelmilieu ben ik geneigd onmiddellijk van ‘realisme’ te spreken en de auteur te prijzen voor haar scherpe, nietsontziende blik, maar een twintigtal bladzijden later volgt een dan zo ontstellend flauwe woordspeling op Pirsigs Zen and the Art of Motorcycle Maintenance dat je broek ervan afzakt. Ook het feit dat de collegae van hoofdpersoon Rink de Vilder de namen van de leerlingen uit Bordewijks Bint hebben gekregen, heeft op mij een averechtse uitwerking: te flauw voor woorden en eigenlijk getuigend van een armoedigheid die door omvang en opzet van het boek als geheel wordt tegengesproken.
    Ik schreef al eerder dat ik moeite heb met de eindeloze essayistische intermezzo’s, die soms overigens dan toch wel interessant en intelligent zijn, maar uiteindelijk te vaak blijven hangen in het soort weetjes waarmee de krant haar loze hoekjes vult (‘sigaarrokende mannen leven langer’), danwel uittreksels lijken te zijn van op zich al populistische (maar zelfs dan nog behoorlijk taaie) werkjes als Russells Het ABC van de relativiteit of een doorslagje dreigen te worden van een mix van Umberto Eco en Dan Brown. Ik sluit overigens niet uit dat mijn irritatie al eerder door iets anders werd gewekt, want een dergelijk vertoon van kennis stoorde me destijds eigenlijk in het geheel niet bij Doeschka Meijsings De tweede man, maar misschien was dat omdat het daar minder intermezzi zijn? Ik zou het moeten nakijken. In ieder geval blijf ik allergisch voor proza waarin personages als het ware steeds opnieuw geheel gedefinieerd worden. Iemand zegt iets, en dan volgt:

    Dit deed ze vaker. Net als hij dacht dat het tijd werd om de wereld buiten de slaapkamer eventjes de rug toe te keren kwam Moura tot de ontdekking dat ze hem nog iets erover moest vertellen. De wereld zat haar achterna. Onderdelen ervan ploften neer in haar hoofd en begonnen daar te wringen. Ze was niet beveiligd tegen die constante invasies – etcetera

    Ruim 120 pagina’s verderop krijgen we dan opnieuw zodra deze Moura aan het woord is een hele omschrijving van haar Gansche Wezen – en ze is niet de enige die op verschillende plekken in haar volledigheid gekarakteriseerd wordt. Dat leidt ook tot fouten. Over Rink wordt gezegd dat hij als het ware ‘per ongeluk’ denkt, maar uiteindelijk lijkt hij in alles op zijn erudiete schepster, over wie je moeilijk kunt volhouden dat ze ‘per ongeluk’ denkt. Iemand die ‘per ongeluk’ denkt, denkt niet wat Rink de Vilder zoal door zijn hoofd schiet.
    Toch zou dit alles onder de noemer ‘detailkritiek’ vallen, als het boek als geheel me overtuigd had – maar zelfs de diverse campings uit de Rustiek Kamperen-gids brachten te weinig geritsel, getjilp, gefluit en gesnuif voort om mijn eigen ambivalentie te overwinnen. Brouwers’ immense cynisme opent weliswaar een paar perspectieven op de wereld waarvan niemand weten wil en die juist daardoor minder naïef, kortom: meer waar lijken te zijn dan wat ons dagelijks wordt voorgehouden; haar houding tegenover Nederland lijkt mij voor iemand uit Amsterdam verbluffend verfrissend, ze is vaak scherpzinnig (zij het dan weer nooit werkelijk grappig), het boek is ook spannend te noemen, maar toch, maar toch...
    Het is... het is geen Pierre Michon, bijvoorbeeld. Over hem sprak ik met R.E., toen ik in zijn huisje in de Corrèze Meesters en knechten / Het leven van Joseph Roulin zag liggen en hij me vertelde dat hij de slotpagina’s aan zijn vrouw had willen voorlezen, maar door emoties overmand op had moeten houden. Hij had zich blijkbaar voorgenomen om tijdens zijn verblijf in wat ik – zonder de geringste ironie – zijn kleine paradijsje noem alle vertaalde werken van Michon te lezen. En juist daardoor herinnerde ik me dat ik een paar dagen voor vertrek nog had overwogen om Michons Roemloze levens mee te nemen om te herlezen – één van de mooiste boeken die ik ooit las. Genadeloos, meende ik, terwijl ik samen met hem tegen het vallen van de avond wat over het hek geleund stond dat zijn kleine domeintje afsluit, kijkend naar een wat hoger gelegen weiland waar bij een vorig bezoek luid briesende paarden de conversatie kracht bijzetten, maar nu niets te zien was. ‘Nee,’ zei hij, ‘niet genadeloos. Lucide.’ Hij had gelijk, natuurlijk, al probeerde ik in stilte genadeloosheid en luciditeit nog op één lijn te krijgen. Michon is in Roemloze levens genadeloos voor zichzelf, maar misschien vooral omdat hij lucide wilde zijn en die helderheid zonder rücksichtslos te zijn jegens in de eerste plaats zichzelf niet goed mogelijk is? Misschien zegt de eerste zin hier alles? ‘Laat ons nader ingaan op de herkomst van mijn pretenties.’
    Wat een zin...
    Ik meen me te herinneren dat ik destijds bij De Groene Amsterdammer dit boek nog voorstelde als boek van de maand, maar helemaal zeker ben ik er niet van, want zelf heb ik er niet over geschreven (wat wel gebruikelijk was bij de boeken die je nomineerde). In ieder geval was, ik meen Jacq Vogerlaar wat geïrriteerd door de stilistische brille van Michon (en van Rokus Hofstede, die hem vertaalde). In wat hij zei leek ergens het verwijt van schoonschrijverij te willen opduiken. Dat kan ik me – zij het dan weer niet van Vogelaar – wel voorstellen, al betekent dat niet dat dit boek – bijvoorbeeld tegenover dat van Brouwers – nergens over zou gaan. Sterker nog: Roemloze levens is voor mij een boek dat als schoolvoorbeeld van goed engagement kan gelden, ook al gaat het dan in directe zin niet over de dingen die in de krant staan. Maar zoals Rushdie het dit weekend in De Morgen al formuleerde: het gaat er in literatuur niet om op die manier stelling te nemen.
    (Tussen haakjes: niets mooier dan geleund over een hek, kijkend naar wuivend gras, over Michon te praten).
    Voorts me de afgelopen weken nog gewaagd aan Fantoompijn van Grunberg, een boek waarnaar ik benieuwd was na zijn Figuranten, en tja, dat viel me, tot mijn eigen verrassing, dan toch weer wat tegen; ik had te veel het gevoel dat ik het op een zeker moment echt wel wist, dat hier een ‘maniertje’ geworden was wat in Figuranten, met dat lastige woord: ‘noodzakelijk’ was. Alsof de in Figuranten opduikende vaderfiguur, in een zowel huiveringwekkende als hilarische scène, hier volledig wordt uitgemolken. Maar opnieuw: ondanks alle voorstellingen daaromtrent lijkt lezen op vakantie toch vooral een verwarrende bezigheid, al kan dat aan deze vakantie gelegen hebben: niet alleen omdat Emma op een zeker moment drie dagen lang met veertig graden koorts in de tent lag te zweten, wij naar plattelandsdokters klepten (waar je aan de overzijde van het bureau dan toch steeds een soortement Charles Bovary verwacht) en naar de overigens in elk dorp verdacht volop aanwezige apothekers, zelfs een keer naar een heus laboratorium – alles, gelukkig, voor niets – maar ook omdat Emma al op voorhand ons uiteindelijke reisdoel was, zij, en dat kleine paradijsje van R. en H. ergens in de Corrèze. De overige tien, vijftien boeken die ik nog bij me had zijn keurig in mijn tas blijven zitten.

  • Pin it!

    Wij alweer

    Intussen werd Emma één jaar, hetgeen door haar werd gecelebreerd met een feesthoedje en met eindeloos gebabbel in een taaltje dat soms ernstig op Arabisch lijkt – met veel gutteralen – maar dat toch vooral bedoeld lijkt om Hanna en mij zonder ophouden van haar wedervaren op de hoogte te stellen. Huiselijkheid alom, algehele verkruimeling, kortom: niets wat ik zelf zou willen weten als ik het niet zelf was.
    Gisterenavond met Rokus Hofstede, die geheel onverwacht vanuit zijn geliefde Brussel naar Gent verhuisde en een paar huizen verderop is komen wonen in het huis van ‘Jeanne’ – een oud taai besje dat de strijd om zelfstandig te wonen nu blijkbaar heeft opgegeven en naar een rusthuis is gegaan – lang zitten praten bij een fles wijn. Hanna en ik waren eerst met Emma bij Rokus, Ilse en hun kleine Jan gaan ‘aperitieven’, waarna gezinsplichtplegingen ons noopten wat minder zorgeloos te zijn. Later op de avond belde R. nog weer bij ons aan. Op een bepaalde manier ging het alweer over gemeenzaamheid, en alweer viel me op hoe volstrekt onvanzelfsprekend dat is voor jongens als Rokus en ik. Er blijft altijd dat vage gevoel van gêne wanneer we met toch klaarblijkelijk genoegen vaststellen dat er met de komst van Rokus en Ilse in het kleine stukje straat dat we bewonen nu al drie min of meer gelijkgestemde gezinnetjes met elk één kind wonen. Alsof we na jarenlang verzet alsnog teruggekatapulteerd worden naar een wereld die we altijd hebben willen vermijden: die van onze ouders. Het is opvallend hoeveel en hoe vaak er gesproken wordt over de ‘traditionele’, ‘burgerlijke’ aangelegenheden als huwelijk, kinderen krijgen en nu dus ook over zoiets als buurt- of godbetert zelfs generatiegevoel. Ik wil de aandacht die we er aan geven ook niet dramatiseren, maar toch gaat het hier om iets wat niet bepaald vanzelfsprekend is, en waar we ons niet zonder meer – althans niet zonder kritische kanttekeningen jegens onszelf - aan kunnen overgeven. Die kanttekeningen, zo denk ik wel eens, lijken dan weer bedoeld om onze neiging alsnog te legitimeren, terwijl het kritische karakter daarvan ons tegelijkertijd dan nog net lijkt te vrijwaren van datgene waaraan we ons intussen toch gewoon overgeven. Het geeft ons, net op het nippertje, nog het goede gevoel dat we onszelf doorhebben en dus ‘eigenlijk’ niet dat zijn geworden (we bedoelen: zijn verworden).
    Ik kan hier natuurlijk alleen maar voor mezelf spreken, en moet een en ander dan als een ernstig, zij het ook door mij altijd als uitermate verdacht beschouwd verlangen identificeren, dat wat nooit meer geheel vervuld raakt omdat men al te veel verhuisde, omdat drie gezinnen nog geen gemeenschap vormen, omdat men soms niet meer in staat lijkt om ooit nog volledig tot een gemeenschap te behoren. De futiliteit van al dit soort bedenkingen – die maakt dat je mensen die ‘intellectuelen’ wantrouwen eigenlijk gelijk zou willen geven – is me intussen wel duidelijk. En eigenlijk gaat het me, ondanks het sérieux waarmee bijvoorbeeld Rokus en ik over een en ander zaten te praten, om de humor van dat morele gespartel zelf.
    Het is ongetwijfeld dezelfde humor waarmee ik mezelf nu al morgen op vakantie zie gaan, naar Vlaamse begrippen érg ‘Hollands’ geëquipeerd met zelfs een gastankje, een tweepitskookstel en een gaslamp om ’s avonds bij te kunnen lezen. Hanna drijft al dagen de spot met me en vraagt zich bij ieder item af of het nu werkelijk mee moet. ‘Welzeker,’ zeg ik dan plechtig, ‘gij zult dat zien.’ Ze kijkt me aan met een blik die doet vermoeden dat ik voor haar nu toch echt wel heel diep ben gevallen, geheel samenval met de Belgische voorstelling van de Hollander op vakantie, een sujet dat zijn aardappels en ingeblikte speklapjes meeneemt naar verre oorden – niet uit zuinigheid, zoals men hier dan denkt, maar uit... thuisverlangen wellicht, al klinkt dat te vriendelijk en te poëtisch vooral; misschien doet hij het wel uit angst en uit een verlangen buikloop en andere door uitheems voedsel mogelijk op te lopen kwalen voor te blijven. Ik repliceer dan altijd dat op zijn Belgisch gaan kamperen betekent dat je drie weken op een kleedje op de vochtige grond zit voor een tentje waarin je net kunt liggen. Het sterkste argument is natuurlijk dat we Emma mee hebben. Die zal er wel voor zorgen dat het waarschijnlijk toch een bepaald soort survival-vakantie met een hoog experimenteel gehalte gaat worden: een doel hebben we niet, alleen een windrichting en het voornemen een zekere mobiliteit aan de dag te leggen, waarbij de af te leggen afstand gedicteerd wordt door het uithoudingsvermogen van Emma in haar voor de gelegenheid aangeschafte autostoel.