• Pin it!

    Holland-België

    Een mens moet er niet te veel over zeuren natuurlijk – het is maar dat ik er de laatste tijd weer meer dan gemiddeld mee geconfronteerd wordt: het zo duidelijke verschil tussen de Hollander en de Vlaming. Recentelijk volgde ik in een eindelijk weer eens te pruimen aflevering van Terzake – ondanks de aanwezigheid van ‘der Siegfried’ (Bracke) – het debat tussen Paul Scheffer en Geert van Istendael naar aanleiding van Mijn Nederland van de laatste. Het was allereerst aardig om te zien hoe Van Istendael tijdens de commentaren van Scheffer een wat onzekere blik kreeg (daar heeft hij op de Vlaamse buis meestal weinig last van, zeker niet als hij onder zijn vrienden van het journaal vertoeft), en hoe Scheffer een on-Hollandse beleefdheid opbracht bij zijn al bij al toch behoorlijk fundamentele kritiek op delen van het boek. Scheffer was overigens dé man om hiervoor uit te nodigen, want als iemand een gezonde distantie heeft tot juist het typisch Hollands onvermogen om boven het Eigen Gelijk uit te stijgen, dan is hij het wel – en ook hij stelde dat hij die distantie pas had verworven toen hij een aantal jaren in het buitenland zat. ‘Holland’ is een zwart gat waar niets uit ontsnapt, een geïmplodeerde samenleving die zichzelf ten onrechte veel te lang voor kosmopolitisch heeft gehouden, voor verlicht en tolerant, voor... – enfin, men zou zich maar gaan herhalen.
    Het was aardig om zowel Scheffer als Van Istendael te horen zeggen dat het merkwaardige van Nederland vooral haar ‘consensus-mentaliteit’ was: de blijkbaar diep gevoelde noodzaak dat alle koppen dezelfde kant op staan. Dat betekent bijvoorbeeld dat de emancipatie van de jaren zestig – die ruimschoots aan mijn ouders voorbij ging, en aan de rest van mijn familie ook, en aan de mensen uit mijn straat, de kennissen en collegae, enzovoorts – dat die emancipatie een verplichting werd voor iedereen. Ik schreef hier al eerder – en ook in de Morgen in mijn stuk over het onderwijs – dat men zich in de jaren tachtig bijna genoodzaakt zag om rechtse praatjes te verkopen, juist als men wilde voldoen aan de alomtegenwoordige eis dat men zich diende te emanciperen; en ook dat er een groot taboe heerste op kritische kanttekeningen bij oorspronkelijk links gedachtengoed. Alles wat na de jaren zestig kon, moest ook ineens, zo vatte Scheffer het samen, en dat is typisch Hollands. Het leidde als vanzelf tot een grote afstand tussen wat de mensen wérkelijk dachten, en wat ze geacht werden te denken en niet zelden dan ook maar zeiden.
    Misschien is Nederland al bij al een heel gezeglijk landje. Koffie-shops, euthanasie-wetgeving, de zogenaamde ‘afwerkplekken’ voor heroïnehoertjes: het lijkt allemaal vreselijk progressief, maar, zo stelde Scheffer, het verraadt vooral de Hollandse neiging om alles te regelen, om alle schemer uit het land te jagen. De Hollandse hoerenloper, voor zover hij niet zozeer loopt maar zich traag in een auto voortbeweegt, wordt naar een soort parkeerterrein gedirigeerd, met om de zoveel meter een keurige lantarenpaal, met overal parkeerplaatsen die met schotten van elkaar gescheiden zijn, en daar pikt hij niet alleen het meisje van zijn voorkeur op, daar ‘werkt hij ook af’ (of zij werkt hém af – het is maar hoe je het ziet), zijn auto keurig geparkeerd tussen die schotten. Je moet eens proberen om aan een buitenlander uit te leggen wat hij daar nu precies ziet als hij met de trein via Haarlem Amsterdam nadert en langs zo’n – uiteraard omheind - terrein komt vol met meisjes onder lantarenpalen, en met rijen auto’s die traag voortschuifelen (ik weet trouwens niet of die plek er nu nog is; ik kwam al heel lang niet meer van die kant Amsterdam binnen). En om aan te geven hoezeer het woord ‘afwerken’ in Nederland synoniem geworden is met precies deze praktijk: iemand schreef me naar aanleiding van de laatste yang over de zinsnede: ‘een scriptie afwerken’. Hij kreeg daar een, waarschijnlijk, hilarisch visioen bij, en meende dat yang beter geredigeerd moest worden.
    Van Istendael bracht het in het gesprek aan: het voor de Belg onwaarschijnlijke vertrouwen van de Nederlander in zijn overheid. Scheffer bevestigde dit. En hoewel de heren de link niet hier legden ( maar er wel in een ander verband over spraken): dat vertrouwen en de gezeglijkheid zouden wel eens ten grondslag kunnen liggen aan het voor Hollanders uiterst pijnlijke feit dat er tijdens de Tweede Wereldoorlog procentueel gezien de meeste joden uit Nederland werden gedeporteerd. Scheffer zei in dat verband iets opmerkelijks: dat de Nederlander eigenlijk nog steeds niet aan zijn eigen ‘Vergangenheitsbewältigung’ toe is gekomen. Terwijl de Hollander denkt dat alles werd uitgeklaard. Als ik me niet vergis, heeft met name Lou de Jong hier een bedenkelijke rol gespeeld met zijn boekenreeks over Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. De gedachte dat ‘wij’ Goed en de Duitsers Fout waren, zit héél diep in het collectieve bewustzijn (dus ook in mijn bewustzijn), en het lijkt me één van de redenen waarom ‘wij’ denken moreel superieur te zijn.
    (Wat dat aangaat: Stefan H. vertelde me nog dat bij een publiek programma in Amsterdam rond het boek van J. Friedrich over de bombardementen van de Engelsen op Duitse steden - Brand - veel beroering was ontstaan, omdat iemand in de zaal iedere discussie over de misdaden tegen de menselijkheid van Engelse zijde in de kiem had gesmoord door herhaaldelijk te blijven roepen: ‘Hebben jullie zes miljoen joden vermoord of niet!’ Intussen blijkt Brand te gaan over bewuste strategieën van Engelsen en Amerikanen om zoveel mogelijk burgerslachtoffers te maken: bommen die pas explodeerden nadat de brandweer was gearriveerd; bommen die een enorme hitte veroorzaakten zodat menig Duits burger in de schuilkelder levend werd gekookt, bommen die een ‘vuurstorm’ genereerden, etc. etc. De auteur schijnt geschokt de bijeenkomst verlaten te hebben.)
    Enfin, men begrijpt waarom een boek als Pastorale 1943 van Vestdijk destijds op weinig sympathie kon rekenen.
    Over de Holland-België- (meer specifiek: Holland-Vlaanderen)-kwestie heb ik in De inwijkeling al het nodige gezegd, inclusief het volgende, dat ik nu door Van Istendael herhaald hoorde: ik heb België daar een land genoemd ‘dat tot in zelfs zijn meest vrijzinnige milieus door en door katholiek is gebleven,’ en voegde daar aan toe: ‘terwijl in Nederland zelfs de grootste ongelovige nooit helemaal los komt van de calvinistische predestinatieleer en dus van het gevoel een uitverkorene te zijn.’ Met name bij Hollanders (en dan vooral bij niet-gelovige Hollanders) roept dit laatste veel protest op. Men hoeft het verschil voor mij ook niet per se langs die lijnen te benaderen, zij het dat deze benadering me toch het nodige aan verklaringen lijkt op te leveren.
    Ik word er weer meer en meer mee geconfronteerd, schreef ik, en dan doel ik vooral op wat ik hier vorige week naar aanleiding van Geert Buelens’ stuk in De Standaard schreef: heb ik me ten opzichte van dat stuk te ‘Hollands’ opgesteld door de nadruk te leggen op de uit, waarschijnlijk ten dele bescheidenheid voortgekomen, door mij als ‘zwartgallig’ en ‘defaitistisch’ omschreven houding die ik erin las? Ben ik te driest wanneer ik stel dat het soort nuancering van het eigen gelijk waarvoor Geert al op voorhand pleit, mij ‘valse bescheidenheid onder druk van postmoderne gewetensnood’ lijkt? Mijn eigen gemoed (mijn temperament) zegt me dat ik het wél bij het rechte eind heb in dezen, maar misschien gaat het daarbij om mijn Hollandse blinde vlek? En kan ik daar ooit aan ontkomen? Moet ik daar aan ontkomen?
    Ik zit – met het oog op het einde van mijn huidige verblijfsvergunning in september – nogal eens te dubben of ik nu niet de Belgische nationaliteit moet aannemen. De enige reden om dat niet te doen, is gelegen in het feit dat ikzelf onverwoestbaar Nederlander blijf – het gaat hier om hetgeen Améry met een verdacht geworden term ‘Heimat’ noemt, om de ‘dialectiek van het kennen en herkennen, van het durven en vertrouwen’ die verbonden is met ‘de signalen die we al zeer vroeg hebben opgevangen en waarvan we het teken en de betekenis tezelfdertijd hebben geleerd,’ zoals hij schrijft in Schuld en boete voorbij. Het gaat om die befaamde paplepel, kortom, die ons al dingen heeft ingegoten voordat we ‘ik’ konden zeggen of onszelf als afgescheiden van onze omgeving leerden ervaren. Dat wat Hanna en ik nu Emma aan het inlepelen zijn (en ik ben benieuwd wat dat wordt met onze Lage Landen-mix: ik zeg ‘jas’ waar Hanna ‘vest’ zegt, ik zeg ‘colbert’ en zij spreekt over een ‘gilet’, terwijl voor mij een ‘vest’ en een ‘gilet’ iets heel anders zijn dan een jas en een colbert; en dan hebben we het nog maar over kleding).
    ‘Heimat’ dus, als reden om vast te houden aan een vodje papier dat mijn Nederlanderschap inhoudt; en ook misschien dat ik met een eventueel Belgisch paspoort straks mag staan wapperen wat ik wil, maar dat ik puur op grond van alleen al mijn fysiognomie toch altijd voor ‘keeskop’ zal doorgaan, zoals de Belgen hier in onze buurt altijd ‘Turken’ blijven.
    De reden om wél van nationaliteit te wisselen, is mijn groeiend ongenoegen over het schandaal dat ik wél mijn belastingen hier in België moet betalen, maar vervolgens niet mag meebeslissen over wat er met ‘mijn’ geld wordt gedaan: ik mag hier niet stemmen. Dat zit me in toenemende mate dwars. Het is niet zo dat de Nederlandse politiek me niet meer interesseert (en in Nederland, waar ik géén belasting meer betaal, mag ik wél stemmen), maar ik leef hier; dit is mijn gemeenschap, en het ziet er naar uit dat ik hier mijn toekomst verder ga doorbrengen. De keuze lijkt dus eenvoudig – maar er is dat harde restje sentiment dat ‘Heimat’ heet...

  • Pin it!

    It's a perfect day

    Er zijn van die dagen dat alles plotseling weer op zijn plaats blijkt te staan in een wereld die er geruststellend onveranderd uitziet. Je merkt dat de aarzeling uit je spreken is verdwenen, dat je rustig – want zeker van jezelf – bepaalde discussies aangaat, en dat zelfs bij de felste tegenwerpingen alles in de wereld gewoon blijft kloppen. Welnu, het is vandaag zo’n dag. Ik weet al dat ik misschien morgen weer hopeloos van mijn ankers wordt getrokken, maar vandaag kan niemand me van welk tegendeel dan ook maar overtuigen.
    Zulke dagen zijn dan ook dagen zonder toeval. Eerder deze week stuurde Ron Elshout me een mail met daarbij gevoegd zijn bespreking van Kees Snoeks biografie over E. du Perron, en ik dacht nog bij mezelf dat ik misschien Marianne De Baere eens moest vragen of ik dat niet voor de Morgen zou kunnen bespreken. Vanochtend bracht de post, ongevraagd, de betreffende biografie met een briefje van MdB: of het niks voor mij was? Dat zal wel zijn! Al was het maar omdat op dagen dat alles lijkt te kloppen je de wereld weer ziet zoals je haar min of meer ‘voor het eerst’ leerde begrijpen – en daarin speelt het werk van Du Perron (samen met dat van Ter Braak, Nietzsche, Sartre en Camus) voor mij nu eenmaal een belangrijke rol. Het zijn dus ook dagen waarop je geen zin hebt aan al die andere auteurs die je wereldbeeld meteen weer compliceren; of aan wat dan ook maar dat je uit het lood kan slaan.
    Misschien dat ook het lezen van een door Karel Glastra van Loon en Kees Slager samengesteld interviewboekje - Hoe dan Jan? - danig heeft meegewerkt aan mijn gevoel dat ik volkomen juist in de wereld sta vandaag: na lezing van Marijnissens opinies over onderwijs, kunst en cultuur, de noodzaak van historisch besef, zijn pleidooi voor ‘nieuwe elites’ zelfs, na de verstandige manier waarop hij de noodzaak van normen en waarden weet te verbinden met juist een links wereldbeeld (en er dus op een totaal andere manier tegenaan kijkt dan Balkenende), en dat alles zonder voor revolutie in de traditionele zin te pleiten – na dit alles weet ik weer dat ik toch écht wel links ben, en dat ik me bij mijn reserve’s ten opzichte van sommige van de klassiek-linkse thema’s ten onrechte zorgen maak over mijn eigen politieke voorkeuren. Ik schreef hier eerder al dat het bij het bieden van een alternatief voor de neo-liberale gesel erom zou moeten gaan de ‘politieke neutraliteit van de economie’ op te heffen. Dat lijkt Marijnissen niet te doen wanneer hij stelt dat de SP (niet te verwarren met de Vlaamse SPa) is geëvolueerd ‘van een partij die zei: “Alle productiemiddelen in handen van het volk” naar een partij die zegt: “Marktwerking en kapitalisme in een bepaalde vorm kunnen de vooruitgang dienen”.’ Iemand met radicaal revolutionaire sympathieën haakt hier natuurlijk af, maar de opmerking is ingebed in een verhaal waarbij Marijnissen van bijvoorbeeld bedrijven met monsterwinsten als Ahold (uitbater van onder andere de Hollandse Albert Heyn-winkels) eist dat zij die winst ook uitbetalen in de vorm van hun sociale verantwoordelijkheid, en bijvoorbeeld verplicht zouden moeten worden om in de dorpen op het leeg lopende platteland ten minste één filiaal open te houden. Dat is dan inderdaad ‘kapitalisme in een bepaalde vorm’. Het is iets wat ik aan de borreltafel al heel vaak heb geopperd, zij het natuurlijk op de verongelijkte toon van de machteloze burger die alles naar de kloten ziet gaan, maar niet weet hoe het op te lossen. Straks schrijf ik mijn stuk voor volgende week woensdag.
    En ten slotte zal ook het feit dat ik met een vriend in een correspondentie alles wat er in de afgelopen maanden in onze communicatie scheef ging weer recht heb weten te breien, het nodige hebben bijgedragen aan mijn gevoel vandaag in een volledig kloppende wereld te leven. We spreken weer dezelfde taal – even dan toch, want het mooie is (en het onvermijdelijke) dat je binnen de kortste keren dingen dan toch weer anders zult invullen. Maar als een dergelijke ‘scheefgroei’ te lang duurt, staat er meer op het spel dan een eenvoudig misverstand, zo blijkt telkens weer.

  • Pin it!

    Alternatief

    Gisteren niemand van NOVA aan de deur gehad, dus ook voor de Librisprijs blijven steken op Els Callens-niveau. Ik denk nog even terug aan een zinnetje van Heumakers: ’Reugebrink voegt zich in een belangwekkende, zij het tamelijk marginale traditie, waar in het literaire spel altijd ook iets ongrijpbaar “anders” op het spel staat.’ De accentuering is van mij. Ik ken overigens geen van de wel genomineerde boeken (want ik las nog steeds De Martelaere niet, noch Otten, Brouwers, Christine Otten, Rob Van der Linden of Stephan Enter), maar die staan vast niet in enige marginale traditie – waarmee Heumakers overigens doelde op de traditie van... Musil (?), Beckett (??), en, tja, Vogelaar; ‘marginaal’ dient hier dus vooral opgevat te worden als ‘marginaal voor het grote publiek’, want literair-historisch gesproken sluit ik gezien de genoemde auteurs eerder aan bij de mainstream, lijkt me toch; maar de literatuurhistorie zelf is natuurlijk ook marginaal in die eerste, klaarblijkelijk door Heumakers bedoelde zin.
    Intussen las ik Geert Buelens’ stuk in De Standaard van 18 maart, ‘Mijn koninkrijk voor een alternatief’, en het moet hier nu niet gaan lijken alsof ik vooral hem viseer, maar dit is toch wel een heel merkwaardig opiniestuk. De grondgedachte is dat de ‘neo-cons’ in de VS, net als extreem rechts hier, een ‘alternatief’ bieden voor de ‘veranderde tijden’ die nu zouden zijn aangebroken. Dat is impliciet een beschuldiging aan het adres van links, waar thans de échte conservatieven zitten, zo zou je kunnen zeggen: zij die (overigens met veel moeite) verworven rechten op sociaal en humanitair vlak nog slechts zouden verdedigen.
    Nu is dit een opvatting die ik ook al eens door Slavoj Žižek verwoord zag, in Pleidooi voor intolerantie bijvoorbeeld, waarin hij het heeft over de ‘post-politiek’, die vooral gekenmerkt wordt door de ‘politieke neutraliteit van de economie’, en waarin hij stelt dat ironisch genoeg alleen extreem rechts nog werkelijk aan politiek doet, en in die zin de positie die traditioneel door extreem links werd bekleed, heeft overgenomen. Wat links inderdaad niet doet, is de politieke bepaaldheid van de economie ter discussie stellen; links beperkt zich vaak tot progressieve ideetjes (met een al dan niet groen randje) die binnen de gegevenheid van de economie ‘haalbaar’ zijn. Men tamboereert vaak op berekeningen van eender welk bureau (in Nederland is dat het centraal planbureau), die zouden aantonen dat de nieuwe ideetjes helemaal niet uitdraaien op wat klassiek rechts dan altijd roept: dat die linksen weer eens aan het potverteren zijn. Men is trots dat men met zijn ideetjes keurig binnen de lijntjes heeft gekleurd. Stevaert vormt daarop met al zijn leuke plannetjes geen uitzondering. Een werkelijk links programma vraagt echter om een andere definitie van economische haalbaarheid, en daarmee om een andere verdeling. Een dergelijk verhaal lijkt er niet te zijn; voor het uitgedoofde communisme is nog geen werkelijk links alternatief gevonden, om het zo maar te zeggen, misschien ook omdat iedere poging om een dergelijk alternatief te formuleren, door centrum en rechts slinks en onmiddellijk wordt gekoppeld aan het ‘overwonnen communisme’ van Sowjet-makelij, en daarmee impliciet (eigenlijk) nog steeds met stalinistische praktijken (al was Breznjev, om één van de langer zittende partijleiders te noemen, allang geen Stalin meer). Links (de sociaal-democratie) laat zich, kortom, chanteren met een verleden dat niet eens het hare is.
    Geerts stuk lijkt van die gedachte de bevestiging; het is een stuk waaruit vooral een passieve houding spreekt, en waarin het om zijn communicatieve vaardigheden zowat door hem bewonderde neo-conservatisme impliciet op een voetstuk wordt geplaatst – al zal dat het laatste zijn wat hij bedoelt. ’Zolang we geen inspirerend, positief en wervend alternatief verhaal hebben, zijn we er geweest,’ schrijft hij immers.
    Punt is dat die verhalen er eigenlijk wel zijn, of zijn geweest. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de pogingen die eind jaren tachtig door Neues Forum zijn ondernomen om een ‘communisme met een menselijk gezicht’ te ontwikkelen, waarover de kopstukken later zeiden dat ze toentertijd maar één, zij het cruciale fout begingen: dat ze niet onmiddellijk hadden begrepen dat het om macht ging; ze bleven in die ‘typisch Duitse intellectuelen-val’ trappen: ze bleven discussiëren in plaats van de knooppunten van de macht te bezetten. En welk alternatief heeft Alain Badiou ons hier te bieden? Ik zal zelf later deze week nog over Jan Marijnisse schrijven voor De Morgen en kijken wat zijn, naar mijn indruk tamelijk uitgekristalliseerde programma in Nederland ons te bieden heeft. Het lijkt me beter dergelijke verhalen in te zetten, dan te stellen dat ze er niet zijn, en dat rechts ze wel heeft.
    En dan, wat de VS betreft: was Clintons Health-care-programma niet een wonderlijk revolutionair voorstel in een Amerika dat zoiets nog nooit had gezien? Privatisering is niet iets wat ze daar nu pas uitvinden, eerder omgekeerd. In die zin is het bepleiten van sociale voorzieningen in de VS nog steeds een ‘alternatief’, lijkt me, voor wat er al sinds jaar en dag gebruikelijk is.
    Misschien hoeft er ter linkerzijde maar één ding te gebeuren: het losmaken van politiek en filosofie, van de alles-vermorzelende combinatie van postmodernisme en politiek (ik denk nu aan het werk van Timothy Bewes). Hoe dat ook zij: Geerts verhaal in De Standaard lijkt me een staaltje van selffullfilling prophecy en is, juist als het klopt wat hij zegt (‘the times they are a-changing – again’), het minst gewenste verhaal op dit moment.
    Voor mij is de vraag nog veeleer of de tijden wel werkelijk aan het veranderen zijn, en in het verlengde daarvan: of ze ooit op de klanken van Dylan wel wérkelijk waren veranderd. Ik kan me zo verbazen over wat ik zelf heb ervaren als definitieve emancipaties (homoseksualiteit, feminisme, seksuele vrijheid, ontkerstening), zozeer dat ik altijd heb gemeend er zelfs goedkope grappen over te kunnen en te mogen maken (‘ach ja, jullie homo’s...’ zeggen tegen homoseksuelen, kortom: de spot drijven met een geaardheid juist omdat je die geaardheid niet als iets afkeurenswaardigs ervaart, of homoseksuelen als een ander ‘ras’ of iets dergelijks – zij het dan toch als ‘anders’, maar dat als eenvoudig gegeven) – ik kan me er altijd weer over verbazen dat dergelijke verworvenheden voor een groot deel ficties blijken te zijn van één bepaalde groep, en niet de breed gedragen opvatting van ‘gansch een volk’, ook al is het dan een tijd zo voorgesteld (ik herinner me nog altijd de verbazing van de oude Johan Polak, die mij ooit eens het hof zat te maken toen ik in het kader van het literatuurfestival Herfstschrift bij hem in Amsterdam op bezoek was om een programma te bespreken; ik maakte hem duidelijk dat ik voor de herenliefde niets voelde, maar dat ik zijn avances wel vermakelijk vond – ‘begrijpelijk’ kon ik natuurlijk niet zeggen -; hij kwam nog uit de tijd dat je behoorlijk militant moest zijn om je als homoseksueel te handhaven in bijvoorbeeld je beroep (was hij niet leraar klassieke talen?)). Zoals ik altijd gedacht heb dat bestudering van de Tweede Wereldoorlog, het besef van wat er toen is gebeurd, neo-fascisme tot iets onmogelijks gemaakt zou hebben (fout zijn ín de oorlog is één ding, fout zijn ná de oorlog is erger, grapte ik altijd). Dat blijkt naïef. Het fascisme lijkt dichter bij de ware menselijke natuur te liggen dan zoiets als links-progressief denken. En misschien zijn de ‘bloemenkinderen’ van weleer (de zo voor privatisering stemmende managers van vandaag, overigens) wel precies wat ze na een jaar of 35 lijken: droomgestalten, vaag gemurmel over ‘The Age of Aquarius’ tegen een achtergrond van dia’s met ingespoten gekleurde inkt.

  • Pin it!

    Verlangen naar het neutrale

    Gisteren had ik willen werken; mijn aanhoudende vermoeidheid maakt dat ik vaak overdag – gewoon tijdens het werken notabene! – in slaap val, en zo loop ik nog maar moeilijk in te halen achterstanden op. Maar kijk, ’s ochtends schoof een beige Citroën Berlingo langs het raam waarachter Hanna zat te werken, en die stormde gelijk naar beneden, waar ik op Emma zat te passen, met de mededeling dat Remco en Roel (Ekkers) er waren. Remco was weer even in Gent voor een vergadering van de Poëziekrant en Roel was, zoals ze soms doet, dit keer mee gekomen. Ze wilden eindelijk Emma wel weer eens zien – en terecht. Bovendien overhandigde Remco mij zijn binnenkort te verschijnen dichtbundel, De Alice voorbij (uitgeverij Kleine Uil te Groningen). Dat deed hij heel terloops.
    Een onverwacht bezoek, kortom, en men wil dan heel veel vertellen. Ik liep al na korte tijd met de catalogi van Borremans te zeulen om mijn enthousiasme over diens werk te verduidelijken, en Remco wilde eigenlijk nog gelijk naar het SMAK, maar dat mocht natuurlijk niet. De rit van Gent naar Zuidhorn duurt toch al snel vier uur. Dus ze waren ook al snel weer vertrokken.
    Waarna ik dan toch nog even naar boven rende om mijn mail te checken, voordat we zouden afreizen naar Dworp om er ’s middags bij Stefan en Sigrid door te brengen. Van Bert B. een hoogstpersoonlijk door hem ingescande recensie over Touchdown, die afgelopen vrijdag in NRC verscheen, en dat nadat hij me er ook al eens over gebeld had; van Ron Elshout, die blijkbaar een webabonnement heeft, de gedownloade versie van diezelfde recensie; via Piet J. dezelfde, ook al ingescande en als pdf-file verzonden recensie die Lucas Hüsgen hem had gestuurd, en die kwam nogmaals van Jan de Roder. Terwijl ik inmiddels, nadat ik vrijdag van Thomas Vaessens een kort en inderhaast geschreven mailtje kreeg met de mededeling dat er een stuk over Touchdown in NRC stond, en na Berts telefoontje op zaterdag, tegen mijn eigen verwachting in toch nog een papieren NRC in Gent wist te bemachtigen. Men ziet hier overigens een klein netwerk.
    Interessant, misschien zelfs saillant, is dat de recensie van Arnold Heumakers is, een recensent met wie ik een aantal jaren geleden getracht heb een discussie te voeren, waarvan een deel nog in De inwijkeling terecht is gekomen (‘Dichter tegen historicus’). De discussie voor zover ze toentertijd in openbare gelegenheden plaatsvond, verliep stroef vanwege Heumakers’ontstellend neerbuigende houding en mijn daartegenover ontstellend toenemende driftigheid – wat allemaal ten koste ging van de inhoud van de discussie zelf, een inhoud die ik nog steeds belangwekkend genoeg vind. Hoe dat ook zij, men had hier Amsterdams Peil kunnen verwachten, misschien, maar dat is het zeker niet geworden. Een alleszins fair stuk, waaruit zich – dat dan weer geheel unfair – straks voor een nieuwe achterflap mooie citaten laten plukken. De pers over Touchdown: ‘...een verademing’ – Arnold Heumakers in NRC In werkelijkheid staat er dat Touchdown vergeleken met de meeste andere boeken over dierbare gestorvenen een verademing is – wat toch iets anders is dan zomaar een verademing. Verder stelt hij nog, in een op eerste zicht wat moeilijk te volgen zin: Minder overtuigend lijkt me zijn positieve beeldende kracht, die nergens zo overweldigend uitpakt dat de roman zijn demonstratieve karakter geheel verliest en de lezer de ervaring van een idee bezorgt in plaats [van] het idee van een ervaring. Ik weet niet of Heumakers hier nu bedoelt dat er eigenlijk van géén, of van te weinig ‘positieve beeldende kracht’ sprake is. In ieder geval acht hij het uiteindelijk een te ‘demonstratieve’ roman die, zo zou je kunnen zeggen, niet meeslepend genoeg is. Dat laatste is dan ongeveer het tegenovergestelde van hetgeen ik in de Vlaamse kritieken heb gelezen, die het niet zelden ‘aangrijpend’ en ‘meeslepend’ zeiden te vinden. En natuurlijk is mijn roman ‘demonstratief’ voor hetgeen Heumakers er eerst zelf in legt: hij stelt dat het mij om ‘das Mystische’ te doen zou zijn, in ieder geval om datgene waarover Wittgenstein schreef dat we erover zouden moeten zwijgen.
    Om die link met Wittgenstein heb ik natuurlijk zelf nadrukkelijk gevraagd door Lesser steeds te laten zeuren over ‘dat wat het geval is’, maar zoals zovaak is zo’n verwijzing bij mij nauwelijks meer dan een los eindje of een cliché, een vorm van windowdressing eigenlijk, een van-horen-zeggen. Ik heb Wittgensteins Tractatus heus wel trachten te lezen, maar ik moet eerlijk bekennen dat veel ervan me ontgaat, en dat ik tot op heden niet de moeite heb genomen, noch de noodzaak heb gezien, me verder in Wittgensteins werk te verdiepen. Blijft over: een paar ‘beroemde’ citaten – het eerste en laatste van de Tractatus - en het is in die zin dat ik ze Lesser ook laat gebruiken: als iets wat hij zelf eigenlijk niet begrijpt. Want ‘de wereld is alles wat het geval is’ zou Lesser met een wanhopige vraag beantwoorden: ja maar, ja maar, wát is dan het geval??
    Heumakers veronderstelt haast een literaire verwerking van Wittgensteins stellingen, en als je het zo ziet, krijgt het boek wellicht inderdaad iets demonstratiefs. Maar het ging mij niet om demonstraties van bepaalde filosofische stellingen: het ging mij om de ervaring van ontreddering, en die klauwt (wat mij betreft althans) her en der naar taal, naar formules, naar waarheden voor het leven. Alweer, zoals zovaak, gaat het mij om de hyperpersoonlijke, niet te verwoorden ervaring die formuleringen nodig heeft om voor anderen beschikbaar te zijn, maar die in die formuleringen voor anderen op de één of andere manier weg raakt. Het is onvermijdelijk dat er vervolgens in een taal voor anderen over gesproken wordt (ook door mijzelf natuurlijk).
    Ik bedoel te zeggen: ik ben wel in mijn sas met Heumakers’ stuk: kritisch, maar positief, en nergens onder de gordel. Dat is al veel tegenwoordig (niet voor Heumakers zelf, trouwens, die ik altijd hoog heb geacht, ook al was ik het niet met hem eens).
    Daarover ook nog heerlijk met Stefan zitten palaveren in de Dworpse tuin gisterenmiddag: over positionering in het veld, de noodzaak daarvan, of misschien juist de onwenselijkheid daarvan. In ieder geval is positionering in zekere zin onontkoombaar: voor zover je zelf nalaat het expliciet te doen, zijn er wel anderen die het vóór je doen. Misschien is het de ‘ouderdom’, maar het verlangen om van dat soort ‘plicht tot bepaling’ verlost te zijn, het verlangen misschien wel om in dat opzicht ‘een witte vlek’ te mogen zijn, in een soort ‘neutrale’ ruimte te mogen schrijven (de neutraliteit die bijvoorbeeld Hans Groenewegen in zijn vorige essaybundel zocht en waarover ik nota bene zelf geschreven heb dat ze als zodanig natuurlijk niet kon bestaan): het is maar al te reëel. En misschien is het – net als ik dat bij Groenewegen veronderstelde – misschien is het wel hetzelfde verlangen om even niet gestoord te worden door de eis bepaalde, door de buitenwereld als al te buitennissig beschouwde voorkeuren te legitimeren. Ik merk dat ik er altijd tussenin zweef, tussen die (fictieve) neutraliteit en de eis tot positiebepaling, en dat ik me in mijn schrijven soms laat chanteren door de eisen van mijn eigen peer-group. Het is een beetje zoals ik wel eens leesrapportjes heb gemaakt voor het Nederlands Fonds voor de letteren; ik herinner me in het bijzonder een middag met meedere van dergelijke ‘beroepslezers’, en dat ik daar heb gesteld dat het toch mogelijk moest zijn om buiten de lijnen van je eigen poëtica – voor zover je je die bewust bent, althans – over werk te oordelen. Mijn favoriete voorbeeld is hier J.C. Bloem: in mijn ogen een affreus dichter, maar er is een bril die maakt dat ook ik er niet om heen kan dat Bloem toch een groot dichter is geweest (dat is dan een meer ‘historische’ bril, zeg ik altijd tegen mezelf). Hetzelfde laat zich zeggen voor werk van bijvoorbeeld Gruwez: mijn ding niet, maar als het er om gaat of de man een werkbeurs verdient, als het dus gaat om de ‘kwaliteit’ van het gebodene, dan moet ik toch zeggen dat hij in wat hij doet een vaardigheid aan de dag legt die een dergelijke werkbeurs verdient. Moeilijkheid blijft hier dat, strict genomen, ‘kwaliteit’ als zodanig geen eigenschapo van het werk in kwestie is, maar iets wat er aan wordt toegekend op basis van weer het soort vooronderstellingen dat onvermijdelijk leidt tot positiebepalingen. Stefan zei in dit verband, met de blik wat peinzend op de horizon, dat ‘we’ eigenlijk dan toch een man als De Coninck misten, iemand die een dergelijke positie in de publieke ruimte bekleedde (en juist daarom ook werd aangevallen, niet in de laatste plaats door, destijds, Stefan zelf). Het gaat overigens niet om het verlangen naar die positie (‘de leerstoel voor verzoenende poëziekritiek’ zoals ‘de grote Bast’ het noemde (Van Bastelaere)), al gaat het dan om het verlangen naar een plek: het gaat om een ruimte die volledig van jezelf kan zijn, en toch gedeeld kan worden met anderen.
    Dream on, boys.
    Zelfs een blog als deze ontkomt niet aan de noodzaak tot legitimering; iemand stuurde me een lichtelijk boze, maar ook weer niet echt kwade mail met daarin onvrede over iets wat ik hier – zonder er al te veel bij na te denken of bij te willen nadenken – heb geschreven. Ik waande mij in een Forumpositie, schreef hij, ‘waar kritiek op je medestanders van moed getuigt en tot een levendig literair klimaar leidt, tot betere boeken en betere schrijvers. Ben ik het op zich mee eens, maar dus dan wel echte kritiek, geen zijdelingse opmerking op een blog’. Vraag is of dit hier alleen ‘zijdelingse opmerkingen’ zijn; op zich gaat het hier om een publieke ruimte van een nieuwe soort, één die betreden wordt door Jan-en-Alleman (waarvan uiteindelijk alleen een klein deel zal overblijven, denk ik), terwijl het toch niet onmiddellijk tot de officiële kanalen behoort, tot daar waar opinies ‘gemaakt’ worden. Maar enkel en alleen persoonlijk is het al evenmin (althans niet in de opzet die ik hier koos). Ik zou het graag een ‘vrijplaats’ willen noemen – maar dat is het niet. Ook hier bestaat er geen neutraliteit.
    Gisteren geindigd met een dansje in de keuken op de klanken van Cheb Khaled, wat er uiteindelijk terug thuis toe leidde dat Emma midden in de nacht een uiteindelijk in gehuil overgaand gezang aanhief en ons een paar uur uit de slaap hield.

  • Pin it!

    Het democratisch minimum

    Eén van de belangrijkste tegenwerpingen die Geert in zijn reactie op mijn kleine overzeese inmenging maakt, betreft mijn opmerking dat het loslaten van het ‘vernieuwings-criterium’ wellicht leidt tot het prijsgeven van de kunst aan de markt. ’De kunst is toch altijd sterker,’ schrijft Geert, ’Ze is sterker dan de markt, zoals ze sterker was dan de politiek (cf. wat er, ondanks alles en zonder het te willen romantiseren, voor interessants en belangrijks is gemaakt en geschreven onder het communisme). Het gaat om het “prijsgeven” van de kunst aan (of beter, want minder defaitistisch: het meer in lijn brengen van de kunstwereld met] de democratie. Dat, zal Marc nu misschien opperen, komt in de praktijk neer op hetzelfde. Op het eerste gezicht misschien wel, ja, maar als je daar diep van overtuigd bent, dan moet je het VB niet langer anti-democratische oprispingen verwijten.’
    Dat laatste is pijnlijk juist, en ik zit zelf ook wel wat in mijn maag met wat eigenlijk mijn overtuiging is: dat kunst niks met democratie te maken heeft. Kunst en democratie, i.c. literatuur en democratie, leidt bijvoorbeeld tot een Driek van Wissen als Neêrlands met meeste stemmen verkozen ‘dichter des vaderlands’ – en als ik me niet vergis heeft met name Geert zelf er het nodige toe bijgedragen dat in Antwerpen geen rijmwonder (met of zonder VB-sympathieën) tot stadsdichter werd gekroond, maar maakte hij zelf deel uit van een commissie van deskundigen die Ramsey Nasr in die functie aanstelde. Volstrekt ondemocratisch – en gelukkig maar. Driek van Wissen is géén dichter – een oordeel dat ik vel op basis van mijn kennis van de geschiedenis van de poëzie die mede heeft bepaald wat we vandaag de dag onder poëzie verstaan. Komrij – wat ik ook op zijn werk tegen heb – is uiteindelijk wél een dichter, en ook de Groningse kroegmaat van Van Wissen, Rawie, is en blijft uiteindelijk een dichter, ook al is het dan een heel erg slechte. Maar Van Wissen is een man van volkse rijmpjes, van de limerick-tussen-de-schuifdeuren, van de getapte jongen op de boerenbruiloft, van geestigheden voor in de kroeg. Dat mag allemaal bestaan, en mensen mogen het leuk vinden (ik denk dat bijvoorbeeld mijn vader zaliger zo’n man geweldig grappig had gevonden; hij hield van cabaret en van lollige stukjes en van de kluchten die hij als amateur-acteur en -regisseur bij toneelvereniging ‘Ons Genoegen’ op de planken bracht) – leuk dus, maar géén poëzie. Ik ben ongeveer net zo deskundig als Geert op dit gebied - al val ik flauw van bewondering bij zijn Van Ostaijen tot heden, zo zeg ik nog maar eens, en ben ik onmiddellijk bereid toe te geven dat ik over nog heel wat minder expertise beschik dan Geert. Maar ik denk dat hij het hier onmiddellijk met me eens zal zijn: het gaat hier niet om een meeste-stemmen-gelden, en als het er wél om zou gaan, was het met heel veel kunst eenvoudigweg afgelopen. Ik wil best geloven dat kunst sterker is dan de politiek, maar ik geloof niet dat ze tegen de (‘ge-ontideologiseerde’, ‘ge-depolitiseerde’) markt op kan. Uiteindelijk is het datzelfde marktmechanisme dat al heeft gemaakt dat sommige (vaak meer genuanceerde) redeneringen het in de publieke ruimte afleggen tegen de waarheden van simpele Bet. En wat literatuur betreft: ik heb in De inwijkeling al geprobeerd om te laten zien hoe een zogenaamd ‘realisme’ op dit punt ertoe leidt dat literatuur als enkel nog een historisch verschijnsel beschouwd wordt, waar met enige nostalgie naar terug gekeken wordt (mijn stuk over Heumakers). Literatuur wordt dan ‘post-literair’, zoals ik het daar genoemd heb.
    Maar misschien goochelen we hier voortdurend met de verkeerde termen? Hoe ondemocratisch is het om te verwachten dat iemand die zich met kunst bezig houdt, enige kennis van de geschiedenis heeft, van de traditie?We moeten oppassen dat we de onwetendheid en het ontbreken van elk gevoel voor historische continuïteit niet tot democratisch minimum gaan verklaren. En alles wat daar bovenuit gaat onmiddellijk ‘elitair’ noemen – wat, nogmaals, écht het verkeerde woord is.
    Er schuilt natuurlijk een zekere arrogantie in de bewering dat Van Wissen géén poëzie schrijft. De vraag wat wel of niet zo mag en/of kan heten, is in hoge mate afhankelijk van wat kennis van de traditie hier oplevert, en die kennis is zelf uiteraard sterk ideologisch gekleurd. Voor je het weet, moet je beginnen bij de Romantiek – eerder dan dan bij het Modernisme, denk ik toch – en zit je dus vast aan het actie-reactie schema dat sinds de Romantiek als hét beschrijvingsprincipe voor de geschiedenis van zowat elke vorm van kunst geldt, kortom: zit je automatisch vast aan een kunstopvatting die ‘bevrijding’ en ‘emancipatie’ tot haar definiërende kenmerken rekent. Dat Geert – net als Tom Naegels in zijn Spijkerschrift-column van 5 maart jongstleden – stelt dat de ‘modernistische opleiding’ tot een soort secte-vorming heeft geleid (zo zou je wat hij zegt althans kunnen samenvatten), houdt daar rechtstreeks mee verband. (Naegels stelde: ’De neoconservatieve golf vindt haar kracht in een breed verspreide bitterheid tegen één subcultuur, de links-artistieke, die men ziet als onevenredig dominant en arrogant. Conservatieven hebben het gevoel dat ze in een cultuur leven die enkel het kleine groepje jonge progressieven dient, maar die zich wel voordoet als de enig mogelijke cultuur, ja, als De Democratie als zodanig.'. Het woord subcultuur lijkt me hier verkeerd gebruikt als het tegelijk zou gaan om de dominante en zelfs de enige cultuur).
    De grote vraag is of je tot een kunstdefinitie kunt komen waarin je loskomt van de erfenis van Romantiek en Modernisme, en zonder dat je de kunst uit handen geeft aan de alles-nivellerende werking van de markt. Kunst, literatuur etc. heeft tot nu toe altijd betrekking gehad op de werkelijkheid: pretendeerde die weer te geven zoals zij was of zoals ze moest zijn – na de Romantiek (grofweg, dit allemaal uiteraard) vooral: zoals ze moest zijn. De gedachte dat kunst nu weer meer zou moeten aansluiten bij ‘wat het volk wil’ veronderstelt een tamelijk (en in mijn ogen: behoorlijk griezelig) eenduidig idee omtrent wat dat volk zou willen (kijkcijfers, verkoopcijfers en stemgedrag gelden hier als ultieme argumenten). We zien hier dus een terugkeer naar een kunstopvatting die stelt dat kunst de werkelijkheid moet weergeven zoals zij nu eenmaal is, zoals we op andere vlakken een ontstellend verlangen waarnemen naar een heldere, eenduidige werkelijkheid die een einde stelt aan al die onduidelijkheid waaraan (onder andere en voornamelijk) ‘natuurlijk’ die vermaledijde buitenlanders de meeste schuld hebben. Als God niet al uitgevonden was, probeerde nu iemand er het patent op te krijgen, vermoed ik.
    Intussen ligt hier wel een taak voor de hedendaagse schrijver en kunstenaar: inzien dat het gaat om dat verband met wat zo in het gemeen ‘de werkelijkheid’ wordt genoemd, waaronder dan in eerste (maar niet tevens in laatste) instantie de maatschappelijke werkelijkheid verstaan moet worden. Men hoeft zich daarbij niet zozeer door de ultra-neo-conservatieve Feldwebels gedwongen te voelen om zich te verantwoorden; misschien volstaat een opstel van Enzensberger, ‘Het nulmedium of waarom alle klachten over de televisie ongegrond zijn’ (vertaald in: Lof van de inconsequentie, Bezige Bij, 1990): een essay dat mooi laat zien hoe het uiteindelijke streven van de autonome kunst zichzelf opheft en tot nietszeggendheid verwordt.

  • Pin it!

    Volkshuis

    Gisteren met Jeroen T. in een rokerig Volkshuis in de Sleepstraat het verhaal besproken dat hij me begin februari gaf. Wonderlijke zinnen maakt die jongen, en prachtig vaak, juist wanneer ik niet één-twee-drie begrijp wat hij er mee bedoelt. Poëzie, zo zegt men dan al snel, en die verdraagt zich uitstekend met dit proza (de tijd dat ‘dichterlijk proza’ geassocieerd moest worden met Deirdre van Roland Holst ligt inmiddels ver achter ons, en ik begin zelfs te geloven dat de dichters die ook proza schrijven, van proza meer kaas gegeten hebben dan diegenen die alleen proza schrijven). Wie De onzichtbare las, kan op het idee gekomen zijn dat J. misschien uit moet kijken met het vervaardigen van al te elastieken zinnen. In zijn debuut dreigt de virtuositeit van de stijl soms de inhoud naar de achtergrond te schuiven. Maar in zijn (zeker nog door hem te herziene) verhaal Oskaartje, dat hij als writer-in-residence voor yang maakte, en nu opnieuw in dit verhaal, is er van zelfs de dreiging van een wanverhouding tussen vorm en inhoud allang geen sprake meer.
    Toch had ik ook fundamentele kritiek: in wat ik tot nu toe van hem las, duikt meestal ergens een tamelijk onduidelijke ik-figuur op, iemand die van het beschrevene meer lijkt te weten, er op een bepaalde manier getuige van was, maar wiens rol toch duister blijft. De modernistisch-geconditioneerde lezer vult zo’n ‘ik’ al snel op tot de vermoedelijke vertelinstantie – de schrijver zélf – maar er was tot nu toe geen echt harde noodzaak dat bij Jeroens proza te doen. In wat hij nu schreef, is die ‘ik’ echter wel tamelijk ondubbelzinnig als de verteller ingevuld. En daar heb ik het moeilijk mee. Ik vind zoiets al snel te flauw, misschien omdat het fictionele karakter van het geschrevene voor mij op voorhand al vast staat, en ik inmiddels meer geïnteresseerd ben geraakt in hoe die fictie dan toch een werkelijkheid creëert, met alle eendimensionaliteit van het handelen die daarbij hoort. Het onderscheid met het anecdotisch-realisme wordt dan ogenschijnlijk klein, maar ik verbeeld me dat er toch een grote afstand bestaat tussen de romancier die door alle modernistische en postmodernistische trucs en tics is heen gegaan, en de romancier die is blijven hangen in het ‘alsof’ van de naturalistische/realistische literatuur.
    Enfin, ik heb hem mijn twijfel bij die constructie laten weten, en hij zei er nog eens over na te zullen denken, niet op voorhand overtuigd van mijn bezwaren, dacht ik te zien. Voorts nog zitten praten over de sterk autobiografische aanleiding voor zijn verhaal. Ik vond het mooi om te zien hoe datgene wat hem in zijn eigen leven kwelt, binnen het verhaal zijn eigen uitwerking heeft gekregen (ik bedoel: het verhaal zelf is niet of nauwelijks autobiografisch te noemen; maar de drive was er zonder de aanleiding niet op deze manier geweest; sommige prachtige, al dan niet onbegrijpelijke zinnetjes dus ook niet). In dit kader ook nog gesproken over het fictieve karakter van onze levens: de illusies waarmee we werken om binnen de onverschillige werkelijkheid een gebied af te bakenen waarbinnen het leven dragelijk blijft; de kracht die het soms kost om die illusie als werkelijkheid in stand te houden. De wanhoop wanneer dat soms niet lukt. De noodzaak om onze beperktheid te aanvaarden als de enige waarheid waartoe we bij machte zijn.

    Wat dat laatste betreft: inmiddels reageerde Geert (B.) op mijn kleine overzeese inmenging (dat deed hij al eerder via de mail; hij meldde me toen het met driekwart van wat ik schreef niet eens te zijn, een cijfer dat toch wat naar beneden bijgesteld moet worden, nu ik zijn reactie heb gelezen). Ik houd het hier even bij zijn commentaar op mijn bewering dat er me sprake leek van ‘valse bescheidenheid onder druk van postmoderne gewetensnood’ toen Geert schreef dat we geen gelijk hebben, maar alleen een mening die we heel erg overtuigd moeten verdedigen. Die mening die we heel erg overtuigd moeten verdedigen, kan niets anders zijn dan onze waarheid, en ik maak me sterk dat we haar ook zo beleven; zeggen dat het ‘maar een mening’ is, vind ik een typische vorm van ‘going through the motions’: we zijn het aan onze zelfbenoemde status van genuanceerde, verlichte, post- of desnoods post-postmoderne intellectueel verplicht om op voorhand elke waarheidsclaim te relativeren. Dat noem ik inderdaad valse bescheidenheid, omdat het verraadt dat je te allen tijde boven je eigen beperktheid uit zou kunnen stijgen. Geert schrijft: ‘ook in mijn overtuiging zit een blinde vlek die ervoor zorgt dat ze onmogelijk de waarheid kán zijn.’ En daarmee zoek je de waarheid dus in de zelfrelativering op voorhand; die verhef je op die manier tot iets absoluuts. De bescheidenheid wordt zo pretentie.
    Dit lijkt een flauw woordspelletje wellicht, maar er gaat wel een werkelijkheid achter schuil, en ik denk dat als het gaat om de claims van het VB dat we niet dat wonder van nuance moeten willen zijn dat ons vooral trots maakt op ons eigen o zo genuanceerde, verlichte zelf; ik denk dat we, kortom, de ‘waarheden’ van het VB moeten confronteren met die van onszelf – en de durf moeten hebben toe te geven dat we die ook hebben, in al onze arme beperktheid. Juist die staat hier op het spel. Enfin, dit komt weer neer op het afmeten van waarheden aan de praktische consequenties die ze hebben, aan de werkelijkheden die ze op kunnen leveren, kortom.
    Tot hier. Later meer.

  • Pin it!

    Kleine inmenging overzees

    In Berkeley maakt ook Geert Buelens zich zorgen over de oprispingen van het VB, en hij spreekt over actieplannen die in het Antwerpse beraamd zouden worden. Aan Luk van den Dries stuurde hij een mail, waaruit hij zelf het volgende citeert (ik heb in vet mijn bedenkingen tussengevoegd, en, voor de duidelijkheid, hoofdletters geplaatst waar Geert dat gewoonlijk in zijn mails nalaat, in de hoop overigens dat hij mij deze inmenging niet kwalijk neemt):
    (Ik spreek hier zowel als docent "Instituties" als als zeer bekommerde burger en schrijver): die "autonomie" waar je het over hebt, is natuurlijk volstrekt onmogelijk. het is een illusie die in de kunstenwereld graag wordt gecultiveerd, maar die niet bestaat. het geld komt van de overheid (en dus van alle burgers), zij beslist (of delegeert en laat anderen beslissen).[dat is inderdaad nog een ander element in het autonomie-verhaal, en het valt onder ‘repressieve tolerantie’; afgelopen zaterdag stond in de Morgen het verhaal dat Amsterdam tegenwoordig krakers subsidieert, omdat de ‘marginale kunstfiguren’ die in krakerskringen blijkbaar volop te vinden zijn, tot de ‘core business’ van de stad zouden behoren; iedereen is omkoopbaar, juist in de o zo anarchistische kunst, zo lijkt het wel] Dat in de huidige beslissingsorganen vooral gelijkgestemden zitten - opgeleid in de modernistische traditie - die het geld dus ook bij voorkeur daar naartoe zenden: ik denk dat dit aantoonbaar het geval is (ook binnen literatuur, bv). Dat er van daaruit elitair wordt geprogrammeerd: ik denk het wel, ja. is dat slecht? [Ook hier dat verkeerde gebruik van het woord ‘elitair’; het gaat domweg om kennis van die modernistische traditie, en die kan een ieder die er in geïnteresseerd is zich in principe verwerven; daar is, kortom, niets elitairs aan.] Neen, niet noodzakelijk. maar misschien wel wanneer het ten koste gaat van een ander soort kunst. en dan bedoel ik dus niet het loutere entertainment (daarvoor bestaan tv en studio 100 etc), maar bv. het theaterequivalent van een Aster Berkhof. Kan je niet van beweren dat hij puur amusement maakt (neen: hij kaart de hele tijd Problemen aan), maar dat soort stemmen ontbreken. (overigens ook in de literatuursubsidie, waar ik zelf mee verantwoordelijk voor ben).
    Ik probeer dus te zeggen: er is ergens een legitimeringsprobleem. En het volstaat niet om te zeggen "de kunst is nu eenmaal geëvolueerd sinds de 19de eeuw, gelieve te volgen", wanneer blijkt dat het overgrote deel van het publiek simpelweg niét volgt, niet waar het moderne dans betreft, niet waar het postmoderne poëzie betreft, niet waar het conceptuele kunst betreft. [Dit is veel te kort door de bocht; de vraag is waarom het publiek niet volgt, en dat heeft ook te maken met een falend onderwijs, om maar één ding te noemen (er is beslist meer); het publiek volgt natuurlijk wél in zoverre ze allerlei aanvankelijk hoogst experimentele procédés nu zonder problemen aanvaardt, ze niet meer als ‘experimenteel’ ziet; het is overigens – en in zoverre geef ik de bepleiters van ‘autonomie’ dan weer wél gelijk – niet per se aan de kunstenaar om water bij de wijn te doen; wat vooral ingestort is – omdat het als zodanig niet meer wordt aanvaard (te autoritair) – is de bemiddeling door de critici/beschouwers; ik heb mij de ‘niet te begrijpen poëzie van Lucebert’ destijds
    uit laten leggen door mensen die er verstand van hadden, zo simpel is het; ik kon er niets mee, maar ‘men’ zei dat het ‘belangrijke’ poëzie was – en kijk, dan buig je het hoofd en luister je naar het waarom daarvan; dat ik nu zelf bij Lucebert mijn reserve’s heb, is een andere kwestie (ik heb er nu, zeg ik zonder blikken of blozen, namelijk verstand van); het lijkt me dat het publiek ook behoefte heeft aan iemand met verstand van zaken die hen eens uitlegt waar die uiterst merkwaardige poëzie van, laten we zeggen: Geert Buelens over gaat.]
    Betekent dit dat we allemaal opnieuw moeten schrijven als Victor Hugo, schilderen als Monet en dansen als Pavlova?
    Neen, bepaald niet. maar misschien moeten 'vernieuwing' en 'avant-garde' net iets minder centraal staan als criterium voor subsidie. (Ik schreef dus: net iets minder centraal). [Dat is geen opmerking die je kunt maken zonder er wat nader over uit te weiden; nu suggereert het dat er misschien ‘net iets meer’ aan het (ook niet nader gedefinieerde) ‘traditionele’ subsidie gegeven mag worden. Ik ben het er mee eens dat het overdreven centraal stellen van avant-garde en vernieuwing – zeker als die zaken gedefinieerd worden in een meer... traditionele zin – uiteindelijk de reservaatwerking van kunst versterkt; het vernieuwings-, en het daarmee verbonden vooruitgangsdenken heeft op alle vlakken (niet alleen binnen de kunst) geleid tot een soort ‘Einde van de Geschiedenis’ (einde van de meta-verhalen, einde van de literatuur, de kunst, de muziek, de dans, einde van de ideologische tegenstellingen, einde van de Koude Oorlog enzovoorts enzoverder). Ik schreef al eerder: het leidt en heeft allang geleid tot zelf-reflexieve kunst: kunst met de ramen dicht. Maar de vraag is of je, als je het huidige criterium loslaat (zelfs als je dat ‘net een beetje meer’ doet), niet uiteindelijk de kunst geheel prijsgeeft aan de markt; ik heb hier geen oplossing, overigens] Voor het overige ben ik eigenlijk wel blij met die actie van het VB. Het stelt alles op scherp. Weten we heel duidelijk waar ze voor staan. Nu liggen de kaarten op tafel. [Moa Geert jong! Je hebt toch híer niet op gewacht om je dat te realiseren? Die kaarten liggen al een eeuwigheid op tafel! Oók als het gaat om de consequenties voor de kunsten...] Nu moeten we dus waarmaken wat we altijd zo makkelijk beweren: als we het woord écht van belang vinden, dan moeten we het gesprek aangaan en blijven argumenteren. Zoals jij dus doet in je stuk.
    Maar we moeten niet te snel 'fatwah', 'censuur' en 'boekverbranding' gaan roepen. dat is pathetisch en naast de kwestie. Ik zag hier net [donderdagavond, gb] een bijzonder indrukwekkende lezing/performance van Carrie Mae Weems, een afro-amerikaanse kunstenares. Ook zij wordt de hele tijd geconfronteerd met instellingen die haar kunst niet willen tonen, die de werken terugsturen etc. Zij riep niet 'o schande'. zij riep: 'very interesting'. en dat is het ook: door dit soort conflicten zien we (opnieuw) dat er iets op het spel staat. En wij hebben geen gelijk. Wij hebben alleen een mening die we heel erg overtuigd moeten verdedigen [Valse bescheidenheid onder druk van postmoderne gewetensnood: die ‘mening’ vertegenwoordigt onze waarheid, en we hebben godverdomme wél gelijk! En moet ik daar aan toevoegen: nu is de tijd dat onze woorden
    DADEN zijn? Ja, dat is linke soep voor ons intellectueeltjes, ik weet het, maar toch...]

  • Pin it!

    kleine toevoeging

    Wat ik vooral wil zeggen is dit: dat men het soort aanvallen van het VB niet moet beantwoorden met een sleets geworden en inmiddels wat dreinerig klinkend beroep op de artistieke vrijheid, maar met een scherp besef van de eigen verantwoordelijkheid; of, om het anders (en onder verwijzing naar weer Foucault) te zeggen: met het besef dat de vrijheid ethos is.

  • Pin it!

    Petitie

    Vanochtend op de voorpagina van de Morgen schrijft Bernard Dewulf:
    ’O nee, niet weer dat antediluviaanse gezeik over elitaire kunst. Vlaams Belanger laat volkseigen scheet en hop, op de voorpagina’s. En hop, opiniestukken. En hop, bezoekersaantallen. Optellen, aftrekken, delen, lijsten, tabellen, hoeveel volk komt waar en wanneer. En vernieuwing hier en volksmond daar. En natuurlijk het geld uit onze zak. En bla bla bla. Weer een dee-batje. Weer dat onnoemelijke gezemel. Door lieden die beter weten, maar gegijzeld zijn door de Sisyfusarbeid van de nuance.
    Kunst IS elitair. Punt.’

    Het stukje volgt op een petitie van de Vlaamse theaters die daarmee reageren op recente uitlatingen van het VB over stadstheaters in Brussel, Gent en Antwerpen: de subsidies voor die theaters zouden volgens het VB onmiddellijk stopgezet moeten worden omdat er een (te) elitaire vorm van theater wordt gebracht. Je vraagt je af waar het VB zo lang op heeft gewacht. De ondertekenaars van de petitie (geschreven door Luk Van Den Dries) stellen dat Vlaams cultuurminister Anciaux al in 2000 de voorzet had gegeven toen hij zich in een inderdaad even voor beroering zorgende lezing in Gent iets liet ontvallen over ‘de ascetische elite’ die in de theaters aan het roer stond. ’Dat verwijt van elitarisme is een eigen leven gaan leiden, zo heet het nu in de petitie, ‘en werd moeiteloos overgenomen door andere beleidsinstanties, door culturele hoofdredacteurs en andere smaakbepalers. Dat dat argument nu door het Vlaams Belang gebruikt wordt om een aantal theaters met drooglegging te bedreigen is eigenlijk niet meer dan een logische stap in dit verhaal. En met als uitsmijter in deze passage: ’Het Vlaams Belang oogst wat velen ervoor hebben gezaaid.’
    Dat ik het niet op heb met mensen uit de sector zelf die kunst niet serieus nemen, met – om hem tot zondebok te maken en tegelijkertijd tot een kwalijke soort – de Jeroen de Preters die de literatuur die zij ‘verslaan’ met een dédain benaderen dat mogelijk nog arroganter en elitairder is dan het elitarisme dat ze er waarschijnlijk mee denken aan te klagen – ik heb het hiervoor al eens opgeschreven. En het verbluft me altijd weer dat er zo verschrikkelijk weinig historisch besef is bij de huidige generatie machthebbers – zélfs bij een jongen uit de Vlaamse Beweging-hoek als Anciaux. De ‘intellectueel’, zijn ‘elitarisme’ – het is altijd het eerste dat sneuvelt als het gesundes Volksempfinden wordt bovengehaald, en juist in déze kwesties lijkt het me goed om de Duitse term te gebruiken, ook al is het dan wat retorisch. Maar liever deze retoriek dan de schijnheiligheid van toch óók een krant als de Morgen, die er nu weliswaar (en dat dan weer niet geheel ten onrechte) prat op gaat de enige krant te zijn die aan de zure culturele oprispingen van het VB in kritische zin aandacht besteedt, maar anderzijds de afgelopen vijf jaar – onder het gezag van de tweedehandsautoverkoper Rudi Collier – zijn uiterste best heeft gedaan om, zeker qua vormgeving, steeds meer te lijken op Het nieuws van de dag of Het nieuwsblad, naar Nederlandse begrippen Telegraaf-achtige kranten, en die ook qua inhoud lonkte naar ‘het gemene volk’, om het zo maar te zeggen, met alle tics die daarbij horen. Je zou willen dat zo’n krant meer pal stond voor wat ze blijkbaar alleen het verdedigen waard vinden wanneer het door VB-ers wordt neergehaald (want dan, ja dan staat ook hun eigen dédain, waarover plotseling met geen woord meer wordt gerept natuurlijk, ineens in een verdacht licht). In plaats van de eindeloze schimpscheuten en -scheutjes gedurende een heel jaar, zou zo’n krant haar best moeten doen om uit te leggen waarom het niet-vanzelfsprekende van kunst en literatuur niet elitair is, en misschien moet ze dan beginnen met uit te leggen wat ‘elitair’ eigenlijk betekent. De weg naar enige kennis van literatuur en cultuur is niet afgesloten voor iemand die in die zaken geïnteresseerd is; het is geen kwestie van geboorterecht of van een door God verkozen volksdeel waartoe men eerst moet behoren om van cultuur te kunnen genieten. Men kan het – enfin: léren. Niets ten nadele van hen die dat niet willen, maar men hoeft met hen in de discussie ook geen rekening te houden. De subsidies die naar de kunst gaan, zijn bij mijn weten altijd nog lager dan de subsidies die naar de openbare omroepen gaan, en ik moet me de bagger die op beide tv-netten dagelijks over mij uitgestort wordt ook laten welgevallen. Of de knop omdraaien.
    Dus Dewulf heeft gelijk? Nee. Natuurlijk, iedereen die kunst en literatuur een warm hart toedraagt zou graag eens op een dergelijke prominente plek in een krant een dergelijke verzuchting slaken: kunst is elitair – en flikker nou maar op! Maar in een kwestie als deze ontkomt men toch niet aan ‘de Sisyfusarbeid van de nuance’. Kunst is niet elitair, maar wel vaak wereldvreemd. Ook hier duikt de paradox weer op dat de kunst in haar streven naar autonomie, naar onafhankelijkheid van de heersende macht, niet zelden verworden is tot een uitsluitend zelf-reflexief medium: in musea hangt kunst die alleen nog over kunst gaat; in theaters kijkt men naar toneelstukken die vooral over theater gaan; in literatuur gaat het alleen maar over literatuur; van dans heb ik geen verstand, maar het lijkt me niet onwaarschijnlijk dat dansen over dansen gaat, en ook in de modern klassieke muziek zou het verboden zijn om gewoon muziek te maken. Die reflexieve laag is blijkbaar heel dwingend – ik voel die dwang ook zelf als ik schrijf – en heeft gemaakt dat de roep om vrijheid en autonomie in een l’art pour l’art is verstard dat niet zelden esoterisch aandoet. Als ik kijk naar het werk van Michaël Borremans dat nu in het SMAK hangt, dan ben ik bijna bevreesd om de gratis aangeboden schriftelijke informatie te lezen, of de teksten in de beide catalogi. Ik zie een schilder, iemand die schilderijen maakt, en hoewel ik natuurlijk zelf al voldoende geconditioneerd ben om te zien dat dit schilderwerk ook aandacht vraagt voor zichzelf áls schilderwerk, als geschilderde werkelijkheid, ben ik opgelucht dat de schilderijen zelf voldoende ruimte laten om dat element als iets vanzelfsprekend op de achtergrond te houden, en aandacht te hebben voor het wát van de schilderijen, voor een – zal ik zeggen: ‘existentiële’ lezing? Voorwaarde is dan inderdaad wel dat ik de catalogusteksten en de informatie op stencils e.d. laat voor wat zij zijn. Deze schilderijen gaan over de mij omringende werkelijkheid; het is de enige reden waarom ik ze wil zien. Dat geldt mutatis mutantis ook voor literaire teksten, theaterstukken en wat dies meer zij. Dat de reden om bijvoorbeeld werk van Borremans interessant te vinden – of, wat kan het mij schelen: ‘gewoon mooi’ – dat die reden veel te maken heeft met het ‘hóé’ van die schilderijen is dan wellicht meer iets voor de fijnproever, degene met verstand van zaken, die uit kan leggen hoe penseelstreek, compositie, beeldelementen en dergelijke samenspannen om precies die ene ervaring teweeg te brengen. Dat het ‘hóé’ daarbij belangrijk is, staat natuurlijk als een paal boven water. ‘Kunst’ van iemand die alleen maar ‘lekker expressief ‘ bezig is geweest, is ongenietbaar en gênant, zoals reflectie op kunst die uitgaat van enkel een puur subjectief en vaag ‘gevoel’ van de beschouwer geen zoden aan de dijk zet.
    In de petitie van de Vlaamse theaters wordt er wel verwezen naar de wereld, maar toch een beetje halfslachtig. De nadruk ligt toch weer volop op de noodzaak een vrijplaats voor kunst te hebben: ’Als van een kunstvorm verwacht wordt dat die zich op een artistieke manier verdiept in de eigen tijd en in de mensbeelden van vandaag, dan kan dat alleen als die kunstvorm een onafhankelijke en autonome positie bekleedt.’ Ik denk het niet: het kan alleen wanneer die kunstvorm zich realiseert dat onafhankelijkheid en autonomie een illusie zijn die hen binnen een bepaald mensbeeld lange tijd werd toegestaan ten koste van zeggingskracht, (politieke) invloed, ten koste van datgene uit naam waarvan ze, ook weer in deze petitie, zegt te bestaan: dat ze in staat zou zijn onze perceptie van de wereld te veranderen. Het VB laat zien wat dat in de huidige constellatie precies betekent: dat er hier een stelletje geestelijk gestoorde nietsnutten aan het potverteren is geslagen – een mening die door velen wordt gedeeld, ook door niet-VB-ers.

  • Pin it!

    Wankelmoed

    Nog wat beverig achter mijn bureau vandaag, na alweer twee dagen gedwongen bedrust. Rond nieuwjaar heb ik al drie weken lopen sukkelen met een bronchitis – als het dat al was – en zo lang ziek zijn is niet mijn gewoonte (één, twee dagen meestal). Dit keer ben ik wellicht aangestoken door die dekselse Emma, die alweer met een lichaamstemperatuur van tegen de veertig graden – en dat verontrust mij niet, dat verontrust mij totaal niet, ik maak me daarover géén zorgen – enfin, die met fikse koorts van de crèche gehaald moest worden. Niet dat ik daar iets van meegekregen heb, want maandag stond ineens Hanna aan mijn bed, als in een koortsdroom inderdaad, en zei dat ze op school gebeld was omdat ik hier in huis de telefoon blijkbaar niet had opgenomen. En gisteren heeft Hanna zelfs ‘sociaal verlof’ moeten nemen om voor mij én Emma te zorgen, terwijl ze juist met haar leerlingen naar Alphen aan de Rijn zou gaan om er in Archeon het leven der Romeinen wat aanschouwelijker te maken. In plaats daarvan perste ze sinaasappelen voor mij uit, droeg beschuitjes aan, en zeulde met een dreinende Emma door het huis, zonder klacht of wanklank. Some guys have all the luck.
    Mijn nog niet geheel geweken grieperigheid zal ook wel de reden zijn dat ik in een hoogst interessante e-maildiscussie tussen de leden van de yang-redactie vroegtijdig de handdoek heb geworpen. Die discussie begon na weer eens een wat al te ‘Hollandse’ reactie mijnerzijds op een artikel dat ik hondsberoerd geschreven vond, en dat me alleen daarom al tot in mijn tenen irriteerde. Daarbij ging het dan ook nog eens over een bepaald soort denken dat zich aanbiedt als Antwoord op het nihilistisch sur place waarin het Westerse denken zich zou bevinden, en dat zorgt dan nog voor extra stekels. Ik kan er hier (nog) niet te veel over uitweiden zonder de schrijver van het stuk in diskrediet te brengen, maar de ironie van mijn buitengewoon felle reactie was de, min of meer te voorspellen, ‘retoriek van de omkering’: iemand die een bepaald absolutistisch verhaal met zoveel felheid te lijf ging, moest er wel zijn eigen absolute wereldbeeld op nahouden. Die redenering, hoe correct op zich ook, creëert echter in elke discussie over zingeving (want daar ging het om) een patstelling waar je alleen maar uit kunt breken door, lichtelijk pathetisch meteen, op de eigen, de persoonlijke omstandigheden te wijzen. Ik roep dan bijvoorbeeld al snel, en alweer veel te luid (als dat kan in schriftelijke communicatie – en dat kan, denk ik), dat iemand die bij het overlijden van een geliefde persoon meent tegen mij te moeten zeggen dat het ‘de Wil van God’ is op mijn welhaast bijbelse toorn kan rekenen, en ik laat verstaan dat het hier niet om een abstract principe gaat, maar om daadwerkelijke personen die mij zijn ontvallen – waarmee ik op een andere manier, ook voor mijzelf, de discussie vastzet. Uiteindelijk kan het niet gaan om dat allerpersoonlijkste (al gaat het daar wél om), maar moet het persoonlijke in het algemene uitgesproken worden om toegankelijk te zijn voor de ander. Zie Jean Améry, die zijn kampervaringen afgrendelde voor elk begrip van een ieder die die ervaringen niet had gehad – en dat betrof zelfs andere kampslachtoffers. Men moet met zijn hoogstpersoonlijke ervaringen binnen de voorhanden discours ‘aan het woord’ komen, anders bestaan die ervaringen niet.
    Gedurende die discussie kwam ook nog eens ‘het nut van literatuur’ ter sprake, waarbij Bert meende dat literatuur bepaalde antwoorden kon formuleren – althans: dat literatuur dat voor hem deed; terwijl ik van literatuur alleen maar eis dat ze juist de onmogelijkheid van een antwoord telkens opnieuw formuleert. Het geluk van de kunst – overigens de beoogde titel voor een nieuwe essaybundel over een jaartje of wat – het geluk van de kunst schuilt voor de maker in de mogelijkheid een vorm te kunnen geven aan wat zonder die vorm misschien ondragelijk is, maar desalniettemin in de gevonden vorm toch niet anders. Voorbeeld: Cesare Pavese, die telkens en telkens opnieuw in literatuur, in zowel zijn gedichten als zijn romans, ‘de muren van lucht’ optrok waartussen hij zich gevangen wist: een bestaan dat voor hem ondragelijk was en dat in zijn romans ook diezelfde ondragelijkheid behoudt, maar dat hem in het telkens opnieuw scheppen van die ondragelijkheid op papier, toch een geluksgevoel bezorgde. Enfin, ‘Sisyphus is gelukkig’.
    Intussen bereikt mij via Meulenhoff een brief van de Stichting Literatuurprijs: dat 21 maart met rasse schreden nadert. Dit lijkt wel heel blasé, maar mijn eerste reactie was: ja? en dan? hoezo? moet het begin van de lente gevierd? Maar het ging natuurlijk om de bekendmaking van de genomineerden voor de Librisprijs. Of ik er bezwaar tegen had dat bij eventuele nominatie een tv-ploeg van NOVA voor mijn deur zou staan. Gezien het niveau van de culturele verslaggeving in dat programma zou ik eigenlijk ‘ja’ hebben moeten zeggen, maar dat is van een Prinzipienreiterei waarvoor zélfs ik terugschrik. Nee, stuur ze maar langs, die cameraploegen. Intussen fokt zo’n briefje je weer behoorlijk op; ik was die longlist écht al vergeten, en nu ineens heb ik het gevoel dat ik me er weer te sappel over moet maken. Hoei hoei, wat gaat dat worden? En stel je voor! Ja, stel je voor.
    In het verlengde daarvan: zijn er nu eigenlijk nog Nederlandse kranten geweest die vanwege de bijzetting op de longlist van Touchdown de moeite hebben genomen een recensie te schrijven? Of gaat men op de krantenredacties ook weer uit van de usual suspects, en neemt men niet de moeite mijn boek alsnog op te pikken? In dat geval zal 21 maart mij met rasse schreden passeren, denk ik, want ik vermoed dat zo’n jury er niet echt anders over denkt.
    Maar: passons, inderdaad. In het kader van lichamelijke wankelmoedigheid wacht ik vandaag op een nieuwe leesbril die dan eindelijk korte metten zal maken met de normaliter gedurende een dag opkomende hoofdpijn en die zal maken dat ik niet steeds meer in mijn ogen hoef te wrijven omdat ik het idee heb dat er iets voor zit. Een paar maanden terug liet ik de glazen in mijn bril al wat bijslijpen omdat ik na tien jaar het gevoel had toch niet meer zo scherp te kunnen zien. Maar het lezen werd er daardoor niet beter op. ‘U moet het mij niet kwalijk nemen,’ zei de opticien met een verlegen glimlachje, ‘maar het is de leeftijd’ – en hij keek me taxerend aan. Ik bleek tegen die blijkbaar gruwelijke belediging goed bestand, zodat we overgingen tot het uitzoeken van een montuurtje, iets voor op de punt van de neus.

  • Pin it!

    Iets absoluuts

    Remco E. schrijft in zijn reactie op mijn Amsterdam-stukje dat hij de volgende zin onhelder vindt: 'dat het lezen van literatuur op de werkelijkheden die het produceert en de confrontatie tussen die werkelijkheden en de maatschappelijke werkelijkheid daarbuiten, uiteindelijk een ideologie oplevert.' Hij heeft gelijk natuurlijk. De onhelderheid schuilt in de onduidelijkheid omtrent wat er eerst is: de ‘eigen’ ideologie, die van ‘de’ maatschappelijke werkelijkheid of die van de literatuur die men leest. Ik had het veel simpeler kunnen en ook moeten zeggen. Literatuur stelt een waarheid (of werkelijkheid) voor. Het is pas in de confrontatie met die (literair tot stand gekomen) waarheid/werkelijkheid (om het woordenpaar ‘literaire waarheid/werkelijkheid’ om voor de hand liggende redenen nu maar even te vermijden) dat ik mijn eigen waarheid ontdek: in mijn verzet tegen, mijn instemming met, mijn onverschilligheid jegens, mijn passie voor hetgeen mij als waar- en werkelijkheid wordt voorgesteld.
    Is er daarvoor dan geen ‘eigen’ waarheid? Ja nee, of toch: ja, maar dan één die grotendeels onbewust is, een verwikkeld zijn in wat Foucault ‘les jeux de vérité’ noemt... eh... ‘waarheidsspelen’, moet je dan waarschijnlijk zeggen (ik had me trouwens het door Bert B. als huiswerk voor yang opgegeven interview uit Dits et écrits beter nog even te binnen gebracht toen ik in Amsterdam over vrijheid begon; Foucaults volgende opmerking is mij uit het hart gegrepen: La liberté est la condition ontologique de l’éthique. Mais l’éthique est la forme réfléchie que prend la liberté). Mij blijft het daarbij gaan om het moment waarop het ‘spel’ menens wordt (wat iets anders is dan ‘waar’ in absolute zin – een voor mij uiteindelijk irrelevante categorie). Met maar weer datzelfde voorbeeld: dat het postmoderne het gedachtengoed is dat voor het grootste deel mijn subject heeft gevormd, maar dat ik, als puntje bij paaltje komt, de uiterste consequenties van dat gedachtengoed verwerp, en er dus beter aan doe mijzelf ook niet op die manier voor te stellen. Het is in mijn leven heel vaak de literatuur die het puntje bij het paaltje brengt: me bewust maakt van wat blijkbaar mijn ‘ideologie’ is.
    Ik formuleer het niet echt eenvoudiger, zie ik nu.
    Misschien over een andere boeg: dat ik in literatuur het dichtste lijk te naderen tot wie (tot wat) ik blijkbaar zijn moet of ben. Dat geldt voor zowel mijn reacties op wat ik lees, als voor de manier waarop ik schrijf. Het is een cliché van de moderne literatuur dat men niet schrijft wat men al voor het schrijven weet, maar pas weet door wat men al schrijvend tot stand brengt. Ik heb nooit geweten dat ik zo verschrikkelijk gevoelig was voor autoriteit bijvoorbeeld, totdat ik Wild vlees begon te schrijven. Misschien dat er anderen waren die mijn gevoeligheid voor de waarheden van anderen allang hadden vastgesteld, maar ik zag mijzelf in een als meer glorieus begrepen rol van verzetsheld: de jongen van de kritische kanttekeningen. Maar bij nader inzien ging daar altijd iets aan vooraf: de mij tot op het moment van mijn kritiek onbekende waarheid van de ander.
    (Ik reageer nog vaak zo, met soms scepsis op voorhand, bijvoorbeeld binnen de redactie van yang, als Piet J. voorstelt dat we ‘iets aan Badiou’ moeten doen, en ik antwoord: ‘Ba-die-wie?’, en P. uitlegt dat het in yang weer tijd wordt voor ‘een theoretische injectie’, en ik zeg dat me dat op voorhand al erg pijnlijk lijkt, zo’n injectie, waarop P. in een mengeling van boosheid en, wie weet wanhoop, fanatiek wordt in zijn uitleg en steeds scherper gaat verwoorden waarom wij, wij van yang, dringend iets aan Badiou moeten doen – en ik Badiou begin te lezen, bijvoorbeeld zijn L’éthique: Essai sur la conscience du Mal, dat nu net in vertaling verschenen is (door Rokus (Hofstede)) en meteen ook enthousiast word, al zie ik dan voetangels en klemmen, maar daarom juist! daarom juist!)
    Met dit soort overwegingen daal ik natuurlijk diep af in de eigen navel – wat zo diep dus niet kan zijn. Het gaat er om dat ik die autoriteitsgevoeligheid in een boek als Wild vlees uit de strikt persoonlijke context haal, en – zoals dat dan heet – tot iets exemplarisch maak. Natuurlijk is Wild vlees in hoge mate autobiografisch (zoals eens iemand uit het publiek tijdens een openbaar interview aan mij vroeg: ‘meneer Reugebrink, hoeveel nieren heeft u eigenlijk zelf?’), maar het is autobiografisch op een nogal wilde manier (of, zoals dan weer mijn moeder ooit aan mij vroeg: ‘Zeg, dat gedoe onder die muziektent [i.c. de gruwelijke mishandeling van een joods meisje], dat is toch niet écht gebeurd, hè?’). Uiteindelijk wil het boek een bepaald soort zuiverheidsdenken aan de orde stellen, en de praktische consequenties daarvan – en het doet dat onder andere door te spelen met de heilige drieëenheid uit het katholicisme: de vader, de zoon en de in dit boek nog maar moeilijk heilig te noemen geest; het keert de erfelijke verhoudingen om, maakt de zoon verantwoordelijk voor de dood van de vader, en levert dus, alles zeer impliciet, commentaar op de wortels van onze christelijke cultuur. Dat heeft bijna niemand gezien (en dat is dan de prijs die je betaalt voor implicietheid; maar mij irriteert het altijd nogal wanneer schrijvers hun vertelinstantie of hun personages laten uitleggen om welke filosofie het gaat (ik neem hier altijd Marcel Mörings Het grote verlangen als voorbeeld, waarin we op een zeker moment, volstrekt overbodig, een hele verhandeling over Levinas moeten lezen)). Dat niemand het gezien heeft, kan ook te maken hebben met iets wat het boekje voor mijzelf nog steeds tot een soms schrikwekkend schrijfsel maakt: dat zuiverheidsverlangen wordt ondanks de consequenties nergens streng veroordeeld; het wordt niet opgelost; het is er, als verleiding en gruwel tegelijk, als datgene waarin de hoofdpersoon levenslang, en in die zin: eeuwig gevangen zit – en ook dat is op zijn minst exemplarisch bedoeld: onze onverwoestbare neiging tot transcendentie, onze grandeur die onze misère is.

    In dat verband: twee berichten vandaag in De Morgen: het eerste dat het Vlaams Belang de Koninklijke Vlaamse Schouwburg het liefst zou sluiten vanwege de – let op: ‘pseudo-elitaire programmering’, dixit Vlaams parlementslid Eric Arckens. Dat men dit beste, zo met dit snippertje zompig land verbonden manneke op zijn eerstvolgende verjaardag een woordenboek geeft, en hem nu alvast uitlegt wat ‘pseudo’ betekent. Hij bedoelt geenszins pseudo-elitair; hij bedoelt recht-toe-recht-aan elitair. Helaas ken ik veel fatsoenlijke, de democratische beginselen een warm hart toedragende mensen die er wat de kunst betreft niet veel anders over denken – en ik kan hier nu een jeremiade beginnen over de VB-mentaliteit bij bijvoorbeeld de twéé Vlaamse televisienetten (ook bij die zender voor zogenaamde ‘meerwaarde-zoekers’), maar ik heb er even geen zin in. Evenmin wil ik hier nog maar weer eens de alarmist uithangen. Laat ik volstaan met te zeggen dat we allang een nieuw tijdperk hebben betreden waarover weer velen – even onterecht – achteraf gaan beweren dat ze het allemaal niet geweten hebben.
    Het tweede bericht betreft het ontslag van Naïma Amzil bij de Ledegemse delicatessenfirma Rik Remmery, waar de zaakvoerder, Van Nieuwenhuyse, zojuist de zevende dreigbrief kreeg – een doodsbedreiging met twee kogels ingesloten – vanwege het feit dat Amzil op het werk een hoofddoek droeg. Amzil zelf heeft nu de handdoek in de ring gegooid, nadat Van Nieuwenhuyse moedig doorzette, eerdere ontslagbrieven niet aanvaardde, en zowaar samen met Amzil bij de koning op bezoek mocht. Laten we het zeggen zoals het is: mochten ze de klootzak die dit op zijn geweten heeft ooit in zijn kraag vatten, dat ze beginnen met hem het land, Europa, voor mijn part de wereld uit te zetten. Guantanamo Bay lijkt me een aardige locatie.
    Wat dit alles te maken heeft met onze neiging tot transcendentie? Ons diepe verlangen naar een uitgepuurde versie van het leven? Naar een bovenpersoonlijke, absolute waarheid?
    En, om het nog eens over die boeg te gooien: kan een boekje als Wild vlees hier van nutte zijn?
    Om alleen dat laatste te beantwoorden (het eerste lijkt me zo wel duidelijk): welnee, dat boekje is geschreven voor mensen met een geweten, die ondanks dat geweten in de valkuil trappen van een denken dat zich van alle voetangels en klemmen bevrijd waant. Het is, uiteindelijk, een boekje voor een uiterst beschaafd (elitair? pseuso-elitair?) publiek dat nog geshockeerd zou kunnen raken, nog zou kunnen schrikken van precies de hier beschreven sentimenten en aberraties als iets in zichzelf. Maar over literatuur als ‘actiemiddel’ heb ik het nooit gehad, en het was in ieder geval niet waar ik op doelde toen ik mijn pleidooi voor het ideologisch lezen van belletrie hield.

  • Pin it!

    Medea in plain clothes

    Ik blijf lezen in Yates, één verhaal per dag ongeveer, zoiets als een borrel voor het slapen gaan, ook al heb ik me daar nooit aan overgegeven en lees ik zijn verhalen ook niet in bed. Ik blijf gefascineerd door dit keurige proza, dit in elk opzicht herkenbare portretteren van in alle opzichten herkenbare mensen - mensen inderdaad; het zijn geen personages; ze krijgen nooit werkelijk iets ‘romanesks’; ze worden nooit ‘symbolisch’. Uit Liars in love las ik bijvoorbeeld het verhaal ‘A Natural Girl’ – en het is gruwelijk. Gruwelijk vanwege niets anders dan deze verzuchting:
    Girls. Would they always drive you crazy? Would their smiles of welcome lead only into new, worse, more terrible ways of breaking your heart? Were you expected to listen forever to one of them bragging about how paper-thin her womb was, or to another saying, ‘We can only stay a little while’?
    Zo geïsoleerd werkt dit citaat natuurlijk in het geheel niet. Je moet weten dat het een verzuchting is van een vader die een aantal jaren eerder van zijn favoriete dochter, Susan, plotsklaps te horen kreeg dat ze niet meer van hem hield (waarop hij in tranen uitbarstte), dezelfde Susan die nu, samen met haar eigen dochtertje, bij hem en zijn vrouw op bezoek is nadat ze haar man heeft verlaten met exact dezelfde woorden, even ‘out of the blue’ gezegd. Ze kan maar even blijven, zegt ze, terwijl de vader vol verwachtingen zat over dit bezoek, door Yates overigens niet beschreven.
    Yates evoceert hier datgene wat wij mannen nooit zullen begrijpen, datgene wat vrouwen dan weer niet van ons begrijpen: ons onbegrip voor hun ‘matter-of-factness’, die ons hen enerzijds doet vergoddelijken, anderzijds gek maakt van woede, soms. En ik denk dat Yates in het portret van zo’n, inderdaad doodgewoon, ‘natuurlijk’ meisje nog veel meer laat zien: hoe een vrouw een Medea kan worden, bijvoorbeeld, volstrekt rücksichtslos – hoe ze dat laatste niet zelden gewoonweg is, ook zonder haar kinderen uit wraak te verscheuren.
    Medea in plain clothes.
    Het is dat immense, dat wrede, dat alles-verscheurende waar de Grieken hun tragedies over schreven, dat Yates in veel van zijn verhalen met ogenschijnlijk de meest simpele, de meest basale middelen weet op te roepen. Mijn bewondering voor dit proza groeit.