• Pin it!

    Crash

    Gisterenavond zijn we hier wellicht drie keer aan een kleine ramp ontsnapt: een dronken Turkse inwoner uit onze straat – zoals veel Gentse straten tegenwoordig: een zone 30-straat – reed met hoge snelheid in de bocht waarin ons huis staat, verloor de macht over het stuur, miste op een haar na onze geparkeerde auto, reed, zonder te remmen, wel recht op onze voorgevel af, maar werd gestuit door een boom aan de ene kant, en een andere geparkeerde auto aan de andere kant. Die geparkeerde auto was totall loss, de boom zwaar beschadigd, terwijl de neus van de eveneens zwaar gehavende auto van de dronken chauffeur op nog geen halve meter van ons huis stond. Als bij wonder was niemand gewond. We ontsnapten zo aan zelf een in puin gereden auto, aan een in puin gereden voorgevel, en aan eventueel zwaar lichamelijk letsel als wij ons bij toeval op dat moment in de badkamer, aan de voorkant van ons huis, hadden bevonden, iets wat rond dat tijdstip (zeven uur ’s avonds) niet eens zo ondenkbaar is, want rond die tijd spartelen we daar wat rond met Emma in bad.
    Maar wij waren nog in de woonkamer aan de achterkant van het huis, hoorden wel de droge klap, maar filosofeerden naar aanleiding daarvan wat over vroeger tijden, toen boven Nederlandse en blijkbaar ook Vlaamse steden en stadjes de luchtmacht nog wel eens met een paar toestellen door de geluidsbarrière wilde gaan – een donderslag waarvan de ruiten konden rinkelen, en op zich een geluid dat ik al jaren niet meer heb gehoord, zo realiseerde ik me ineens. Dat er iets gaande was, werd pas duidelijk toen Hanna daadwerkelijk met Emma naar de badkamer vertrok, en het voor ons huis zwart zag van het volk.
    Eén van de grappigste fenomenen in een buurt als deze, is dat er bij onverschillig welk voorval ineens uit alle hoeken en gaten Turkse Belgen tevoorschijn komen, en er vrijwel onmiddellijk een onverstaanbaar gepalaver begint, dat ook meteen de indruk van grote onenigheid en diepe meningsverschillen wekt. In een mum van tijd waren niet alleen de Turken uit de vermaledijde club hier tegenover present – zo’n vzw waar de hele buurt meer dan de neus vol van heeft vanwege de geluidsoverlast, maar waartegen gemeente noch politie durven op te treden –, niet alleen iedereen uit de buurt, maar ook tallozen uit verder weg gelegen straten tot en met het Sluizeken toe, dat hier toch hemelsbreed zo’n driehonderd meter vandaag ligt. En uiteraard kwamen ook de autochtonen uit hun huizen, met als eerste een neiging tot generaliseren. ‘Jullie rijden hier als gekken,’ zei een ouder dametje van een paar huizen verder in het Gents tegen niemand in het bijzonder en dus tegen alle Turken in het algemeen. ‘Híj reed,’ antwoordde iemand daarop, wijzend met de vinger naar de nog steeds op zijn benen wankelende chauffeur. En ik, ‘van vreemde smetten vrij’ maar natuurlijk toch een Ollander, zei dat me dat niet een typische eigenschap van Turken leek, te hard rijden, en voegde er grijnzend aan toe: ‘De Belgen kunnen er ook wat van’ – mijn eigen landgenoten impliciet tot engeltjes op de weg promoverend. We zitten nu eenmaal in een buurt waar de Turkse gemeenschap dominant is, en dus als er te hard gereden wordt is het meestal een Turk – en dat die jongens onderling erg veel last hebben van machogedrag (of, zoals een andere, veel jongere buurvrouw het krachtig uitdrukte: ‘als ze wat meer tussen de benen hadden, hadden ze dat allemaal niet nodig’ – waarvan acte) is natuurlijk een verzwarende omstandigheid (de paar straatraces die men hier heeft gehouden, kwamen inderdaad uit die hoek).
    Maar zo generaliseren heeft natuurlijk geen zin, al moet ik zeggen dat ik niet weet hoe ik gereageerd zou hebben wanneer er inderdaad de rampen waren gebeurd waaraan we nu ontsnapten. Nuance en relativering blijven een luxeartikel, zo weet ik bijvoorbeeld na vorige week bijna iedere nacht rond drie uur het bed uitgeklommen te zijn om die snaken van de club tegenover – ze staan op ongeveer 8 meter van ons slaapkamerraam luidkeels te discussiëren – mijn gedacht eens te zeggen, zoals dat hier heet. De laatste keer hoorde ik mijzelf tegenover de in koor ‘sorry’ roepende aanwezigen zeggen dat ik aan dat ge-sorry geen boodschap had en dat ik eens een keer iets ging ondernemen tegen die kutclub van ze, dat het geen doen was dat mensen uit de buurt iedere nacht uit hun slaap worden gehaald door ofwel luid converserende mensen, ofwel door met bonkende radio’s even voor die club stoppende auto’s met draaiende motoren die ook nog eens maken dat je ’s nachts maar beter je ramen dicht houdt wil je niet stikken in de dieseldampen. ‘Denk godverdomme ’s een keer na!’ riep ik ongeveer, en dat het hier een woonbuurt was.
    De politie bellen heeft hier geen zin. Die moeten geluidsoverlast vaststellen; het enige wat men bij de club hoeft te doen wanneer de ‘combi’ in de straat verschijnt, is zwijgen. Dat het hier een structureel probleem betreft, wordt door de schepenen afgewimpeld; degene die er verantwoordelijk voor is, zegt doodleuk in de krant dat wie in een stad woont maar ergens tegen moet kunnen. Dat vind ik ook heus wel, maar ik ben benieuwd in welk chique wijkje die madam zelf gehuisvest is, en of ze er nog zo over denkt wanneer ik er eens met wat kornuiten iedere nacht tot half vier gewoon, onschuldig, maar niet echt op gedempte toon ga staan converseren, af en toe mijn stem verheffend als het er in de discussie wat heter aan toe gaat. De yang-redactie lijkt me daarvoor een heel geschikt gezelschap.
    Waarmee ik maar wil zeggen dat het generaliseren bij voorvallen als deze, zeker wanneer je je op welke gronden dan ook maar al eens geërgerd hebt of kwaad gemaakt over dat gejakker hier in de straat, het negeren van zowat elke verkeersregel – en, niet te vergeten: de onmogelijkheid je eigen auto geparkeerd te krijgen in de buurt van je eigen woning, godverdomme – dat generaliseren, hoe onzinnig en contraproductief ook, toch erg verleidelijk is. En het oude wijfje van een paar huizen verder ging er dan ook nog wat mee door, maar was toch wat beduusd toen één van de jongens zei dat hij in Gent geboren was, en ik daaraan toevoegde dat hij dus méér Belg was dan ik ooit zou worden. Waarop ik nog even overwoog er bij wijze van grap aan toe te voegen dat die Belgen toch als beesten rijden, niet waar? Maar ironie leek me niet echt op de plaats. We waren ons temidden van twee autowrakken aan het verbroederen, al zou ik later die nacht nog weer op het punt staan de jongens van de club de mantel uit te vegen. We waren met een man of vijftig, zestig aan het wachten op de politie, die er uiteindelijk bij werd gehaald omdat de veroorzaker van het ongeluk niet akkoord ging met de voorstellen van degene wiens auto hij in de prak had gereden. (‘Hij is dom,’ zei weer een andere Turkse jongen tegen me; ‘degene van wie de aangereden auto is heeft die auto voor 1400 euro gekocht; hij wil gewoon 1400 euro en de zaak is rond; de chauffeur wil de politie erbij, maar hij is dronken, en dan moet hij ook de boom betalen.’ Dat moet hij sowieso, zei ik, wij weten hem te wonen, en bij het weinige groen hier in Gent zijn wij niet te beroerd zijn adres op te geven als het er om gaat die boom te redden).
    In de tussentijd spraken wij de meestentijds (al dan niet zuur mokkend) achter de eigen geraniums vertoevende Belgen uit de buurt weer eens wat nader, maakten kennis met een gezellige dronkaard van op de hoek, die prompt oneerbare voorstellen begon te doen aan het oude generaliserende vrouwtje, die daar niks van moest hebben, en waren later op de avond nog verbijsterd over een tweede lading agenten die, nadat er eerst twee waren geweest die kalm en rustig alle vaststellingen hadden gedaan (en de chauffeur hadden meegenomen naar het bureau), nog even spierballen kwamen rollen. Op dat moment werd het laatste wrak weggetakeld, en ineens stond daar een agente die tegen de eigenaar van die auto begon uit te varen dat hij ‘die boom’ had vernield en ervoor moest betalen. Ik zei haar dat alles al was uitgeklaard, dat ze zich bovendien schromelijk vergiste, maar de betreffende jongen zat toen natuurlijk al hoog in de boom. Terecht zei hij dat ze zich misschien eerst eens wat beter kon informeren, bijvoorbeeld door gewoon te vragen wat er hier was gebeurd, in plaats van meteen een beschuldigende vinger te wijzen naar iemand. Dit was weer het Gentse flikkendom zoals ik het zelf ook maar al te goed ken: lieden met wie het uniform héél rare dingen doet, chagrijnige, hun beroep hatende, in ieder geval niet aan kunnende sujetten die dan maar het ene machtswoord na het andere spreken en meteen dreigen je aan je haren af te voeren naar het bureau. Fascistoïde klootzakskes, kortom, VB-ers van het zuiverste water, die maken dat je bij geluidsoverlast eigenlijk maar liever niet belt naar die hufters – de goeien niet te na gesproken.
    Enfin: een Turkse dronkeman rijdt bijna een huis binnen: multiculturaliteit in de praktijk.

  • Pin it!

    Lochem 1972-1977

    Volgens de verteller in Kees ’t Harts Blauw Curaçao komen mensen op een reünie bij elkaar om elkaar met hun verledens lastig te vallen. Voor iemand die herhaaldelijk roept dat hij met de ziekte van zijn als gek omschreven moeder niks te maken wil hebben omdat hij zich vooral tot zijn eigen ziekte wenst te bekeren, is zo’n invulling niet verrassend, natuurlijk. En in Amerikaanse sitcoms wordt bij highschool reunions ook steevast het beeld geschapen van mensen die elkaar vooral om de oren slaan met hun maatschappelijke, financiële successen, met hun loopbaan, met wat bereikt werd, en die eventueel bereid zijn daarvoor op voorhand zorgvuldig geconstrueerde leugentjes te vertellen op de manier van pubermeisjes die hun bh wat opvullen met toiletpapier (dat jongens iets soortgelijks in hun onderbroek zouden stoppen, is niet echt een topos). Het valt natuurlijk niet te vermijden dat je bij een weerzien na soms bijna 30 jaar vraagt wat de betreffende persoon doet, of hij of zij getrouwd is, kinderen heeft, ergens woont en waar dan en eventueel hoe hij of zij daar terecht is gekomen, en misschien, voor zover het mij gisteren in Lochem werd gevraagd - waar een gigantische reünie was georganiseerd van niet alleen het Havo/Atheneum dat ik bezocht, maar ook nog van andere scholen die in de loop der jaren van deze school deel zijn gaan uitmaken - gold voor een aantal van hen dat het daarbij ook wel ongeveer ophield. Maar voor een aantal was het ook de opmaat voor wat anders: het schetsen van een beeld van mij, van wie ik in hun ogen geweest moet zijn. Dat leidde voor mij tot een aantal merkwaardige confrontaties: tot beelden van mij die absoluut niet klopten met het beeld dat ik van mezelf heb uit die jaren. Over de juistheid van de door anderen gegeven beelden of die van mijzelf valt overigens niets met zekerheid te zeggen; de afstand tot mijzelf is minstens even groot als de afstand die zij hebben, en misschien is die van mij nog wel groter.
    Een meisje met wie ik op één van mijn eerste schoolfeesten de trappen op sloop om in de traphal op de bovenste verdieping (de deuren naar de gangen met de lokalen waren afgesloten) wat te zoenen, waarbij zij bepaald een stuk kordater was dan ik, vertelde mij nu dat ze blij was destijds ‘een dergelijke ervaring’ met mij te hebben gehad, omdat ze daarna allerlei ‘andere mannen’ was tegengekomen die, was die ervaring met mij er niet geweest, haar beeld op het mannelijk deel van de bevolking voorgoed vertroebeld zouden hebben (ze was nu overigens gelukkig getrouwd – ‘dankzij mij!! dankzij mij!!!’ zo hiklachte het even in mij). Ik sta perplex bij zoiets, want was het nu wérkelijk iets anders dan een combinatie van geilheid en lafheid, van wel willen maar niet durven, en in die zin gelukkig zijn dat zij althans de moed had het initiatief te nemen en mijn handen daar te leggen waar zij ze hebben wou? Ik was daar, als 14-jarige in die traphal, verre van de nobele man die wel wist wat vrouwen wilden, leek mij toch. En zelfs nadat mij de weg gewezen was, bleef ik nog uiterst schroomvallig en had ik niet de doortastendheid die ik bij andere jongens wel waarnam. Wel waar is dat ik me er altijd weer over verbaasde dat meisjes zich een dergelijke doortastendheid lieten welgevallen, maar dat nam niet weg dat ik gaarne zelf zo doortastend was geweest.
    Het is precies die laffe meegaandheid en de daarbij behorende paniek die ik in het hoofdstuk ‘Heleen’ in Touchdown heb uitgewerkt, en die, uiteraard dik aangezet, door mij als de kern van mijn omgang met het andere geslacht is ervaren. Maar die werd door deze vrouw in ieder geval heel anders gepercipieerd, ongetwijfeld vanuit haar eigen behoeftes, bij wijze van rationalisatie achteraf. Maar die botsing tussen het ‘jij-was-zo-en-zo’ en mijn eigen herinnering daaraan kwam gisteren vaker voor – en soms dacht ik dat ik blijkbaar beter geslaagd was in het verbergen van allerlei zaken die ik over en van mijzelf niet wilde weten, dan ik toen zelf kon vermoeden.
    Dit verbergen doet natuurlijk iedereen, althans dat vermoed ik toch. Het is de humuslaag voor de schrijver. En als zo’n schrijver op die manier met zijn eigen leven bezig gaat – niet zozeer puttend uit zijn herinnering met de bedoeling om die te beschrijven zoals die was, maar zijn herinneringen gebruikend om dat wat eronder ligt, de persoonlijke, haast lichamelijke ervaring van de werkelijkheid, naar boven te halen (en daarvoor de herinnering zelfs aan te passen, als dat beter lijkt), ik zou bijna zeggen: niet zozeer de herinnering beschrijvend, maar de betekenis ervan – als een schrijver zo bezig gaat, loopt hij natuurlijk het risico dat hij andere mensen beschrijft op een zodanige manier dat die mensen zichzelf gaan herkennen in personages. Mijn roman Wild vlees wordt in mijn geboortestadje door velen blijkbaar gelezen als een boek dat zelf de bedoeling had de haarfijn precieze weergave van de historische werkelijkheid te zijn. Ik heb daarover altijd gezegd dat ik uiteraard niet verbaasd was dat deze op uiteraard vele autobiografische feiten gebaseerde roman door mijn moeder op een dergelijke manier werd gelezen, zelfs zozeer dat ze me destijds vroeg: ‘Zeg, dat onder die muziektent... – dat is toch niet écht gebeurd?’ Het betreft de scène waarin, een door mij dan ook nog eens opzettelijk, zij het tamelijk terloops als joods voorgesteld meisje door de hoofdpersoon en nog een ander personage vreselijk wordt afgerost op grond van het feit dat ze lijdt aan thoracale scoliose, een aandoening die, als ik het me goed herinner, eruit bestaat dat de ruggengraat op een merkwaardige manier verdraaid is.
    (Het is trouwens – dit terzijde – opvallend dat, voor zover de kritiek aan die scène aandacht heeft besteed, niemand er over viel dat het hier nu net een joods meisje betrof; blijkbaar moet je die dingen nog meer aanzetten, wil het werkelijk opvallen. Ik vond die toevoeging zelf er eigenlijk al wat over, in de zin van: te dik bovenop liggen. Het hele boekje gaat immers om een uit de hand lopend zuiverheidsverlangen, om het najagen van een ideaal tot in het absurde, iets waarbij altijd slachtoffers vallen? In die zin had je daar al de structuur van een bepaald soort ideologisch denken, misschien zelfs wel van al het ideologisch denken: het denken naar een eindstadium, een eindtijd toe, naar de utopie die bereikt moet worden, waartoe alles wat dat in de weg staat ge-elimineerd dient te worden. De verwijzing naar de holocaust was op die manier al voldoende gegarandeerd, leek me, maar blijkbaar aarzelde ik daar zelf nog voldoende over om van die arme Esther Schmitz dan toch maar een expliciet joods meisje te maken).
    Hoe dan ook, dat mijn moeder het boek destijds zo identificerend las, lag voor de hand, niet per se omdat ze als een voor specifiek literair werk onervaren lezeres zou gelden, maar omdat voor haar de beschreven gebeurtenissen te veel herkenning waren om aandacht te kunnen of te willen schenken aan de vaak groteske vertekening ervan. Dom genoeg verwacht ik zoiets niet van anderen. Maar dat gebeurt dus wel. En zo kreeg ik gisteren af te rekenen met een man die al citerend uit Wild vlees op mij afkwam (echt: hele zinnen) en stelde heus wel te weten dat hij die-en-die was, en dat dit niet klopte, en dat dát een leugen was, en dat hij altijd wel geweten had dat ik hem zo zag en nog zo het één en ander. Ik probeerde wanhopig de zaak vrolijk te houden, nadat ik eerst geprobeerd had iets van bovenstaande duidelijk te maken en daarin niet slaagde, want onmiddellijk met weer een nieuw citaat om de oren werd geslagen, zodat ik al wanhopig naambordjes begon te lezen van mensen waarvan ik eigenlijk wel zeker wist dat ik ze niet kende, maar die ik toch hoopte te herkennen om me er aan vast te kunnen klampen en deze bullterriër uit mijn nek te krijgen. Maar zelfs een vage herkenning van namen zat er niet in, zodat ik me geheel zelfstandig van dit mijn tekst citerende heerschap moest zien te bevrijden - wat uiteindelijk lukte, maar nadat ik hem in de ontstellende drukte nog eens tegen het lijf liep en hij weer begon te citeren (had hij het boekje uit zijn hoofd geleerd?) werd het de rest van de dag ook nog spitsroeden lopen.
    Het valt natuurlijk ook niet goed uit te leggen, zeker niet als je zoals ik de werkelijke namen gebruikt van de mensen uit die streek. Maar jezus, bij namen als Lichtenbarg, Groot-Oonk, Kappert, Schonewille etcetera ga je toch niet zelf iets anders zoeken? Ik heb het zelfs heel bewust gedaan op het moment dat ik een opsomming wilde maken van namen: het telefoonboek was mijn fundgrube. En daarenboven: ook de regionalisering van het verhaal vond ik van belang, getrouw mijn vaste overtuiging dat je je voor het schrijven van wereldliteratuur maar het beste houdt aan de eigenaardigheden van je eigen landstreek (inderdaad slechts een overtuiging en natuurlijk absoluut geen algemene waarheid, maar kijk eens: Claus? Flaubert? Joyce? Svevo? Proust? – volstrekte streekliteratuur!) En Twente wemelt nu eenmaal van dat soort, voor die streek typische namen. Die van mijzelf niet uitgezonderd.
    Er was ook een andere reactie, van een inmiddels rijzige man die arts was geworden – en op het moment dat hij dat zei dacht ik: verdomd, en je was het eigenlijk ook toen al, je bent nooit iets anders geweest dan arts, zozeer paste zijn verschijning bij zijn beroep. Ook die komt met naam en toenaam voor in Wild vlees, als iemand met een ‘Bechterew-houding’. Maar hij loopt natuurlijk keurig recht. Hij had van het boek genoten, zei hij, omdat hij het ten eerste een erg goed boek vond, het ten tweede ging over medische aberraties, en daar had hij nu eenmaal van huis uit belangstelling voor, grijnsde hij, en ten derde juist vanwege de groteske vertekeningen in het boek. Hij had erg moeten lachen om die Bechterew-houding en om andere doorgedraaide vergelijkingen en scènes. Hij was zowat mijn ideale lezer – iemand van wie je dit soort dingen nog tien keer liever hoort dan van de meest gerespecteerde criticus in het meest gerespecteerde dagblad – als het bewijs dat wat je schrijft voor anderen werkt ook buiten de enge grenzen van ‘de’ literatuur om, van de voorkennis die in dat domein verondersteld wordt, de eruditie die er zovaak voorwaarde is.
    Intussen, om het dan toch over de boeg van de wat plattere autobiografie te gooien: mijn ‘Heleen’ was, ondanks de aankondiging dat ze wel zou komen, niet op de reünie (over de leugen van de literatuur gesproken: in Touchdown krijgt de hoofdpersoon Heleen niet en belandt hij met de verkeerde in de fietsenkelder (die ik trouwens nog weer even heb bezocht); in de werkelijkheid heb ik een jaar met haar verkeerd). Haar schoonzusje kwam mij melden dat ze haar even had gebeld en toen had vernomen dat ze zich had bedacht en elders zat. Wel jammer, want ook haar heb ik dertig jaar niet meer gezien.
    Maar ik zag genoeg anderen terug die ik al heel lang niet gezien had, en om het eens pathetisch te zeggen: we leven allemaal nog, en met sommigen was er ook meteen weer de gemeenzaamheid zoals ik die toen ook ervaren moet hebben, een gemeenzaamheid die ik vaak met verliefdheid heb verward, zo realiseerde ik me staande tegenover een aantal vrouwen die ooit als vlammetjes in mijn gemoed hebben gebrand. Ik zou daar nu graag lacherig over willen doen, maar dat waren serieuze diepten en hoogten, herinner ik me toch. En die meiskes waren zo verdomde hard in hun concreetheid, destijds.

    Wat me op iets anders brengt: al dagen geploeterd op een stuk voor yang dat over rouw & poëzie moest gaan. Maar ik begon natuurlijk weer met de holocaust. Ik begin altijd met de holocaust. Het moet wel beantwoorden aan een diepe behoefte in mijzelf naar een soort absoluut cultureel nulpunt dat ik altijd maar weer met de holocaust begin, met verschrikkingen buiten elke proportie, van een serieusheid waarvan ik zelf na een dag of wat kreunend door mijn stoel zak en waarin ik ook altijd maar weer onherroepelijk vastloop. Natuurlijk, want ik wil het daarover helemaal niet hebb en; ik wil het alleen gebruiken om een overstap te kunnen maken en met de holocaust als voorbeeld en altijd maar weer de holocaust en niets anders dan de holocaust de wérkelijke betekenis van hetgeen waarover ik het dan wel wil hebben duidelijk te maken. In dit geval: het verdriet dat iemand ervaart bij het sterven van een naaste, een geliefde, wil zich, moet zich vertalen in termen en begrippen die voor anderen beschikbaar zijn, en moet ook voor die anderen betekenis krijgen, ja zelfs voor de hele wereld (verdriet is behoorlijk dictatoriaal, als je het mij vraagt). Alleen op die manier wordt de rouwende, die, in de woorden van Faverey, met ‘zijn gezicht naar de muur’ zit waaruit hij bloedt, weer deel van de gemeenschap. Enfin, zoals het dus voor... jawel... een holocaustslachtoffer van het grootste belang is dat hetgeen hem is overkomen een plaats krijgt in de cultuur, opdat het niet om niet is geweest.
    Maar met dat stuk was eigenlijk bezig in het verlengde van mijn Améry-stuk, zonder dat ik er overigens erg veel verder mee kwam. En dus sloeg de wanhoop toe. Ik stuurde een mailtje naar de redactie dat ik hopeloos vastgedraaid was, dat ik maar uit de redactie moest, dat... – enfin. Uiteindelijk belde ik PJ, die me kalm en bedaard uitlegde dat ik met een weliswaar belangwekkend, maar op dit moment toch echt helemaal verkeerd stuk bezig was. Volgens hem. Ik gaf hem gelijk. Misschien iets te snel. Maar toch.
    Het moet gaan over sentiment. Misschien moet het gaan over reünies...

  • Pin it!

    Apollo & Marsyas

    Het was al een tijd geleden, maar het afgelopen weekend – van zondag op maandag – weer eens een nacht doorgewerkt, zodat ik vandaag nog steeds het gevoel heb dat het niet woensdag, maar nog maar dinsdag is. Reden was maar weer eens beslommering met een tekst die, onafhankelijk van mezelf, zo leek het wel, een richting insloeg die ik beter niet had kunnen gaan. Voor Poëziekrant had ik een stuk toegezegd in de reeks ‘De lezer’, en ik had voor mezelf uitgemaakt dat dat wel weer eens een keer over Zbigniew Herbert mocht gaan. Soms is het goed om na een aantal jaren – en de laatste keer dat ik zijn werk opsloeg was in 1999, toen ik er voor De Groene over schreef – op je schreden terug te keren om te kijken wat er mogelijk veranderd is in je perceptie en appreciatie van dat werk (zoals ik een paar weken terug weer eens in Achterberg ben gaan bladeren). Misschien doe ik zoiets vooral met de hoop dat ik er totaal anders tegenaan kijk, dat er in de tussenliggende tijd door lezen van ander werk, iets in mijn eigen leessysteem gewijzigd is. Uiteraard word ik daarin geleid door de vrees dat er op dat punt niets meer verandert. Zoals ik hiervoor al over ‘theorie’ heb opgemerkt: bij alle weerstand die ik aanvankelijk voel (en ook al altijd heb gevoeld), blijk ik na uiteindelijke lezing van nieuw filosofisch werk er weliswaar allerlei interessants in te ontdekken, maar zonder dat het gelezene me nog van de plaats trekt. Of, zoals ik gisterenavond een veel jongere BB op een redactievergadering hoorde zeggen: ‘Uiteindelijk ben ik structuralist.’ Hij zal alles terugvertalen naar precies die insteek.
    Zo werkt het misschien ook met literatuur: op een zeker moment ben je niet langer in staat om de nieuwe literatuur, die volgens berichten op flapteksten en in de pers, werkelijk totaal anders zou zijn dan wat er daarvoor werd geschreven, nog als werkelijk nieuw te lezen. De verschillen blijken vooral een kwestie van mode te zijn, en zoals ik nu in de lach schiet bij colberts met wilde prints in wilde kleuren, en bij leren stropdasjes – ik droeg dat wel in de jaren tachtig en viel toen niet uit de toon.
    Het viel me zeer sterk op bij het lezen van alle bundels uit 2004: dat middenveld dat plotsklaps een totaal andere poëzie laat zien dan het middenveld uit de jaren tachtig. Ik moest daar eens een stuk over maken, zei DR gisterenavond op de vergadering – en hij heeft gelijk. Iemand anders, die vroeg dat middenveld te definiëren, kwam tot de conclusie: ‘O, dus eigenlijk is dat Oosterhoff’, en ook dat leek me niet onjuist. Waar ik bij zijn werk soms wel eens het gevoel heb dat hij een beetje te veel de schaar en lijmpot hanteert, en een beetje moe word van het haast principieel ‘onvolledige’ van veel van zijn gedichten, kom je die kenmerken als methode tegen bij veel dichters uit dat middenveld. Van de weeromstuit begin je te verlangen naar – hoe zal ik het noemen? – naar een klassiek gedicht, naar een gedicht dat in ieder geval niet die wat opzichtige iconiciteit nastreeft waarin het ‘onvolledige’ in de wereld – enfin: het bijna altijd (ten onrechte) ontologisch begrepen postmoderne adagium van Het Einde Van... van-wat-dan-ook-maar – zonodig beschreven moet worden in gedichten die nog grotendeels in statu nascendi lijken te verkeren. Met de aantekening dat het begrippenpaar ‘klassiek gedicht’ natuurlijk niet onproblematisch is.
    Misschien was dat ook wat me onbewust in de richting van een altijd als ‘klassiek’, zelfs ‘classicistisch’ omschreven Herbert had gedreven? Zijn voorkeur voor mythen heb ik eigenlijk altijd wel gedeeld, en net zoals dat voor hem gold: niet omdat de mythe een taal spreekt die onmiddellijk een gemeenschap veronderstelt, een gedeeld weten, een min of meer in zichzelf besloten en als zodanig afgeronde wereld – maar omdat die verhalen de mogelijkheid bieden om de noodzaak van onze gebondenheid in verhalen tout court in het licht te stellen. In het door mij voor PK behandelde gedicht – ‘Apollo & Marsyas’ uit de bundel Een studie van een voorwerp (1961) – wordt op een pregnante manier een antwoord gegeven op de mij op zich inmiddels wat vermoeiende, maar daarom nog niet overbodige vraag of men nog poëzie kan schrijven na Auschwitz. Het gaat dan niet om Auschwitz zelf, maar om wat die naam vertegenwoordigt: de gruwel van de complete ontmenselijking die op die plek plaatsvond, maar ook vandaag, elders en overal, nog plaatsvindt en wel nooit uit te bannen zal zijn (‘About suffering they were never wrong,’ citeer ik Auden). Uiteindelijk gaat het daarbij om betekenis: om de vraag die een dergelijke gruwel ons telkens en telkens weer voorlegt, en om de noodzaak daarop met iets anders te reageren dan met de stomheid van iemand die tot in zijn merg geschokt is. De mythe van Apollo en Marsyas is één verhaal dat daarvoor geschikt blijkt, maar ook de mythe van Job uit de bijbel (jawel: de mythe) kan daarvoor dienen als men wil – al is zijn ellende vergeleken bij die van Marsyas nog bijna het bewijs dat de God uit het Oude Testament toch minder de naijverige hufter was dan men altijd dacht: zijn willekeur tegenover Job is mild vergeleken bij de strapatzen van Apollo.
    (Voor wie het verhaal niet kent: de kern wordt gevormd door een wedstrijd tussen de sater Marsyas en de god Apollo. Marsyas, zo wil het verhaal, had een door Athene gesneden, maar vervolgens afgedankte fluit gevonden en daagde Apollo uit om met hem te wedijveren wie het schoonst kon spelen. De Muzen zouden als rechters fungeren (in een andere versie zijn het de goden). Aanvankelijk konden zij niet beslissen, want Marsyas speelde goed, minstens even goed als Apollo. Totdat de god zijn instrument als een soort Jimmy Hendrix avant la lettre, omkeerde en op de kop bespeelde. Een fluit laat zich niet omgekeerd bespelen, en Marsyas verloor. Zijn straf was uiterst wreed: hij werd levend gevild.)
    Het is nu verleidelijk om een onmogelijke vraag te stellen: wie mag er winnen als het gaat om antwoorden op de absolute gruwel: Zbigniew Herbert of, bijvoorbeeld, Celan? Een bijna onfatsoenlijke vraag, maar toch interessant in het licht van wat poëzie (literatuur in het algemeen) tegenover deze en andere essentiële zaken van het leven zou moeten doen: enkel tonen in het stamelen, in het gebrokene, in het bijna-zwijgen; of spreken, antwoorden, verweer bieden door het steeds opnieuw vertellen, het heruitvinden van verhalen? Dat laatste dan natuurlijk in een poging het gebrokene als wat het is een plaats te geven (niet verhalen, mythen, gebruiken om af te sluiten wat open moet blijven).
    Misschien een vraag die men niet moet willen beantwoorden.
    Met het doorwerken van zondag op maandag had dat niets te maken. In mijn enthousiasme was ik bij een domein aangeland waar ik me niet goed thuis weet: de klassieke letterkunde (want hoe functioneert die mythe van Apollo & Marsyas eigenlijk bij Ovidius? Meer dan één enkele zin daarover staat er niet in het uiteindelijke stuk, maar die zin verbergt uren grasduinen, her en der lezen en zoeken; nog even afgezien van het feit dat ik in eerdere versie het pad van de klassieke letterkunde wel degelijk ook al schrijvend insloeg – een versie die ik uiteindelijk integraal in de prullenbak heb gemikt, om maandagochtend met een verse pot koffie nog eens overnieuw te beginnen (de deadline was inmiddels al geschonden, natuurlijk)).Intussen kwam gisterenavond op de redactievergadering nog even de kwestie aan de orde in hoeverre een genre als het proza opengebroken zou moeten worden – dat het kan staat natuurlijk buiten kijf – en ik liet me ontvallen dat boeken met plaatjes en allerlei andere leuke effecten (waarom niet ook met geluidseffecten? geurkaartjes – in Das Parfum van Süskind bijvoorbeeld!*) voor mij uiteindelijk onnodige foefjes zijn die me meestal niets bijbrengen. Zoals ik ook wat ongeduldig word van al die beeldende kunstenaars die zich tot het conceptuele en enkel het conceptuele beperken en ik liever een Borremans zie die weer ‘gewoon’ schildert. Wat natuurlijk net zo goed conceptueel is, maar in plaats van de vaak zo flauwe foefjes die in hun Bedoeling vaak erg dictatoriaal zijn, een kunstwerk opleveren waarmee ik zélf aan de haal kan en mag. Ik heette natuurlijk prompt erg conservatief, maar een auteur die een maaltijd zo weet te beschrijven dat ik zonder die te eten allerlei smaaksensaties krijg (en honger!) heeft mij uiteindelijk meer te vertellen dan een auteur wiens boek men moet lezen in een opgegeven restaurant om bij die-en-die pagina te ervaren wat hij blijkbaar niet op papier kreeg.

    *)= Binnenkort opnieuw een hype trouwens; Dustin Hoffman gaat in de verfilming de rol van Guiseppe Baldini spelen.

  • Pin it!

    Theorie

    Het eerste wat Gillis Dorleijn van mij wilde weten, gisterenavond op een wat lawaaiig terras aan de Ottogracht, was hoe of ik me nu verhield tot wat hij ‘de overmaat aan theorie in de Vlaamse letteren’ noemde. ‘Jij had daar vroeger toch ook zeer veel reserve bij,’ zei hij, ‘en nu zit je in Yang.’ Hij voegde er aan toe dat hij zijn abonnement op Yang zo waardeerde omdat het hem de gelegenheid bood om telkens weer te controleren in hoeverre hij door de overmaat aan theorie geïrriteerd raakte.
    Ik antwoordde dat mijn reserve tegenover theorie als zodanig nog steeds behoorlijk groot is, en dat ik bij sommige stukken in yang – waar het overkookt van jargon bijvoorbeeld – mijn irritatie ook maar moeilijk kan verbergen, vooral omdat de poging om in de vettigheid van corpulente woorden de betekenis te ontdekken, heel vaak leidt tot de vaststelling dat het om gebakken lucht gaat. Ik had hem nog willen vertellen dat ik ooit voor De groene Amsterdammer een persiflage op dit soort geschrijf had gemaakt in een serie waarin een aantal mensen gevraagd werd over films te schrijven. Dat leidt dan natuurlijk geregeld tot een keuze voor films die in videotheken het smalle rekje ‘cinefiel’ vullen, en daarom koos ik voor de semi-rampenfilm Dante’s Peak, die toen net in de bioscopen uitgekomen was. Daarmee wilde ik ook commentaar geven op die typische intellectuelenziekte om te koketteren met de vermenging van ‘high’ en ‘low culture’ – waarover (nog steeds) altijd gedaan wordt alsof men door die vermenging pas werkelijk politiek-correct bezig is, dat is: niet-elitair in de betekenis die tegenwoordig aan dat woord wordt gegeven. Enfin het was om te lachen:

    DE BERG ZIEN
    Dante’s Peak. Regie: Roger Donaldson

    ‘Ik kom uw berg bekijken’, zegt de man die ik ken als de laatste James Bond tegen een vrouw die naast hem staat. Niemand lacht. De vrouw niet en ook niemand in het duister van de zaal geloof ik, al kan het heel goed zijn dat er daar toch eentje zit te grinniken (‘Ik kom uw berg bekijken’, ja ja). Maar dat hoor ik dan niet want voortdurend klinkt muziek, zelfs als er op het doek gepraat wordt, als James Bond zegt: ‘Ik kom uw berg bekijken’ bijvoorbeeld.
    Dit is natuurlijk ook niet om te lachen, laten we wel wezen.
    Dante’s Peak, dat had ik meteen in de gaten, is ongetwijfeld een moderne adaptatie van de Divina Commedia, en die berg waarover Bond het heeft, die vulkaan die daar zo prachtig, in een almaar schitterend zonlicht, haast als een onschuldige Alp hoog op de achtergrond oprijst, de top deels bedekt met het kristallijne wit van eeuwige sneeuw, deels met het pluizig wit van eeuwig laag hangende bewolking - die berg is ongetwijfeld de Louteringsberg, dat kan niet missen. En waar gelouterd wordt, valt niks te lachen, dat zal duidelijk zijn.
    Dat blijkt ook wel als we verderop in de film een bloot paartje te zien krijgen dat een beetje met elkaar zit te lachen in een waterpoel halverwege de helling van die immense berg. Ze hebben nogal wat plezier zo met elkaar in dat water, en dat mag dus niet. Een beetje in het water zitten lachen op de Louteringsberg, in je nakie nog wel, dat kunnen we niet hebben natuurlijk. Dus begint het water waar ze in zitten zomaar te koken en zien we ze later bloot en overdekt met heel veel bloed op hun buik in het water drijven, die twee. Dat komt er van.
    Toegegeven, toen die twee in beeld kwamen, breed lachend naar elkaar en onder geweldig aanzwellende muziek en nogal overdreven versterkt watergeborrel elkaar iets vertellend (ik kon het niet goed verstaan), toen dacht ik nog even dat dát dus Dante en Beatrice waren. Ik zat maar te wachten tot Dante nou eindelijk eens ten tonele zou verschijnen en had nog niet in de gaten dat James Bond eigenlijk Dante speelde. Iedereen in de film had hem tot dan toe namelijk ‘Harry’ genoemd. Dan kom je er niet op te denken dat hij eigenlijk Dante is. En als ik hier even wat kritiek mag geven: ik vond dat wel wat misleidend, eerlijk gezegd. Dat had duidelijker gekund. Zoals de makers ook wel wat duidelijker hadden kunnen zijn over wie nu uiteindelijk de rol van Beatrice vervulde. Als Bond tegen die vrouw zegt dat hij haar berg komt bekijken, vermoed je natuurlijk al wel het één en ander, maar het duurt al met al nog vrij lang voordat je uit scènes vol veranda-schemer tijdens zoele, besterde nachten en uit de close-ups van elkaar zeer betekenisvol aankijkende en in het schemerduister van veranda’s ópglimmende ogen, concludeert dat die vrouw inderdaad Beatrice moet voorstellen.
    Het is soms dus wel een beetje verwarrend allemaal, zoals ook het feit dat Vergilius helemaal uit het verhaal weggeschreven lijkt te zijn. Er komt weliswaar een scène in de film voor die ik me uit de
    Divina Commedia kon herinneren, een scène waarin James Bond - of nou ja, Harry Alighieri dus eigenlijk - in een bootje dwars door zwaveldampen een (alweer!) hevig borrelend watertje vol dode vissen oversteekt (het bootje had een buitenboordmotor, maar dat mag in een moderne bewerking, vind ik). Echter, ook dan is hij niet in gezelschap van de schaduwloze schim van de grote Romeinse dichter maar samen met wat kinderen, een grootmoeder en die Beatrice. Ik heb het later nog eens nagezocht bij Dante zelf, en je kunt alleen maar concluderen dat de makers van de film zich hier heel erg grote vrijheden hebben gepermitteerd.
    Dat heeft natuurlijk te maken met de specifieke interpretatie die de regisseur hier heeft willen geven, dat weet ik ook wel. Ik ben niet achterlijk. Al kijkend heb ik heus wel gezien dat Roger Donaldson hier een poging heeft gedaan om bijvoorbeeld Dante’s ptolemeïsche wereldbeeld copernicaans mobiel te maken (vandaar die buitenboordmotor) en bijvoorbeeld het schitterende visioen, zoals je dat aan het slot van de
    Divina Commedia vindt, het visioen van de drievoudige cirkel waarin het mysterie van de Heilige Drie-eenheid wordt aanschouwd, postmodern door te lichten. Tenminste: ik denk wel dat het de regisseur daar om te doen is geweest.
    Ik bedoel: als de Louteringsberg al na een scène of wat verandert in de Hel, dan kan daar toch niets anders mee bedoeld zijn dan een au fond postmoderne verabsolutering en daarmee dus ook onmiddellijk pervertering van het louteringsbeeld? De loutering gelouterd, zeg maar, de Louteringsberg wordt hier als het ware zelf gepurgeerd. Uit de diepste diepten slingert hij zijn gloeiende massa de lucht in, en in scènes die elke beschrijving tarten en die begeleid worden door dolby-surround-geluid, zie en hoor je links en rechts van je grote gloeiende klompen gesteente neerkomen en meermalen heb je het gevoel dat het schreeuwen en kermen van de ellendigen die, als in Canto IX, in hun gloeiende graftomben vallen, of als in Canto XII, ondergedompeld worden in een stroom van kokend bloed, niet verder van je verwijderd is dan maar twee rijen stoelen.
    Het purgatorium wordt hier dus tot hel omgedacht, en daarmee lijkt iedere hoop op het inlossen van onze oneindige schuld verkeken, tenzij... Tenzij gebeurt wat gebeurt: de finale, overweldigende, mij tot diep in mijn stoel wegdrukkende, onder hels kabaal links, rechts, voor en achter op mij afrollende, mij opslokkende, wegmakende explosie die de hele berg splijt, een pyroclastische wolk die het dorp aan de voet wegvaagt en het nieuwe begin, het nieuwe leven eindelijk mogelijk maakt, een leven waarin we verlost zijn van louteringen, van hel en hemel, van vaag en duidelijk zichtbaar vuur.
    Om te benadrukken dat het daarbij niet gaat om iets metafysisch, iets hemels, heeft de regisseur, vermoed ik - het kan bijna niet anders - Dante en Beatrice uit de vuurzee gered door ze juist voor die alles vernietigende pyroclastische wolk uit (in een auto met brandende banden, maar dat mag in een moderne adaptatie vind ik) een mijn in te laten vluchten, waaruit ze aan het einde van de film worden gered door een juichende menigte - Dante met een
    gebroken schrijfarm (!) en Beatrice onder esthetisch aangebrachte vegen zeer aards ogende modder (!). Dan pas ook sluiten ze elkaar in de armen, dan pas worden die tot vulkanische spanning opgeschroefde wederzijdse blikken, de close-ups met de glimlachjes en gebaren, bezegeld in wat je de aardse variant zou kunnen noemen van dat slotvisioen van de Divina Commedia. De muziek zwelt hier tot in het ondragelijke aan, en de tranen stonden me dan ook in de ogen.
    Als je eenmaal op dit spoor van Donaldsons postmoderne bedoelingen zit, is hem het aantal vrijheden dat hij zich ten opzichte van het oorspronkelijke verhaal heeft gepermitteerd op voorhand vergeven. Ik ben daar echt niet bekrompen in. Dat hij Vergilius in dat bootje vervangt door een oma en wat kleinkinderen, is dan eigenlijk ook heel goed te begrijpen. Die oma ís dan eigenlijk Vergilius en de traditie waartoe hij behoort, terwijl die kinderen voor de toekomst staan waarin met die traditie wordt gebroken. Immers: die oma sterft onder het door explosie-geweld en spannende muziek haast onverstaanbaar uitspreken van de tekst: ‘Ik sterf gelukkig op mijn berg’ of ‘Gelukkig hoef ik mijn berg niet af’ of iets dergelijks.
    Eén en ander had dus misschien wat duidelijker uitgelegd kunnen worden hier en daar, maar anderzijds is
    Dante’s Peak nu eenmaal het soort film dat zich niet leent voor de al te gemakkelijke consumptie. Het is een film die een actueel, pregnant en ongemakkelijk thema aansnijdt op een buitengewoon pregnante wijze. Dat laatste niet alleen vanwege de visuele effecten en het dolby-surround-geluid, die maken dat je als het ware on-middellijk deel hebt aan het gebeuren op het doek en elke kritische afstand en daarmee dus ook elke mogelijkheid tot het formulerenvan een meta-standpunt moet ontberen, maar tevens aan het feit dat de film in zijn evidente verwijzing naar de traditie die traditie in het gezicht van de kijker laat exploderen. Die verlaat lam, murw en nauwelijks nog in staat iets te onderscheiden, als een ware postmodernist zonder hoop, de bioscoop. Hij heeft de berg gezien.

    In Nederland was zoiets natuurlijk koren op de molen van de anti-intellectualistische intellectuelen met een in het Latijn opgesteld diploma dat niemand (behalve Piet Gerbrandy) zelf kan lezen. Tot op de dag van vandaag is het daar een merkwaardige kwestie van trots om je als eenvoudige boerenlul te profileren. Die neiging heb ik bij mezelf nooit kunnen bespeuren – en ik gold dan ook altijd als een wel heel erg moeilijke jongen – maar mijn reserve bij schier onleesbare jargonistische flauwekul die onder dure namen voor de nieuwste, niet te missen mode in de filosofie doorging, heb ik altijd gehad. Een houding die mij eigenlijk lijnrecht tegenover het (nog steeds bestaande, maar zeker niet langer geheel terechte) beeld van een blad als Yang had moeten brengen. Voor de goede orde: soms, als men in kringen van de redactie bijvoorbeeld besluit dat het toch echt weer eens tijd wordt voor een ‘theoretische injectie’ of iets dergelijks, voel ik ook al mijn haren overeind komen (om niet zelden na het pleit verloren te hebben en de bijdragen te hebben gelezen, tot de conclusie te komen dat dit hoogst interessant is – al laat ik me er nooit in meetrekken, merk ik ook).
    Mijn reserve tegenover ‘theorie’ laat onverlet dat ik de bijkans ongereflecteerde, buitengewoon subjectivistische wijze waarop er (generaliserend gesproken uiteraard) in het Nederlandse met literatuur werd omgegaan; de verwaterde versie van het postmodernisme dat als ‘pomo’ in de Amsterdamse grachtengordel opgeld deed; de in se uiterst moralistische wijze waarop met elke ethische bekommernis werd afgerekend en de Ironie tot norm werd verheven – dat dat alles mij altijd heeft geïrriteerd, en dat je zo beschouwd, vanuit Nederland naar Vlaanderen komend, het gevoel had in een weldadig warm bad te worden gedompeld. Ik heb dat vaak – zij het volstrekt amateuristisch – in verband gebracht met de relatie tussen literatuur en taalpolitiek in dit land, waardoor poëzie, proza hier nooit alleen maar als puur ‘esthetiek’ (als puur vermaak) werd gezien. Ik vraag me af of dat nu nog klopt, overigens. Gillis meende dat het ergens ook iets te maken moest hebben met het katholicisme. Uiteindelijk, zei hij, kreeg het marxisme in Nederland vooral aan de Nijmeegse katholieke universiteit voet aan de grond – en het is inderdaad opvallend hoezeer (en hoe lang ook) Nijmegen een bolwerk is gebleven van een meer extreem linkse houding in de literatuur, met het Parmentier onder leiding van Joosten, met Kregting, Hüsgen, het buitenbeen Ter Balkt, en voorheen ook DeWintertuin als serieus te nemen literair festival (niet het circus dat het nu geworden is).
    Hoe dan ook: het postmodernisme als voortgezette theologie met andere middelen, zo luidde zijn suggestie. Zelf had hij een antropologische benaderingswijze gevonden, een tekst met de titel Can Institutions Think van een antropologe wier naam ik nu even kwijt ben (Gillis zou me kopieën de tekst toesturen, want het boekje zelf blijkt niet meer verkrijgbaar). Ook deze antropologe zou stellen dat al onze begrippen uiteindelijk op niets gestoeld zijn, hetzij dan op afspraken. Ze schijnt daarvoor talloze argumenten aan te halen uit juist niet-westerse gemeenschappen, om te laten zien dat het blijkbaar in elke gemeenschap zo werkt. Vervolgens is alles een kwestie van geloof. En wil, zou ik er aan toe willen voegen. De wil om bepaalde afspraken binnen de gemeenschap waarin je je bevindt als waarheid te accepteren. Zo’n antropologische benadering was Gillis liever dan de theologische scherpslijperijen van de jargonistische filosofie, omdat, zei hij, er bij dit soort benaderingen in ieder geval een ‘buiten’ is; die benadering is empirisch – en hij stelde nog dat er in poststructuralisme en -modernisme heel vaak langs sociologische en psychologische lijnen geredeneerd werd, maar zonder dat de dames en heren zich op de hoogte wensten te stellen van wat er in de sociologie en psychologie zelf allemaal gebeurde. Ik vrees dat hij daar een punt heeft.
    Uiteindelijk gaat het in alles om de suspension of disbelieve misschien, want we spraken ook nog over ons blijkbaar gedeelde genoegen in de B-film: geraakt worden door wat je tegelijkertijd doorziet als goedkope effecten speciaal aangebracht om op de traanklieren te werken. Maar ze werken. Ook hier geldt dat je in staat bent om een film te doorzien als de constructie die zij is, maar je toch en blijkbaar tegelijkertijd kunt overleveren aan de fictie die getoond wordt – en voor de duur van die film die fictie zelfs zodanig voor werkelijkheid houden, dat de tranen je in de ogen springen op het moment dat dit van je wordt gevraagd. Zijn dat échte emoties? Ongetwijfeld, vandaar dat men er achteraf wat besmuikt over spreekt, of ironisch wordt, ironische stukjes schrijft voor krant of weekblad – over films als Dante’s Peak bijvoorbeeld (‘Dantespeak,’ meende iemand destijds).