03-07-05

Hagar Peeters

Met de nodige moeite de afgelopen week de nieuwe yang dan toch nog net op tijd bij de drukker gekregen. Het allerlaatste stuk kwam donderdagnacht rond twaalven binnen, en kon dus bij de laatste correctie de volgende ochtend nog net worden toegevoegd (de proef van de rest van het nummer had ik toen al doorgevlooid). Wat me tijdens de samenstelling parten speelde was toch een beetje de wrakkigheid van het concept, en dat bleek me al toen ik bijvoorbeeld aan DR probeerde uit te leggen waarom ‘emotie’ een dossier zou kunnen worden. Voor hem leek er op dat vlak nauwelijks een probleem te zijn, ik denk vooral omdat hij de voorschriften uit de cultuur minder als voorschriften opvat. Ik herinner me daarover ook al eens met Charlotte Mutsaers van gedachten te hebben gewisseld (naar aanleiding van mijn stuk over haar werk in – eerst - Fik & Snik, daarna: De inwijkeling). Tegenover mijn opmerking dat cultuur een geheel is van ‘opdrachten en mogelijkheden’ die in een bepaalde tijd opgeld doet, protesteerde ze hevig: het leek haar idioot dat er ook maar iets ‘verplicht’ gesteld zou kunnen worden. In een meer absolute zin is daar ook geen enkele redelijke reden voor te verzinnen; het is maar dat zij zélf voortdurend van leer trekt tegen bijvoorbeeld de ‘voorwaardelijkheid’ die aan de schoonheidsbeleving opgelegd wordt sinds minstens de Tweede Wereldoorlog, en die ‘voorwaardelijkheid’ is, hoe idioot ook vanuit een andere invalshoek, sinds die Tweede Wereldoorlog deel van onze ‘cultuur’. De vraag of je na Auschwitz nog poëzie kunt schrijven, is in zekere zin idioot (natuurlijk kan dat), maar geldt sinds ze ooit werd gesteld, toch als een te nemen horde voor dichters met een greintje historisch besef. Zelf heb ik Mutsaers’ werk ‘gevaarlijker’ willen maken dan in de receptie de gewoonte was, en de nadruk willen leggen op de rücksichtslosigkeit die achter al haar werk schuilt. Die maakt, juist waar ‘de’ cultuur alomtegenwoordig relativisme eist en op grond daarvan haar werk reduceert tot het wat brutale gebabbel van een aardige, en aardig gekke dame, tot vooral iets geweldig ‘leuks’ – die rücksichtslosigkeit maakt dat juist op dat moment haar werk een bijna terroristische inslag krijgt. Mutsaers is gevaarlijk voor iedere ironicus die van het ontbreken van waarheid zijn eigen nieuwe waarheid heeft gemaakt en die zich meer dan behaaglijk voelt in de onbehaaglijkheid van onze cultuur.; haar werk is in tegenspraak met het vertederde gebabbel dat sommige critici er op hebben losgelaten.
Om die botsing gaat het ook bij zoiets als ‘emotie’ en literatuur – en dat DR zoiets logisch acht en het probleem erachter niet ziet, kan te maken hebben met onverschilligheid voor wat ‘de’ cultuur hier voorschrijft, maar helemaal zeker ben ik daar niet van. We moesten nog maar eens afspreken, zoals hij ook niet zonder humor voorstelde, om ‘een goed gesprek over emotie te hebben’. Ik moet er ernstig rekening mee houden dat het door mij bedoelde probleem meer iets is voor ‘mijn’ generatie: het speelde in ieder geval in alle heftigheid aan het eind van de jaren tachtig, toen ‘mijn’ generatie haar onvrede beleed met een alomtegenwoordige, aan alles voorafgaande relativiteit, snakte naar waarheden, echtheid en heus gevoel, maar de weg naar de directe uitdrukking van dat alles geblokkeerd zag door datgene waarmee ‘de vorigen’ haar desalniettemin hadden opgezadeld. Het kan zijn dat een nieuwe (door een socioloog ooit al ‘pragmatisch’ genoemde) generatie zich van dat hele probleem heeft afgewend, al lijkt me dat voor iemand als DR een te lichtzinnige conclusie.
Intussen kreeg ik via JT een stuk van Hagar Peeters uit de recenste Awater toegestuurd dat hier bij lijkt aan te sluiten. Het stuk op zich is overigens om van te snikken: van een simpelheid die je in een schoolopstel misschien nog mag verwachten, maar die je als serieuze bijdrage aan enig debat écht alleen maar kunt weglachen. Het begint al met de titel: ‘Adieu avant-garde!’ heet het, met als ondertitel: ‘naar een onbevangen poëziekritiek’. Eigenlijk is zoiets heerlijk, zowel de titel als de subtitel, want wat kan ‘adieu avant-garde’ hier anders betekenen dan, een overigens wel hééél erg laat ingezette aanval op een eerst als dominant verklaarde ‘richting’ of ‘poëtica’ met geen andere bedoeling om vervolgens op klassiek avant-gardistische wijze ruimte te scheppen voor het eigen gelijk – en dat gelijk is dan min of meer verwoord in de subtitel: onbevangenheid, a-poëticale onbevlekte poëtische ontvangenis. Alweer een maagdekijn opgestaan in de powezije die hobbelend op het ezeltje van haar stijl meent dat er in de herberg geen plaats voor haar is, en alweer een blad dat toch werd opgericht met de bedoeling poëzie serieus te nemen die deze flagrante onzin zonder blikken of blozen publiceert. Want nog voor je met Peeters in discussie zou kunnen gaan: het staat zo vol literair-historische, literair-kritische en literair-wetenschappelijke nonsens en verwarde, maar uiteraard goede bedoelingen van de dichteres in kwestie dat je zin voor zin zou moeten nalopen om uit te leggen waarom die alleen al feitelijk niet kloppen. Daarbij is de nauwelijks verborgen agenda van het stuk: genoegdoening voor de blijkbaar voor Peeters niet geheel naar wens verlopen onderhandelingen in de VSB-jury. Thomas Vaessens en ik moeten beslist even terecht gewezen worden. Met als extra ironie dat ze in het stuk – ook alweer op een wijze die werkelijk nergens op slaat – vrouwen en mannen tegenover elkaar plaatst, terwijl als ik goed geteld heb de jury van de VSB toch uit drie vrouwen en maar twee mannen bestond.
Peeters neemt, als ik het goed zie, vooral uit het boek van Vaessens en Joosten het nodige over aangaande ‘postmoderne poëzie’ – en ze kan niet weten dat ik juist tegenover dat boek zeer ernstige bezwaren had en heb (ik heb ze nergens publiek gemaakt). Op basis van omschrijvingen die daar gegeven worden, is haar ‘stelling’, zoals ze deftig zegt, ‘dat de postmoderne literatuurkritiek een aangemeten keurslijf is.’ Ze bedoelt waarschijnlijk (dat is in dit stuk vanwege de inexacte formuleringen nooit helemaal duidelijk): dat postmoderne literatuurkritiek literatuur niet per se op haar merites benadert. Nee, natuurlijk niet. Zoals geen enkele kritiek literatuur op uitsluitend haar eigen merites benadert. Ze interpreteert literatuur vanuit bepaalde vooronderstellingen. Dat doet de (eigenlijk door Peeters voorgestane) subjectieve literatuurkritiek ook. Het blijkt erg moeilijk om in, vooral Amsterdam, uitgelegd te krijgen dat ‘postmoderne literatuurkritiek’ niet per se theoretischer van aard is dan ‘romantische’, ‘modernistische’, ‘autobiografische’ of nog weer een andersoortige literatuurkritiek. Het gaat om vooronderstellingen – aangaande literatuur en aangaande de verhouding tussen literatuur en werkelijkheid. (Ik vond dat Jeroen Theunissen het in zijn stuk voor yang erg mooi en duidelijk verwoordde: Een geslaagde literaire tekst beweegt zich op het spanningsveld tussen het blootleggen van de strategieën waarmee werkelijkheid geconstrueerd wordt en het problematische proces van (ideologische) werkelijkheidsconstructie zelf). Het gaat vooral om de legitimering van de keuze voor het één en ander. Door te suggereren dat zoiets als ‘postmoderne literatuurkritiek’ zwaar theoretisch geneuzel is dat literatuur in een keurslijf dwingt, en daartegenover een ‘gewone’, ‘emotionele’, zogenaamd ‘directe’ en ook nog eens ‘onbevangen’ literatuurkritiek te stellen, ontslaat Peeters zich van de plicht haar eigen oordelen te legitimeren. Want we weten immers allemaal wat ‘gevoel’ is, niet waar? Er is toch niemand zo’n monster dat hij of zij dat niet zou begrijpen?
Nou, kijk eens, ik weet wat Anna Enquist is overkomen, dat ze haar dochter verloor op één van de meest dramatische manieren die je je kunt denken: met die ene klap die een verkeersongeluk nu eenmaal is, op een manier die afscheid onmogelijk maakt, die van je eist dat je van het ene op het andere moment moet leven met een ‘nooit meer’, met een afwezigheid waarvoor het leven je – als ouder – op geen enkele manier had voorbereid, ook al weet je in theorie dat het kan gebeuren, omdat immers alles kan gebeuren (reden waarom het menselijkerwijs gesproken niet mogelijk is er rekening mee te houden). Ik weet het niet als ouder, enkel als de broer die ik... wás (en vreemd genoeg sindsdien niet meer bén; ook alweer zo’n wrede taalgrap), maar dat is genoeg om me alleen al bij het bericht van Enquists dochter meer dan een voorstelling te maken van het op zich onvoorstelbare verdriet dat haar deel is. Ik begrijp vanwege mijn eigen ‘schriftelijke natuur’, om het zo maar te zeggen, de behoefte, de noodzaak zelfs, om de onmacht, de woede, het lijden aan het papier toe te vertrouwen, maar wat mij overkomt bij Enquists bundel De tussentijd, zou mij al overkomen zijn bij wat ik dan mogelijk zelf in al mijn onmacht aan het papier had toevertrouwd nog voor ik het in de openbaarheid zou brengen: dat de woorden niks betekenen, niet bij machte zijn uitdrukking te verlenen aan het immense lijden dat mij kwelt. Laat staan dat ze een ander iets duidelijk kunnen maken. Het feit dat iemand als Thomése dat in zijn Schaduwkind juist thematiseert – omdat hij als schrijver het altijd in de vorm heeft gezocht, altijd een diep besef heeft gehad van het feit dat het de vorm is die de inhoud maakt, en niet omgekeerd – redt zijn kleine boekje van de machteloosheid waaraan Enquist in haar bundel, helaas, niet ontsnapt. Dat is op zich al dramatisch genoeg om vast te stellen. Maar het heeft in het geval van Enquist ook te maken met wat ik toch een gebrek aan talent noem, met het feit dat zij altijd al heeft gemeend dat wanneer je maar flink heftig tekeer ging, de intensiteit van je emotie wel duidelijk was, terwijl haar gedichten toentertijd op mij enkel een hysterische indruk maakten, de indruk van iemand die graag wil zeggen dat hij bijvoorbeeld wanhopig is, maar die met een zin als: ‘de wanhoop staat met windkracht tien in mijn rug’ (of iets dergelijks) eigenlijk alleen maar de lachlust opwekt.
Uiteraard zijn dit allemaal overwegingen die je nu juist bij een bundel als De tussentijd niet zou willen hebben, omdat het iets zeer wreeds heeft tegenover de persoon van de dichteres om datgene wat als authentiek verdriet aan de basis van deze poëzie ligt, in die poëzie als zo ongeveer het minst authentieke wat je je kunt voorstellen aan de kaak te moeten stellen. En dat terwijl ik op dit punt al heel wat voorzichtiger ben geworden dan ik vroeger wel was. Een beetje te kwader trouw haalt Peeters in haar stuk mijn recensie op Bloem, steen van Jansma aan (lang geleden verschenen in PK). In die recensie had ik gelijkaardige problemen met Jansma’s poëzie, die immers, zo meende ik te weten, geschreven was naar aanleiding van de dood van haar kind. Dat klopte ook wel, maar ik moest één bundel later vaststellen (Jansma’s Waaigat) dat ik mij in Bloem, steen zelf had laten ringeloren door de biografische informatie die aan die poëzie vooraf ging, er blijkbaar niet ‘doorheen’ had weten te lezen. Pas in Waaigat zag ik wat Jansma als dichteres aan het doen was – ook zonder dramatische biografische feiten – en dat ze in Bloem, steen eigenlijk allang op dezelfde manier bezig was. Natuurlijk gingen die gedichten over de dood van haar kind, maar, zag ik na het lezen van Waaigat, ze deden veel meer dan dat (en die van Enquist niet). ‘Wanneer krijgt een dichter werkelijk zijn eigen stem?’ zo vroeg ik me af,

Wanneer zijn de invloeden die hij onderging zó verwerkt (niet weggewerkt: zonder invloeden is geen enkel dichterschap mogelijk) dat de poëzie die hij schrijft onvervreemdbaar de zijne is? Dat moment is moeilijk te bepalen, want de bundel waarin een dichter ogenschijnlijk voor het eerst geheel namens zichzelf spreekt, blijkt bij nader inzien logisch voort te vloeien uit wat hij daarvóór al schreef, en wie terugbladert naar dat eerdere werk ontdekt dat die eigenheid er ook toen al was.
Het is wat mij overkwam bij het lezen van Esther Jansma's derde bundel,
Waaigat. Haar vorige bundel, Bloem, steen (over het verdriet, de woede en de pijn om een doodgeboren kind), vond ik bij verschijnen in 1990 tekortschieten. Maar nu ik die bundel nog eens opnieuw heb gelezen, ontdek ik dat de dichteres die Jansma voor mij pas met Waaigat is geworden, eigenlijk ook al in Bloem, steen aanwezig was. Dat is een andere manier om te zeggen dat ik in 1990 zelf, als lezer, tekortschoot. Ik heb toen niet gezien dat de gedichten – behalve over rouw – vooral gingen over het verdriet en de woede die veroorzaakt worden door de scherp gevoelde onmacht om in taal ook maar iets tot leven te wekken.

Ik acht het niet onmogelijk dat die laatste constatering veel te maken had met een bekommernis die ik toen vooral had. Ik wilde vooral die onmogelijkheid scherp aangezet zien in literatuur, zij het met de bedoeling om de onoorbaarheid daarvan des te heviger voelbaar te maken; of, zoals het toen heette: het ‘paginawit’ niet als doel (dus niet Kouwenaars ‘van alle maken is doodmaken wel het volmaakste’), maar als afschuwwekkend resultaat van ons onvermogen nog een gemeenschappelijke grond te vinden – vooruit: een waarheid – die maakte dat ons spreken deelbaar was. Verlost worden uit de eenzaamheid die de discontinuïteit tussen taal en wereld, en daarmee tussen mens en mens, gemeenschap en gemeenschap had veroorzaakt, op willen gaan in een groot, harmonisch geheel, in een gemeenschap van gelijkgestemden – maar natuurlijk daartoe niet in staat zijn, en het tegelijkertijd gevaarlijk vinden, al dan niet met een beroep op het verleden, al dan niet door te refereren aan de gevolgen van het twintigste eeuwse utopisch denken. En ook niet weten welke ‘waarheid’ het dan zou moeten zijn waarvoor alle zielen (als vanouds, zo heb ik altijd begrepen) weer gelijk zouden zijn.
Dat is uiteindelijk het allerbedenkelijkste aan zo’n stuk als dat van Peeters: dat ze net doet alsof iedereen die waarheid problematiseert een zwaar theoretische postmodernistisch mannelijk onmens is die de ‘authentieke’, ‘onproblematische’, ‘onbevooroordeelde’, vrouwelijke spontaneïteit inperkt. Haar vragen dat authentieke, onproblematische etc. eens nader toe te lichten, zou al een bewijs zijn van mijn masculiene neiging haar in te perken. Het is uiteindelijk het puberale ‘nou, ik vóél dat nou eenmaal zo’, dat inderdaad ook uit haar eigen gedichtjes wasemt, en dat maakt dat zulks op een podium nog best wel leuk kan zijn (bést wel), maar op papier verkruimelt tot schoolkrantgeneuzel.
Dat neemt niet weg dat ze natuurlijk een punt heeft als het gaat om ‘mannelijk’ en ‘vrouwelijk’ schrijven, maar ik vrees dat de feministische literatuurkritiek, werk van Luce Irigaray bijvoorbeeld, of ander feministisch werk, van laten we zeggen: Rosi Braidotti of Camille Paglia, aan dit schoolmeiske niet zijn besteed. Het eerste wat ze daaruit zou kunnen en moeten oppikken is dat de door haar voorgestane ‘onbevangenheid’ een fictie is die meestal de masculiene visie op de werkelijkheid ten goede komt. Ik begrijp haar verlangen naar een mooie overzichtelijke wereld waarin we het allemaal perfect eens zijn over wat ‘emotioneel’ is en wat niet maar al te goed – beter dan me lief is, eigenlijk – maar in de door Hagar Peeters bewoonde wereld van overambitieuze giebelende pubertjes wil ik niet leven – en gelukkig hoeft dat voorlopig ook nog niet, al heeft het neoliberalisme met haar nadruk op de markt al wel een gemeenzaamheid geschapen die soms ronduit wurgend is.
‘Lees ons dichters even onbevooroordeeld als Duinker de wereld leest,’ zo besluit Peeters haar stuk, refererend aan onder andere mijn ‘Gefouilleerd door de werkelijkheid’(yang 2001, nr. 1) - dat ze niet begrepen heeft. Zo wordt het een soort advies aan mijn adres. Tiens, ik zou er bijna toe komen Peeters reactie op Duinker als laureaat uitgebreid, zéér uitgebreid te gaan beschrijven...

13:17 Gepost door MR | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook

De commentaren zijn gesloten