• Pin it!

    Reality stings

    Enige tijd terug kwam ik in de boekwinkel een autobiografie van Sting tegen, Broken Music. De compositie van een leven, een vertaling die vorig jaar verscheen bij The House of Books, een mij onbekende uitgeverij uit Vianen en Antwerpen. Niets voor mij om zoiets te kopen, maar ik herinnerde me uiteraard de poster van Sting die op Hanna’s muur hing toen ik haar net leerde kennen, en dat ze me later meetroonde naar een concert van de beste man, want ze wilde eigenlijk alle concerten van Sting in België bijgewoond hebben. Ik kocht het boek derhalve voor haar.
    Nu is The Police verbonden met mijn eerste studiejaren, toen ik tot grote vrolijkheid van Willem van Londen nog mijn lange hippiehaar had, terwijl ‘wij’ ‘allemaal’ ‘natuurlijk’ ‘allang’ punk waren, zei hij, en streek over zijn kort geknipte haren. Muzikaal gesproken zat ik inderdaad nog een decennium eerder, en ik wilde zelfs de lp’s van Santana, The Allman Brothers en Wishbone Ash wel van hem hebben; hij zou ze anders toch maar hebben weggegooid. Het kwam mij uiterst vreemd voor dat iemand de geschiedenis van zijn muzikale smaak teniet wilde doen uit naam van wat ik niet anders dan als toch slechts een nieuwe modegril in de muziek kon zien. Dat men voortaan lp’s van The Police kocht, The Stranglers, The Ramones natuurlijk, The Sex Pistols voor mijn part – accoord, maar daarvoor de rest van je verzameling bij de vuilnis zetten, leek me ook toen al overdreven.
    Maar modegril of niet: men raakt er hoe dan ook, zoniet door bevangen, dan toch: mee besmet. Ik kan me mijn aanvankelijke scepsis bij The Police niet goed meer voorstellen, zoals ik ook mijn reserve’s bij de plotsklaps wat al te jazzy geworden Sting-solo niet goed meer begrijp (ik betreurde dat hij The Police-lijn verliet). Zo had ik aanvankelijk ook niet zo veel op met U2, en vond ik de overeenkomst tussen hun muziek en die van The Simple Minds treffend (het verschil, vooral in kwaliteit, is nu heel goed te horen, vind ik). Laten we zeggen dat ik geen talent heb om fan te worden van iets of iemand, dat er altijd eerst en vooral weerstand is voordat ik toegeef, waarbij het me soms niet duidelijk is of mijn toegeeflijkheid te maken heeft met de muziek in kwestie, of domweg een zaak van sociale druk is. Het is erg lastig, en op een zeker moment wordt het zelfs ridicuul, om een jankende, tot brakens toe sentimentele Neil Young te blijven verdedigen tegenover de nieuwe eenvoud die de punk bracht (het ‘revolutionaire’ van de driemansformatie die The Police was – iets wat men alleen begrijpt als men het pathetische geweld van de symfonische rock á la Yes enigszins kent). En uiteraard knipte ik op een zeker moment mijn haar.
    Het is misschien omdat ik momenteel tegenover muziek uit die tijd – en eerder – elke kritische distantie dreig kwijt te raken, dat ik Stings autobiografie dan toch nog behoorlijk ontluisterend vond. Niet dat het boek slecht geschreven is (wel matig vertaald, en heel slecht geredigeerd), zij het ook niet goed – Sting wordt af en toe onverdragelijk ‘literair’ – maar in het boek wordt dan toch ook voor mij een mythe doorgeprikt waarin ik, ondanks al mijn scepsis, een tijdlang geloofd moet hebben. Daarover schreef ik dit weekend (voor de krant van woensdag, in de reeks ‘links/rechts’), en ik liet het gisterenavond aan Hanna lezen. ‘Het spijt me,’ zei ik, maar ze glimlachte dapper, corrigeerde een kleine grammaticale ongerechtigheid en zei dat ze maar eens ging slapen. ‘Het doet natuurlijk niks af aan zijn muziek,’ zei ik. ‘Nee,’ zei ze, en glimlachte weer.
    Dat stuk gaat over narcisme en een brandende ambitie, over verraad aan hogere doelen ook, en uiteindelijk over de misschien voor popartiesten, of voor iedereen die luidkeels hogere principes debiteert onvermijdelijke hypocrisie. Of: hoe je vroeger vooral ernstig vervuilende 2CV’tjes rond zag rijden met de helgele sticker: ‘Kernenergie? Nee, bedankt!’ – de Eend (of Geit, zoals hij in Vlaanderen wordt genoemd) als rokend en puffend symbool voor de alternatieve levensstijl van degenen die erin zaten. Ik had dat allemaal weer eens fijntjes doorgeprikt. Ik kon trots zijn op mezelf. Maar toen Hanna de trap afdaalde worstelde ik met de vraag of ik niet toch nog iets moest veranderen in het stuk, opdat Sting behouden bleef als dat wat hij zovaak schijnt te zijn – behouden voor haar dan. Die poster hangt ook al nergens meer, immers...

  • Pin it!

    Mischkulnig

    Gisterenavond een multilinguale avond in Passa Porta, waarbij Nederlands, Frans, Engels en Duits elkaar in hoog tempo afwisselden. Kamiel Van Hole interviewde een nieuwe, Canadese residente, Aimée Laberge, en was diep weggedoken in haar boek, vertaald als Waar de rivier versmalt. Hij veronderstelde dat Frans haar ‘langue paternelle’ was? ‘Maternelle,’ verbeterde ze, en in het interview leek ze telkens wanneer ze het over Quebec had (de naam Quebec blijkt ‘waar de rivier versmalt’ te betekenen) over te schakelen naar het Frans, en zodra het over andere dingen en plaatsen ging schakelde ze over naar het Engels, zodat een in het Frans gestelde vraag soms in het Engels werd beantwoord en omgekeerd.
    Ik moet bekennen dat ik niet altijd even scherp zat op te letten, omdat ik met mijn hoofd bij het gesprek was dat ik daarna moest voeren met Lydia Mischkulnig (foto). Vooraf had Lydia me al gemeld dat ook de biografe van Jean Améry, Irene Heidelberger-Leonard, aanwezig zou zijn, en dat maakte toch ook mij wat nerveus (Lydia zelf stond strak van de zenuwen, zei ze). Ik heb nog steeds het gevoel dat hetgeen ik over Améry geschreven heb in mijn essay ‘De man die nee zei’ een misschien wel ontoelaatbaar persoonlijke benadering van Améry’s werk is geweest, nog even afgezien van mijn mogelijk te weinig respectvolle houding tegenover de verschrikkingen van de holocaust in dat stuk – waarmee ik vooral bedoel dat ik weiger om tegenover die absolute verschrikking in een bedremmeld zwijgen te vervallen, dat ik de sacralisering van de holocaust afwijs. Ik herinner me dat Gie van den Berghe, die bij het verschijnen van Nolens’ vertaling van Jenseits von Schuld und Sühne een paar stukken over Améry publiceerde, over mijn essay erg verwonderd was. Zijn aanpak was historisch, de mijne, naar zijn zin, veel te persoonlijk. Hij zal zich in ieder geval niet gestoord hebben aan dat mogelijke gebrek aan respect (overigens vind ik dat men de slachtoffers een slechte dienst bewijst wanneer men zich laat meevoeren in die sacralisering, zelfs bijna fetisjering van de holocaust). Dus wat moest Irene Heidelberger-Leonard er niet van vinden? Ik had me namelijk voorgenomen om in het gesprek met Lydia een paar bokkensprongen te maken en niet uitsluitend stil te staan bij haar zoektocht naar sporen van Améry in België (Breendonk, Brussel).
    Mischkulnigs werk biedt verschillende mogelijkheden om het met Améry in verband te brengen, juist wanneer men weet dat de auteur door diens werk en persoon gefascineerd is. Maar wil je het daarover hebben dan kun je niet blijven staan bij Améry alleen, en zelfs niet bij de noodzaak tot Vergangenheitsbewältigung van een Oostenrijkse die zelf de Tweede Wereldoorlog niet meemaakte en voor mogelijk foute voorouders al terug moet naar de grootouders. Dat die noodzaak er ook voor Lydia Mischkulnig blijkbaar wél is, blijkt uit haar bijna continue verbijstering over de zeden en gewoonten in Brussel – en laat ik die nu voor het gemak maar samenvatten in de woorden van Piet J., die later op de avond nog kwam binnenlopen: ‘In Brussel behoort iedereen tot een minderheid,’ zei hij in antwoord op Mischkulnigs verbaasde vaststelling dat zij in café’s niet als iets buitennissigs werd beschouwd, wat haar blijkbaar in Weense café’s nog geregeld gebeurt. In een stuk dat me voor het gesprek werd opgestuurd, schrijft Mischkulnig dat ’das Schreiben eine Art Spirale darstellt, mit deren Hilfe man dem Irrsinn, sich Kategorisierungen und Normen zu unterwerfen, entkommen kann. Lieber bin ich allein und im frostigen Freien, als vom Grauen, dieser verworrenen, sexistisch, rassistisch, religiös, faschistisch aufgeladenen uteralen Minotaurus-Norm, verschlungen zu werden.’ Ook in het gesprek stelde ze geregeld dat het schrijven voor haar de mogelijkheid vertegenwoordigde om in het geestelijke een vrijheid te veroveren die daarbuiten niet bestaat. Dat is natuurlijk een klassiek geworden opvatting van het schrijverschap, maar het gaat er om dat dit ‘buiten’ door haar wordt ingevuld zoals ze het hier doet, en dat die invulling alles te maken lijkt te hebben met de Oostenrijkse samenleving zoals zij die ervaart (en niet als enige ervaart, natuurlijk; ze wordt in de kritiek vaak – en tot haar eigen verveling – met Jelinek vergeleken, wat wel te begrijpen is, maar tegelijkertijd (zoals altijd met dit soort vergelijkingen) precies het soort categorisering is waaraan men als auteur graag wil ontkomen: de vergelijking is vooral een verkoopsargument voor diegenen die haar boeken niet lezen, voor de boekhandelaars, die overigens ook Jelinek niet gelezen zullen hebben).
    Dat de vrijheid die Mischkulnig zoekt in het schrijven niet gratuit is, geen lippendienst aan een uit de Romantiek voortgekomen idee over het schrijverschap, maar verbonden is met een innerlijke noodzaak, blijkt dan juist uit haar fascinatie voor Améry, die in dit verband degene wordt die het duidelijkst, want zonder pathetiek, zichzelf minitieus analyserend en zo ook objectiverend in de meest letterlijke zin van het woord, heeft laten zien wat het is als élke mogelijkheid op een dergelijke vrijheid je wordt ontnomen. In het licht van wat Améry in zijn essay ‘Die Tortur’ heeft geschreven, en ook in ‘An den grenzen des Geistes’ (beide uit Jenseits von Schuld und Sühne), kun je stellen dat men niet per se een schrijver hoeft te zijn om blijkbaar op dat soort ‘vrijheid’ te rekenen. Integendeel: de vrijheid die de moderne schrijver nastreeft, is niets anders dan de verheviging van een vrijheid waar iedereen vanzelfsprekend op rekent. En juist die is in Améry’s geval geschonden. Het is dat besef van schending, en de onuitsprekelijkheid die erachter wegkomt, die Mischkulnig zo gefascineerd (en tegelijkertijd: ontzet) doet zijn door het werk van haar landgenoot, en die rechtstreeks te maken heeft met de toon, en vooral ook de vorm van haar werk – met het feit dat ze voor de groteske kiest bijvoorbeeld (ze las tot slot een prachtige groteske voor, die ik onmiddellijk voor yang heb gevraagd), of voor het, overigens wel erg tobberige proza van Umarmung, waar de theorie het toch een beetje op de praktijk heeft gewonnen.
    Hoe dan ook, het is precies het – hoe zal ik het noemen? – het humanitaire nulpunt van Améry dat het schrijverschap van Mischkulnig motiveert: de noodzaak ervan, die je soms (soms ook net even te hevig) in elke zin voelt, de paradox die erin schuilgaat: dat haar wens ‘wahrhaftig’ te zijn leidt tot de, ook al uit eindeloos veel literatuur (en filosofie) bekende ontmaskeringen van de ‘waarheden’ die in onze cultuur aanwezig zijn, inclusief die van de fictie van onze eigen identiteit, maar dat de zo gewonnen vrijheid in haast sartriaanse zin een ‘verschrikkelijke vrijheid’ is die de noodzaak tot identiteit, tot ‘Heimat’ en ‘Bleibe’ des te groter maakt. Ik geloof dat ze het over Thomas Bernhardt had toen ze zei dat er schrijvers waren die met een klaarblijkelijk genoegen op Oostenrijk inhakten, ‘weil sie es als Heimat háben’ – daarmee aangevend dat kritiek op de eigen samenleving gemakkelijk is wanneer je je er deel van weet, wanneer je als, zij het dan weerspannig figuur, erkend wordt als deel van de samenleving, van de cultuur waarin (en waartegen) je je uitspreekt.
    Uiteindelijk – maar dit is een nietszeggende formulering als je het niet koppelt aan specifiek Mischkulnigs werk – gaat het hier maar weer eens om het onzegbare, niet als eindstation, maar als aanvang: als dat wat in beweging zet, telkens weer. Literatuur, schrijft ze ergens, is ’eine bis zum äußersten Ausmaß mit Bedeutung aufgeladenen Worten Inhalt transportierende Rhytmik (...), nämlich gesungenes Denken und Nachdenken.’ En wat zo beweegt is de afschuw van de categoriseringen, maar ook de afschuw van het niets dat na de ontmaskeringen overblijft. En Améry’s werk staat hier op de plaats van dat niets: als het ontoelaatbare.
    Intussen is dit alles hoe ik me het gesprek gedacht had, niet hoe het verliep. Ik probeerde na wat inleidende manoeuvres, om Mischkulnig uit het spoor te krijgen van enkel de ontzetting over Améry’s werk, naar bijvoorbeeld datgene wat ik bij het lezen van zijn werk zelf heb ervaren: irritatie. Die irritatie had voor mij alles te maken met het feit dat Améry steeds iedere mogelijkheid tot begrip uitsluit, begrip van anderen, begrip van mij, bijvoorbeeld. Wij, buitenstaanders, wij die de verschrikkingen van kampen en folter niet zelf aan den lijve hebben meegemaakt, kunnen nooit begrijpen wat dat precies inhoudt – en zelfs onze pogingen er toe te naderen houden geen steek. Daarmee plaats Améry zich buiten elk discours, en men kan degenen die vervolgens, al dan niet met een slecht geweten, hun schouders ophalen niet eens ongelijk geven. Hij wil dat we hem erkennen in zijn vernietigd zijn, hij wil dat de cultuur die vernietiging, die haar in feite opheft, in zich opneemt – en dat is eenvoudigweg niet mogelijk.
    De hardnekkigheid waarmee Améry dat doet, elke poging tot begrip terugwijst (ook die van hemzelf trouwens, voor zover hij als overlevende dan toch weer deel uitmaakte van de cultuur, als het ware zijn eigen buitenstaander geworden was, al klinkt dat wat ingewikkeld misschien), is irritant, maar tegelijkertijd geeft het sterker dan wat ook aan om welke intensiteit het hier gaat, om welke ervaringsinhoud. Ik maak me sterk dat je die alleen ontdekt nadat je bij Améry zelf op zijn minst één keer het gevoel hebt gehad: kijk, Améry, als het zo ligt, dan doe ik uw boekjes dicht, dan gaat het mij klaarblijkelijk niet aan, ik kan het immers toch niet begrijpen, zegt u; wel, zoekt u het dan zelf maar uit. Juist op dat moment blijkt dat men tot het sluiten van die boekjes niet in staat is, dat men zich zozeer in de nabijheid van het ondenkbaar afschuwelijke bevindt, juist door Améry’s eigen rücksichtslose benadering van zichzelf, dat men moet en ook wil blijven kijken naar dat wat men niet zozeer ziet, in de zin van ‘begrijpt’, maar enkel aanvoelt – als iets van onszelf. Ergens weet Améry dan toch de sprong naar de ander te maken, zonder zijn hyperindividuele lot prijs te geven aan algemene beschouwingen (het is overigens eenzelfde soort raadsel dat in de poëzie van Duinker schuilt). En dat wat overspringt vormt de basis van bijvoorbeeld Mischkulnigs schrijverschap.
    Mischkulnig intussen was helemaal niet van zins om mee te gaan in die irritatie, zodat het me niet echt lukte om de brug te slaan tussen haar fascinatie voor Améry en haar eigen schrijverschap, al bleef ik het dan moedig proberen. Tussendoor werd ik nog geacht om korte samenvattingen in het Nederlands te geven – Sigrid B. had me dat gevraagd – en dat vergat ik grotendeels, al schoot het me dan toch nog weer te binnen, maar dreigde ik in het weergeven van ons gesprek met mezelf in discussie te gaan, zodat ik ook dat weer afbrak. Achteraf werd me verzekerd dat het heel goed was geweest allemaal, men had zich geen moment verveeld. Kan zijn, maar ik was niet tevreden, ook al niet omdat ik me maar weer eens had laten verleiden om in een gesprek als dit op zoek te gaan naar wat onder iemands schrijven ligt, terwijl dat nu juist is wat iemand doet schrijven, en waarover hij of zij ofwel niets weet te zeggen, ofwel juist niets wenst te zeggen. De essayist in mij zat de interviewer in de weg. Ik had me veel meer aan de mij voorgenomen ‘domme vragen’ moeten houden. Een interviewer mag geen essentialist zijn als hij iets van de essentie van de geïnterviewde bloot wil woelen.
    Wat overigens cafébezoek nadien niet in de weg stond. Lydia schonk me nog haar Hollywood im Winter, drukte me op het hart dat als ik in Wenen... anrufen... mailen... vielleicht könnte ich behilflich sein... kenne zwar nicht viel Leute, nur wichtige Leute... en grijnsde. Tegen enen met Inge A., die ik alvast strikte voor de vertaling van Lydia’s groteske, terug naar Gent.

  • Pin it!

    Ergens moeten uw handen...

    Tussen drama en verdriet de afgelopen dagen: eerst vrijdag aanwezig geweest op de crematie van de moeder van S., die er zelf een indrukwekkende en mij hevig ontroerende speech hield, met huiveringwekkende regels van Achterberg als rode draad: Ergens moeten uw handen nog bezig zijn / te zorgen dat ik niet verloren ga’ – uit het gedicht ‘Handen’, uit de bundel Morendo. Ik heb S’ moeder niet gekend, maar wat ze betekend heeft voor S. – en mogelijk voor de honderden anderen die aanwezig waren – het werd me door die regels duidelijker dan wat ook, duidelijker dan de opsomming van feiten, gebeurtenissen, woorden die ooit werden gesproken, duidelijker dan de op zich ook ontroerende details van zelfgemaakte mantelpakjes en eindeloze paren schoenen. Ik vraag me altijd weer af of dat alleen voor mij, en voor andere literatuurfanaten zo is, of dat het ook werkt voor iemand die nooit een gedicht leest. De regels van Achterberg, zelfs in deze context uitgesproken (waar ze hun eigen plaats hadden en ook behielden), brachten me vooral mijn eigen moeder te binnen, die, overigens alive and kicking, op een kleine onpasselijkheid ten gevolge van het eten van wat al te snel bedorven préparé na, hier dit weekend vooral stond te brabbelen tegen een geamuseerde Emma. Het gedicht ‘al met aarde’ van Gerrit Kouwenaar, waarvan ik weet dat hij het schreef bij de dood van zijn eigen moeder, doet iets soortgelijks. Zoals ‘De vijver in het meer’ van Faverey voor mij de dood van mijn vader voor de geest brengt, en sowieso de naar mijn idee nog steeds sterkste regels bevat over wat het is dat je ervaart wanneer er iemand sterft, verdwijnt in een niets dat niet denkbaar is, omdat nu eenmaal geen enkel niets denkbaar is: Ik zit met mijn gezicht naar de muur waaruit ik bloed.
    Ik vermoed dat je literatuurfanaat moet zijn om door dergelijke troosteloze, voor velen wellicht zelfs onbegrijpelijke regels toch iets van troost te ervaren: de troost van het fait accompli, een soort berusting uiteindelijk toch, waar de regels nu juist aangeven dat men eindeloos met zijn hoofd tegen de muur zal blijven lopen als het gaat om de dood (precies wat Faverey zo haast onnavolgbaar doet in deze reeks). ‘Berusting’ is misschien dan ook niet het juiste woord: het is een soort in de pijn zitten, waarbuiten er niets is, waarbuiten alle goedbedoelende cliché’s die mensen je toevoegen bijwijze van welgemeende, machteloze troost, bijna een belediging zijn.
    Het moet zijn waar S. zit.
    Intussen las ik tussendoor, omdat ik Snoek nu uit heb (ik schrijf er volgende week over), een allerwegen fel gesmaakt boekje van Philippe Claudel, auteur van Grijze zielen, zoals zelfs het omslag meldt: Zonder mij (oorspronkelijk 2000). ‘Een adembenemend meesterwerk,’ meende een recensent in NRC volgens, nog steeds, de flap, en in Trouw schijnt men erover geschreven te hebben: ‘Een schitterend geschreven ballade van melancholie, die eindigt in woede.’ Die recensies zag ik allemaal niet. Wel die van Dirk Leyman in De Morgen van 30 maart jongstleden, en dat deed me besluiten het boekje aan te schaffen om binnenkort te gebruiken voor mijn stuk over rouw & literatuur, dat vermoedelijk zal neerkomen op de onmogelijkheid van directe emoties in literatuur, op de noodzaak van de omweg, die vorm altijd is. Maar het zal duidelijk zijn dat ik weer eens niet onder de indruk ben van datgene waarvan de verzamelde pers blijkbaar volledig tegen de grond ging. Al maakte Leyman bijvoorbeeld nog wel een voorbehoud. In zijn slotregels stelde hij: ‘In Zonder mij demonstreert Claudel met groot stijlvertoon hoe intense rouw een zelfbeeld geheel aan diggelen kan gooien en de kijk op de wereld volkomen vertroebelt. Dat hij zijn hoofdpersonage daarbij soms een gratuit cultuurpessimisme in de mond legt, zij hem vergeven. Bij die laatste zin denk ik: daarom gaat het juist mis in dit boekje. Het weet bij vlagen wel over te brengen waarnaar Claudel gezocht moet hebben – de rauwheid en rücksichtslosigkeit van de rouw – maar dan nog vind ik dat hij zich heeft laten afleiden van datgene wat hier en daar tussen de regels doorschemert, maar door de auteur niet wordt opgepikt: dat het hem minder om rouw gaat dan om de angst voor verlies. En dat pikt hij onvoldoende op omdat hij te veel gefixeerd lijkt door zijn voornemen de rouw vooral in verband te brengen met het ‘gratuit cultuurpessimisme’, zoals Leyman het noemt, dat hem juist om die reden niet ‘vergeven’ mag worden. Het vertroebelt het verdriet van de hoofdfiguur en maakt dat zijn suïcidale neigingen eerder te maken hebben met de onverdragelijkheid van de banale wereld, dan met de onverdragelijkheid van die wereld zonder de gestorven geliefde – wat een groot verschil is. Dat de hoofdpersoon daarbij dan ook nog eens als verpleger-psycholoog in een ziekenhuis de taak heeft om aan de familie van gestorvenen de organen van hun geliefde doden te ontfutselen voor transplantatie-doeleinden, is er te veel aan. Dat hij dat moet doen met een collega die in zijn vrije tijd als hooligan bij PSG op de tribune zit, en die alle ondeugden van dat soort volk in zich verenigd heeft, terwijl datzelfde volk dan weer tot maatstaf wordt gemaakt voor de hele wereld: het is je reinste opera en het sorteert bij mij precies het omgekeerde van datgene wat het dan blijkbaar bij de verzamelde recensenten opriep (niet alleen in Nederland en België, overigens).
    Ik kan alleen maar concluderen dat Claudel als schrijver blijkbaar voortdurend bang is geweest dat ik het als lezer allemaal niet zou begrijpen, plus, misschien, dat hij toch ook graag een deuntje wilde meezingen in het koor van Houellebecq-adepten dat de huidige bestsellerslijsten aanvoert. Wellicht is dat wat al te villein, en kan ik het beter terugkoppelen naar de op dit moment in de literatuur in binnen- en buitenland erg in de mode geraakte neiging om toch maar vooral te bewijzen dat men maatschappelijk erg betrokken is, en bepaald geen estheet die alleen in zijn eigen navel zit te poeren. En ik vind dat dan weer het bewijs van intellectueel narcisme bij uitstek, natuurlijk! Zoals ik zo langzamerhand helemaal iebel wordt van intellectuelen, met in het Latijn gestelde diploma’s op zak, die en plein public voortdurend tegen ‘de’ intellectueel te keer gaan. Men voelt natuurlijk dat in deze tijden van (extreme) verrechtsing ‘de’ intellectueel weer eens opgejaagd wild aan het worden is…
    Intussen was het weekend daarmee nog maar net begonnen; gisteren kwam het bericht dat Hanna’s grootmoeder van moeders zijde een val heeft gemaakt met allerlei verschrikkelijks tot gevolg, niet alleen voor haar, maar vooral ook in de directe familiale sfeer, waar het niet zelden ook complete opera is (zoals in veel families, vermoed ik toch). Sommige handen zijn al zo verloren dat ze anderen niet meer kunnen behoeden, zodat die anderen het zelf moeten zien te klaren. En zo kom ik dan nog eens bij Claudels boekje uit, bij wat hij had moeten schrijven: hoe ondragelijk de wereld is (deze, elke andere), zonder degene voor wie onze handen nog bezig zijn te zorgen dat zij niet verloren gaat. Bang bezit, als het al zo mag heten.

  • Pin it!

    Hein Leferink Revisited

    Het lezen in de biografie van Snoek neemt veel meer tijd in beslag dan ik vooraf had gedacht. Het lezen wordt steeds onderbroken door allerhande kleine zaken die geregeld moeten worden, en bovendien na zo’n 100 pagina’s heb je wel even behoefte om de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw voor even te verlaten. Dat ik in mijn leessnelheid wat wordt afgeremd, heeft natuurlijk ook te maken met een openstaande schuld die ik hoogstwaarschijnlijk in dit leven niet meer zal inlossen (in het hiernamaals ben ik nog tot allerlei in staat, lijkt me): het onafgewerkte proefschrift over Du Perrons poëticale opvattingen dat nog ergens in een doos met papieren op zolder moet liggen, en dat verder in inmiddels niet meer te openen bestanden (heel erg oude WordPerfect-bestanden) op mijn computer staat – telkens met een steeds absurder wordend optimisme van nieuw aangeschaft apparaat naar alweer een nieuw apparaat gekopieerd, totdat ze op mijn huidige Apple nog slechts bestandsnamen zijn die niet langer corresponderen met enig programma dat ze nog zou kunnen openen. Dat ik dat proefschrift nooit heb afgerond, is minder een nederlaag tegenover mezelf, dan tegenover de mensen aan wie ik me verplicht voel, met name degenen die zich destijds (eind jaren tachtig) sterk hebben gemaakt voor de plaats aan de universiteit die ik vier jaren lang bezet heb gehouden.
    Het zal wel niet helemaal toevallig zijn dat ik recent nog weer contact opnam met mijn toenmalige promotor, Gillis Dorleijn – al had Du Perron er niets mee te maken, althans niet in directe zin. Ik kwam een tekst van hem tegen die hij had uitgesproken bij de crematie van Hein Leferink, de tegelijk bevlogen als altijd ook wat Don Quichotterige docent bij wie ik destijds de nodige colleges liep, en die mijn thesis over Het land van herkomst begeleid heeft op een werkelijk onvergetelijke manier: als een harde, eerlijke leermeester die me, voor zover ik er althans nu nog aanspraak op mag maken, het helder formuleren bijbracht. De bespreking van de verschillende hoofdstukken van die thesis vonden meestal bij hem thuis plaats, een kleine bovenwoning die nog kleiner leek doordat zowat alle wanden door boekenplanken waren ingenomen. Hij liep de tekst met mij door en kon dan op een bepaald toontje, waarvan ik de pesterigheid al vrij snel begon te kennen, een passage voorlezen. Dan keek hij me even aan met een sceptische blik en zei tergend langzaam: ‘Dat. Begrijp. Ik. Niet.’ En om zijn onbegrip kracht bij te zetten, las hij de bedoelde zinnen nog eens voor, om dan te besluiten: ‘Nee, begrijp ik niets van.’ Ik was dan, zeker in het begin, toen ik zijn methode nog niet geheel doorhad, onmiddellijk op stoom – want kijk eens, ik had toevallig wel héél erg hard op dat hoofdstuk gewerkt en mijn stinkende best gedaan om het onderste uit de kan te halen. Dus ik stak meteen wat verontwaardigd van wal. Dat hij die zinnen nou niet begreep! Dat was toch simpel? Dat ging toch hier-en-hier over? En ik gaf een parafrase. Waarop hij weer: ‘Maar schrijf dat dan godverdomme zo op, klootzak! Precies zo als je het nu uitlegt!’ – en hij hief daarbij zijn armen theatraal ten hemel, om daarna met een fijn lachje, terwijl ik bedremmeld naar de gewraakte passage zat te staren, een flesje wijn te ontkurken.
    Je moest hier tegen kunnen, natuurlijk, en ik kon er goed tegen, juist omdat ik onmiddellijk toe moest geven dat hij volkomen gelijk had, dat ik een neiging tot ingewikkeldheid had die zaken soms interessanter maakte dan ze waren, eenvoudigweg omdat ze gecompliceerder leken dan ze konden zijn. Hij prikte daar genadeloos doorheen. Hij vond waarschijnlijk dat ik over voldoende talent beschikte om enige pretentie te hebben, maar juist daarom viel hij me telkens op die pretenties het hardst aan.
    Dat het als algemene methode om mensen het helder formuleren bij te brengen niet werkt, heb ik later ondervonden toen ik studenten langs dezelfde weg commentaar gaf op papers die ze hadden geschreven – wel steeds met de rugdekking dat ik gerust een paar uur voor een student uittrok om mijn rode strepen en mijn ongezouten commentaar in de kantlijn wat nader toe te lichten. En dat het voor Hein ook niet altijd de juiste methode was, bleek mij toen wij later samen colleges gaven en al even over negenen ’s ochtends met een huilende studente vanwege een door ons in duo afgewezen paper kwamen te zitten. De afspraak was om negen uur begonnen, en al na een minuut of tien was het tijd voor zakdoeken, opbeurende praatjes, de verzekering dat het niet om haar persoonlijkheid ging, dat ze natuurlijk erg aardig was, etc. etc. En nog weer later mocht ik onder auspiciën van Gillis Dorleijn een student begeleiden die een doctoraalscriptie wilde maken over iets wat ik interessant vond. Dat leek mij heel merkwaardig, en ik zei het hem. Maar hij hield vol: graag zou hij een thesis maken waar ik ook wat aan had voor mijn onderzoek. Zo kwamen we op Jan Engelman. De strengheid die ik bij zijn eerste hoofdstukken aan de dag legde, hadden aanvankelijk een nogal demotiverend effect op hem, maar gaandeweg werden zijn hoofdstukken toch beter. Aan het slot, drie weken voordat hij zijn zaken ingeleverd moest hebben, zei ik tegen hem dat zijn laatste hoofdstuk helemaal in orde was, en dat hij nu nog drie weken de tijd had om zijn eerdere hoofdstukken op precies die manier te herwerken en er een mooie scriptie van te maken. Hij weigerde. Hij kon dat ‘psychisch’ niet meer aan, zei hij, waarbij mijn wenkbrauwen wel heel erg hoog de lucht in schoten. ‘Zoals het er nu ligt, is het echt niet voldoende,’ zei ik nog, maar dat maakte op hem geen indruk. Mijn pogingen hem vervolgens te buizen liepen stuk op een veto van Dorleijn, die niet vond dat je een student in een zo laat stadium de lankmoedigheid van docenten taalbeheersing uit eerdere jaren als rekening mocht presenteren. Bovendien was het universitair onderwijs in Nederland toen al grotendeels afgestemd op marktmechanismen, die maakten dat een hoger aantal afgestudeerden leidde tot meer geld voor de universiteit: niveaudaling kon daarbij een handje helpen.
    Dat was alles zeer tegen de schenen van Hein Leferink, die in die zaken weigerde pragmatisch te worden, zodat hij bij al zijn bevlogenheid tegelijkertijd een van de meest sombere en zelfs cynische docenten was die er rondliepen. Als je die bevlogen kant niet kende, kon je je gemakkelijk in hem vergissen. Hij was dan ook als docent iemand waar je voor of tegen was – en dat vind ik dan altijd weer een aanbeveling. Uit het stuk van Dorleijn begreep ik ook dat hij voor zijn academische carrière nog een hotel had gerund in de Ardennen, en dat als hem iets niet zinde hij altijd dreigde weer naar België af te reizen. Over dat hotel heeft hij het met mij nooit gehad, en hoe dat hotel überhaupt een drukkingsmiddel kon zijn, is me nog steeds niet duidelijk, maar hij liet me wel eens zijn Belgisch rijbewijs zien, vooral om aan te tonen dat men hier ten lande op het gebied van de verkeersveiligheid nog veel te leren had: hij en een rijbewijs! Dat was een kapitale vergissing.
    Het was Dorleijn die mij een aantal maanden geleden belde met het nieuws dat hij plotseling overleden was, en ik heb nog overwogen om naar Groningen af te reizen, maar het uiteindelijk niet gedaan. Toen ik Dorleijns stuk las, had ik daar eigenlijk weer spijt van. Hoe dat ook zij, ik liet Dorleijn nog even weten dat ik het een mooie rede vond, en hij meldde dan weer binnenkort in Gent te moeten zijn – zodat we afgesproken hebben. En dat juist nu ik weer volop met Du Perron bezig ben.
    Toch, Snoeks biografie is in die zin een geruststelling dat ik nu veel beter zie dat het soort proefschrift dat ik had willen maken, juist over iemand als Du Perron maar heel moeilijk te maken is. Je kunt bij zijn werk, in tegenstelling tot dat van Ter Braak bijvoorbeeld, nauwelijks om de biografische feiten heen, ook niet als je het puur over zijn literatuuropvattingen zou willen hebben. Die zijn steeds nauw verweven met zijn leven. Snoek stelt ergens dat Du Perron zijn waarden verwierf in confrontatie met de praktijk, en dat lijkt me juist. Daarin is hij de tegenpool van Ter Braak. Over die laatste kan men schrijven, en is ook geschreven, in een meer algemene zin; men kan het over zijn ‘filosofie’ hebben; men kan, blijkens het nog steeds ongeëvenaarde boek van Van Nieuwstadt, Ter Braak zelfs door de bril van postmoderne filosofen lezen en met nog iets waardevols terugkomen. Dat levert bij Du Perrons werk allemaal heel weinig op. Men valt altijd weer terug op de omstandigheden waarin hij een en ander formuleerde, en die heeft men ook nodig om überhaupt te kunnen begrijpen waarom hij bepaalde dingen formuleerde zoals hij het deed. Een poëticale studie zou uitgelopen zijn op minstens een halve biografie – wat meteen prachtig Du Perrons poëticale standpunten illustreert overigens.
    Enfin, dit soort terzijdes – staren langs de pagina’s van het boek, soms ijlings iets noterend op een papiertje – maken dat het lezen me meer tijd kost dan ik vooraf had gedacht.

    Een bezoek aan ‘Het Rozenbalkon’, een door Tom VdV en Dix (Van Dixhoorn) opgezet initiatief, doet er ook geen goed aan natuurlijk. Gisterenavond was de derde aflevering ten huize van Tom, met alweer een goed gevulde tuin die dit keer luisterde naar Roland Jooris en Peter van Lier. Maar men blijft daar dan natuurlijk hangen, drinkt te veel wijn, praat met mensen die men al een tijdlang niet meer sprak, en het wordt laat, later en nog iets later, en neemt vervolgens het risico dat het Hollands rijbewijs een probaat tegengif is voor net dat ene glaasje wijn te veel als men – ook al geheel naar de Belgische mode – met de auto het kippeneindje door de stad terug naar huis rijdt, zichzelf vervloekend dat men niet toch met de fiets is gekomen. Uiteraard wemelt het op zo’n avond dan van de flikken, maar dat had iets te maken met een onzalig gebeuren hier in de Gentse Sleepstraat, leek mij, waar een massa volk zich stond te verdringen rondom blauw zwaailicht en politielinten.

  • Pin it!

    Snoek & Gerbrandy

    Al dagen verzonken in Kees Snoeks biografie over Du Perron, een kluif van zo’n 1200-nog-wat bladzijden. Voorlopig valt het me nog niet mee. Maar ik zou ook niet graag in Snoeks schoenen hebben gestaan. Vooral als het gaat om de jeugdjaren en de eerste tijd in Europa, frustreren Du Perrons autobiografische werken (Een voorbereiding, maar natuurlijk vooral zijn Het land van herkomst) elke biografische onderneming. Dat is zeker in het algemeen niet zo, maar wel in dit bijzondere geval. Niet dat er bij bijvoorbeeld de ‘Indië-hoofdstukken’ uit HLvH geen opmerkingen te maken zouden zijn over vertekeningen, over wat er eventueel werd verzwegen, maar ook daarin heeft Du Perron ruimschoots voorzien toen hij voor Jan Greshoff het zogeheten ‘Greshoff-exemplaar’ van zijn roman maakte: een met witte pagina’s doorschoten boek waarin Du Perron precies over de vertekeningen en verzwegen zaken aantekeningen heeft gemaakt voor zijn vriend (ik moet hier nog ergens, door diverse verhuizingen voorlopig onvindbare kopieën van dat Greshoff-exemplaar hebben, omdat ik ooit voor de dertiende druk van HLvH voor Van Oorschot de tekst van de roman via asterisken verbonden heb met aantekeningen uit dat exemplaar – toen nog verbijsterd over Wouter van Oorschots laconieke reactie op mijn opmerking dat het eigenlijk niet goed mogelijk was om die aantekeningen, gemaakt bij de eerste druk van het boek, te verbinden met het zetsel dat sinds de derde druk steeds is gebruikt om het boek te herdrukken: dat moesten we maar een beetje wegmoffelen, dan, zei hij. Gelukkig is er inmiddels de uitgave van Dorleijn en Bulhof uit 1996). Daarbij heeft elke biograaf van Du Perron het lastig om voor de levensbeschrijving een invalshoek te vinden die werkelijk verschilt van die welke Du Perron zelf gebruikt in zijn romans, in zijn vaak hyperpersoonlijke essays, of in artikelen waarin hij terugkijkt op zijn eigen ontwikkeling als lezer. Er is bij alle ‘afkeer van histrionisme’, zoals Vestdijk dat ooit zo... zo vestdijkiaans formuleerde, een hyperkritische blik op het komediantje dat Du Perron in zijn eigen ogen vroeger was; hij herleidt zijn eerlijkheid zelf tot een aantal puberale dweperijen, zonder met de hardnekkige resten daarvan in zijn latere karakter af te willen rekenen of zichzelf er om te willen afvallen; en zelfs het voor de politiekcorrecte post-koloniaal van vandaag de dag stuitende racisme was Du Perron zelf niet ontgaan, noch zijn volstrekt inconsequente, in feite hyperburgerlijke afkeer van de bourgeoisie, die in zijn geval dan ook nooit heeft geleid tot een voorkeur voor politiek links, hoogstens tot een maar heel flauwe sympathie voor die kant van het politieke spectrum, maar altijd weer met de (puberale) aantekening dat hij, als de communisten het pleit zouden winnen, voor zijn boekenkast zou willen sterven in de strijd om de verdeling van zijn bibliotheek onder het volk tegen te gaan.
    Waarmee ik maar zeggen wil: de biograaf wordt hier grotendeels buitenspel gezet, en dat is in de eerste bijna 400 bladzijden van Snoeks boek dan ook goed te merken: hij komt nauwelijks verder dan navertellen van wat Du Perron zelf op papier heeft gezet, en illustreert historische feiten met hele lappen tekst uit HLvH – behalve, en dit is bijna grappig om op te merken, wanneer het op Du Perrons weinig verheffende seksuele escapades aankomt. Eerst betoont Snoek zich al merkwaardig schroomvallig wanneer hij het heeft over ‘de geheime zonde die zoveel jongens van zijn leeftijd bedreven’, om er een paar regels later het woord ‘zelfbevlekking’ voor te gebruiken, zodat ik al begin te vermoeden dat Snoek zelf nooit gemasturbeerd heeft, mogelijk uit angst voor de befaamde ‘ruggenmergverweking’, of uit vrees voor de al even beruchte blindheid? En vijftig bladzijden later, wanneer het gaat over Du Perrons ontmaagding en aansluitende avonturen met prostituees, suggereert hij alleen dat het er ‘in werkelijkheid’ waarschijnlijk (hij weet het niet) wel niet zo aan toe gegaan zou zijn. En waar hij normaliter op zinnen van het type: ‘Gebeurtenis X wordt in HLvH beschreven’ een flink citaat laat volgen, lezen we na de volgende zin dus... niks. ‘De erotische escapades van de twee vrienden worden in HLvH met veel verve beschreven.’ Ja, een noot met verwijzing naar de pagina’s in de roman. Het komt allemaal lichtelijk ridicuul over, zeker in het licht van Du Perrons eigen – enfin, hoe zal ik het noemen? zijn schaamteloosheid dan maar? Hij – pardon: het personage Ducroo – laat er in HLvH op een zeker moment nog zijn vrouw in delen wanneer dat boek eenmaal de vorm van ‘de jacht op de ene’ heeft aangenomen, en hij de beschrijving van die zoektocht onverwacht laat eindigen met een afspraakje dat Ducroo in een café maakt met een hoertje, door hem omschreven als een ‘poule au lorgnon’. Ducroo’s vrouw zegt dan lachend tegen hem dat men nu wel moet concluderen dat zij blijkbaar dat kippetje met lorgnet is. Waarmee zij en passant fijntjes de schijnheiligheid achter Ducroo’s zo ‘hoge’ zoektocht naar ‘de Ene’ blootlegt: wachten op ‘de ene, onverschenen, ademloos gewacht,’ zoals Ducroo de door Du Perron overigens niet erg geliefde Leopold citeert, maar onderwijl wel met een stuk of wat hoertjes neuken natuurlijk.
    Dit laatste geeft alweer aan hoe lastig een biograaf het met Du Perron moet hebben. Zijn dubbele moraal is door hemzelf al lang en breed onderkent, zijn twijfelachtige houding tegenover ‘de inlander’ eveneens, en zijn bewondering voor ‘mannen van de daad’ heeft in de jaren dertig een wat vreemde geur gekregen, zo meende Du Perron zelf, die inmiddels de fascisten door de straten van Parijs had zien marcheren en (ondanks masturbatie) natuurlijk niet blind was voor wat er gaande was. Hoe vind je tegenover iemand met zoveel zelfbewustzijn als biograaf een invalshoek die niet leidt tot het herkauwen van alles wat de schrijver al over zichzelf te berde bracht. Gesteld dat dat je bedoeling zou zijn, of moet zijn. Dat er achter zoveel zelfbewustzijn, zoveel, ook zelf als rücksichtslos omschreven eerlijkheid op zich weer een blinde vlek schuilgaat, is een hogere wijsheid waar je wellicht als biograaf niet zo heel erg veel mee kunt.
    Intussen moet ik me natuurlijk realiseren dat mijn bekendheid met het leven van Du Perron zoals ik dat zelf heb bestudeerd in en buiten zijn werk om, me niet onmiddellijk tot de meest ideale lezer van deze biografie maakt. Ik zie de overeenkomsten met het werk veel te snel, en ook dat bepaalde voorvallen inderdaad maar het beste in de context te berde worden gebracht waarin ze oorspronkelijk stonden: die van het literaire arrangement van de auteur zelf. Of: hoe de waarheid het beste gediend wordt met... fictie.
    Dat is een uitspraak waarop ik nog gedwongen terug zal moeten komen. Ik ben in een behoorlijke mail-discussie met B.B. verwikkeld over de verdiensten van Tom Naegels’ Los, die er in mijn ogen maar nauwelijks zijn, waar hij er zelfs ‘gemeenschapsstichtende’ kwaliteiten aan toedicht.

    Iets heel anders (of misschien ook niet) is het prachtig, somber-kankerende stuk dat Piet Gerbrandy deze week in De groene Amsterdammer schreef, ‘Met het nieuwe leren naar het stenen tijdperk’. Eerst neemt hij de, wat hij noemt, ‘vijf pijlers’ van het ‘Nieuwe Leren’ onder de loep: ‘Leukte, Onwetendheid, Intrinsieke Motivatie, Democratie en Holisme’ – om er daarna stuk voor stuk mee af te rekenen. Een heerlijk onvoorzichtig stuk dat jaren van woedend bijten op de punten van zijn martiale snor doet vermoeden. Een stuk ook dat dringend gelezen moet worden door alle zich voor idealisten uitgevende onderwijshervormers hier in Vlaanderen, die zich voor een vernieuwd onderwijs zouden willen richten op Nederland (een waarlijk Vlaamse ziekte: al het verkeerde uit Nederland overnemen). Ik zou hier hele lappen willen citeren. Van het grootste belang lijkt me dat Gerbrandy in dit stuk blootlegt hoezeer de uitgangspunten van dat ‘Nieuwe Leren’ volledig zijn toegesneden op de behoeften van uitsluitend neo-liberaal orerend gajus dat de wereld, de politiek en de school als een bedrijf ziet. Eveneens van het grootste belang is zijn pleidooi voor ‘een intellectuele elite die vanuit een brede culturele en wetenschappelijke kennis in staat is helder na te denken en niet als een kip zonder kop achter iedere trend – privatisering, concurrentie, flexibiliteit – aanloopt. Bij gebrek aan kritische intellectuelen,’ vervolgt hij, ‘mensen die écht kunnen lezen, valt Nederland binnen afzienbare tijd ten prooi aan idioten, fundamentalisten en grootindustriëlen.’ En vervolgens draaft hij heerlijk door: ‘Binnen vijfentwintig jaar nemen Chinezen, Indiërs of Amerikanen hier de tent over, omdat het in hun landen nog wél normaal is om keihard te werken’ – om te eindigen met: ‘Ik hoop dat ik heb overdreven.’
    Ik vrees het ergste.

  • Pin it!

    Vollezele

    Afgelopen woensdag de administratieve activiteiten (facturen maken, abonnee-bestand bijwerken, versturing nummers verzorgen) van yang eindelijk weer even onderbroken voor een heus diner in Vollezele, één van de residenties van Het Beschrijf voor buitenlandse auteurs. Men zou willen dat men op zoiets als de functie van aristocraat kon solliciteren en dan vervolgens daar mocht wonen, of zelfs alleen maar tuinman mocht zijn in het omliggende domein, al heb ik persoonlijk met tuinwerk niks op en word ik in ons kleine stadstuintje door Hanna vakkundig bij bloembedden, struiksels en andere bloeisels weg gehouden, wat ook maar beter is... Maar wat een locatie! Lydia Mischkulnich, de Oostenrijkse schrijfster die de directe aanleiding was voor mijn uitnodiging (ik interview haar 24 mei in Passa Porta in Brussel), zei dat ze daar nooit zou kunnen werken, omdat ze voortdurend afgeleid zou zijn. Het is inderdaad merkwaardig dat ook ik op het platteland aan werken niet toe lijk te kunnen komen, terwijl een stad toch veel meer afleiding biedt, en vooral: storende elementen bezit.
    Het was buitengewoon prettig met Mischkulnig kennis te maken; ons gesprek ging al meteen over Jean Améry, een van de redenen waarom zij hier in België is (zij zit in het Brusselse appartement). Ik zei haar dat die dag (afgelopen woensdag) Bernard Dewulf in zijn stukje op de voorpagina nog over Améry geschreven had: zijn column ging over 'Heimat', en ik herkende onmiddellijk Améry's uitspraken daarover (Dewulf noemde Améry niet). Zij was intussen al naar Breendonk geweest, waar Améry gevangen heeft gezeten en waar, als je dat zo kunt zeggen, het hoofdstuk 'Die Tortur' uit Jenseits von Schuld und Sühne 'speelt'. Ik vertelde haar zelf over Améry geschreven te hebben, maar dat het voor haar natuurlijk lastig was daar kennis van te nemen (het werd niet vertaald). En dus legde ik het zo'n beetje aan haar uit.
    Wat me dan onmiddellijk opvalt, is de klaarblijkelijk toch wat als oneerbiedig ervaren manier waarmee ik zo'n iemand als Améry tegemoet treed, want ik ben niet meteen overweldigd door een allesverlammend respect voor zijn kampervaringen. Ik ben vooral geïnteresseerd in wat hij er mee probeert te doen, hoe Améry zelf die ervaringen inzet in zijn discours - en dat is bij het immense leed waarover het gaat bijna al te zakelijk, zo merk ik steeds. En het blijft onoorbaar om er meer algemene conclusies aan te verbinden, en te stellen dat de door Améry enerzijds vastgestelde, anderzijds gecultiveerde onmogelijkheid om met de verschrikkingen van de kampen 'zur Sprache zu kommen' (en, om een boekje van Sloterdijk aan te halen, daarmee dus ook 'zur Welt zu kommen'), misschien wel geldt voor ieders hoogstpersoonlijke ervaringen - ervaringen waarvoor er alleen cliché's in onze taal beschikbaar zijn die volstrekt niet voldoen om het eigen leed onder woorden te brengen.
    Telkens wanneer ik uitleg dat het me vooral om deze kwestie te doen was in Améry's werk (ook de enige reden die opname van dat essay in De inwijkeling rechtvaardigde), zie ik dat men mij graag bestraffend toe wil spreken. Want, immers, ons eigen persoonlijk leed behoort in het niet te vallen naast het leed van iemand die de kampen overleefde (of niet overleefde, juist: Améry pleegde in '78 zelfmoord). Améry zelf was het daar overigens niet mee eens, zoals bleek uit zijn Hand an sich legen, zijn boek over zelfmoord; hij haalt daar een aantal, voor een ieder wellicht absurde voorbeelden aan van mensen die zelfmoord pleegden (waaronder dat van een huishoudster die uit het raam gesprongen was omdat ze hopeloos verliefd was op een stem uit de radio, toebehorend aan iemand die van meet af aan en voorgoed onbereikbaar was). Geen van die voorbeelden vindt hij ridicuul, want ook een onbereikbare stem in de radio kan voor iemand zijn hele wereld bevatten; en wie die ten onder ziet gaan, zegt wellicht nee tegen het leven.
    Maar op zich was mijn essay het gevolg van een voortdurend nadenken over identiteit, en kwam ze voort uit het besef dat de toenemende individualisering, dat het hele project van de Verlichting zelfs, ons heeft opgezadeld met de nood aan authenticiteit enerzijds en een scherp besef van de onmogelijkheid het aller-authentiekste tot uitdrukking te brengen, omdat men zich nu eenmaal uit te drukken heeft in de handwoorden die op dat moment in de cultuur aanwezig zijn, wil men binnen die cultuur überhaupt als individu erkent worden (en men kan rustig stellen dat het individu buiten de aanwezige concepten om natuurlijk helemaal niet bestaat, net zomin als authenticiteit; het zijn zelf van die concepten). Améry en zijn kampervaringen worden hier dus door mij gebruikt om die kwestie aan de orde te stellen, terwijl ze wellicht toch als uitzonderingsgeval moeten gelden. Door dat niet te doen, maak ik van de identiteitskwestie iets hysterisch - en hoezeer ik me daar ook van bewust ben, het is tegelijkertijd de enige vorm die het kan aannemen (en ook buiten mij steeds aannéémt: in beelden van de media, uit de reclame, etc.). Anderzijds denk ik zelf dat ik door dit 'misbruik' van Améry hem meer eer aandoe dan zij die zich tegenover dit werk met de haast obligaat geworden verstomming laten slaan.
    Hoe dan ook, Lydia Mischkulnig, heeft een heel andere insteek als het om Améry gaat; het houdt verband met een verhaal van Ingeborg Bachmann - en ik wil er de 24ste graag het fijne van weten. Ze leek me in ieder geval een auteur die wel wil praten, en die zich herhaaldelijk vrolijk maakte over de bourgeoise context waarin maar weer eens een aantal auteurs met elkaar wat zat te eten. Dat had dan toch meer met de locatie dan met het gezelschap te maken. Naast haar nog de Russische auteur Alan Cherchesov en de Mexicaanse dichter en festivaldirecteur Marco Antonio Campos, en dan natuurlijk de mensen van Het Beschrijf (waaronder yangs hoogsteigen huiscommunist, die onzichtbaar voor de Partij bijklust als factotum), en de eigenaresse van het pand, die zelf op geen enkel moment de indruk wekte te willen vervallen in upperclass-manieren. Integendeel. Op dergelijke momenten geloof je dan toch weer dat er over alle grenzen heen één enkele cultuur kan bestaan, dat literatuur banden smeedt die onmiddellijk begrip mogelijk maken. Iedereen praat met hetzelfde gemak over Jelinek, Bernhardt, Bachmann als Mischkulnig zelf, en op zo'n moment is heel de wereld even Oostenrijk.
    Meldde ik al dat het nieuwe nummer van yang van de drukker kwam? Welnu, het nieuwe nummer van yang kwam van de drukker.