• Pin it!

    De Buiten

    De afgelopen week nog eens met de auto wat rondgedwaald in ‘landelijk Gent’ – een verzameling boerengehuchten ten oosten van de Kennedylaan, ten oosten van de zware industrie langs het kanaal Gent-Terneuzen dus. Het is een merkwaardig gebied met veel doodlopende wegen: de Kennedylaan is een mes door het landschap en heeft op veel plaatsen oorspronkelijke weggetjes afgesneden. Hier zie je in de praktijk wat het betekent wanneer de economie alle voorrang krijgt. Enfin, ik moest er over schrijven voor DW&B, en deze week was ik er alleen om nog wat foto’s te trekken (maar halverwege begaven mijn batterijen het). Ik ben begonnen bij de basiliek en grot van de Onze Lieve Vrouwe van Lourdes en stond weer verbaasd over de idiotie van het katholicisme in de praktijk. Deze kermisretoriek en kleuterpraktijken staan zo ver van me af dat ik telkens weer schrik wanneer blijkt dat er mensen zijn die zich hier serieus mee bezig houden. Ineens weet ik dan weer zeker dat het nooit wat wordt met de mensheid. Even verder vond ik een plukje huizen dat tussen Kennedylaan en R4 klem geraakt leek te zijn: een Gentse Boon had hier zijn Vergeten straat gesitueerd, denk ik. Nog wat verder kwam ik ineens temidden van een wielerronde terecht (misschien de ‘Gentse Buitenband’, waarvan ik overal groene plakkaten zag hangen): hevig gebarende bebierbuikte boerenkroegtijgers met een armband en een klaar-overbordje die met al hun gewichtigheid-voor-één-dag niet wisten te voorkomen dat ik op een zeker moment tussen de dranghekken terecht kwam en vriendelijk wuivend naar rood aangelopen organisatoren per auto de finish passeerde. Weer elders trachtte men mij met maaiende armbewegingen tot meer snelheid aan te manen, maar, meende ik op zijn Hollands, ik bevond me dan misschien wel op het niet goed afgesloten parcours van een plaatselijke wielerwedstrijd, maar toch ook in de bebouwde kom, en ik reed al vijftig. Met naast de vrijwilligers met armband ook nog hier en daar politiewagens – met weliswaar agenten die de indruk wekten aan het picknicken te zijn – waagde ik het niet ook nog eens een snelheidsovertreding aan mijn zonden toe te voegen. Nog meer rood aangelopen boerenkoppen van verontwaardiging over de stadse fratsen van iemand met een veel te Pruisisch hoofd om werkelijk autochtoon te zijn. Ik was overigens niet de enige die zegevierend en gemotoriseerd over de finishlijn ging; achter mij reed nog een bus die ook al op woedende gebaren werd onthaald.
    Wat later besloot ik dan toch eens een bezoekje te brengen aan het ‘executieoord’ dat Piet J. en ik al op een bordje hadden zien staan toen we op weg waren naar een crematie in Lochristi. Wat dat wel mocht wezen, vroegen wij ons af, een oord waar men zich kon laten executeren? Of moest ‘executie’ hier begrepen worden als een onhandige verfranste manier om te zeggen dat het om een oord ging waar het een en ander werd uitgevoerd, een doe-plek, zeg maar, of wie weet: de Vlaamse vertaling van de Nederlandse ‘afwerkplek’; misschien trof men er dames van lichte zeden aan. Maar uiteraard zou men alleen in Holland bordjes plaatsen om je de weg te wijzen naar plekken waar je seksueel aan je gerief kunt komen. Hier niet. En uiteraard vermoedde ik al dat het hier om een herdenkingsoord ging, een plek waar in de Tweede Wereldoorlog mensen uit de streek werden terechtgesteld – ‘voor de kop geschoten en hier begraven’, zoals het nogal rechttoe-rechtaan in gouden letters op een grijze zerk te lezen stond. De plek zelf was van een treurigheid die nu eens niet ingegeven werd door het afschuwelijke dat er plaatsvond, maar door de manier waarop die afschuwelijkheden hier herdacht werden. Er staat op een stukje rails een rood geschilderde treinwagon die daar niets te zoeken heeft en een beetje obligaat de herinnering moet oproepen aan deportaties; er staan kruisen met namen, maar die kruisen willen per se de indruk wekken van boomstammetjes te zijn gemaakt, terwijl ze van beton zijn (de truc die in Disneyland California ook wordt toegepast op hele bomen, herinnerde ik me opeens); er staan een paar weinig indrukwekkende beelden en het enige dat nog enigszins in staat is om de realiteit van hetgeen daar gebeurde dichterbij te brengen, is een aantal palen in de grond, palen waaraan de slachtoffers werden vastgebonden alvorens te worden doodgeschoten. Die palen staan echter zo netjes tussen hegjes en bloemperkjes, dat je, als je niet beter wist, zou denken dat het een merkwaardig soort tuindecoratie is. En het hinderlijkste is nog wel dat het feit dat koning Boudewijn deze herdenkingsplek ooit ingewijd moet hebben, aanleiding gaf tot een beeldje dat het meest centraal van alles staat. Men zou toch verwachten dat de koning zijn naam kleiner geschreven zou hebben dan de slachtoffers om wie het daar te doen is.
    Toch, al dat wandelen en ronddwalen met de auto – het hielp me voor het schrijven van mijn stuk eigenlijk niets. Dat had ik bij het accepteren van de opdracht eigenlijk al kunnen weten: ik heb distantie nodig om nabij te komen. Ik zou nooit over Gent kunnen schrijven nu – al sluit ik niet uit dat in een roman of verhaal bepaalde delen aan Gent ontleend zouden kunnen worden. Groningen, dat ik tien jaar geleden verliet, is nu ineens heel nabij. Er zit tussen mij en mijn aanwezigheid in die stad inmiddels zoveel afstand (in de eerste plaats in tijd, belangrijker dan afstand in ruimte), dat ik me niet gedwongen voel me aan ‘de werkelijkheid’ te houden. Er is ruimte voor verbeelding. In die zin was het al voldoende geweest om bij deze opdracht gewoon aan mijn bureau gezeten een kaart uit te vouwen en eens goed te kijken naar het gebied dat ik zou bewandelen: namen (ach en wat voor namen! Zaffelare, Sint-Kruis-Winkel, Mendonk, Nerenhoek, Persijzer, Rullare, Vierweegse, Desteldonk...), namen en een vage wetenschap van het landschap zouden tezamen met wat ik zo vaagweg in mijn hoofd had wellicht voldoende zijn geweest. Tijdens het schrijven zelf merkte ik ook dat ik hier en daar de neiging had om een weg met een bepaalde naam ergens anders te situeren dan waar die zich bevond om zo literair gesproken een interessanter resultaat te verkrijgen. En met ‘interessanter’ bedoel ik dan eigenlijk: waarder. Soms lijkt de werkelijkheid te veel een leugen, of liever: is ze te onwaarschijnlijk, en is de waarheid omtrent die werkelijkheid beter gediend met een literair (leugenachtig) arrangement.
    Intussen hoop ik dat ik in het uiteindelijke stuk – waarop de samenstellers van het betreffende DW&B-nummer (je vraagt je bij dat blad wel eens af wat de redactie eigenlijk nog uitvoert...) héél erg lang hebben moeten, en vooral hebben willen wachten – hoop ik dat ik over het voetlicht heb kunnen krijgen wat me, niet alleen direct buiten Gent, maar ook in Gent zelf frappeert (en zo buitengewoon bevalt): dat de stad nergens eindigt en het land niet werkelijk ergens begint, dat de hardnekkige voorstelling van ‘de buiten’, zoals dat hier heet, tot in het centrum van de stad aanwezig lijkt te zijn en zich buiten de stad met een onbegrijpelijke volharding voortzet dwars tegen de moloch van het Gentse havengebied in, van walmende schoorstenen, dampende koeltorens en hete steenvlaktes. Merkwaardig genoeg krijg je bij het zien van al die idyllische boerderijtjes ten noordoosten van Gent niet de indruk dat het oorspronkelijke landschap hier wijkt voor de industrie, maar dat de idylle met een haast humoristische onverstoorbaarheid de werkelijkheid gewoonweg negeert. Anders is bijna niet te verklaren waarom de bewoners van een juist gerenoveerde hoeve onder de neerslaande rook van de verbrandingsoven niet alleen een tuintje aanlegden met groentebedden en fraai struikgewas, maar ook, in het zicht van het razende verkeer op de vierbaansweg nabij, een tuinbankje waarop men, al dan niet met oordopjes, ongetwijfeld des avonds west- en dus industriewaarts kijken zal naar de prachtig gekleurde uitstoot voor een ondergaande zon, als keek men uit over schier eindeloze velden die reiken tot de verste verte. Er is in dat hele gebied iets wat op onbegrijpelijke wijze negeert (of zou het verzwijgen zijn?) wat het geval is. In mijn stuk wijt ik het aan de kracht van ‘de buiten’, de mythe van een natuurlijk bestaan die zich handhaaft tegen alles in wat er allang mee heeft afgerekend. Een ‘kan wel zijn’, een ‘voor mijn part’, een ‘en toch’.
    In Doel bij Antwerpen wonen nog steeds mensen. Ik ben benieuwd hoelang de bewoners van ’t Zandeken ten noorden van Gent, die het einde van hun gehucht aangekondigd hebben gekregen, stand zullen houden.

  • Pin it!

    Wij

    Vandaag in De Morgen op de voorpagina Bernard Dewulf: over generatie- en wij-gevoel. Liever: over het ontbreken daarvan bij hemzelf. ‘Ik ken [de] weide van het wij niet,’ schrijft hij. ‘Ik weet niet waar mijn generatie staat te grazen.’ Zou hij doorhebben dat hij daarmee aangeeft tot een generatie te behoren? Waarschijnlijk wel. Aan het slot van zijn stuk heeft hij het even over ‘de generatie na ons’ Die zou zeggen: ‘Wij hebben een cause, maar we zijn geen rebel meer.’ ‘En dan hoor ik hier en daar toch wat verdeeld geloei opstijgen,’ schrijft Dewulf, ‘en ik weet niet of het lachen is of huilen.’
    Het toeval wil dat ik voor dezelfde krant vandaag mijn ‘links/rechts’-stuk afrondde, bestemd voor de laatste pagina van de boekenbijlage van aanstaande woensdag. Daartoe herlas ik eerder deze week Mensen zonder geld van Jan Mens, een boek dat ik op de middelbare school ooit eens las, en dat ik nu hier in de Gentse openbare bibliotheek uit het magazijn moest laten opdiepen. Ik heb zo’n vaag vermoeden dat het in Nederlandse bibliotheken niet anders is. Dat voor een schrijver die bij leven en welzijn (hij stierf in 1967) de best verkopende schrijver in Nederland was (in 1962 kreeg de burgemeester van Amsterdam het miljoenste exemplaar van zijn werk overhandigd). Een volksschrijver derhalve, samen met Jan de Hartog, A. den Doolaard en Johan Fabricius geliefd bij het zogeheten ‘grote publiek’, maar door de poortwachters van de literatuur altijd de toegang tot de hogere kunsten ontzegd. Nu dus ook verbannen naar de magazijnen van bibliotheken; op het internet is er met moeite iets over Jan Mens te vinden – of het moest zijn dat zijn trilogie De kleine waarheid in februari van dit jaar nog eens opnieuw werd uitgebracht ter gelegenheid van... de zestigste verjaardag van Willeke Alberti, die in de tv-bewerking uit begin jaren zeventig de hoofdrol speelde.
    In mijn stuk wijt ik het feit dat een zo goed verkopende auteur als Mens vrijwel geheel uit de belangstelling is verdwenen vooral aan het feit dat in zijn boeken gerefereerd wordt aan een bepaalde, in zichzelf gesloten wereld waarin de dingen allemaal nog op hun plaats staan – ‘aan de volstrekte vanzelfsprekendheid van de wereld “zoals zij nu eenmaal is”,’ zoals ik het stel – een wereld waarmee wij nu geen voeling meer hebben. Het is een wereld waarin het ‘wij’ nog betekenis had, waarin men dezelfde vooronderstellingen deelde, en meestal ook dezelfde vooroordelen. Opvallend in Mens’ roman is bijvoorbeeld het antisemitisme. Je kunt dat vandaag de dag niet onschuldig noemen, maar je voelt aan alles dat het dat in de roman zelf wél is. Men spreekt er even over ‘als Hitler komt’ (de roman verscheen in 1939), en dan zouden de joden het niet gemakkelijk krijgen, meent men. Volgens de een is dat maar terecht, want die joden bemoeien zich met van alles waarmee ze geen zaken hebben. Je bent geneigd om in deze openlijke antisemiet het échte kwaad te situeren – maar juist in hem schuilt het niet (voor zover domheid en kwaad niet volledig synoniem zijn). Het schuilt in degene die daar tegenin gaat en zegt dat men een kop van Jut nodig heeft voor de economische malaise, en dat de joden nu eenmaal die kop van Jut zijn. Dat is niet eerlijk natuurlijk, dat niet, maar ja... wat valt er aan te doen, niet waar? Het is nu eenmaal zo.
    Het enige ‘wat nu eenmaal zo is’, is dat in de door Mens geschetste wereld het antisemitisme een tamelijk normaal deel was van het leven zoals het was.
    Het zijn precies deze gedeelde vooroordelen die het ‘wij’ zo problematisch maken.

    ‘”Wij” zijn het slachtoffer van het hulpeloze “Ik”; “wij” zijn de koude verstening en de warme illusie van “ik”. Daarom is het credo van deze regels geboren tussen de verstening en de illusie, geboren als afkeer van “wij” en als liefde tot “wij”.’

    .Dat is Menno ter Braak in 1930, en we zijn op dit punt, wellicht mede vanwege Ter Braak (of dan toch in ieder geval vanwege degenen op wie hij zich baseerde) niet veel verder gekomen dan koude verstening en warme illusie als het om dat ‘wij’, als het om gemeenzaamheid gaat. ‘Wij’ zijn de eindeloze ontmaskeringen van waarheden en de waarheden achter de waarheden moe; ‘wij’ zuchten diep bij de zoveelste ironisering van wat in alle ironie klaarblijkelijk dan toch nog weer te serieus genomen werd, maar evenzeer is er de huiver waar ‘wij’ in onze naaktheid tegenover het ‘wij’ van – zo lijkt het – alle anderen komen te staan. En nog meer huivering inderdaad wanneer ‘wij’ geconfronteerd worden met de pragmatiek van een volgende generatie, met dat doel zonder rebellie. Dat laat zich niet anders begrijpen dan als een doel dat geformuleerd wordt binnen de kaders van de wereld ‘zoals zij nu eenmaal is’. En voor mij, en blijkbaar ook nog anderen, is er de diepe overtuiging dat men tegen dergelijk pragmatisme hevig te keer moet blijven gaan.
    Men kan moe worden van zijn eigen ‘kritische houding’, van de blijkbaar gevoelde noodzaak alles te blíjven ontmaskeren, van de geïnternaliseerde morele verplichting de ons gepresenteerde waarheden om en om te draaien; men zou van de weeromstuit iets willen beweren, iets Groots willen zeggen, iets Ontegenzeggelijks, iets wat een huivering door alle gelederen van de bevolking doet gaan, iets... iets heel erg waars, kortom; maar men komt terug bij het ‘hulpeloze ik’. En de enige pleister op de wonde is dat men dit onherstelbaar Ander-zijn dan toch nog deelt met anderen die even onherstelbaar in zichzelf gevangen zitten.
    Wij bestaan. Als halfwas. Als verlangen naar onszelf. Zoiets.

  • Pin it!

    Intussen

    Casino van Marja Brouwers valt me tot op heden niet mee. Deze ‘gedoodverfde winnares’ van de Libris-prijs (en gedoodverfde winnaars lopen dergelijke prijzen dan vaak mis) werd nogal de lucht in gestoken door deze en gene. ‘De grote jaren-negentig-roman’ heette het ergens. Krantentaal. Zoiets zeggen ze elke week. Zoals er elke week volgens enige recensent wel ergens de beste bundel, de beste roman, de beste essaybundel van het jaar verschenen blijkt te zijn. Niemand in het veld heeft nog voldoende gezag om met die kwalificatie ook maar iets anders teweeg te brengen dan schouderophalen bij de rest van het veld, of wat sikkeneurig gemor uitlopend op het persoonlijk beschimpen van degene die de bewering deed. Het lijkt zelfs verloren moeite om dergelijke kwalificaties in verband te brengen met een bepaalde literaire voorkeur, met een poëtica, om het deftig te zeggen.
    Mijn eigen reserve bij Brouwers-tot-op-heden (voor de goede orde: dat is pagina 122 van de in het totaal 553) heeft daar mogelijk wel iets mee te maken. Wat ik bij een Hermann Broch nog kon waarderen – een essay vervlochten in een roman – stoort me bij Marja Brouwers enorm. Dat kan ook liggen aan het niveau van de bedreven essayistiek, en aan het toontje waarop één en ander geschiedt. Persoonlijk heb ik het niet zo op romans die om de drie alinea’s worden onderbroken door maar weer eens een essayachtige uiteenzetting over, in dit geval, vaak populair-wetenschappelijke weetjes uit wetenschappelijk gezien niet altijd even onverdachte hoek, ter stoffering van een verhaal dat daar op zich helemaal niet om vraagt. Daar schuilt inderdaad een prozaopvatting achter, één die nog het beste vergeleken kan worden met wat Martin Esslin in zijn klassiek geworden The theatre of the Absurd (uit... 1961 alweer!) de voorkeur voor ‘de directe metafoor’ heeft genoemd. Ik erger me al aan de op zich nog niet eens zo storende uiteenzetting over Levinas in Het grote verlangen van Marcel Möring, omdat ik zo eigenwijs ben om te denken dat ik dit soort ‘aan-de-hand-nemerij’ van de auteur niet nodig heb, zodat het me van de weeromstuit vaak als dikdoenerij van de auteur zelf overkomt: o, hij moest even laten zien dat hij Levinas gelezen had... De enige manier waarop het noemen van filosofen of andere geleerden in romans voor mij verdraaglijk is, is als het gebeurt op de manier van De neus van Pinokkio van Kees ’t Hart, bijvoorbeeld, waarin het steeds gaat over Althusser. Het mooie daaraan is dat de naam van deze denker een soort running gag wordt in het boek, haast betekenisloos, maar dat je na verloop van tijd ontdekt dat de hoofdpersoon van de roman Althussers filosofie lééft, en er – net als Althusser zelf, zo lijkt het als je zijn L’avenir dure longtemps (1992) leest – het slachtoffer van is. Althusser is in dat boek geen erudiete opsmuk, geen terzijde van de auteur die zijn Bedoelingen nog eens onderstreept door (in feite) theoretische uiteenzettingen, maar zelf een metafoor voor waar het om draait. En als ’t Hart dan zelf toch de truc uithaalt van het citeren van sociologen, filosofen, psychologen of een combinatie van dat alles, verzint hij iemand als ‘Freusard’, waar je Freud, Lyotard, en als je wilt ook nog Foucault en Derrida in terug kunt vinden – dit ook alweer in het halflicht van de ironie (bij hem nadrukkelijk een halflicht, want ook op zijn minst half serieus).
    Ik heb het altijd zeer merkwaardig gevonden dat de vox populi aan de ene kant dol zegt te zijn op ‘directe’ gevoelens en dus ook op ‘autobiografisch’ geschrijf – wat meestal in één adem door een afkeer van ‘abstractie’ impliceert –, maar aan de andere kant snakt naar het soort abstracte theoretische uiteenzettingen als die van Möring in Het grote verlangen of die van Brouwers in Casino. In die zin was de passage die ik zelf opnam in het hoofdstuk ‘Baafs’ uit Touchdown voor mij een soort testcase, de passage waarin het gaat over het schaakbord, over het spel, en hoe er buiten het schaakbord niets anders is – iets waarmee Lesser het maar moeilijk heeft. Ik heb erg getwijfeld om die passage op te nemen, vanwege het te ‘expliciete’ karakter ervan. Wie immers op dat punt in het boek nog niet doorheeft dat dit Lessers probleem is, is voor dat boek allang verloren. Anderzijds begin ik langzamerhand door te krijgen dat men zelfs de beste lezer buitenspel kan zetten door al te subtiel, al te ‘impliciet’ te blijven. Uiteindelijk zit wat ik zeggen wil verscholen in hoe iedere zin op het papier staat – of laat ik het anders zeggen: was dat mijn ambitie, door mij ook wel eens onbescheiden geformuleerd als: ik wil dat wie het boek uit heeft, het gevoel heeft dat hij/zij van alles miste, maar dan zo dat hij/zij onmiddellijk het boek opnieuw wil lezen. Dat is hoog gegrepen, zo weet ik. Het is maar dat ik zelf dat soort boeken het allermooist vind. Het is uiteindelijk een iets andere invulling van wat me vroeger overkwam als ik een mooi boek had gelezen: dat het me speet dat ik het uit had, dat ik onmiddellijk terug wilde in die wereld die met de laatste bladzijde afgesloten werd, dat ik er wilde blijven.
    Maar behalve het feit van de uitweidingen zelf is er, vrees ik, bij Marja Brouwers nog iets anders wat me stoort. Ik merkte het gisterenavond, tussen de muggenjacht door (Brouwers' pil kwam van pas bij het meppen naar langszoemend ongedierte), toen ik een hele passage las over de babyboomgeneratie, waarvan Brouwers zelf zo’n beetje deel uitmaakt: het schampere toontje waarop ze over die periode schrijft. Kijk, men kan de babyboomers kwalijk nemen dat ze hun hoogdravende ideeën van voorheen hebben verkwanseld en zo mede en zwaar verantwoordelijk zijn voor de neoliberale ‘dictatuur’ (de kritiekloze ontmaskering van alle Grote Verhalen (de vergoddelijking van het eigen kritische denken) heeft alleen de Markt als beslissingsorgaan overgelaten); maar veel erger is dat daarna ook nog eens de oorspronkelijke bedoelingen worden verguisd. Een babyboomer herken je aan zijn eindeloze geschipper en zijn pogingen om zichzelf te slim af te zijn, hoe ze zichzelf altijd door menen te hebben en zo toch moreel met zichzelf in het reine blijven. Uiteindelijk is dat dé manier om de eigen verantwoordelijkheid te ontlopen. Zelf kritiek formuleren op de eigen naïviteit, die inmiddels wel zo ver werd doorgevoerd dat ze in cultureel, politiek en maatschappelijk opzicht tot kaalslag leidde – het is een manier om veilig te stellen wat eigenlijk op het spel staat. Het is nooit een mea culpa; het is altijd de voortzetting van de eigen, hooggewaardeerde kritische geest met andere middelen. Of anders gezegd: het lijkt me niet aan mevrouw Brouwers om te sneren op babyboomers als zij zelf is.
    Maar kom, pagina 122; nog ruim 400 te gaan.

  • Pin it!

    Verzeker u

    Gisteren tijdens de presentatie van Geert Buelens’ nieuwste bundel, Verzeker u streng toegesproken door iemand die meende dat ik op deze weblog mijn tijd zat te verdoen. Wat ik hiervóór over Hagar Peeters schreef had niet hier moeten staan, meende hij, maar hij had het willen zien op de daartoe bestemde plekken: in de tijdschriften zelf, desnoods in de krant. Bij dat laatste woord gromde ik wat. Het gaat er juist om dat er in de openbare ruimte, door de noodzaak literatuur als vooral nieuwsfeit te presenteren, al jarenlang geen werkelijke discussie over literatuur gevoerd is, althans geen discussie die vergelijkbaar is met de richtinggevende debatten die in het verleden aan literatuur een heuse draai wisten te geven. Ik refereerde nog even aan een artikel in Nederlandse Letterkunde van een aantal jaren terug: een overzicht van de debatten die er sinds het optreden van de Maximalen in de Nederlandse poëzie gevoerd zouden zijn. Het enige wat je daarover kunt zeggen, meende ik, is dat al die debatten nergens meer over gingen – ja, over de vraag of poëzie gemakkelijk of moeilijk moest zijn, een kulkwestie waarvan Pfeijffers ook al overmatig veel lawaai veroorzakende bijdrage in De Revisor voorlopig het laatste hoofdstukje vormt. Wat ik daarover precies dacht, schreef ik al in yang (2004, nr. 1).
    De noodzaak reflecties op poëzie, of op literatuur in het algemeen, aan te moeten passen aan journalistieke nieuwshonger en sensatiezucht (‘hoera! er gaan weer dichters elkaar te lijf!’), maakt dat eventueel belangrijke kwesties ondergesneeuwd raken. De Maximalen zijn daarvan eigenlijk nog het beste voorbeeld geweest: hun roep om romantische overmoed destijds – een beetje al te simplistisch geplaatst tegenover de ‘hermetische poëzie’ uit die jaren (maar juist dat simplisme werkte publicitair gezien uitstekend) – verraadt een serieuze bekommernis met wat ik elders wel ‘versteend postmodernisme’ heb genoemd, met een verlangen naar het niet-relativeerbare dat een weer als ‘echt’ ervaren werkelijkheid oplevert. Die bekommernis verdween volledig in het media-gedruis, zoals ook de toevoeging dat het weliswaar om ‘het grote gebaar’ ging, maar dat dat gebaar toentertijd niets anders meer kón zijn dan een pose. Misschien is dit nog eens de plek om te wijzen op de roman die Joost Niemöller daarover schreef, Broers. Daarin geeft Niemöller als artistiek credo voor precies die generatie het prachtig lege: ‘Kunst is het bestaande omgedraaid en omgedraaid is het bestaande kunst.’ En hij laat zien hoe zelfs zo’n slogan een (journalistieke) eendimensionale werkelijkheid creëert waarbinnen slachtoffers vallen (ik schreef er destijds over voor De Morgen). Een prachtig boek – ook alweer ongemerkt voorbijgegaan.
    Punt is dat deze kwesties te genuanceerd zijn voor de krantenman, die niet zit te wachten op bedachtzame scherpslijperijen van mensen die de hele dag vullen met het maken van tekstjes waarmee je bij de bakker geen brood kunt kopen. En misschien dat er dan elders een andersoortige openbaarheid te vinden is waar dat soort discussie nog wel een plaats kunnen vinden, opperde ik. Juist daar was mijn gesprekspartner niet werkelijk van overtuigd, omdat, zei hij, op die plekken er weinig tot niets van de grond komt. In ieder geval hier en daar voldoende om van mening te zijn dat het beter niet in een weblog was verschenen, dacht ik dan weer. Overigens sluit het één het ander niet uit. Als ik er de gelegenheid voor zie, zal ik ook in een tijdschriftstuk nog wel eens uitgebreid reageren op de vooronderstellingen in een stuk als dat van Hagar Peeters – en dat dan zonder me nog druk te maken om de beeldvorming rond mijn eigen persoon. Peeters’ standpunt, zo herhaal ik nog maar eens, is in al zijn naïviteit bedenkelijk.

    Intussen stonden wij in ‘de Gouden Kamer’ in het pand aan de Herengracht, en ik realiseerde het me ineens: hoevaak ik daar heb zitten vergaderen in Gids-verband (overigens geen prettige vergaderruimte, met al die spiegels; iedereen zocht tijdens de vergadering een zodanige plaats dat hij of zij niet gedurende de hele vergadering tegen het eigen hoofd zat aan te kijken; later verkasten we naar de kamer van de directeur (ik maakte er als redacteur in die vijf jaar twee mee)). Dat me dat juist op dat moment te binnen schoot, heeft alles te maken met het gegeven dat Meulenhoff binnen zeer korte tijd dit pand verlaat. So it goes, zou je kunnen zeggen, maar ik merk toch dat ik bij die gedachte op zijn minst somber en uiteindelijk zelfs kwaad word: alweer een uitgeverij die vakkundig de nek is omgedraaid uit naam van winst, nut en rendement. Alweer een reden om communist-na-de-feiten te worden. Al heeft een dergelijke reactie ook iets van een al te vroege sollicitatie naar een plekje in de bejaardensoos. De werkelijkheid wordt elders gemaakt. Maar het is een beetje zoals Gillis Dorleijn het een aantal weken geleden tegen me zei: een literaire uitgeverij moet het niet te doen zijn om winst.
    Aan de feestelijkheid van het gebeuren deed het niets af. Geert B. zelf zag er erg ontspannen uit – wat mij, in het algemeen, altijd bevreemdt van mensen die het zo onnoemelijk druk hebben. David Van Reybrouck leidde de bundel in en had er serieus werk van gemaakt, al was het een beetje spijtig dat hij zijn ‘laudatio’ begon met opmerkingen over de (on)toegankelijkheid van Geerts poëzie, weliswaar met de aantekening dat toegankelijkheid of (altijd vermeende) ontoegankelijkheid nu juist bij poëzie nauwelijks terzake doet, en uiteraard deed hij zijn uitspraak in de context van ‘goede verstaanders’ – maar toch: op een dergelijk moment wordt wat evident is in de bundel toch even gelegd naast het volstrekt niet evident zijn van poëzie tout court. Uiteraard om juist op het eerste de aandacht te vestigen – dat wel, natuurlijk. Het voegt misschien nog iets toe aan de constatering dat er sinds eind jaren tachtig geen serieus te noemen debatten over poëzie meer gevoerd zijn: de hooghartigheid van die constatering zelf. Er bestaat zelfs bij iemand als David de behoefte om verantwoording af te leggen tegenover ‘toegankelijkheid’, zodat, wat ik er ook van mag vinden, je uiteindelijk moet vaststellen dat, ondanks de verregaande onzinnigheid ervan, ‘toegankelijkheid’ blijkbaar een issue is. Zoals ik al zei: de werkelijkheid wordt elders gemaakt.
    Na Davids inleiding las Geert nog een aantal gedichten, onder andere de prachtige ‘uren’-reeks in het hart van de bundel, een reeks die bij mij herinneringen oproept aan een serie schilderijen van Jean Fautrier, ‘Têtes d’otages’ geheten, als ik me niet vergis. Waarom dat zo is, is niet helemaal duidelijk. Het heeft wellicht iets met de desolaatheid van de gedichten te maken.
    Tijdens zijn voordracht leek Geert overigens af en toe gestoord te worden door baby-gehuil op de gang, en het duurde even voordat ik door had dat het waarschijnlijk dat was wat hem in zijn voordracht deed haperen (alsof ik het toen pas hoorde).

  • Pin it!

    Hagar Peeters

    Met de nodige moeite de afgelopen week de nieuwe yang dan toch nog net op tijd bij de drukker gekregen. Het allerlaatste stuk kwam donderdagnacht rond twaalven binnen, en kon dus bij de laatste correctie de volgende ochtend nog net worden toegevoegd (de proef van de rest van het nummer had ik toen al doorgevlooid). Wat me tijdens de samenstelling parten speelde was toch een beetje de wrakkigheid van het concept, en dat bleek me al toen ik bijvoorbeeld aan DR probeerde uit te leggen waarom ‘emotie’ een dossier zou kunnen worden. Voor hem leek er op dat vlak nauwelijks een probleem te zijn, ik denk vooral omdat hij de voorschriften uit de cultuur minder als voorschriften opvat. Ik herinner me daarover ook al eens met Charlotte Mutsaers van gedachten te hebben gewisseld (naar aanleiding van mijn stuk over haar werk in – eerst - Fik & Snik, daarna: De inwijkeling). Tegenover mijn opmerking dat cultuur een geheel is van ‘opdrachten en mogelijkheden’ die in een bepaalde tijd opgeld doet, protesteerde ze hevig: het leek haar idioot dat er ook maar iets ‘verplicht’ gesteld zou kunnen worden. In een meer absolute zin is daar ook geen enkele redelijke reden voor te verzinnen; het is maar dat zij zélf voortdurend van leer trekt tegen bijvoorbeeld de ‘voorwaardelijkheid’ die aan de schoonheidsbeleving opgelegd wordt sinds minstens de Tweede Wereldoorlog, en die ‘voorwaardelijkheid’ is, hoe idioot ook vanuit een andere invalshoek, sinds die Tweede Wereldoorlog deel van onze ‘cultuur’. De vraag of je na Auschwitz nog poëzie kunt schrijven, is in zekere zin idioot (natuurlijk kan dat), maar geldt sinds ze ooit werd gesteld, toch als een te nemen horde voor dichters met een greintje historisch besef. Zelf heb ik Mutsaers’ werk ‘gevaarlijker’ willen maken dan in de receptie de gewoonte was, en de nadruk willen leggen op de rücksichtslosigkeit die achter al haar werk schuilt. Die maakt, juist waar ‘de’ cultuur alomtegenwoordig relativisme eist en op grond daarvan haar werk reduceert tot het wat brutale gebabbel van een aardige, en aardig gekke dame, tot vooral iets geweldig ‘leuks’ – die rücksichtslosigkeit maakt dat juist op dat moment haar werk een bijna terroristische inslag krijgt. Mutsaers is gevaarlijk voor iedere ironicus die van het ontbreken van waarheid zijn eigen nieuwe waarheid heeft gemaakt en die zich meer dan behaaglijk voelt in de onbehaaglijkheid van onze cultuur.; haar werk is in tegenspraak met het vertederde gebabbel dat sommige critici er op hebben losgelaten.
    Om die botsing gaat het ook bij zoiets als ‘emotie’ en literatuur – en dat DR zoiets logisch acht en het probleem erachter niet ziet, kan te maken hebben met onverschilligheid voor wat ‘de’ cultuur hier voorschrijft, maar helemaal zeker ben ik daar niet van. We moesten nog maar eens afspreken, zoals hij ook niet zonder humor voorstelde, om ‘een goed gesprek over emotie te hebben’. Ik moet er ernstig rekening mee houden dat het door mij bedoelde probleem meer iets is voor ‘mijn’ generatie: het speelde in ieder geval in alle heftigheid aan het eind van de jaren tachtig, toen ‘mijn’ generatie haar onvrede beleed met een alomtegenwoordige, aan alles voorafgaande relativiteit, snakte naar waarheden, echtheid en heus gevoel, maar de weg naar de directe uitdrukking van dat alles geblokkeerd zag door datgene waarmee ‘de vorigen’ haar desalniettemin hadden opgezadeld. Het kan zijn dat een nieuwe (door een socioloog ooit al ‘pragmatisch’ genoemde) generatie zich van dat hele probleem heeft afgewend, al lijkt me dat voor iemand als DR een te lichtzinnige conclusie.
    Intussen kreeg ik via JT een stuk van Hagar Peeters uit de recenste Awater toegestuurd dat hier bij lijkt aan te sluiten. Het stuk op zich is overigens om van te snikken: van een simpelheid die je in een schoolopstel misschien nog mag verwachten, maar die je als serieuze bijdrage aan enig debat écht alleen maar kunt weglachen. Het begint al met de titel: ‘Adieu avant-garde!’ heet het, met als ondertitel: ‘naar een onbevangen poëziekritiek’. Eigenlijk is zoiets heerlijk, zowel de titel als de subtitel, want wat kan ‘adieu avant-garde’ hier anders betekenen dan, een overigens wel hééél erg laat ingezette aanval op een eerst als dominant verklaarde ‘richting’ of ‘poëtica’ met geen andere bedoeling om vervolgens op klassiek avant-gardistische wijze ruimte te scheppen voor het eigen gelijk – en dat gelijk is dan min of meer verwoord in de subtitel: onbevangenheid, a-poëticale onbevlekte poëtische ontvangenis. Alweer een maagdekijn opgestaan in de powezije die hobbelend op het ezeltje van haar stijl meent dat er in de herberg geen plaats voor haar is, en alweer een blad dat toch werd opgericht met de bedoeling poëzie serieus te nemen die deze flagrante onzin zonder blikken of blozen publiceert. Want nog voor je met Peeters in discussie zou kunnen gaan: het staat zo vol literair-historische, literair-kritische en literair-wetenschappelijke nonsens en verwarde, maar uiteraard goede bedoelingen van de dichteres in kwestie dat je zin voor zin zou moeten nalopen om uit te leggen waarom die alleen al feitelijk niet kloppen. Daarbij is de nauwelijks verborgen agenda van het stuk: genoegdoening voor de blijkbaar voor Peeters niet geheel naar wens verlopen onderhandelingen in de VSB-jury. Thomas Vaessens en ik moeten beslist even terecht gewezen worden. Met als extra ironie dat ze in het stuk – ook alweer op een wijze die werkelijk nergens op slaat – vrouwen en mannen tegenover elkaar plaatst, terwijl als ik goed geteld heb de jury van de VSB toch uit drie vrouwen en maar twee mannen bestond.
    Peeters neemt, als ik het goed zie, vooral uit het boek van Vaessens en Joosten het nodige over aangaande ‘postmoderne poëzie’ – en ze kan niet weten dat ik juist tegenover dat boek zeer ernstige bezwaren had en heb (ik heb ze nergens publiek gemaakt). Op basis van omschrijvingen die daar gegeven worden, is haar ‘stelling’, zoals ze deftig zegt, ‘dat de postmoderne literatuurkritiek een aangemeten keurslijf is.’ Ze bedoelt waarschijnlijk (dat is in dit stuk vanwege de inexacte formuleringen nooit helemaal duidelijk): dat postmoderne literatuurkritiek literatuur niet per se op haar merites benadert. Nee, natuurlijk niet. Zoals geen enkele kritiek literatuur op uitsluitend haar eigen merites benadert. Ze interpreteert literatuur vanuit bepaalde vooronderstellingen. Dat doet de (eigenlijk door Peeters voorgestane) subjectieve literatuurkritiek ook. Het blijkt erg moeilijk om in, vooral Amsterdam, uitgelegd te krijgen dat ‘postmoderne literatuurkritiek’ niet per se theoretischer van aard is dan ‘romantische’, ‘modernistische’, ‘autobiografische’ of nog weer een andersoortige literatuurkritiek. Het gaat om vooronderstellingen – aangaande literatuur en aangaande de verhouding tussen literatuur en werkelijkheid. (Ik vond dat Jeroen Theunissen het in zijn stuk voor yang erg mooi en duidelijk verwoordde: Een geslaagde literaire tekst beweegt zich op het spanningsveld tussen het blootleggen van de strategieën waarmee werkelijkheid geconstrueerd wordt en het problematische proces van (ideologische) werkelijkheidsconstructie zelf). Het gaat vooral om de legitimering van de keuze voor het één en ander. Door te suggereren dat zoiets als ‘postmoderne literatuurkritiek’ zwaar theoretisch geneuzel is dat literatuur in een keurslijf dwingt, en daartegenover een ‘gewone’, ‘emotionele’, zogenaamd ‘directe’ en ook nog eens ‘onbevangen’ literatuurkritiek te stellen, ontslaat Peeters zich van de plicht haar eigen oordelen te legitimeren. Want we weten immers allemaal wat ‘gevoel’ is, niet waar? Er is toch niemand zo’n monster dat hij of zij dat niet zou begrijpen?
    Nou, kijk eens, ik weet wat Anna Enquist is overkomen, dat ze haar dochter verloor op één van de meest dramatische manieren die je je kunt denken: met die ene klap die een verkeersongeluk nu eenmaal is, op een manier die afscheid onmogelijk maakt, die van je eist dat je van het ene op het andere moment moet leven met een ‘nooit meer’, met een afwezigheid waarvoor het leven je – als ouder – op geen enkele manier had voorbereid, ook al weet je in theorie dat het kan gebeuren, omdat immers alles kan gebeuren (reden waarom het menselijkerwijs gesproken niet mogelijk is er rekening mee te houden). Ik weet het niet als ouder, enkel als de broer die ik... wás (en vreemd genoeg sindsdien niet meer bén; ook alweer zo’n wrede taalgrap), maar dat is genoeg om me alleen al bij het bericht van Enquists dochter meer dan een voorstelling te maken van het op zich onvoorstelbare verdriet dat haar deel is. Ik begrijp vanwege mijn eigen ‘schriftelijke natuur’, om het zo maar te zeggen, de behoefte, de noodzaak zelfs, om de onmacht, de woede, het lijden aan het papier toe te vertrouwen, maar wat mij overkomt bij Enquists bundel De tussentijd, zou mij al overkomen zijn bij wat ik dan mogelijk zelf in al mijn onmacht aan het papier had toevertrouwd nog voor ik het in de openbaarheid zou brengen: dat de woorden niks betekenen, niet bij machte zijn uitdrukking te verlenen aan het immense lijden dat mij kwelt. Laat staan dat ze een ander iets duidelijk kunnen maken. Het feit dat iemand als Thomése dat in zijn Schaduwkind juist thematiseert – omdat hij als schrijver het altijd in de vorm heeft gezocht, altijd een diep besef heeft gehad van het feit dat het de vorm is die de inhoud maakt, en niet omgekeerd – redt zijn kleine boekje van de machteloosheid waaraan Enquist in haar bundel, helaas, niet ontsnapt. Dat is op zich al dramatisch genoeg om vast te stellen. Maar het heeft in het geval van Enquist ook te maken met wat ik toch een gebrek aan talent noem, met het feit dat zij altijd al heeft gemeend dat wanneer je maar flink heftig tekeer ging, de intensiteit van je emotie wel duidelijk was, terwijl haar gedichten toentertijd op mij enkel een hysterische indruk maakten, de indruk van iemand die graag wil zeggen dat hij bijvoorbeeld wanhopig is, maar die met een zin als: ‘de wanhoop staat met windkracht tien in mijn rug’ (of iets dergelijks) eigenlijk alleen maar de lachlust opwekt.
    Uiteraard zijn dit allemaal overwegingen die je nu juist bij een bundel als De tussentijd niet zou willen hebben, omdat het iets zeer wreeds heeft tegenover de persoon van de dichteres om datgene wat als authentiek verdriet aan de basis van deze poëzie ligt, in die poëzie als zo ongeveer het minst authentieke wat je je kunt voorstellen aan de kaak te moeten stellen. En dat terwijl ik op dit punt al heel wat voorzichtiger ben geworden dan ik vroeger wel was. Een beetje te kwader trouw haalt Peeters in haar stuk mijn recensie op Bloem, steen van Jansma aan (lang geleden verschenen in PK). In die recensie had ik gelijkaardige problemen met Jansma’s poëzie, die immers, zo meende ik te weten, geschreven was naar aanleiding van de dood van haar kind. Dat klopte ook wel, maar ik moest één bundel later vaststellen (Jansma’s Waaigat) dat ik mij in Bloem, steen zelf had laten ringeloren door de biografische informatie die aan die poëzie vooraf ging, er blijkbaar niet ‘doorheen’ had weten te lezen. Pas in Waaigat zag ik wat Jansma als dichteres aan het doen was – ook zonder dramatische biografische feiten – en dat ze in Bloem, steen eigenlijk allang op dezelfde manier bezig was. Natuurlijk gingen die gedichten over de dood van haar kind, maar, zag ik na het lezen van Waaigat, ze deden veel meer dan dat (en die van Enquist niet). ‘Wanneer krijgt een dichter werkelijk zijn eigen stem?’ zo vroeg ik me af,

    Wanneer zijn de invloeden die hij onderging zó verwerkt (niet weggewerkt: zonder invloeden is geen enkel dichterschap mogelijk) dat de poëzie die hij schrijft onvervreemdbaar de zijne is? Dat moment is moeilijk te bepalen, want de bundel waarin een dichter ogenschijnlijk voor het eerst geheel namens zichzelf spreekt, blijkt bij nader inzien logisch voort te vloeien uit wat hij daarvóór al schreef, en wie terugbladert naar dat eerdere werk ontdekt dat die eigenheid er ook toen al was.
    Het is wat mij overkwam bij het lezen van Esther Jansma's derde bundel,
    Waaigat. Haar vorige bundel, Bloem, steen (over het verdriet, de woede en de pijn om een doodgeboren kind), vond ik bij verschijnen in 1990 tekortschieten. Maar nu ik die bundel nog eens opnieuw heb gelezen, ontdek ik dat de dichteres die Jansma voor mij pas met Waaigat is geworden, eigenlijk ook al in Bloem, steen aanwezig was. Dat is een andere manier om te zeggen dat ik in 1990 zelf, als lezer, tekortschoot. Ik heb toen niet gezien dat de gedichten – behalve over rouw – vooral gingen over het verdriet en de woede die veroorzaakt worden door de scherp gevoelde onmacht om in taal ook maar iets tot leven te wekken.

    Ik acht het niet onmogelijk dat die laatste constatering veel te maken had met een bekommernis die ik toen vooral had. Ik wilde vooral die onmogelijkheid scherp aangezet zien in literatuur, zij het met de bedoeling om de onoorbaarheid daarvan des te heviger voelbaar te maken; of, zoals het toen heette: het ‘paginawit’ niet als doel (dus niet Kouwenaars ‘van alle maken is doodmaken wel het volmaakste’), maar als afschuwwekkend resultaat van ons onvermogen nog een gemeenschappelijke grond te vinden – vooruit: een waarheid – die maakte dat ons spreken deelbaar was. Verlost worden uit de eenzaamheid die de discontinuïteit tussen taal en wereld, en daarmee tussen mens en mens, gemeenschap en gemeenschap had veroorzaakt, op willen gaan in een groot, harmonisch geheel, in een gemeenschap van gelijkgestemden – maar natuurlijk daartoe niet in staat zijn, en het tegelijkertijd gevaarlijk vinden, al dan niet met een beroep op het verleden, al dan niet door te refereren aan de gevolgen van het twintigste eeuwse utopisch denken. En ook niet weten welke ‘waarheid’ het dan zou moeten zijn waarvoor alle zielen (als vanouds, zo heb ik altijd begrepen) weer gelijk zouden zijn.
    Dat is uiteindelijk het allerbedenkelijkste aan zo’n stuk als dat van Peeters: dat ze net doet alsof iedereen die waarheid problematiseert een zwaar theoretische postmodernistisch mannelijk onmens is die de ‘authentieke’, ‘onproblematische’, ‘onbevooroordeelde’, vrouwelijke spontaneïteit inperkt. Haar vragen dat authentieke, onproblematische etc. eens nader toe te lichten, zou al een bewijs zijn van mijn masculiene neiging haar in te perken. Het is uiteindelijk het puberale ‘nou, ik vóél dat nou eenmaal zo’, dat inderdaad ook uit haar eigen gedichtjes wasemt, en dat maakt dat zulks op een podium nog best wel leuk kan zijn (bést wel), maar op papier verkruimelt tot schoolkrantgeneuzel.
    Dat neemt niet weg dat ze natuurlijk een punt heeft als het gaat om ‘mannelijk’ en ‘vrouwelijk’ schrijven, maar ik vrees dat de feministische literatuurkritiek, werk van Luce Irigaray bijvoorbeeld, of ander feministisch werk, van laten we zeggen: Rosi Braidotti of Camille Paglia, aan dit schoolmeiske niet zijn besteed. Het eerste wat ze daaruit zou kunnen en moeten oppikken is dat de door haar voorgestane ‘onbevangenheid’ een fictie is die meestal de masculiene visie op de werkelijkheid ten goede komt. Ik begrijp haar verlangen naar een mooie overzichtelijke wereld waarin we het allemaal perfect eens zijn over wat ‘emotioneel’ is en wat niet maar al te goed – beter dan me lief is, eigenlijk – maar in de door Hagar Peeters bewoonde wereld van overambitieuze giebelende pubertjes wil ik niet leven – en gelukkig hoeft dat voorlopig ook nog niet, al heeft het neoliberalisme met haar nadruk op de markt al wel een gemeenzaamheid geschapen die soms ronduit wurgend is.
    ‘Lees ons dichters even onbevooroordeeld als Duinker de wereld leest,’ zo besluit Peeters haar stuk, refererend aan onder andere mijn ‘Gefouilleerd door de werkelijkheid’(yang 2001, nr. 1) - dat ze niet begrepen heeft. Zo wordt het een soort advies aan mijn adres. Tiens, ik zou er bijna toe komen Peeters reactie op Duinker als laureaat uitgebreid, zéér uitgebreid te gaan beschrijven...