• Pin it!

    Lof

    Geen laudatio in De Morgen deze week, en volgende week gelden uiteraard alweer de onverbiddelijke, maar in verband met literatuur toch wat idiote wetten van de actualiteit. MdB was erg laat met haar reactie op mijn voorstel, zodat het ook nog maar weinig zin had om het het nog aan De Standaard aan te bieden. Ik heb NRC dan maar gebeld, maar daar zaten ze deze vrijdag dan weer met een 'oorlogsbijlage' (natuurlijk: het Hollandse 4 en 5 mei komt er weer aan), en hoewel mijn voorstel om tussen de vijandelijkheden enige loffelijke woorden te laten horen op, wat ik meende, een glimlach werden onthaald (ik kon het niet zien natuurlijk), lijkt het mij ook nu onwaarschijnlijk dat NRC het ding afdrukt - ook al wist Arjen me dan weer te melden dat er nog een journalist van NRC bij hem langs zou komen voor een interview, en dat de man in kwestie had gezegd het dezelfde avond nog af te moeten schrijven.
    Inmiddels informeerde ik al via e-mail, maar nog geen antwoord. In de tussentijd lijkt het me dan nu aangewezen de tekst van de lofrede hier maar op te nemen, zelfs al komt het ding onverhoopt toch nog in NRC, een krant die in ieder geval in Vlaanderen nauwelijks wordt gelezen.

    Laudatio
    Arjen Duinker,
    De zon en de wereld. Meulenhoff, Amsterdam 2004

    Kan iets zo eenvoudig zijn dat we het niet meer begrijpen? Ja, dat kan. Naast de eenvoud van regenbuien, bloemen, planten, stenen of van sommige wiskundige formules, is er de poëzie van Arjen Duinker - en die is zo eenvoudig dat ze vaak niet te begrijpen valt. Dat is vermoedelijk zo omdat er in het Nederlandse taalgebied nauwelijks een andere dichter te vinden is wiens poëzie zoveel gelijkenis vertoont met, zeg: een regenbui, bloemen, planten, stenen of sommige wiskundige formules - al blijft er natuurlijk toch een verschil. Het zijn, uiteindelijk, gedichten. Het is maar dat tot op de dag van vandaag de poëzie van Duinker door velen nog steeds maar met moeite als poëzie wordt herkend. Zijn werk houdt zich niet aan de termen en begrippen waarmee we in het Nederlands taalgebied gewoon zijn poëzie te situeren en aan de hand waarvan we bepaalde teksten als poëzie herkennen.
    Dat is het eerste wat het werk van Duinker met je doet: het maakt je bewust van de abstracte categorieën waarmee je als lezer gewoonlijk en geheel vanzelfsprekend de poëzie benadert - en niet alleen de poëzie. De ogenschijnlijke toevalligheid van de mededelingen en opsommingen die je in deze poëzie tegenkomt, is ons eigen ordenende brein volkomen vreemd. Dat wil aan alles een betekenis en een hiërarchie opleggen, in bijvoorbeeld chaos een orde of toch op zijn minst een bedoeling ontdekken. En dus confronteert Duinkers poëzie ons allereerst met onze eigen, onverbeterlijke neiging tot betekenisgeving.
    Maar met die neiging komen we bij deze poëzie niet ver. En dat niet alleen omdat de dichter zelf regelmatig zegt af te willen zien van betekenis en begrip, maar vooral omdat zijn werk onze pogingen het een betekenis te geven met succes weerstaat. En zelfs wanneer we juist op dat moment denken hem te begrijpen, en voorzichtig beginnen te verwijzen naar 'het betekenisloze' en 'het onzegbare' waarover het wel eens in poëzie en filosofie gaat - zelfs dan moeten we opnieuw constateren dat deze poëzie ons ontmaskert als wat we blijkbaar zijn: menselijk, al te menselijk, altijd maar op- en indelend, dingen boven en onder elkaar plaatsend, voor en achter en naast, en altijd maar druk doende om zelfs betekenisloosheid in poëzie van een betekenis te voorzien.
    Onze schuld is het niet. Wij zijn alleen maar menselijk, en misschien moeten we Duinkers poëzie daarom wel 'onmenselijk' noemen. Maar dat is bepaald niet de indruk die dit werk maakt. Als ik het zou moeten karakteriseren, dan zou ik willen zeggen dat Duinker handtastelijke poëzie schrijft: poëzie die door de wijze waarop zij is geschreven onze zakken doorzoekt, de naden van onze kleding bevingert, aan onze schoenzolen pulkt, rondtast in de duisterste hoekjes van ons brein, op zoek naar de abstracties die ons ervan afhouden de werkelijkheid te zien zoals ze is: eenvoudig en werkelijk. De lezer wordt door deze poëzie gefouilleerd op ballast. Zoals de dichter zelf zich gefouilleerd weet door de wereld waarin hij rondloopt: door bloemen, door oesters, door vogelwinkels en papegaaienwinkels, lippen, vliegen, kauwgom, kogels en sinaasappels, maar ook door de tijd, door feiten, door de taal - door alles wat in de wereld is, concreet of abstract, dat maakt niet uit, want voor Duinker is er tussen beide geen kwalitatief of soortelijk onderscheid. Het is in zijn poëzie de wereld die elk idee over de wereld terzijde lijkt te schuiven. En aldus ontdaan van alle ballast - je zou kunnen zeggen: bloot als Van Ostaijen, naakt als Auden* - opent zich in Duinkers gedichten die wereld als een intense ervaring, als iets buiten elk denken om.
    Eigenlijk is er niet veel voor nodig om als lezer tot die ervaring toegang te krijgen, enkel overgave - wat bij nadere beschouwing misschien dan toch weer niet zo heel weinig is. Duinkers poëzie heeft een soort
    rücksichtslosigkeit over zich als het gaat om de wijze waarop zij benaderd wil worden. Wie de nu bekroonde bundel gaat lezen, moet misschien beginnen bij de cd waarop het niet in de bundel afgedrukte gedicht 'De zon' te horen valt. Twee stemmen, hier vertolkt door de dichter zelf en door Kees 't Hart, die met, en haast door elkaar een soort betekenisloze betekenismuziek maken waaraan men zich als luisteraar moet overgeven, waarin men als vanzelf meegaat - om daarna in het wel afgedrukte gedicht, 'De wereld', dit alles lezend nog eens aan zichzelf te voltrekken.
    Het wonder van dit werk is dan dat men weliswaar beroofd wordt van alle betekenissen, van de ijkpunten die onze plaats in de wereld veilig stellen, van ons boven en onder, van onszelf dus ook, en misschien moet ik het maar extreem stellen: beroofd van onze menselijkheid, of wat we althans zo noemen - maar dat het resultaat niet zozeer wanhoop is over het gapende niets dat ons dan zou resten, of angst vanwege het zelfverlies en de betekenisloosheid van ons bestaan. Integendeel: men ervaart enthousiasme, ontroering, vrolijke zelfverzaking en -vergetelheid, een welgemutste ondergang van alles wat ons lief was. Het gaat om een bijna niet anders dan als gelukkig te omschrijven ervaring, zonder dat dat geluk ergens naar verwijst, geformuleerd zou kunnen worden buiten de ervaring om. Het is het geluk van een volkomen in de wereld zijn, van de aanwezigheid in de wereld voordat we ons er al denkend weer tegenover plaatsen.
    Meer lof kan men een dichter niet toezwaaien: Duinker beeldt de wereld niet af - 'een beeld is een misverstand / En een misverstand is een reden / En een reden is een oordeel,' zo leest men in deze bundel - hij beeldt niet af, maar hij maakt de wereld, of liever: hij maakt dat wij als lezers de wereld maken en meemaken. Zoals zij is, de wereld.
    En de zon, natuurlijk.
    Er lijkt niets te zijn dat meer betekenis kan hebben dan dat.

    *)= 'Ik wil bloot zijn en beginnen' - Paul van Ostaijen; 'There's more enterprise in walking naked' - W.H. Auden

    Intussen: zelf ook nog onverwachte lof toegezwaaid gekregen door Sofie Gielis in Dietsche Warande & Belfort: een mooi, open stuk over Touchdown, waaruit grote waardering blijkt. Wij glimmen weer wat voort.

  • Pin it!

    VSB poëzieprijs

    Vrijdagavond in Amsterdam de uitreiking van de VSB-poëzieprijs aan Arjen (Duinker). Zelf wist hij het al vanaf dinsdagavond (wat ik overigens wel chique vind van die prijs: dat men niet tot op de avond van de prijsuitreiking vernederd wordt); toen kreeg ik een mailtje van hem dat ook voor mij bevrijdend was. Hij was sinds de nominaties in toenemende mate somber geworden over zijn kansen, en onomwonden vloeken kon natuurlijk ook niet tegenover mij (hoewel...). Ik was, nog maar eens, zeer blij voor hem. En ook dat ik de laudatio mocht houden die bij de uitreiking hoort. En verder opgelucht dat het hele circus nu achter de rug is. Na het laatste juryberaad beging ik de fout op deze plek melding te maken van het feit dat de winnaar na veel gedelibereer uiteindelijk dan gekozen was - geen rekening houdend met de mogelijkheid dat men op krantenredacties en elders de hele dag op Google 'VSB-poëzieprijs' zat in te tikken, of daar leek het toch op. In ieder geval stuurde Thomas Vaessens mij een mail waarin hij me bestraffend toesprak, want de organisatie werd nu overspoeld met telefoontjes van journalisten die wilden weten wie het was, en dat was niet de bedoeling geweest. Ik heb meteen tegenover de organisatie mijn excuses gemaakt vanwege het feit dat ik me achteraf wel herinnerde dat de strategie me was meegedeeld, maar dat ik dat na het laatste stormachtige juryberaad bij thuiskomst weer vergeten was.
    Dus was ik met name de laatste week uiterst braaf, en hield ik me Radio 1 van de VRT van het lijf die per se een interview met mij wilde op vrijdagochtend. Ik probeerde daar eerst nog onderuit te komen door ze te verwijzen naar de voorzitter. Ja maar, dat was in Amsterdam, zei de juffrouw aan de telefoon. Ja, en? Is het te ver: bellen van Brussel naar Amsterdam? Bespaart men bij de VRT op telefoonkosten? Men wilde hoe dan ook liever met mij spreken. 'Maar ik mag niks zeggen voor vrijdagavond,' zei ik. Dat begrepen ze wel, maar het zou pas op zaterdagochtend uitgezonden worden, en zij zouden het écht geheim houden. Ik zei dat dat natuurlijk geen verschil maakte. Ik zei niet dat me dat onmogelijk leek: in het hol van de leeuw geheim houden wat elke (literaire) journalist graag zou willen weten. De dame aan de telefoon was zo al meer dan voldoende geïrriteerd over mijn weigering (ze had het eerder bij medejurylid Dietlinde Willockx geprobeerd, zo begreep ik wat later, en die had haar naar mij doorverwezen).
    Ik heb wel eens eerder in jury's gezeten (Gorterprijs, El Hizjra, Buddingh'-prijs), maar na de VSB-prijs heb je sterker het gevoel dat het iets is wat je nooit weer wilt doen. In de eerste plaats heb je bij de 86 ingestuurde bundels veel wat niet te vergelijken valt - bundels die zo duidelijk vanuit een andere dan de gebruikelijke invalshoek geschreven zijn en die, afhankelijk van de wankele consensus die daarover binnen een jury zou kunnen bestaan (en op een zeker moment wordt de jury tot een dergelijke consensus gedwongen, wil ze ooit tot een beslissing komen), eigenlijk nauwelijks op hun merites beschouwd kunnen worden. Performance-poëzie is bijvoorbeeld aan mij niet besteed, al was het maar omdat ik het resultaat altijd op papier, in de beslotenheid van mijn weinig podium-achtige werkkamer te zien krijg (terwijl ik er bij een daadwerkelijke performance nog wel van zou kunnen genieten, als theater, als kleinkunst soms). Poëtisch gesproken - en op papier - vind ik dergelijke poëzie meestal een verpletterende terugval naar een soort romantisch/realistisch-niveau dat zelfs door Haverschmidt al niet meer serieus werd genomen. Die teksten 'werken' voor mij alleen zodra ik de context van de poëzie loslaat (en uiteraard betekent dat: de invulling die ik daaraan, op basis van onder andere literair-historische en ook literair-ideologische argumenten geef); sommige van die teksten zijn inderdaad een mooi staaltje kleinkunst, en verdienen een melodietje en een goede stem.
    Maar los daarvan: onder de bundels die overblijven zit veel moois dat je dan toch aan de kant moet schuiven, soms ook zelf wilt schuiven. Zo'n jury is vooral ook een sociaal gebeuren, waarmee ik niet bedoel een gezellig theekransje, maar een gezelschap waarin je onder soms ook sociale druk een bepaalde voorkeur dan maar laat vallen, bijvoorbeeld omdat je naast de reeds aangehaalde argumenten geen nieuwe kunt vinden, noch die welke je al hebt ingebracht anders zou kunnen formuleren zodat ze misschien toch nog effect sorteren. Dan blijven volhouden, wordt irritant en, uiteindelijk, kinderachtig. In die zin zijn vijf nominaties niet genoeg, en leidt het feit dat je door de wijze waarop de prijs nu eenmaal is georganiseerd gedwongen wordt er vijf uit te kiezen, tot de verkeerde indruk dat je de overige 81 niet de moeite waard vond. Ik wil hier best bekennen ook zeer onder de indruk te zijn geweest van bijvoorbeeld de nieuwe bundel van Erik Lindner, Tafel, met heel erg mooie, 'stille' gedichten (een bundel die nu, als ik me niet vergis voor de Pernath-prijs is genomineerd); dat Hans Verhagen me met zijn 'slordige' poëzie in Moeder is een rover voor het eerst werkelijk bekoorde; ik behoud een zwak voor het werk van Tentije (Deze oogopslag); Beurskens schreef met Als met een vogeltje weer een heel erg sterke bundel, waarin gedichten die aansluiten bij zijn prachtige 'Palmen'-reeks uit Klein blauw aapje(1992); en ook Apenlier van dat mispunt van een Rob Schouten (een ramp voor de poëziekritiek, maar dat ligt aan zijn volharding in het genre) maakte indruk; Batterij van Tsead Bruinja voerde wat mij betreft een groot middenveld aan van dichters die allemaal een beetje volgens dezelfde stijlprincipes hun gedichten schrijven (het mag dan zo zijn dat er geen dominante poëtica meer zou zijn - wat ik overigens betwijfel, maar enfin - er is in ieder geval een dominante code in de mode). Enfin, zo was er meer.
    Dat blijft allemaal buiten beeld juist omdat je méér dan één bundel doorspeelt naar de pers. Zou je het bij de winnaar alleen houden, dan zouden de overige 85 dichters zich waarschijnlijk minder geschoffeerd voelen, en de vier die de prijs mislopen zouden zich minder vernederd voelen, minder als de pas échte verliezers te boek staan, want zo werkt het natuurlijk: Schaffer, Wijnberg, Meuleman en Ter Balkt zijn vooral degenen die dit jaar de VSB-prijs níet hebben gekregen (samen met nog 81 anderen, maar dat vergeet iedereen). Maar, uiteraard, het zou nog moeilijker zijn om de pers te interesseren voor de prijs. Ik geloof dat men uit kringen van de VSB zelf (en dan bedoel ik de financiële instelling) hemel en aarde bewogen heeft om het tien uur-journaal ter plekke te krijgen (zodat het aanwezige publiek, als het een beetje oplette, natuurlijk al voor de bekendmaking wist wie het worden zou, want van meet af aan gingen de lenzen richting Arjen). En dat volk is vervolgens altijd de bekende olifant in de porseleinkast, beweegt zich door de ruimte alsof die volkomen van hen is, ook al omdat iedereen hen de macht toekent die ze zelf als vanzelfsprekend menen te hebben (en dus vervolgens ook daadwerkelijk hebben). Nadat het juryrapport was voorgelezen en ik mijn laudatio zou gaan houden, fluisterde iemand me toe: als je opschiet kom je misschien nog in het journaal. O? En wat moest ik dan doen? Snel lezen? En hoe komt men erbij zelfs maar te veronderstellen dat zoiets als 'het journaal' geïnteresseerd zou kunnen zijn in het hoe en waarom van zo'n bekroning?
    Wat die laudatio betreft: ik ga morgen nog eens bellen met MdB om te vragen of zij er wellicht in geïnteresseerd is voor De Morgen. Ik kan in ieder geval melden dat 'men' (de grote 'men') over het vertelde tevreden was, en een enkeling voegde er aan toe dat het vooral zo meegevallen was dat er geen moeilijke, zeg maar: 'wetenschappelijke' termen in voor kwamen, dat het zo 'begrijpelijk' was geweest. Of dat iets te maken heeft met mijn imago van dan blijkbaar 'moeilijke jongen', of met het imago van poëzie als iets waarover je alleen in duistere termen over kunt praten - ik zou het niet weten.
    Het ging me minder om de grote 'men', dan om Arjens reactie. Hij zou alles nog wel eens weerleggen, zei hij in zijn, overigens schitterende dankwoord (zelf haast weer poëzie), maar ik geloof dat hij er wel verguld mee was. En het zou mij teleurgesteld hebben als hij niet had gezegd dat hij het allemaal nog wel eens zou weerleggen.
    Intussen, bij alle plussen en minnen van het jurylidmaatschap: wat een poëzie, De zon en de wereld!
    Ook op vrijdagavond zelf, voor zover dat nog nodig was, nog maar eens vastgesteld dat bij alle grote kwaliteiten van de andere dichters, Duinker een juiste keuze was. Zijn werk is en blijft 'on-Nederlands', en zeker ook 'on-Vlaams' - waarmee ik vooral bedoel dat er in de lage landen over poëzie wordt gesproken in termen en begrippen waarmee Duinkers poëzie niet te vatten valt. Ron Elshout signaleerde me vorige week nog een recensie van Arie van den Berg in NRC met als voornaamste strekking: de poëzie van Alfred Schaffer is goed omdat de sleutel tot de oplossing van het raadsel in de gedichten niet wordt gegeven; 'in de beelden die zich in de tekst vertonen gaat van alles mis en ontbreekt per definitie een draad. Het betreft steeds weer momentopnamen en de lezer moet maar zien wat hij ermee doet.' De poëzie van Duinker daartegenover is niet goed omdat 'waar het allemaal toe moet leiden tot en met de laatste regel in het niets verscholen blijft.' Dat lijkt, zoals Ron stelde, allemaal nogal arbitrair: de één accepteren omdat-ie niks prijsgeeft, de ander veroordelen omdat-ie al evenmin iets prijsgeeft. Maar ik denk dat Schaffers 'geheimzinnigheid' zich uiteindelijk laat vatten binnen de termen en begrippen die we in de Nederlandstalige poëzie tot onze beschikking hebben om die geheimzinnigheid een plaats te geven; terwijl men zich, gewapend met die begrippen, bij Duinker - dan meteen: lichtelijk wanhopig, en dus ook prompt: behoorlijk geïrriteerd - gaat afvragen of dit überhaupt wel poëzie is. Het antwoord daarop luidt natuurlijk: ja.
    En daarmee - ik signaleer het zelf maar vast - zit er ook in dit verslagje een tegenstelling verscholen: eerder had ik het immers over bundels die uit een zodanig andere dan de 'gebruikelijke invalshoek' geschreven waren, dat ze voor mij geen poëzie waren. En Duinker wint, omdat zijn poëzie niet te vatten is in de gebruikelijke termen en begrippen waarmee we gewend zijn over poëzie te spreken.
    Poëzie: handen en voeten en gestamel - niet van de poëzie zelf, maar van hen die ervan houden en van die liefde willen getuigen. Dat loopt altijd uit op een vorm van onverdragelijk subjectivisme, waarvoor, helaas, ook de literatuurwetenschap geen soelaas biedt: het daar gebruikte jargon wil, op zijn minst, intersubjectief maken, maar lijkt daarmee de weg naar alles onder het middenrif af te snijden - en poëzie, om er nog eens een cliché tegenaan te gooien, leest men niet met enkel zijn verstand.

  • Pin it!

    Thuisverlangen

    Gisterenavond in een goed gevuld Walry Thuisverlangen van Jeroen Theunissen ten doop gehouden. Walry is voor zoiets uitstekend geschikt, vind ik altijd, en dat niet alleen omdat het daar bij 50 man te vol, en bij 30 vol is. Het is door zijn inrichting en sfeer een ideale plek voor presentaties en kleinere literatuurprogramma's, zoals destijds met Yang Lian en Arjen Duinker. Jeroen zelf leek me onder al de hem toegezwaaide lof wat verlegen, zo niet zelfs wat wantrouwig te worden. Nadat ik mijn inleiding had gehouden, vroeg hij me: 'ja, maar wat vind je nu echt?' Dat is een vraag die ik wel begrijp op een avond waarop bijvoorbeeld Harold Polis de bundel de absoluut beste noemde die dit jaar al verschenen was, en ik daarna nog eens stelde dat Thuisverlangen poëzie bevat 'die ertoe doet'. Dat zijn natuurlijk inderdaad de obligate formuleringen bij een presentatie, zowel van de uitgever zelve (die zelfs als hij persoonlijk het tegendeel zou denken, nog zou spreken van 'belangwekkende poëzie' - al heb ik geen enkele reden, en Jeroen al evenmin, om te veronderstellen dat Harold dit werk niet belangrijk zou vinden) als van degene die de feestelijke inleiding komt houden. Niet dat ik het niet eens anders heb meegemaakt; ik herinner me de presentatie van De ziekte van de bewondering van Kees 't Hart, ingeleid door Arjan Peeters in Leeuwarden destijds. Peeters zong daar weliswaar a capella een sentimenteel lied, maar daarna hield hij een inleiding die niet echt een lofrede was; uiteraard was het evenmin een afbrekend stuk, maar wel uiterst kritisch, en je zag en voelde aan alles en iedereen dat dat eigenlijk niet gepast was. En dan zwijg ik nog over de strapatzen van Marc Reynebeau bij de presentatie van Geerts Van Ostaijen tot heden in Antwerpen: pure kinnesinne van de tv-intellectueel die zich in zijn vrije tijd ook wel eens wat met Van Ostaijen had bezig gehouden. Zo leek het toch. Het heeft Geert lange tijd afkerig gemaakt voor elke presentatie van althans zijn eigen werk - wat zonde is, want zoiets behoort een feest te zijn.
    Maar ik kon Jeroens vraag wel begrijpen en deed mijn best iets te vinden wat dan toch nog een beetje kritisch klonk - en begon dus over zijn interpunctie... Tja... Dat is weinig opwindend, ik weet het, al was het me dan toch wel opgevallen dat het ontbreken van komma's en punten een vaak wat gratuite indruk op me had gemaakt, waardoor sommige regels zo op het oog een chaotische, ontregelende indruk maken, terwijl ze bij het lezen dan toch keurig worden opgedeeld als stonden de punten en komma's er wel. Dat ik die indruk had, zei Jeroen, kwam omdat hij de gedichten die avond heel langzaam had voorgelezen, ervan uitgaande te maken te hebben met een publiek dat aan poëzie niet gewend was. Een meer 'normale' lezing zou duidelijk hebben gemaakt dat één en ander ontbrak vanwege het ritme (toevallig is deze interpunctie-kwestie ook tijdens het bespreken van Verzeker u ter sprake gekomen, al leek me in die bundel toch nog meer logica te zitten in het gebruik ervan; en in de nieuwste bundel van Huub Beurskens - schandelijk genegeerd in de pers tot nu toe -, Als met een vogeltje, was de interpunctie ook prijsgegeven aan wat bij Huub wellicht iets duidelijker te maken heeft met de meerduidigheid die dit per regel op kan leveren; binnen zijn werk komt het ook al een eeuwigheid voor, trouwens).
    Hoe dan ook: het was een enigszins gezocht kritiekpuntje om hem tegemoet te komen in zijn vraag om toch vooral de eerlijkheid in acht te nemen. Maar ik was in mijn inleiding niet oneerlijk geweest. Natuurlijk, zoals in elke bundel, zijn er sterkere en iets minder sterkere gedichten, en de reden om van het één of het ander te spreken, houdt altijd verband met de eigen verwachtingen. Wat dat aangaat is het opmerkelijk dat David Van Reybrouck, die samen met Jeroen een reeks gedichten voorlas (dat wil zeggen: David zijn reeks, alternerend met een reeks van Jeroen), voor exact hetzelfde gedicht in de bundel was gevallen als ik - het gedicht 'het huis':

    Het huis is helemaal geen huis
    het is een gedachte je had er evengoed
    kunnen breien of je bril vergeten.

    Je had er wel willen wonen
    op een verloren pianodag in september
    maar het viel in de bladeren stil vroeg.

    Met je lila haren je potloodogen
    je eeuwige zalige handen
    die geen handen zijn maar veeleer een gedachte
    lik je de vensters aan scherven.

    Toen het huis nog een huis was
    heb je er lange nachten gedroomd
    maar eigenlijk toen al was het geen huis
    als nu een gedachte.

    Jeroens grootste zorg bij een gedicht als dit: 'maar vind je dit niet veel te... te romantisch?'
    Nu lijkt me dat inderdaad één van zijn zorgen te zijn. Ik zei in mijn inleiding onder meer het volgende:

    Bij Jeroen Theunissens Thuisverlangen moet ik als poëzielezer meer dan ooit zelf mijn gedachten en gevoelens scheppen: er lijkt geen context aanwezig waarbinnen ik dit werk zou kunnen situeren - of liever: het kán wel (het kan namelijk altijd), maar men zal al heel spoedig een slecht geweten krijgen omdat men deze poëzie onoorbaar moet verbuigen om ze ergens bij thuis te brengen. En dat terwijl deze poëzie zelf al zo verschrikkelijk buigzaam is. Ik ken nauwelijks een andere auteur met een zo elastieken stijl als Jeroen. In zijn roman, De onzichtbare, wist hij al zulke uiteenlopende zaken in één zin bij elkaar te schrijven dat je van hoofdletter tot punt het gevoel had in tegelijk een stoffelijke en onstoffelijke wereld te verkeren waar geestelijke have en goed zich verbond met echte materie, en het één het ander zozeer doordrong dat men op een zeker moment de stoel niet meer vertrouwde waarin men dit alles zat te lezen. 'Hij gelooft niet in een welbepaald en voorgekauwd recept maar mengt, mixt al wat hij vindt,' zo heet het in de roman, en dat is, hoezeer ook een accurate beschrijving van wat Jeroen doet, eigenlijk nog een understatement. En het laat niet onberoerd, zoals u merkt, want hoe anders zou een accurate beschrijving een understatement kunnen zijn?
    Overigens zijn dit het soort zinnetjes waarnaar men als beroepslezer naarstig op zoek is - in een roman, maar ook in een poëziebundel. Aan het mengen en mixen valt namelijk een verhaal over het
    hoe van, in dit geval, de roman op te hangen - en mengen en mixen omdat men niet in een voorgekauwd recept gelooft: dat biedt de mogelijkheid er een heuse wereldbeschouwing aan op te hangen. 'Theunissen gelooft niet in een vastomlijnde waarheid en werkelijkheid,' zo schrijft de tot broodschrijver geworden beroepslezer dan in zijn stukje voor de krant, 'maar hij gelooft dat de waarheid schuilt in de botsing van wat volstrekt toevallige elementen lijken te zijn, afkomstig uit verschillende bereiken, opgevoerd in verschillende taalregisters.'
    Ik zeg maar wat, natuurlijk.
    En het is niet eens zo'n gek probeersel om Jeroens werk wat nader te typeren - natuurlijk niet, wat had u dan gedacht? Wat te denken van regels als deze: 'Ik lag als karton om een lijf / dat half opgevouwen in vorm viel / en geeuwend naar zeep of hotelbeige rook.' Hebben kleuren een geur? Normaliter niet, maar als het om het neologisme 'hotelbeige' gaat, begin ik ineens iets te ruiken, of liever: een herinnering aan bepaalde hotels dringt zich op, en daarmee een zekere olfactorische gewaarwording die, vind ik, met het woord 'hotelbeige' uitstekend wordt omschreven, beter dan elk ander woord.
    Er zijn nog veel meer van die neologismen - 'insectengoethe', 'marathoncirkels', 'solidariteitsaberratie', om er drie uit één en dezelfde strofe van een gedicht te noemen, 'schampplaatsen', om nog eens een ander prachtig woord aan te halen. En laten we vooral het woord 'thuisverlangen' niet vergeten, een woord waarbij je, in tegenstelling tot bijvoorbeeld die 'insectengoethe', het gevoel hebt dat het al bestaat. Maar gewone stervelingen als u en ik behelpen zich hier met 'heimwee' - en ik hoop dat u onmiddellijk het verschil tussen beide woorden ziet: 'thuisverlangen' is iets anders dan 'heimwee', al was het maar omdat het tegelijkertijd uitdrukking geeft aan wat Duits georiënteerde stervelingen wel eens 'fernweh' noemen: niet het verlangen thuis te zijn, maar het verlangen van huis weg te zijn, derhalve een verlangen dat men thuis zijnde heeft.
    Kortom: in de titel mengt en mixt Jeroen betekenissen op een zodanige wijze dat we in een soort tussengebied terecht komen, waar niks werkelijk meer duidelijk is. Maar ook niks helemaal duister of onduidelijk. In deze bundel zit achter de regels en woorden altijd een hikkend, kort lachje verscholen waarmee de dichter dat wat hij beschrijft zelf niet helemaal serieus lijkt te nemen, maar die hik hangt ook altijd dicht aan tegen een snik, tegen waarlijke wanhoop over het onvermogen een 'Bleibe', een pleisterplaats, een thuis te vinden voor het verlangen dat hier alles doordringt. Hij vindt hoogstens een schampplaats. Hij lijkt in het gedicht 'de romanticus spreekt' de genoemde romanticus te bespotten, maar iets in dit gedicht maakt dat je die spot op hetzelfde moment niet gelooft. En als hij onomwonden lollig in 'olympische hoop' schrijft: 'Shakespeare noch Goethe Sophocles noch Euripides / niet eens Homeros de blinde meester / had de meedogenloze neergang kunnen beschrijven / van onze olympische hoop' - zelfs dan is het de geheel eigen context van deze bundel die je hier meer dan enkel een grapje doet zien. Terwijl je juist dan begrijpt waarom het als een grapje geschreven moest worden, want iemand die zo opschrijft dat hij zijn hoop zag vervliegen en het daarbij dan ook nog eens echt meent, is een ondragelijke patheticus. Dus kiest de dichter voor ironie - en komt hij er ergens tussenin terecht, daar waar het woord 'ironie' en het woord 'pathetiek' hun betekenis verliezen, maar niet hun kracht.
    Het gaat er niet om of we Jeroen Theunissen - prozaïst, dichter, essayist, recensent, leraar en tijdschriftleider - of we hem moeten beklagen om zijn lot; het gaat er om dat hij
    ons opzadelt met thuisverlangen, dat hij ons wegvoert uit ons huis terwijl we nog thuis zijn, of toch dachten het te zijn: thuis in onze taal, in onze betekenissen, in onze aldus omschreven gevoelens bij dit en bij dat; het gaat erom dat wij het zélf zijn die ons beginnen te beklagen om ons lot en onszelf vanwege dat beklag beginnen te bespotten. En ook dat we naar onze geliefden kijken en haast tegen hen willen zeggen: 'Werp je oogleden om me' - als we niet al op voorhand wisten dat ze dat een beetje erg raar zouden vinden, die geliefden van ons.
    Daarmee heb ik de bundel
    Thuisverlangen dan misschien toch een beetje weten thuis te brengen. Niet bij een stroming of richting in de huidige poëzie, want vooruit - ik twijfel soms - laten we zeggen dat die inderdaad niet meer bestaan. Nee, Thuisverlangen behoort bij de poëzie die ertoe doet, tot dat zeldzaam geslaagde poëtische werk dat ons geen boodschapppenbriefjes geeft, dat ons niet met het tegendeel ervan wil opzadelen (u weet wel: van die poëzie die ons vanuit een soort intellectueel purisme vooral niets wil zeggen), maar dat ons al lezend een ervaring schenkt waarvan we het gevoel hebben dat ze uiterst betekenisvol is, al valt niet te zeggen hoe of wat en waarom of waardoor dan wel. Voor de dichter kan ik niet spreken, maar er staat in deze bundel menig gedicht dat mij zozeer ontroerd dat ik me ijlings genoodzaakt zie vuige grappen te gaan maken.

    En dat was dan bijvoorbeeld het hier geciteerde 'het huis'.
    Ook uit de bundel zelf blijkt de worsteling met een soort weekmakende romantiek - en misschien is het beter hier van sentimentaliteit te spreken, en van het slechte geweten tegenover dat sentiment zelf. Men kan dat belachelijk vinden, of slechts een literaire kwestie (wat voor een deel zo is, vrees ik), maar wie literatuur niet als afgescheiden van de rest van het leven ervaart, heeft hier een probleem met een grotere reikwijdte.
    Enfin, niet toevallig zal het volgende yang-nummer juist over deze kwestie moeten gaan.

    En Hanna zit in Rome en Emma moest ik in tranen achterlaten bij de babysit en ze had een onrustige nacht en Hanna zit in Rome en ik zit hier - en over sentiment gesproken...
    En over thuisverlangen...

  • Pin it!

    Vreemde plannen

    Terwijl ik nu alweer dagen bezig ben met uitsluitend poëzie-lezen - morgenavond leid ik de nieuwe bundel van Jeroen Theunissen in bij Walry in Gent (Thuisverlangen) - laat ik me strikken voor de raarste opdrachten. Vorige week mailde mij Bas Groes met de vraag of ik niet eens rond Gent zou willen wandelen met de pen in de aanslag. 'Het is de bedoeling,' zo schreef hij, 'dat schrijvers hun vingers leggen op de veranderende taal van het (stads)landschap en de architectuur. Je zou bijvoorbeeld een stevige wandeling (deels) om Gent heen kunnen maken om de psychogeografische archeologie van de omringende “industriezone” op te graven. Foto's, plattegronden en andere gevonden artefacten zijn welkom bij de tekst.' Nu even afgezien van het feit dat ik bij een term als 'psychogeografische archeologie' mijn eigen werkelijkheid nog even moet zien te scheppen - ineens leek me zoiets wel wat. Ik zei het tegen Hanna, en die kwam bijna niet meer bij van het lachen. 'Jij gaat... wat? wát ga je doen? wan-de-len?' Ik hield mijn gezicht strak. 'Jazeker,' zei ik, 'ik ga de archeologie van de kanaalzone hier in kaart brengen' - een opmerking waarbij ik zelf alweer even geen duidelijk beeld had. Dat het daar weinig minder dan de hel zelve is - Gent is niet voor niets één van de twee Vlaamse steden waar de concentratie fijn stof in de lucht tot de hoogste behoort - is voor mij waarschijnlijk een van de aantrekkelijkheden van het project: op dergelijke momenten ontpop ik mij tot mijn eigen niet geringe ergernis als een soort romanticus die vindt dat je voor kunst moet lijden.
    Ook al vorige week liet ik me in het kader van het links/rechts-project in De Morgen overhalen om eens een echte mis bij te wonen. Ook toen zag ik even niet wat dit met links en rechts te maken zou kunnen hebben - hoewel nu Ratzinger paus geworden is, begint me er iets te dagen - maar hapte ik toe. En dat ondanks het feit dat de paar katholieke uitvaartdiensten, alsmede een enkele protestantse begrafenis die ik meemaakte, alleen maar mijn fenomenale woede wekten: de achterblijvers met dergelijke walgelijke formules hun in rouw gedompelde toekomst insturen: Gods wil, Gods wegen, duister, berusting, acceptatie, hij/zij is nu in een 'beter' oord, zeg flikker op met die kermis. Dus ga ik me bij die mis waarschijnlijk ontstellend zitten ergeren, en is het met mijn begrip voor mensen die dan per se willen geloven, of die niet anders kunnen omdat ze niet anders weten, weer voor even gedaan, vrees ik.
    Daarbij: hoewel dus a-religieus opgevoed, desalniettemin opgevoed in wat je toch een overwegend protestantse omgeving moet noemen, ben ik voor elke vorm van katholicisme echt volledig ongeschikt. Ik bedoel: zo'n dominee slaat ook onzin uit, maar doet tenminste niet alsof hij door middel van goocheltrucs het mysterie in eigen beheer heeft.
    Wat me de meeste zorgen baart, is dat ik deze toezeggingen deed toen Hanna nog gewoon thuis was. Ze zit nu met haar school in Rome, en ik hoop nu maar dat niemand me deze week weer een ander leuk voorstel doet - een literair verslag van een weekje in Guantanomo Bay bijvoorbeeld - want ik blijk tot alles in staat de laatste tijd.
    Nu nog voor Maarten De Pourcq bedenken wat ik in Poëziekrant ga schrijven over welk gedicht. Al tijden geleden heeft hij me gevraagd aan de rubriek 'De lezer' mee te werken - en dat had ik toegezegd, maar het was me geheel ontschoten.

  • Pin it!

    Transcontinentaal

    Zojuist bijna twee en een half uur met Geert B. in Berkeley getelefoneerd om nu dan toch eindelijk het typoscript van zijn nieuwe bundel - Verzeker u - door te nemen. Wat een mooi werk is dat toch. Als het redacteurschap bij een uitgeverij er zó uit zou mogen zien, dan tekende ik er nog vandaag voor. Maar te verwachten valt dat je niet voor alle auteurs die je dan onder je hoede hebt dezelfde nieuwsgierige, intense belangstelling kunt opbrengen als die welke ik voor Geerts werk heb. Dat maakt het 'mee-denken' gemakkelijker; ik heb de illusie min of meer te 'begrijpen' wat het is dat hij doet, zodat ik me af en toe wat meer pertinente opmerkingen durf te permitteren in de trant van: 'klopt dit wel met wat je wilt?' En ik durf ook te zeggen dat ik een enkele regel 'lelijk' vind - ook al omdat ik wéét dat hij daarop altijd zal reageren met bedachtzaamheid (waarmee ik bedoel: met de bereidheid er over na te denken ook al ziet hij absoluut niet waarom die regel 'lelijk' zou zijn). Ik ben er gisteren al de hele dag mee bezig geweest, lezend, even wat mails beantwoordend, weer lezend, wat hangen voor tv zo tegen het avonduur om te zien of het Nederlandse AZ in de UEFA-beker zijn zegereeks kon voortzetten (en om als een echte Hollander licht verwijtend vast te stellen dat het niet 'mooi' was, maar wel 'effectief'), en ten slotte nog eens naar boven voor nog één keer een integrale lezing. Wat een dag! Zo beschouwd is de jaloezie van sommigen die horen dat ik als zelfstandige met 'schrijven' mijn brood verdien, dan plotsklaps wel weer begrijpelijk, hoezeer ik dat ook probeer te temperen en wijs op de nadelen ervan, en op mijn soms immense verlangen om dan toch maar taxi-chauffeur te worden.
    Zo'n werkgesprek met Geert is natuurlijk zo prettig omdat we tegenover elkaar onze kwaliteitsoordelen niet uitgebreid hoeven te legitimeren. Er is een besef van de traditie waarin er wordt gewerkt, van de achtergronden daarvan, van de poëticale invalshoek en er is zeker overeenstemming over het belang van juist die invalshoek voor de poëzie in het algemeen. En dus kun je inderdaad tamelijk onomwonden over de 'kwaliteit' van hetgeen voorligt spreken. Het is ook die 'kwaliteit' die je binnen het geheel van de poëzie zou willen verdedigen, uiteraard. Juist op dat moment blijkt wat impliciet blijft in een gesprek tussen Geert en mij, tegenover derden maar heel moeilijk expliciet te maken. Voor je het weet ben je weer aanbeland bij de slagwoorden en -zinnen van een bepaalde, nauw omschreven 'poëtica', terwijl je allang weet dat die tot in den treure aangehaalde zinnetjes maar heel gedeeltelijk de lading dekken van datgene waarover het gaat. Je zou dan bijvoorbeeld moeten zeggen dat Geert nog steeds binnen de 'autonomistische' traditie werkt - en zodra je dat zegt creëer je een immens misverstand, als zou het gaan om het soort puur op zichzelf betrokken, hyper-poëticale poëzie die er in de jaren zeventig en tachtig mee werd verbonden. Je zou van de weeromstuit ook kunnen zeggen dat Geert juist in een meer 'romantische' traditie werkt, wel wetend dat je daarmee een klein beetje provoceert. Meestal maakt dat de misverstanden nog groter.
    Enfin, uiteindelijk is dat laatste het probleem van recensenten - voor zover die inmiddels niet allemaal zijn vervallen tot een soort impressionistische kritiek. Het prettige is juist dat wij daar, ieder in onze eigen tijdszone (Geert diep in de nacht van gisteren; ik in de ochtend van vandaag), geen enkele aandacht aan hoefden te geven.

  • Pin it!

    Boeddha op donderdagmorgen

    Stap ik vanochtend met Emma de deur uit om haar naar de crèche te brengen, is het eerste dat ik zie nevenstaand heerschap, parmantig op de stoeprand, kijkend naar het bandenprofiel van de geparkeerde auto recht voor hem. 'Kijk,' zeg ik tegen Emma, 'meneer Boeddha is ook al wakker.' Maar Emma had geen belangstelling. Ze rijdt sinds kort vooruit in haar wandelwagen (in plaats van met haar gezicht naar mij, naar ons toe), en de op haar afstormende wereld vraagt om iets anders dan boeddhisme op een donderdagochtend. Ik zou willen zeggen: op welke dag dan ook.
    Misschien wilde de heer Boeddha mij met zijn brutale aanwezigheid op mijn stoep eraan herinneren dat ik dan gisterenavond weliswaar in het landelijke Olsene samen met Jessika L'E. de laatste puntjes op de i had gezet en de laatste proef van het komende yang-nummer nog eens helemaal had doorgenomen, maar dat een naar aanleiding van dit nummer binnen de redactie begonnen discussie nooit werkelijk werd afgerond, en die discussie begon met onenigheid over het boeddhisme. Dat klinkt absurder dan ik het bedoel, en dan dat het was.
    Ik heb altijd een allergie gehad voor oosterse wijsheden van het type boeddhisme en van alle daar van afgeleide zweverigheid. Ik herinner me mijn teleurstelling bij het lezen van Colin Wilsons The Outsider, een hype-boek uit 1956 - vergelijkbaar met de hypes rond Lasch eind jaren zeventig of rond Finkielkraut eind jaren tachtig (en voor de jaren zestig zal het Roszaks Opkomst van een tegencultuur wel zijn, vermoed ik?). Het was, denk ik nu, een soort L'Être et le néant voor wie Sartre te lastig vond om te lezen, en het sloot wonderwel aan bij een aantal dada's van Camus (de aandacht voor Dostojevski als denker bijvoorbeeld).
    'The outsider tends to express himself in Existentialist terms. He is not very concerned with the distinction between body and spirit, or man and nature; these ideas produce theological thinking and philosophy; he rejects both. For him the only important distinction is between being and nothingness.'
    Zo begint het tweede hoofdstuk over de 'World without values' waarin we voortaan moeten leven. Het was het soort analyses dat ik met gretigheid las, steeds maar weer uit op de patstelling van wat ik misschien toen al 'het nihilistische probleem' had leren noemen, van Nietzsche voor zijn sprong in de Übermensch, ook al ging ik dan in diens amor fati al wel een heel eind mee (uiteindelijk is het dat wat ik ook herken in het lacaniaanse 'Enjoy your symptom' waarmee Zizek op de proppen komt, al kan het zijn dat ik hier het slachtoffer ben van mijn eigen onvermogen zogeheten 'nieuwe' filosofie buiten het kader te zien dat ik me juist in die jaren eigen maakte). Het nihilistisch probleem inderdaad; niet het nihilisme als onverdunde zijns-toestand, dat als zodanig naar mijn idee helemaal niet kon bestaan, alleen als een als zuiver gedacht idee, en met zuivere ideeën heb ik nooit wat opgehad. Te allen tijde ging het om de formulering van het probleem: om de erkenning van de menselijke neiging tot transcendentie (je zou in plaats van 'neiging' ook een 'vermogen' kunnen noemen) en de noodzakelijke afwezigheid van elke mogelijkheid om met dat verlangen ergens 'thuis' te komen (maar hier zou je ook 'noodlotttig' in plaats van 'noodzakelijk' kunnen zeggen). Het zou me toentertijd verbaasd hebben, maar juist die houding maakt van het 'thuis' een uiterst belangrijk scharnierpunt van elk denken en handelen: als de lege plek die met grote ijver wordt gezocht.
    Als zodanig is het haast een uitnodiging tot het soort spiritueel shopgedrag dat veel geseculariseerde westerlingen vertonen sinds de grote ontkerstening van dan toch ten minste het Europese continent. 'Baghwan' heb ik van nabij meegemaakt, juist in de jaren dat het Nederlands elftal succesvol was, zodat men altijd twee keer moest kijken of een in oranje geklede idioot zijn enthousiasme voor Gullit, Van Basten, Rijkaard en de anderen aan het uitventen was, danwel een - hoe heette dat? - een 'sanyassin' was en kwijlend of huilend of extatisch of anderszins geheel overstuur de zich het liefst in een Rolls Royce voortbewegende Baghwan Shree Rajneesh achterna liep. Het was spiritisme voor neo-liberalen, in se een godsdienst, ook al had men de mond vol met van het boeddhisme geleende maximes over 'de weg' die niet verward moest worden met enige aankomst in een goddelijk doel, een godsdienst voor volgevreten 'consumensen' die meer wilden lijken dan ze nog konden zijn. God was hier gewoon door meneer Baghwan zelf vervangen (en religieuze ascese door hedonisme), en het is dan ook opmerkelijk hoe snel de beweging te gronde ging toen Bagwhan overleed, overigens niet nadat de enthousiaste, flink rond-neukende aanhangers inmiddels behoorlijk wat schade hadden aangericht bij het in hun communes verwekte kroost. Ik zag daarover een aantal maanden geleden een documentaire van een dochter van één hunner. Voor zover die dochter het zelf al niet wilde doen - ze had, met name haar moeder, heel wat te verwijten - wilde ik die thans rond de vijftig zwevende dame wel met liefde, de nodige ijver en - uiteraard - uit geheel onbaatzuchtige zelfverzaking een 'pandoering' geven: zelden zo veel door en door arrogante zelfgenoegzaamheid samengebracht gezien in een stel niet meer weg te schminken rimpels.
    De weg niet het doel - dat leek wel op de manier waarop ik mijn problematiek voor mijzelf verwoordde, maar bij het boeddhisme en aanverwante dwalingen deed het me bepaald niet uitkomen. En dat had dan weer met iets anders te maken: de afwijzing van troost. En dus was ik steeds diep teleurgesteld als ik in boeken als die van Wilson - maar ook later bij Sloterdijk - het Oosten zag opdoemen als de redding van het in een impasse geraakte westerse denken.Het heeft iets te maken met het ontologisch begrijpen van wat in se een kritische verhouding tot alle aanwezige waarheden is; het is het moment waarop het ontmaskeren verstart tot een masker en iemand zich laat voorstaan op zijn eigen verlichte, van alle religieuze resten bevrijde zelf. Het is oplossen wat niet op te lossen valt: verlangen - verlangen naar de ander, verlangen naar vervulling, verlangen de dood de baas te zijn, verlangen naar verhalen die ons vergoeden voor het soms zo hevig ervaren tekort. Dat is alles menselijk, maar wordt in zijn uitwerking - als de bovenmenselijke waarheid die er al spoedig uit wordt gedestilleerd - al heel snel onmenselijk.
    Daarom: er is geen troost. Ook dat is geen waarheid. Dat is evenzeer het verlangen naar troost: troost mij voor mijn verlies ook al maakt juist dat me ontroostbaar. Het gaat om de volgehouden onmogelijkheid van dat alles, juist in het licht van die onmogelijkheid.
    En dan gaat men de deur uit met zo'n wezentje dat juist dat lijkt te doen: me troosten met elk verlies, juist omdat zij zelf dat verlies eigenlijk al is (omdat ze van dag tot dag, en tot mijn en Hanna's niet te begrijpen vreugde, verandert; omdat ze iemand gaat worden, een ander, iemand die zich hoe dan ook, zoals elke ander, minstens gedeeltelijk voor je sluit - en je mag alleen hopen dat het waar is wat Bill Murray bij monde van zijn personage in Lost in Translation ongeveer zegt: 'They grow up to be the nicest people you know' - omdat ze me straks eenzaam zal maken in mijn, eveneens nog steeds niet te begrijpen grote liefde voor haar) - met haar stapt men nietsvermoedend de deur uit, en op de stoeprand zit Boeddha me grijnzend op te wachten.

  • Pin it!

    Camus

    De kleine nederlagen: het stuk over Camus niet kunnen schrijven. De schade voor het nummer van yang zal geweldig meevallen, al was een stuk over deze humanist op zijn plaats geweest in dit zogeheten lifestyle-nummer, waarin het met de man en de macht gaat over de vraag naar bewegwijzering in ons getroubleerde bestaan. Ik chargeer. En niet. Misschien dat daarom de schde voor mijzelf groter is: dit stuk niet hebben kunnen schrijven is vooral gezichtsverlies tegenover de spiegel. Camus, zo weet ik nu ik de nieuwe vertaling aan het lezen ben, is ondanks de oude vertaling van J.A. Meijers, iemand van wie ik - ik denk grotendeels onbewust - veel heb overgenomen in mijn eigen denken. In meer hippe kringen van meer hip denkende hedendaagse hippe denkers is zoiets natuurlijk om te lachen, maar ik blijk alles wat filosofisch gesproken op een zeker moment in de mode raakt altijd weer terug te redeneren naar één bepaald kader, en dat kader is mede gevormd door Camus. Ook daarom had ik dat stuk graag geschreven, nee: zal ik het stuk zeker nog schrijven, maar het is doodzonde dat het niet in dit nummer mee kan.
    Intussen heb ik mijn hoofd wel een opzet, maar die vraagt nog het nodige werk. Ik wilde maar, zowel brutaal als toch volkomen voorspelbaar, bij de holocaust beginnen, althans bij het beeld dat daarvan in talloze getuigenissen, commentaren en verhandelingen aan ons is overgeleverd en dat - zie Jan Oegema's Een vreemd geluk (2003) - inmiddels een religieuze betekenis heeft gekregen. Hedt gaat dan natuurlijk om de onuitsprekelijke verschrikkingen waarover tot op de dag van vandaag niet op een zinvolle manier gesproken kon worden, tenzij misschien in de woorden van Jean Améry. Die stelde dat de holocaust strict genomen niet tot de, dat is: tot onze cultuur behoort, of zelfs maar kán behoren omdat het in alles onze cultuur ontkent. (Er bestaan verklaringen, stelt hij, maar die brengen hem niets bij, omdat ze datgene over het hoofd zien wat alleen als hyperindividuele ervaring bestaat: de eigen vernietiging van de slachtoffers die door toeval datgene overleefden dat ze niet dienden te overleven.) Misschien moet men juist daar beginnen omdat je in de holocaust zoiets als de ultieme incarnatie van al het opstandige denken tot dan toe zou kunnen zien: de gruwelijke praktische consequenties van een filosofie in opstand zoals die al minstens sinds de zeventiende eeuw bestond.
    Het lijkt in ieder geval hetgeen te zijn wat Camus zelf in zijn De mens in opstand doet: het boek lijkt zoiets als de catalogus van allerhande opstandige houdingen in het verleden te zijn, maar allemaal onder het dictaat van de uiterst morele vraag naar hun praktische consequenties. De correcte historische context om dit boek in te bespreken is natuurlijk die van Sartre en de hang naar het communisme bij de Parijse intellectuelen in de jaren vijftig, maar de uiteindelijke vraag in dit boek - die naar de moord en de wijze waarop die gerechtvaardigd wordt - is er één die alleen voortgekomen kan zijn uit de vleeswording van de idee onder het nationaal-socialisme, of liever: in de holocaust (wat uiteindelijk nog weer iets anders is).
    In die zin is het een uiterst voorzichtig boek, en als zodanig eigenlijk weinig avontuurlijk voor diegenen die avontuurlijk - of zoals dat tegenwoordig ook wel heet: gevaarlijk willen denken. De mens in opstand voert tot een impasse omdat het niet tot bloedvergieten wil leiden. Maar dat kun je ook anders formuleren: het leidt tot een vacuüm omdat de praktische consequenties van ideeën - en de eerste consequentie is dat de nuancering verdwijnt wanneer de idee plaatsmaakt voor het handelen - vrijwel altijd uitlopen op slachtoffers. Het zal de reden zijn waarom in de huidige commentaren op het boek - inclusief in het nawoord van de vertaler - nogal de nadruk wordt gelegd op Camus' vooruitziende blik betreffende het falen van het communisme. Alsof De mens in opstand het a-historische genoemde tijdperk van neo-liberaal triomfalisme voorspeld zou hebben. Een dergelijke lezing is precies zo'n halve realisering van alles wat Camus beweert. En laat met een kleine terugkoppeling weer zien dat een denken dat door de praktijk wordt ingeperkt uiteindelijk verstikt raakt en met des te meer heftigheid naar een uitweg verlangt.
    Ik ben hier nog lang niet uit, ook al niet omdat ik op de één of andere manier ook mijn eigen a-religieuze (en dus beslist níét anti-religieuze) opvoeding nog in het geding wil brengen; hoe bijvoorbeeld ook zonder ooit onder een zondagse knoet van kerkbezoek of een avondlijk gebod tot gebed geleden te hebben, ook zonder ooit gekweld te zijn door Goed en Kwaad, hoogstens door een veeleer sociologisch te begrijpen 'juist' en 'verkeerd' - hoe men ook dan ten prooi kan vallen aan de horror vacui waarop alleen de afvallige het patent zou hebben. Dat is natuurlijk voor een deel te verklaren uit de wortels van de cultuur waarin je opgroeit, maar uiteindelijk biedt een volkomen seculiere opvoeding geen soelaas voor dat ene dat nu juist mens van dier zou onderscheiden: zijn neiging tot, zijn verlangen naar transcendentie. Enfin, zijn besef van sterfelijkheid.

  • Pin it!

    haast

    Gisteren in een al bij al dan toch nog tamelijk hectisch verlopen juryberaad de winnaar van de VSB gekozen. Voor zover het nog nodig was dit op te merken: nadat in een eerdere ronde kaf van koren werd gescheiden, alsook - wat al veel moeilijker is - uit de overgebleven bundels de laatste vijf waren geselecteerd, wordt alles een kwestie van gevoel en overredingskracht. Ik heb niet de illusie - en had die ook al op voorhand niet - dat het mogelijk is om op basis van werkelijk harde argumenten een volledig beredeneerde keuze te maken. En dus gaat het in zo'n beraad op een zeker moment eigenlijk nog nauwelijks over de bundels ter tafel - er bleven er van de vijf uiteindelijk twee liggen - maar over degenen die zich voor de één of de ander uitspreken. Voor de anderen kan en mag ik niet spreken, maar bij mezelf merkte ik een zekere kinderlijke verongelijktheid op als de keuze overhelde naar wat ik niet de juiste kandidaat vond - het soort verontwaardiging waarbij je eigenlijk boos met je voet op de grond wil stampen, en ik zag mezelf dan ook naar zelfs de meest oneigenlijke argumenten grijpen om mijn keuze kracht bij te zetten. Omgekeerd, als het dubbeltje de voor mij goede kant op leek te vallen, nam ik bij anderen hetzelfde waar. Ik verzwijg hier nog even wie het pleit uiteindelijk gewonnen heeft.
    De terugreis was al even stormachtig, met af en toe hevige buien, met felle windstoten en veel weifelende automobilisten, en ik die achter het stuur in gedachten, af en toe zelfs luidop, de discussie nog wat verder voerde, ditkeer met af en toe een krachtterm ertussen die ik tijdens het beraad zelf keurig binnensmonds wist te houden.
    De dag was al even hectisch begonnen met een in vliegende haast geschreven artikel in de Links/rechts-reeks voor de Morgen. Twee weken geleden schreef ik over Jan Marijnissen, die in tegenstelling tot Vlaams links, in Nederland dan toch een alternatief lijkt te hebben voor de neo-liberale lofzang, ook al ben ik zelf sceptisch genoeg (of heet het al cynisch), om te zien dat Marijnissen wel over een erg onverwoestbaar optimisme lijkt te beschikken aangaande de bereidheid van mensen om solidair te zijn. Hij bewijst nog eens - ten overvloede - dat voor socialisten de mens in essentie Goed is. En bij zoveel 'gietijzeren optimisme', zoals ik het noemde, kan men alleen maar hopen dat hij gelijk heeft.
    Gisteren (in een stuk voor aanstaande woensdag) had ik het dan over het 'Ander proza', daarbij uitgaande van Polets bloemlezing uit 1978: Ander proza. Bloemlezing uit het nederlandse experimenterende proza. De dwarsheid van een en ander zit al meteen in dat woord 'experimenterende', want waarom dat gekozen in plaats van het veel courantere 'experimenteel'?
    Met de 'ander proza'-schrijvers komt literair links aan het woord, schreef ik, niet alleen omdat haar boeken zich verzetten tegen de massacultuur, maar vooral omdat hun boeken de intentie hebben mensen bewust te maken van de toevallige orde die aan de alledaagse werkelijkheid ten grondslag ligt. 'Ander proza' is, kort gezegd, een vorm van literatuur die met alle (uiteraard literaire) middelen ten strijde trekt tegen het 'alsof' dat de realistische literatuur vanaf de achttiende eeuw tot heden kenmerkt. Ze vervangt de bekende suspension of disbelieve, die het ons als lezers mogelijk maakt in de wederwaardigheden van romanpersonages te geloven, door nadrukkelijk aandacht te vragen voor de trucs en tics waarmee zo'n 'alsof'-werkelijkheid tot stand wordt gebracht. De achterliggende gedachte was uiteraard dat men mensen zo bewust maakte van de trucs en tics waarmee ook de alledaagse werkelijkheid als onoverkomelijk, als absoluut werd voorgesteld.
    De vraag is echter, zo vervolgde ik, of of men op die manier de gewenste bewustwording teweeg brengt. Het is een vraag die al sinds de jaren tachtig op het bordje van schrijvers ligt die nog steeds onverminderd geloven in het maatschappelijk belang van literatuur, en daarbij aan iets anders denken dan aan de (natuurlijk evenzeer maatschappelijk relevante) vraag naar verstrooiing. Bereikt men uiteindelijk niet meer door zich te houden aan de conventies van wat dan waarschijnlijk literair-rechts moet heten, aan de conventies van het 'alsof'? Aan romans met een lineaire progressie van het verhaal, met geloofwaardige personages waarmee men zich kan identificeren, en vol didactische uitweidingen over wat we moeten denken en geloven? De kans dat een hedendaagse Beckett op de index terecht komt, is kleiner dan een literair gesproken volstrekt conventioneel werkje van bijvoorbeeld Dan Brown. Daarvan begrijpen we tenminste onmiddellijk dat het godslasterlijk is.Dat laatste, zo voel ik me nu ineens verplicht er aan toe te voegen (want erg duidelijk is het niet) - dat laatste met een behoorlijke knipoog natuurlijk richting het zo diep-bedroefde Vaticaan (en, hup, alwéér een knipoog!)
    Mijn benadering van het probleem is natuurlijk niet bijster origineel - ik zei al: ik had haast - en ik denk dat ik hier eigenlijk naar yang moet verwijzen, meer precies naar het tweede nummer van 2002, een door Dirk Van Hulle en Gert Morreel samengesteld dossier over experiment en engagement in de jaren zestig (inmiddels volledig online te raadplegen). Niet alleen Harold Polis' bijdrage werpt een verhelderend licht op deze kwestie, maar ook die van Nico Krol over film.
    Mijn haast bij het schrijven van het stuk werd deze keer echter niet veroorzaakt door een geheel verkeerde planning, zoals meestal het geval is, maar doordat ik de beginnersfout maakte een reeds zo goed als afgerond stuk niet op te slaan. En dat had dan weer te maken met de nieuwe computer waarop ik nu werk, na werkelijk weken van onuitsprekelijke Bill Gates-ellende. Mijn Windows-pc had al geruime tijd, ondanks voor veel geld aangeschafte virus-bescherming e.d., de waarschijnlijk toch door één of ander binnengeslopen virus veroorzaakte neiging om geheel zelfstandig de beslissing te nemen maar weer eens op te starten. Dat is niet alleen lastig wanneer je zelf midden in een stuk zit; het is ook lastig, zo niet nog lastiger, wanneer je voor yang bezig bent om stukken van anderen te redigeren. Van je eigen stuk raak je misschien tien minuten kwijt; maar als je aan het redigeren bent, hier en daar een kommaatje verzet, een cursiefje in romein verandert, een grammaticale fout of een verkeerd gespeld woord verbetert, dan kun je eigenlijk weer helemaal overnieuw beginnen. Als dat één keer gebeurt - nu ja. Maar als het tien, twaalf keer op een dag gebeurt, heb je het op een gegeven moment wel gehad. Allerlei sombers begint je uit onverwachte hoeken van je studeervertrek te bestormen; tijdens het heropstarten sta je met een duistere blik uit je raam te staren en serieus te overwegen wat precies naar buiten te smijten: de computer of je eigen persoon. Uiteindelijk komt men dan tot de conclusie dat de wereld van Bill Gates het niet waard is om in geleefd te worden.
    Ik stapte kortom over op Apple - maar daarin werken de programma's net allemaal weer een beetje anders. En voordat je het weet klik je een keertje verkeerd en delete je een compleet artikel. Dat moest dus gisteren in de mij nog resterende anderhalf uur voor mijn vertrek naar Amsterdam geheel opnieuw geschreven worden - en dan vloekt men omdat het eerste beslist beter was (en dat komt dan weer omdat je bij het opnieuw schrijven je continu tracht te herinneren wat er ook alweer in de oorspronkelijke versie stond; het is niet mogelijk om alles op dat moment weer geheel overnieuw te denken).
    De computerellende heeft er ook voor gezorgd dat de toch al opgelopen achterstanden nu schier onoverkomelijk zijn geworden. Nog steeds was ik niet in de gelegenheid even een rustige dag te vinden om me geheel en al aan Geerts nieuwe bundel te wijden, terwijl ik al met hem had afgesproken dat begin deze week te doen. Ik heb hem nu voorgesteld er volgende week donderdag telefonisch over te praten. Het lijkt erop dat ik woensdag eindelijk de tijd zal hebben om me de hele dag in zijn poëzie te verdiepen - wat ook betekent: dat ik die dag de tijd heb om na lezing, herlezing, na gepeuter op de vierkante centimeter even een uurtje de stad in te lopen om daarna verfrist nog eens te kijken en nog eens. Dit is uiteraard een heel andere omgang met poëzie dan in zo'n jury. Hier wil ik middenin zo'n bundel zitten en als het ware van binnenuit kijken hoe het eruit ziet, en of er misschien niet toch wat meubilair verplaatst moet worden, of iets rechtgezet wat nu scheef staat. Het is het soort werk waarbij ik soms - echt héél soms - de illusie kan hebben de dichter ook werkelijk te begrijpen.
    Voordat het zover is, wacht me dit weekend dan eindelijk mijn stuk over Camus. Ocharme... Het moet af, want maandag sleutelen Jessika L'Ecluse en Katrien Daemers koortsachtig aan de laatste pagina's van het komende nummer, waar ik dan dinsdag nog snel snel wat eindredactie op kan plegen, zodat het woensdag naar de drukker kan - een planning die noodzakelijk is omdat we vanwege ons door de post opgelegde regels voor de 30ste april het nummer dienen te verzenden.