• Pin it!

    Amsterdam

    Gisterenavond juist op tijd in Amsterdam geraakt voor de avond over Camus – pardon: over ‘Kunst onder vuur’, een reeks die door Perdu werd opgestart naar aanleiding van de moord op Theo van Gogh. Graa Boomsma hield eerst een tamelijk lange lezing over onder andere ‘de angst’ waarvan onze samenleving thans doordrongen zou zijn. Daarna kwam ik met mijn drie A4-tjes, die ik, om niet te zeer uit de toon te vallen, langzaam voorlas. Maar bij de eerste alinea zat ik al verkeerd. Laat ik het nu dan eindelijk maar eens toegeven - het moet er toch een keer van komen, zo begon ik, en vervolgde:
    Ik heb altijd een grondig wantrouwen gevoeld jegens diegenen die de vrijheid, het vrije woord, de vrijheid van meningsuiting en andere aan vrijheid gekoppelde concepten boven alles meenden te moeten stellen. Nee, ik weet het: dat is bepaald niet gepast, zeker niet in deze, naar verluid, barre tijden, waarin het vrije woord een wrede dood gestorven zou zijn op een - uiteraard, waar anders? - een Amsterdams trottoir. Men dient, zeker als intellectueel, bij zoiets onmiddellijk pal te staan voor de vrijheid, misschien zelfs voor ‘the world of freedom’, zoals een hedendaags, groot wereldleider het te pas en vooral te onpas pleegt te formuleren. Zéker als intellectueel, omdat men als intellectueel zeker dient te zijn van de onomstotelijke waarheid en waarde van die vrijheid zelf. Maar ik ben wantrouwig, en altijd geweest ook.
    Vrijheid is in onze westerse samenleving zoiets als een theologisch beginsel geworden, en het is dat des te meer wanneer je de kring van kunst- en andere artiesten als representatief voor die samenleving beschouwt. Vrijheid gaat vandaag de dag als waarheid vooraf aan welke bevrijding dan ook maar; ze is er al, nog voordat er sprake is van dwang; ze ontgrenst, nog voordat duidelijk is waar er eventueel grenzen getrokken worden of zijn. Ze creëert met andere woorden haar eigen dwang: de dwang vrij te zijn.

    Het was weer eens niet tactisch van me om in Amsterdam, binnen de grachtengordel ook nog, met zoveel scepsis over het spreekwoordelijke ‘vrijheidslievende’, zichzelf graag als zowaar ‘anarchistisch’ voorstellende Amsterdam te beginnen. Met deze, uiteraard met mijn flauwe, speciaal voor het publiek bestemde grijnslachje rond de mond uitgesproken passage gaf ik aan dat ik de onrust die in de Amsterdamse gelederen naar aanleiding van de dood van Van Gogh was ontstaan, in zekere zin tamelijk hysterisch vond, en ik vermoed zelfs dat ik bedoelde dat intellectueel Amsterdam hier geoogst had wat het al decennia lang had gezaaid.
    Misschien voel ik dat ook wel zo. Ik ben niet verbaasd geweest over de immense populariteit van Fortuyn destijds, en ik voelde niet die typische intellectuelen-ontreddering die zich bij de moord op hem van de goegemeente meester maakte. Ik schreef destijds al in mijn krantenstuk over die moord (De Morgen, 15 mei 2002):
    ’Meningsverschillen beslecht men met woorden, niet met kogels,’ zei Kok op de avond van de moord. Ik wil dat graag onderschrijven, maar dan alleen in een klimaat waarin woorden niet de gewichtloze ballonnetjes zijn geworden die politici elkaar toespelen. Dat is een klimaat waarin op den duur alleen kogels nog gewicht in de schaal leggen. Politici hadden zich beter gerealiseerd dat woorden in de politiek daden zijn, of toch behoren te zijn. Dat het geen pas geeft om in een democratische samenleving het hart van de democratie - de mogelijkheid die men als burger heeft om voor een ándere dan de bestaande werkelijkheid te kiezen - lam te leggen. De van demonisering van Fortuyn beschuldigde ‘linkse’ partijen in Nederland haasten zich om te benadrukken dat hun scherpe bewoordingen ‘all in the game’ waren, en dat Fortuyn zelf ook niet vies was van dat spelletje. Maar het is geen spelletje. De blanke man met de Nederlandse identiteit die Fortuyn neerschoot, kende een gewicht aan diens woorden toe dat in de huidige constellatie blijkbaar alleen nog in kogels uitgedrukt kon worden. Als het hier werkelijk om een politieke moord gaat, dan eiste deze man hetzelfde van Fortuyn als zijn aanhang: dat zijn woorden praktische consequenties zouden hebben. Alleen dat kan in zijn eigen ogen een ‘rechtvaardiging’ zijn voor zijn affreuze daad.
    Uiteraard duikt hier weer volop de moralist op die ik ben. In discussies is het echter steeds heel moeilijk om duidelijk te maken dat degenen die mij met een vies gezicht van moralisme beschuldigen zelf niet minder moralistisch zijn, en dat we het beter kunnen hebben over onze verschillen in dit opzicht. Maar juist dat krijg je er in Amsterdam niet in.
    En dus verlopen discussies daar soms vervelend. Een ongehoord Amsterdams kutwijf zei dat ik in wat ik zei (niet zozeer in wat er in mijn lezinkje stond) niet zoveel passief-constructies moest gebruiken; dat irriteerde haar. Kon ik het ook eens uitleggen zonder passief-constructies. Ik heb haar uitgelegd dat ze naar de maan kon lopen en op welke manier ongeveer, dat ik me – al woonde ik dan niet in Amsterdam – niet door een of andere tuthola liet voorschrijven hoe ik over bepaalde zaken had te spreken, ‘wat krijgen we godverdomme nou, zeg!’ Chris Keulemans zei, zalvend als hij kan zijn, dat ik weer eens een keertje in Amsterdam was en het blijkbaar geweten zou hebben, maar wilde graag weer terugkeren naar de zaak zelf.
    Naast die tuthola zat een heerschap dat graag voor zijn beurt sprak. Toen ik stelde dat het volgens mij al een stuk zou schelen wanneer critici literatuur zelf eindelijk weer eens serieus zouden nemen, en meer ‘ideologisch’ zouden lezen (niet vanuit één bepaalde ideologie, maar vanuit de gedachte dat literatuur niet per definitie ‘fictie’ is, maar ‘werkelijkheden’ produceert, naast en tegenover de ‘werkelijkheid’ waarin we met z’n allen zouden leven), kreeg ik in haast plat Amsterdams de vraag in welke kranten de critici die literatuur niet serieus nemen dan wel schreven. Aanvankelijk ben ik dan even van mijn apropos, waarna ik rustig zo’n beetje álle Nederlandse kranten met een boekenbijlage opnoem. Nou, dat híj ‘noojt erges gelese’. Namen moest ik noemen. Wat ik vervolgens deed. Gelukkig trad Boomsma mij even later bij, en ging er, in de woorden van Keulemans, nog ruimschoots overheen met zijn depreciatie van de Nederlandse kritiek.
    Boomsma zelf ging nogal in tegen mijn idee van ‘ideologisch lezen’, omdat hij er inderdaad dan toch dat idee aan koppelde van ‘lezen vanuit een ideologie’, precies datgene waartegen Camus in zijn lezing in 1954 fel van leer trok (en daarbij had hij natuurlijk de beroerde receptie van zijn eigen L’homme révolté voor ogen, dat door de sartrianen destijds langs de meetlat van de ‘juiste’ linkse kunst was gelegd). Maar grappig was dat Boomsma bij voortduring boeken aanhaalde en besprak op een ‘ideologische’ manier: op het soort werkelijkheid dat zij produceerden, en voortdurend liet zien op welke wijze die werkelijkheid in conflict kwam met het meer algemene (overigens zelf allerminst eenduidige) beeld van de werkelijkheid waarbij we bestaan.
    Door dat misverstand kwamen we eigenlijk niet toe aan de volgende, en minstens even noodzakelijke stap – een stap die ook Camus niet zet – namelijk: dat het lezen van literatuur op de werkelijheden die het produceert en de confrontatie tussen die werkelijkheden en de maatschappelijke werkelijkheid daarbuiten, uiteindelijk een ideologie oplevert. Camus zelf ‘staat ergens voor’, en datgene waarvoor hij staat is tegenovergesteld aan datgene waarvoor Sartre in die jaren stond. In Perdu kreeg ik toch een beetje de indruk dat Camus werd voorgesteld als degene die er géén ideologie op nahield, maar dat is uiteraard niet juist. Die had hij wel, en die staat ook letterlijk in bijvoorbeeld L’homme révolté geformuleerd. En dat een communist bij professie daar alleen maar tégen kon zijn, dat is natuurlijk wel te begrijpen. Tegen moet zijn, misschien zelfs.
    Misschien is dat hetgeen me aan de literatuur nog wel het meeste bindt: het feit dat ze werkelijkheid (-heden) oplevert. Koppel dat aan mijn verzuchting dat mij vroeger in het onderwijs een helder beeld van de 'wereld zoals zij is' op ideologie-kritsiche gronden werd onthouden, en men begrijpt mijn – hoe zal ik het eens noemen? – mijn existentiële nood aan literatuur. Het is in de confrontatie met literatuur dat ik me van mijn eigen ideologie bewust word.
    Om middernacht mijn auto weer uit de parkeergarage onder het Waterlooplein gereden en de thuisreis begonnen, nog wat napeinzend over de toch blijkbaar wérkelijk geschokte goegemeente in Amsterdam, terwijl het voor mij onvoorstelbaar blijft dat de moord op juist Van Gogh aanleiding kán geven tot - ik kan het niet anders zien - al bij al tamelijk overtrokken jeremiades over de teloorgang van 'het vrije woord'. Van Gogh's columns waren er nu net het bewijs van hoezeer 'het vrije woord' als theologisch beginsel geleid had tot iemand die alleen door zich te overschreeuwen nog de aandacht op zich wist te vestigen. Voor de duidelijkheid: niemand heeft het recht een ander daarom te doden, en dat men geschokt is over een op een dergelijke brutale wijze vermoorde mens wekt geen enkele verbazing.
    Net ten zuiden van Rotterdam realiseerde ik me sinds 1 uur ’s middags niks meer gegeten te hebben, en dus bij een tankstation een broodje ‘Tirol’ gekocht, en een cappuccino uit de automaat. Dit al rijdend tot mij genomen. Het was iets kouds dat voelde als ei, als ham, als blaadjes sla, maar naar niks van dat alles werkelijk smaakte; en het was iets warms dat voelde als opgeschuimde melk en smaakte als warm water. Maar de weg was bijna leeg, donker en prachtig.

  • Pin it!

    Lezing

    In het putje van de nacht nog bezig met een lezinkje dat ik morgenavond in Amsterdam moet houden. Uit een mail van Chris Keulemans die ik gisteren kreeg, begreep ik dat we (Graa Boomsma en ik) het nu toch voornamelijk gaan hebben over een lezing van Camus, die in het laatste nummer van Raster stond, ‘De kunstenaar en zijn tijd’ – een lezing die hij in 1954 in de remonstrantse kerk te Den Haag gehouden zou hebben, en dus lijkt het me weinig zinvol om in mijn lezinkje al op die lezing van Camus in te gaan. Dat komt wel ter sprake in het gesprek achteraf. In de lezing wil ik het eerst hebben over mijn wantrouwen tegenover een theologisch geworden vrijheidsbegrip – eigenlijk over datgene waarover ik ook in De Morgen al schreef in mijn stuk over onderwijs (16-2):

    VAN DIDACTISCH LINKS NAAR PRAKTISCH RECHTS
    De meesten hadden nog op zijn minst hálf-lang haar; sommigen een snor en een artistiek ogend Zappa-sikje. De brillenglazen waren groot, net als de idealen die ze hadden meegenomen uit hun eigen roerige studentenjaren vol opstand, bezetting van overheidsgebouwen, ludiek protest, en voor sommigen wellicht zelfs Mao’s
    Rode boekje. Ze eisten dat wij, studenten aan het eind van de jaren zeventig, hen bij hun voornaam noemden en joviaal met hen omgingen, opdat ze minder leken op wat ze in feite waren: docenten onderwijskunde aan een Nederlandse hogeschool die opleidde tot leraar. En misschien ook om het voor hen gemakkelijker te maken één van hun geloofsartikelen daadwerkelijk in de praktijk te brengen: dat evaluatie geen kwestie van toetsing was, maar een in onderling overleg tot stand gekomen oordeel. Als wij niet slaagden voor een examen was dat niet vanwege een door hen autoritair opgelegd vonnis; met onze onvoldoendes hadden we zelf ingestemd. Het leek ons, na broederlijk overleg, zélf verstandiger dat we het examen nog een keer aflegden. Een beetje zoals de onverbeterlijke bourgeois zichzelf voor een revolutionair tribunaal van een communistisch land beschuldigt van anti-revolutionaire sympathieën. Het was een hoopvol teken van onze vorderingen op weg naar het glorieuze einddoel: onze autonomie.
    In navolging van onze docenten was het namelijk de bedoeling dat wij ons bevrijdden (ons ‘emancipeerden’) van de overgeleverde waarden en waarheden van een maatschappij die volledig beheerst werd door een geloof in een nooit eindigende productie en consumptie, een samenleving die in de materie niet langer een middel om te leven zag, maar een gestandaardiseerd einddoel. De welvaartsstaat bood de zekerheid der dingen, de zekerheid van de technocratie en van de deskundigen, zo heette het. Maar tegelijkertijd ontkende, onderdrukte, kapselde ze alle waarachtige onlustgevoelens in die zouden kunnen leiden tot ontkenning van de bestaande orde. ‘Zo worden alle potentialiteiten, de transcendentale krachten in de mens, de spanning tussen goed en kwaad, tussen Logos en Eros aan de menselijke geest onttrokken en bijgevolg hebben we in deze tijd te maken met een nieuw creatuur: de eendimensionale mens’ (ik citeer hier uit
    Zeggenschap (1978) van Griffioen en Damsma). Uittreksels uit de werken van de Frankfurter Schule (al viel die naam nooit), aangevuld met wat hartversterkende psycho-babbel uit de boeken van Erich Fromm - De angst voor vrijheid met name - moesten ervoor zorgen dat wij niet alleen onszelf van onze, zoals dat heette: ‘heteronomie’ losmaakten, maar ook straks voor de klas er zorg voor droegen dat iedere leerling zijn eigen persoonlijke duivels naar hartelust kon ontbinden.
    Daarmee werden de bekommernissen van de zogenaamde ‘Protestgeneratie’ waartoe onze docenten behoorden (de ‘mei ‘68-ers’, zeg maar), overgedragen op de generatie daarna, de onze, die niet helemaal voor niets wel eens de ‘Verloren Generatie’ is genoemd (geboren rond 1960). In ieder geval was het een generatie die met de emancipatiezucht van haar leermeesters niet zo heel goed uit de voeten kon, al was het maar omdat die meesters zichzelf niet als autoritaire gezagsdragers, maar als toffe jongens, als eigenlijk één van ons gedroegen. Dat wij ons hadden te emanciperen, wilden wij van onze aardige docenten graag aannemen, maar niemand die ons vertelde waarvan dan eigenlijk. De Grote Waarheden die onze docenten in hun ouders en hun leraren bestreden hadden, waren ons al tijdens de middelbare school onthouden. Voor onze generatie ging de relativiteit van dat soort waarheden al aan de formulering ervan vooraf, waardoor ‘emancipatie’ een doel op zich leek te worden.
    Dat mag overdreven klinken, maar in het Nederlandse middelbaar onderwijs van de jaren zeventig werd al enige tijd behoorlijk uitgegaan van ‘de belevingswereld van de leerling’. En de zogenaamde ‘mammoetwet’ uit de jaren zestig had er voor gezorgd dat die arme pubers het op school niet al te zwaar meer hadden: vanaf het derde middelbaar kozen wij een ‘vakkenpakket’, zodat elke leerling de resterende jaren nog slechts zes, hooguit zeven vakken studeerde. Die mochten ook weer niet te zwaar zijn. Het aantal boeken dat je bijvoorbeeld bij Nederlands voor je literatuurlijst moest lezen, werd van 25 teruggebracht naar 15, en in de keuze voor de te lezen werken werd je grotendeels vrij gelaten. Met zoiets als een literaire canon, een lijst van verplicht te lezen, want literair relevante boeken, mochten wij uiteraard niet opgezadeld worden. Zo’n canon was immers in hoge mate ideologisch gekleurd.
    Het valt echter niet mee om vrij te kiezen als je niet weet wat het is om tot iets verplicht te worden. De vrijheid, de autonomie die wij als individuen hadden te bereiken, en vervolgens weer als leerkrachten hadden door te geven, kreeg op die manier iets van een theologisch beginsel. Ze was er al voor de knechting. Dat het onderwijs toegesneden zou zijn op de middenklasse hadden talloze studies aangetoond. Dat daardoor bijvoorbeeld een dialectsprekende boerenzoon al met een taalachterstand begon en daarbij dan nog eens geconfronteerd werd met culturele fenomenen die aan zijn eigen belevingswereld volkomen vreemd waren, het was een probleem dat opgelost diende te worden (de ‘allochtoon’ speelde in die jaren nog geen rol van betekenis in het debat). Dat leidde tot een alleszins loffelijk streven kinderen uit lagere sociale klassen hogerop te helpen, zodat ook zij toegang zouden krijgen tot hoger en universitair onderwijs. Maar tegelijkertijd leidde het tot een onderwijs dat, ondanks de landelijk geformuleerde, jaarlijks naar beneden bijgestelde eindtermen, zijn eigen basis relativeerde.
    Geconfronteerd met onderwijskundigen die van die relativering een geloofsartikel hadden gemaakt, bleef ons ironisch genoeg alleen de mogelijkheid om hun in se linkse ideologie met rechtse praatjes tegen te spreken. Voor zover wij onze autonomie aan onszelf wilden bewijzen, althans. Daarachter komt dan onmiddellijk een niet ongevaarlijk verlangen naar duidelijkheid, naar nieuwe waarheden, naar een smetvrije mono-cultuur te voorschijn. Vertel ons nu eindelijk eens hoe de wereld in elkaar steekt, zodat ons de mogelijkheid wordt vergund een eigen, al dan niet kritische verhouding tot die werkelijkheid te scheppen. Waar dit politiek gesproken toe kan leiden, hoeft niet nader uitgelegd te worden.
    Maar ook zij voor wie dit alles geen enkel probleem vormde, die niet verstrikt raakten in de paradoxen van de onderwijsvernieuwing, komen gemakkelijk ter rechterzijde van het politieke spectrum uit. De ‘autonome persoonlijkheid’ als geloofsartikel is een waarborg vooraf (zoals ‘tolerantie’ dat voor Nederlanders decennia lang is geweest, ook al klopte dat al decennia lang van geen kanten). Een onderwijs dat op ideologie-kritische gronden weigert inhoudelijk te worden, doet echter uiteindelijk het omgekeerde van wat het beoogt. Het levert zijn leerlingen uit aan de ideologie die het zegt te bekritiseren, een ideologie die niemand meer als zodanig herkent en die abusievelijk als teken van de eigen onafhankelijkheid wordt beleefd.

    Ik heb nu zojuist in mijn lezinkje al vastgesteld dat het natuurlijk niet aangaat alleen die zogeheten ‘protestgeneratie’ verantwoordelijk te stellen voor de ontsporingen van mijn generatiegenoten (het redeneren in termen van generaties is altijd erg generaliserend, om het zo maar te zeggen). Zeker wanneer je kijkt naar de literatuur dan is het vrijheids- of autonomie-argument – tenminste wanneer je het beperkt houdt tot specifiek de Nederlandse literatuur (voor Vlaanderen ligt dit anders) - al vanaf het begin van de moderne Nederlandse literatuur aanwezig: het l’art pour l’art van de Tachtigers. Alweer grofweg gesproken, is dat eind twintigste, begin eenentwintigste eeuw uitgelopen op een literair reservaat. Als enige remedie zie ik een ideologische leeswijze van literatuur – zelfs (of misschien wel: vooral) van literatuur die dat in eerste instantie helemaal niet uitlokt. In die zin kom ik tegenover Camus uit, die in zijn lezing (uiteraard) van leer trekt tegen het ideologische lezen van zijn generatiegenoten: het procrustus-bed van de communistische ideologie, die voor zijn eigen waarheid blind is. Bij ideologisch lezen is het inderdaad onvermijdelijk dat je een bepaalde (eigen) waarheid als basis neemt, maar je hebt vandaag de dag misschien wel de plicht (de morele plicht?) je daar van bewust te zijn. Ik heb dat al eens uitgewerkt aan de hand van Du Perron: de verkondigde postmoderne ‘waarheden’ van mijn tijd staan het dichtst bij wat ik denk en voel, maar uiteindelijk bespeur ik bij mezelf een zekere behoudzucht zodra ik, net als Du Perron dat altijd deed, die ‘waarheden’ met praktische consequenties verbind. Een soort put your money where your mouth is-argument, dat in mijn geval er in de eerste plaats toe leidt dat je oppast met wat je zegt, of om een andere favoriete zinsnede aan te halen: dat je je bewust bent van je 'gebondenheid in de mythen' (Canetti).
    Ik durf te wedden dat Piet J. me nu met Badiou (zie ook yang) om de oren wil slaan...

  • Pin it!

    Begrip

    Eens komt de dag dat men Bernard Dewulf volkomen begrijpt. Hij schreef een tijdje terug al een prachtig raillerend stukje over mensen die hem vroegen waarom hij het op de voorpagina van De Morgen altijd maar weer over (zijn) kinderen had (11 februari), een vraag die, stelde hij fijntjes, altijd van ‘hogere hoofden’ afkomstig was. Hij gaf er zelf overigens een ‘hoger hoofd’-antwoord op. Maar het doet nauwelijks terzake wat hij schreef. Men begrijpt het op een dag als gisteren, en alleen – de allervreselijkste reden voor allen die al dan niet op instigatie van Cioran kinderloos bleven – alleen omdat men zelf een kind heeft.
    Emma is ziek. Plotsklapse totale ontreddering grenzend aan een mij onbekende paniek die me onmiddellijk ontrouw deed zijn aan mijn principe dat men niet voor elk wissewasje naar een dokter moet rennen. ‘U kunt vanavond terecht,’ zeiden ze bij het gezondheidscentrum hier net om de hoek. ‘Nee, nee,’ zei ik, ‘dat gaat niet, dat gaat niet. Het moet onmiddellijk. Ze heeft hoge koorts.’ Ik kon komen. Er was niets aan de hand. Geen hersenvliesontsteking of andere enge zaken. ‘Waarschijnlijk gewoon een virusje,’ zei de vrouwelijke dokter die voor mij haar lunchpauze opschortte. Ze had met me te doen. Ik straalde wanhoop uit. Ik moest gerustgesteld, en dat deed ze voortreffelijk. Maar voor het eerst voelde ik me bij die door haar op mij geworpen, door mij onmiddellijk begrepen blik niet belachelijk. Ik had niet de neiging mijzelf te bespotten, zoals ik meestal doe wanneer ik uit iemands blik afleidt hoe hij of zij mij ziet, waarna ik ook mijzelf zo zie, degene die mij zo ziet onmiddellijk, zij het in stilte gelijk geef, om vervolgens de spot te drijven met het beeld dat op die wijze van mij is ontstaan. Ik vond dat ik gerustgesteld mocht worden en dat mijn paniek niets belachelijks had. Omdat ik nu eenmaal zélf een kind heb, ja? Dat geeft mij rechten. Het recht op cliché’s, zoals: voorkomen is beter dan genezen.
    .Gisteren dus lange tijd met een jengelende Emma op schoot gezeten, totdat ze in slaap viel en ik me een uurlang niet heb bewogen, naar haar kijkend zoals ik naar haar keek toen ik haar direct na de geboorte in mijn armen kreeg terwijl Hanna in de operatiekamer achterbleef. Twee uur kijken. Stijve nek Maar niks anders kunnen, willen.
    En Bernard Dewulf begrijpen. Zelfs met een hoog hoofd.

  • Pin it!

    deontologie

    Zat vanochtend nog even wat verder te denken over Daniëls boek, Kees’ recensie en hetgeen ik er zelf inmiddels over heb gezegd. Ik heb het hier al meermalen over sentimentaliteit en nostalgie gehad, maar als ik nu ergens naar ‘terugverlang’ dan is het naar een literair klimaat waarin congeniale of bevriende auteurs elkaar ook in de publieke ruimte niet sparen. Ik bedoel dan dat ik verlang naar mijn beeld van de sfeer in het interbellum zoals je die, grofweg gesproken, rond de Forum-auteurs aantrof: Ter Braak die een zuinig stuk schrijft over Het land van herkomst; Du Perron met zijn reserve’s tegenover Marsman, Vestdijk met zijn reserve’s tegenover Du Perron. Toegegeven: dat leidde wel eens tot explosies, tot vriendschappen die braken onder de woorden – maar de vereiste ‘eerlijkheid’ zorgde wel voor boeiende debatten, misschien wel júíst omdat het debatten ‘onder vrienden’ waren, onder leden van dezelfde ‘kleine parochie’, om het met een boektitel van Du Perron te zeggen.
    Ik had het er al eens over met Bert B., toen ik hem zei eigenlijk heel benieuwd te zijn naar zijn mening over Touchdown, en alleen daarom al hoopte dat nu juist híj er een stuk over zou maken voor De Morgen. Bert vond dat niet kunnen: deontologische kwestie – en ik die dat onmiddellijk flauwekul vond, en ook spijtig.
    Voor wie schrijft men zijn boeken? Voor wie heeft Daniël geschreven? Voor wie schrijven Bert, Geert, Jeroen, Sascha – om yangers en oud-yangers maar eens te noemen? Voor ‘iedereen’? Welnee. Sascha schrijft natuurlijk vooral voor de gemeenschap waarin hij zich overwegend bevindt, maar dat is tegelijkertijd een gemeenschap waar alle hier genoemden, en nog vele anderen ook, blijvend toe behoren, al is het maar op grond van studie en voortgezette belangstelling buiten de stricte muren van het instituut, van de academie om. Maar ‘wij’, om dat woord nu maar te gebruiken (en ik bedoel daarmee een bredere groep dan enkel yang), schrijven allemaal min of meer voor elkaar. Ik ben oprecht nieuwsgierig naar bijvoorbeeld een heus stuk van Bert over mijn boek – naar alles wat maar een beetje meer is dan zijn inmiddels al lang en breed gegeven verzekering dat hij het een ‘goed boek’ vond. Dat geloof ik wel. Maar Bert wil met proza waarschijnlijk toch een andere kant op dan de weg die ik met mijn boek bewandel – en juist die confrontatie zou me hogelijk interesseren; het lijkt me een confrontatie die ook veel baat zou hebben bij het openbare karakter ervan. Immers, op die plek gaat het om meer dan om het sparen danwel vleien van mijn tedere ziel; het zou ook gaan om Berts eigen streven in die ruimte.
    Ik focus hier nu op Bert, maar ik zou hetzelfde evengoed over Kees ’t H. kunnen zeggen: die wilde over Touchdown voor De groene Amsterdammer niet schrijven. ‘We hebben afgesproken dat we niet over vriendjes schrijven,’ zo zei hij. Maar waarom eigenlijk niet? Omdat het wel vaststaat dat je over je vrienden nooit eerlijk bent (of tegen hen nooit eerlijk bent)? Ikzelf heb me er nog nooit veel van aangetrokken en schreef over Beurskens, Hertmans, Duinker, Buelens, Ekkers – enfin, over een heel contingent schrijvers dat ik persoonlijk ken en waardeer, zélfs als ik hun werk eens wat minder vond. En ik zou het met gemak nog doen. Over Daniël schrijven voor De Morgen - waarom niet? Het zou een kritisch stuk worden, in dit geval; het zou in geen geval een onheus stuk zijn, noch in zijn kritiek, noch in zijn waardering. Ik vrees echter dat wanneer ik zoiets alleen maar voorstel bij chef MdB, zij onmiddellijk op grond van het feit dat ook die Rovers in 'dat yang-ding' zit, ernstige ‘deontologische bezwaren’ zou hebben. Zoals de waard is...
    Soms wenste ik dat er in míjn parochie een klein beetje meer moed was, en heel wat minder pudeur. Niemand anders zal het voor onze boeken opnemen, en we schrijven die niet om het gezellig 'onder ons' te houden, maar omdat we datgene wat ‘onder ons’ leeft ook en juist buiten de eigen kring de moeite waard vinden. Om het op een andere manier te zeggen: we verkwanselen onze macht (de toegang die wij, in tegenstelling tot vele anderen, hebben tot de publieke ruimte) uit angst voor de beschuldiging van machtsmisbruik. Misschien wel omdat we bang zijn om onze eigen toegang tot de publieke ruimte te zien als wat zij is: macht.

  • Pin it!

    Het boek van Daniël

    Donderdag van Kees (‘tH) een recensie gekregen op Daniëls boek (Bunzing) – een stuk dat misschien deze week al in De groene Amsterdammer zal staan. Ik schreef Kees al dat ik verwachtte dat Daniël er niet erg blij mee zou zijn. Kees geeft hem er behoorlijk van langs, al vond hij zelf dat het nog wel mee viel, maar, schreef hij mij: ‘Ik word altijd wakker wanneer literatuurcritici het over ideologie, werkelijkheid en literatuur beginnen te hebben [waarbij valt aan te tekenen dat dat zeer weinig gebeurt]. Vrijwel altijd blijken ze dan zichzelf, als beterweters (zie de smalende toon van Rovers) buiten de ideologie te plaatsen.’ Dat nu, schrijft hij, moet flink aangepakt. Op zo’n moment ligt er altijd een ‘messiaans/religieus denken op de loer’, en Kees meent dat dat bij Daniël echt heel dichtbij ligt.
    Nu was ik niet in de gelegenheid om Daniëls boek al uit te lezen, en een aantal stukken dat ik las, stelde me ook nogal teleur – zijn hele gepalaver over de woningbouw in Nederland, bijvoorbeeld, dat me voor een groot deel leek te bestaan uit een parafrase van catalogi behorend bij een tentoonstelling over dat onderwerp: erg journalistiek qua opzet, kortom, en daarenboven iets wat me, zo gebracht, maar matig kon boeien. En er staan meer stukken in waar ik strenger geweest zou zijn. Zijn stukken over Brussel en Gent lijken me grotendeels mislukt en vond ik af en toe tenenkrommmend, al snap ik zijn bedoeling dan weer wel. Ik heb zelf in De inwijkeling immers ook zo’n soort persoonlijk stuk geschreven, al verbeeld ik me dat ik het dan nog kaderde in de identiteitsproblematiek die in de rest van alle andere stukken ook terugkwam – maar dan nog: dat soort stukken zijn een hachelijke zaak, en er is een bepaald soort ijdelheid voor nodig om het werkelijk goed te kunnen doen, zo denk ik wel eens – en Daniël is zo ijdel niet.
    Dan: er zijn andere stukken die ik weggelaten zou hebben: zijn stuk over Kregting is wat aan de dunne kant, en – dat laat Kees goed zien – bevat een aantal uitspraken dat gemakkelijk te weerleggen valt. Ik citeer:

    Neem nu zijn betoog over de poëzie van Kregting. Die beweerde zelf ooit dat zijn werk in het geweer komt tegen de moderne vanzelfsprekendheid, die al het ‘werkelijk afwijkende’, aldus Rovers, en het schokkende uit de weg gaat. Ik wil niet blijven zeuren, maar wat is toch precies het verschil tussen het afwijkende en het ‘werkelijk afwijkende’? En wie bepaalt precies wat het ‘werkelijk afwijkende’ is? Vermoedelijk een jury met Rovers als voorzitter. Ja, toegegeven daar ging ik alweer boven op de kast en met dit boek is dat een kleine moeite, dat is er een groot voordeel van. Rovers zet zijn beschouwing over de poëzie van Kregting voort met een smalende uiteenzetting over het Nederlandse ‘poldermodel’. Spottend heeft hij het over de ‘dikke wollen deken van de consensus’ en al dat eeuwige ge-overleg dat uiteindelijk toch maar mooi de Betuwelijn opleverde. Gelijk heeft hij om de uitkomst van dat overleg op de hak te nemen, maar wat is er precies tegen overleg in de politiek? Geen overleg dan maar? De wens van de meerderheid doordrukken? Lekkere ongegeneerde popi-politiek? Dan wel met Rovers als voorzitter vrees ik. Hij ziet dit politieke consensusmodel overigens ook ineens terug in de Nederlandse poëzie en neemt als bewijs twee zinnen van Kopland (altijd Kopland!) en Eva Gerlach. Niet de meest interessante zinnen natuurlijk. Zal ik een paar zinnen van Louis Paul Boon of Hugo Claus als bewijs van compromisschrijven in België citeren? Kleine moeite, of van Van Bastelaere, daar is helemaal geen kunst aan. Kortom, Rovers beweert veel, maar argumenteren ho maar. Hij noemt het werk van Kregting ‘strijdlustig, anarchistisch’, maar verzuimt aan te geven waarin die strijdlust precies zit. Hij beweert dat dit werk tegen communicatie in het geweer komt, maar dan zou je evengoed kunnen concluderen dat het dus niet strijdlustig is, maar in zichzelf verzonken juist omdat het tegen communicatie is. En bij anarchie stel ik me iets anders voor dan de uitermate strak georganiseerde gedichten van Kregting die weliswaar minder goed direct ‘leesbaar’ zijn, maar in strofenbouw, zinslengte en ook verdere poëtische vormgeving niet afwijken van wat gebruikelijk is.

    Tegenover dergelijk commentaar zal Daniël zich minstens even achter zijn oor krabben (en ik hoop natuurlijk dat het alles is wat hij doet; zo’n eerste boek uitbrengen, is je ook blootstellen aan dit soort commentaar). Maar het is wat ik bedoel met ‘aan de dunne kant’: zeggen dat Kregting anarchistisch is, is lezen volgens Nijmeegs model – waarin een opzettelijk verkeerd geplaatste komma in een gedicht vaak al reden is om te spreken van ‘ontregelende poëzie’ of iets dergelijks. Zo’n stuk over Kregting (het stond destijds in yang) is zeer geschikt om aan lezers met bepaalde verwachtingen uit te leggen wat er hier aan de hand is; om het wérkelijk interessant te maken, moet je dieper in die poëzie wegduiken en op zoek gaan naar de verzwegen vooronderstellingen ervan: het principieel ‘opene’ van Kregtings poëzie verwijst dan naar een diep zuiverheidsverlangen, naar een werkelijkheid die door niets besmet mag raken, lijkt me, door geen eenduidigheid ingeperkt. Daartegenover heb ik dan ineens een wat andere houding dan die van alleen maar bewondering (die er ook is, overigens). Tot zoiets verhoud ik me polemisch. Het is jammer dat Daniël in dit stuk zo ver niet gaat; hij doet dat bijvoorbeeld wel in zijn Mutsaers-stuk, dat het mijne in De inwijkeling ver in de schaduw stelt. Werkelijk goed dit.
    Enfin, zoals gezegd: ik heb het boek helaas nog niet uit, al zal ik Daniël morgenvroeg al wel vast Kees’ stuk doormailen, zodat hij weet wat hem te wachten staat. Ik vond dat Kees iets te hard uit de hoek kwam, maar hij vond dat juist een goed teken: Daniëls boek is er zo één dat hem wakker maakte. Te betwijfelen valt of Daniël een dergelijke publiekelijke oorwassing ook zelf als ‘eigenlijk’ een compliment zal opvatten. Te vrezen valt van niet.
    Intussen blijft die kwestie van ideologie-kritische lezingen die blind zijn voor hun eigen ideologie natuurlijk van immens belang. Misschien had Daniël daar meer bewustzijn van mogen of zelfs moeten hebben, en bijvoorbeeld volmondig moeten instemmen met wat de praktische consequentie van een aantal van de door hem gehanteerde vooronderstellingen is: dat hij tegen democratie is bijvoorbeeld. En dat hij niet zozeer blind is voor zijn eigen ideologie, maar haar gewoon uitvent: als een nieuwe, bij hem te betrekken waarheid waar niemand aan mag tornen... Ik meen te weten dat hij zo ver niet zou willen gaan.

  • Pin it!

    paradijselijk

    Ach, maar weer een foto. Kijkend naar Emma raak ik er steeds meer van overtuigd dat het befaamde kinderparadijs, de onnozelheid die de simpelen van geest én de kinderen naar verluid tot Jezus’ favorieten maakte, een valse voorstelling achteraf is. Ik zie in dat kleine wezentje, bij alle ongecompliceerde vrolijkheid, bij al het primaire in haar reacties, kortom: bij dat volledig ongereflecteerde Zijn van haar – ik zie vooral ook haar frustratie wanneer eenvoudige dingen als overeind komen om te gaan zitten, niet lukken. Ik geloof – en dit is geheel in lijn met wat ik afgelopen week voor De Morgen schreef – dat het verlangen te weten hoe het zit groter is dan de ongebreidelde creativiteit die wij volwassenen vooral niet zouden mogen inperken. Waarmee ik – o men moet zo uitkijken tegenwoordig! – niet meteen het omgekeerde voorsta dan de welmenende, kindgerichte, ‘de verbeelding aan de macht’-pedagogen die de didactiek van de afgelopen decennia hebben bepaald.
    Eigenlijk was Maria Montessori er destijds in haar Il metodo della pedagogia scientifica uit 1909, zij het hoogstwaarschijnlijk ongewild, verrassend eerlijk over. Ze begint een prachtige tirade over de schoolbank, die ze beschrijft als een instrument dat, volgens de laatste orthopedische inzichten, zo was ontworpen ‘dat de leerling zoo alzijdig mogelijk zichtbaar is in zijn onbeweeglijkheid’ (ik citeer uit de vertaling die in 1916 verscheen). Een martelwerktuig, kortom, verwant aan ‘het corset voor scholieren’ dat men toentertijd voorstelde om de lichaamshouding van de leerling wat te verbeteren. ‘Nog een poosje,’ schrijft ze, ‘en men zal ons gaan aanraden, de leerlingen van tijd tot tijd aan hoofd of schouders op te hijschen.’ Vervolgens ontwerpt Montessori een didactiek compleet met allerlei hulpmiddelen waarin, zoals bekend, er van enige dwang geen sprake is, maar er op basis van vrijwilligheid bepaalde resultaten worden behaald. Een schreeuwend en druk kind wordt bijvoorbeeld niet gezegd dat het stil moet zijn (eventueel met dreiging van straf) - nee, het gaat om ‘het bevorderen van de natuurlijke ontwikkeling der willekeurige bewegingen’. En dat betekent: ‘het zooveel mogelijk afzonderen der gecoördineerde bewegingen en het beoefenen van elk dezer afzonderlijk: de verschillende gradaties van onbeweeglijkheid, die voeren naar de stilte, moeten worden onderwezen.’ Bewegen is dus slechts een gradatie van onbewegelijkheid, en de stilte (en het stil zitten) is en blijft het doel. Kinderen worden met andere woorden niet meer klemgezet en vastgeschroefd in een schoolbank. De onbewegelijkheid wordt niet op fysieke, maar op mentale gronden bewerkstelligd – een soort schoolbank in het hoofd, kortom. De vraag hierbij lijkt me wat erger is: stilte en onbewegelijkheid als van buiten opgelegd, of datzelfde geïnternaliseerd. Voor het antwoord moet je wellicht bij afvallige gereformeerden zijn, maar het lijkt me dat rebellie bij het eerste eerder mogelijk is dan bij het tweede (een afvallige gereformeerde neemt vooral zichzelf iets kwalijk, zo is me al vaak opgevallen).
    Maar ik dwaal af – van Emma, van wat ik wilde zeggen. Dat de kindertijd ongeveer even paradijselijk is als de volwassenheid. Of even weinig. Ik heb mezelf nog nooit op enige paradijselijke voorstelling van mijn eigen kindertijd kunnen betrappen, en dat dan weer zónder dat ik de neiging heb om te weeklagen over ‘een ongelukkige jeugd’ of iets dergelijks (dat zou gelogen zijn), al worstel ik dan soms met een nostalgisch sentiment de laatste tijd. Dat zal te maken hebben met een besef van verlies, waardoor het vanzelf lijkt dat het voorheen ‘beter’ of iets dergelijks was. En het terugverlangen neemt een aanvang., het verlangen naar, zo weet ik onmiddellijk, een uitgepuurde versie van de werkelijkheid zoals ze was en zelfs zoals ze door mij werd beleefd.
    Het is niet voor niets dat ik nu voor het eerst van mijn leven serieuze stappen zet om naar een reünie te gaan. Van mijn oude middelbare school in Lochem. Ik was er al eerder, natuurlijk, in mijn hoofd welteverstaan: het hoofdstuk ‘Heleen’ uit Touchdown is geschreven met die school in gedachten. Die betonnen zuil, waar Lesser staat te stuntelen en stotteren tegenover Heleen en Hilde, is de zuil waar ik tijdens de pauzes altijd hartstochtelijk stond te zoenen met Marianne Durkstra – zo hartstochtelijk dat de conciërge, meneer Bos geloof ik, op een zeker moment naar ons toe kwam en ons toesnauwde: ‘Als jullie daar nu niet mee ophouden, gooi ik een emmer water over jullie heen!’
    Hm, wat een scène...
    Maar even onthouden toch – niet de opmerking, maar de voorstelling van dat dreigement als werkelijkheid. Twee pubers die als neukende honden worden behandeld door een boze conciërge...
    Hoe dan ook: reünie – dit ondanks een o zo terechte opmerking van een personage uit Blauw Curaçao van Kees ’t Hart: dat mensen op reünies elkaar lastig vallen met elkaars verledens. Zo komt men nooit aan zijn eigen verleden toe! Wat natuurlijk ook wel weer interessant is. Ik zou wel eens willen weten hoe ik – nee, hoe wij beiden in het hoofd van Marianne bestaan.

  • Pin it!

    Long-distance

    Juist lang getelefoneerd met Geert B. die nog in de nacht van gisteren op vandaag verkeerde. Ik las gisteren op zijn Baywatch dat ook hij de Collected Stories van Yates had gekocht. Wat een toeval! Zijn opvattingen daarover verschillen niet van de mijne – wat altijd weer een geruststelling is. Soms heb ik het gevoel dat ik zo verschrikkelijk ‘kritisch’ ben geworden (je zou het haast op zijn jaren zestigs gaan schrijven: krities), dat ik me van alles en iedereen vervreemd. Gelukkig beschik ik over het vermogen om zelfs wanneer ik door iets heen kijk (of althans meen dat ik dat doe), toch nog te kunnen genieten, met B-films als het meest voor de hand liggende voorbeeld. Bij boeken en ook bij theater is dat vermogen wat minder ontwikkeld. Een Donna Tartt kan ik vanwege de stilistische onzin ervan écht niet lezen. Afgelopen zomer, toen ik met mijn hoogzwangere Hanna bij de gynaecoloog zat te wachten, en zij bezig was de laatste pagina’s van de laatste Tartt te lezen, keek ik zo schuin een beetje mee. Twee bladzijden las ik op die manier met haar mee – en ik kon alleen maar denken: wat een criant vervelend proza is dit. Het argument dat mensen zoiets ‘voor het verhaal’ lezen, heb ik nooit begrepen. ‘Het verhaal’ is toch in de eerste plaats hoe er wordt verteld.
    Dat geldt natuurlijk eigenlijk ook voor film. Maar daar blijft de ‘vorm’ altijd veel meer onopgemerkt. Zelfs de laatste Jeunet, Un long dimanche de fiançailles, zal voor veel mensen niet zozeer opvallen vanwege de ‘vorm’ ervan, juist de reden waarom ik het een werkelijk fantastische film vond. Hanna, die het met Jeunets vorige film vergeleek, was er dan weer niet heel erg van onder de indruk. En qua ‘verhaal’, qua ‘inhoud’, heeft ze ook groot gelijk; waar de sentimentaliteit van Jeunets Le Fabuleux destin d'Amélie Poulain ruimschoots gered wordt door de absurditeit en de humor, daar is Un long dimanche een stuk serieuzer qua toon, en lijkt de vreemdheid van het door Tautou gespeelde meisje te veel een kopie van het personage dat ze in Amélie speelde.
    Maar de wijze waarop één en ander gefilmd is, het ‘verhaal’ in de beelden zelf... – dat doet het hem voor mij in die film.
    Daarover had ik het ook nog met Geert in verband met zijn nieuwe dichtbundel, die Verzeker u gaat heten en hopelijk nog voor de zomer verschijnt. In die bundel, waarvan ik het typoscript al eerder las en binnenkort nog eens grondig zal doornemen, zet Geert in zekere zin een grote poëticale stap. Dat lijkt niet met elkaar te kloppen: dat in zekere zin en die grote poëticale stap, maar de verschuiving die er in die nieuwe bundel plaatsvindt, speelt op de achtergrond. De nieuwe bundel laat niet ineens een totaal andere dichter zien. Het is pas wanneer je over die poëzie zou gaan praten – wanneer Geert dat werk in een meer algemeen perspectief zou moeten plaatsen -, dat je niet meer uit de voeten kunt met de poëtica die zich op grond van Het is liet construeren. Alweer: in zekere zin is Geert in deze nieuwe bundel opgeschoven naar een meer ‘romantisch’, of om in het vakjargon te zeggen: ‘expressief’ paradigma – al moet men dat niet overdrijven en blijft hij uiteraard nog steeds een onvervalste Vlaamse dichter zoals hij die zelf meermalen heeft beschreven in zijn Van Ostaijen tot heden. Dat is ook alweer ingewikkeld gezegd, want juist in dat magistrale boek beschrijft hij niet minder dan alle Vlaamse dichters in het licht van de invloed van Van Ostaijen; ik bedoel dat in al die beschrijvingen zelf, in de opzet van het boek als zodanig, Geerts eigen impliciete poëtica schuilgaat: achter alle beschrijvingen zie je de contouren van een eigen dichterschap, een ‘richting’ – nee, een streven, een verlangen ook. Moeilijk hard te maken, zo besef ik, maar het is een beetje hetzelfde als – om het boekje nog maar eens aan te halen – in Kregtings Zij zijn niet van Jeremia, naast dat wat hij zelf te vertellen heeft, en zelfs dwars door hetgeen hij zegt, in de figuur van de auteur de trekken te ontdekken van Christus in de tempel. Om het waarom van zo’n boekje te achterhalen, of van een boek als dat van Geert, gaat het precies om die schemerige instantie op de achtegrond, die intussen alles wat er wordt verteld doordringt. En bij Geert is dat (uiteraard niet Christus in de tempel, maar) een dichtersgestalte die hij vervolgens in zijn eigen poëzie gestalte geeft. In jaren dertig-jargon moet dat dan weer 'de persoonlijkheid' van de auteur heten.
    Dat is, intussen, wat Van Ostaijen tot heden voor mij van meet af aan tot meer heeft gemaakt dan maar weer eens een literatuurgeschiedenis. Hier was persoonlijk in geïnvesteerd, zo voelde ik bij eerste lezing onmiddellijk, door iemand die áls literatuurhistoricus steeds ook veel meer was dan historicus alleen. Er wordt in de pers wel eens laatdunkend gedaan over 'professor Buelens' die een bundeltje schreef - maar juist bij Geert denk ik altijd dat hij het tegendeel is van die bij de pers geliefde karikatuur.

  • Pin it!

    Yates

    Merkwaardig om nu ineens twee boeken van Richard Yates in huis te hebben. Die heb ik recentelijk besteld, dat is waar, maar ik kan me niet meer herinneren waarom ook alweer. Er was een reden voor... Gisteren zitten lezen in zijn Collected Stories, en tja, dit is van een vaardigheid waarover velen niet beschikken, dat is absoluut waar. Maar veel meer dan divertissement is het voor mij toch niet. De onttakeling van ‘the American Dream’ die er in zijn verhalen zou plaatsvinden (ik kocht ook nog zijn eerste, en beroemdste roman, Revolutionary Road (1961)), is op zich weinig opwindend, tenzij voor erg naïeve geesten met een belabberd historisch besef, waarvan er in de Verenigde Staten vast en zeker wel de nodige te vinden zijn (ik moet het Geert (Buelens) eens vragen, die momenteel in Berkeley zit). Wellicht heb ik me laten verleiden door het etiket van de ‘writer’s writer’, dat hem aankleeft, volgens sommigen overigens dan weer onterecht:
    (...) Yates doesn’t fit the mold of a writer’s writer. He’s not a linguistic acrobat like Nabokov or a highflying fabulist like Steven Millhauser, not a uniquely intellectual or obsessive writer the way we think of William Gaddis or Harold Brodkey. In the era that saw Pynchon, DeLillo and Rushdie make their names (before storming the bestseller lists), he wrote about the mundane sadness of domestic life in language that rarely if ever draws attention to itself. There’s nothing fussy or pretentious about his style. If anything, his work could be called simple or traditional, conventional, free of the metafictionalists’ or even the modernists’ tricks. The only writer’s writer he might be compared to would be Chekhov, or perhaps Fitzgerald, though without Fitzgerald’s poetic flair.
    Dat schrijft Stewart O’Nan in een artikel in The Boston Review, en het is de perfecte verwoording van hetgeen ik gisterenavond las. Blijkbaar heb ik zelf behoefte aan enige linguïstische acrobatiek, al moet ook dat weer niet zozeer de spuigaten uitlopen dat het zich al te zeer op de voorgrond dringt (mooischrijverij wordt, of, godbetert, in hoge mate experimenteel; ik vind bijvoorbeeld een Jelinek in Lust écht op de rand van wat ik als lezer waarderen kan, ook al kan ik op een meer abstract niveau de eigenaardigheden van haar stijl dan wel weer genieten – als ik door een zekere irritatie heen ben, bedoel ik). Ik zal mijn eigen geschrijf hier wel als maatstaf nemen, zeker? Zelf beschouw ik die als behoorlijk ‘natuurlijk’, maar dat komt omdat ik het volgens de ‘Flaubert-methode’ schrijf – dat wil zeggen: na het schrijven hardop voorlees en op muzikaliteit, ritme en andere niet per se inhoudelijke zaken beoordeel (en op grond daarvan soms ook een woordje wijzig). Dat die stijl verre van ‘natuurlijk’ is, werd me al duidelijk door de commentaren van de persklaarmakers bij Meulenhoff, afgelopen zomer, en ook bij de presentatie, toen Kees ’t H. een stukje voorlas en dat (in mijn ogen, liever: oren) zo onhandig deed, dat ik hem het boek wel uit handen wilde nemen om het zelf te doen.
    Hoe dat ook zij, zo’n Yates is dan wel weer de moeite van het lezen waard vanwege juist de onnadrukkelijkheid van zijn stijl, wat me ook zeer zeker een grote kwaliteit lijkt. Zijn zinnen zijn namelijk nooit slap of waterig. Daar zit een knapheid in die het bestuderen waard is. Ook in de wijze waarop hij het non-spectaculaire van soms wel heel gewone voorvallen en voorvalletjes spannend weet te houden, er toch een dramatische kwaliteit aan weet te geven die het in handen van een mindere auteur waarschijnlijk nooit gehad zou hebben.
    Ik had het afgelopen zondag nog met Kees (in zijn overigens prachtige nieuwe huis in Den Haag) over een paar artikelen die hij de komende tijd wilde schrijven over literaire kritiek. Eén daarvan zou ook aan de orde stellen dat het in de literaire kritiek nooit en te nimmer meer over de stijl gaat. Hij had er Ter Braak nog eens op nagelezen, en ook daarin ging het nooit over stijl, had hij gezien. Ook Ter Braak is maar een naprater, een verhaaltjes-samenvatter met wat gepsychologiseer tot slot – en hij heeft gelijk. Het staat ver van de ‘apothekerpraatjes’ van een Nijhoff, om maar wat te zeggen, maar iemand met het devies le style, c’est l’homme, zal zich inderdaad meer op die mens dan op die stijl richten – ook al is dat devies evenzeer een aansporing die stijl mee te nemen in de beschouwing. Welke bij een krant werkzame redacteur zou het aandurven zijn boekenbijlage met dergelijke stukken vol te zetten? Nou? En welke redacteur van een literair tijdschrift? Laten we de stijl voorgoed over aan de academici en de specialistische bladen?

  • Pin it!

    onderwijs

    Zeggenschap van Griffioen en Damsma nog eens uit de bibliotheek gehaald (1978), met name om me de precieze formulering van een wereldbeeld te binnen te brengen. De vraag die ik voor maandag (deadline krant) beantwoord moet krijgen, is of de onderwijshervormingen in Nederland nu ‘links’ of ‘rechts’ genoemd moesten worden. Links natuurlijk. In Zeggenschap zijn de formuleringen nog prachtig volgens de boekjes. Na vastgesteld te hebben dat de doelstellingen van de school afgeleid dienen te worden van de doelen die de maatschappij zich stelt, komt de maatschappijkritiek.
    De maatschappij biedt geen opgewekt beeld, heet het; ‘zij wordt beheerst door een geloof in een nooit eindigende produktie en consumptie, een geloof dat geschraagd wordt door de technologie en het grootbedrijf.’ De mens die bevrijd is van materiële zorgen en meent in de beste aller werelden te leven, is in werkelijkheid van zichzelf vervreemd: ‘de materie is niet langer meer een middel om te leven, maar een gestandaardiseerd einddoel. Zijn werktuigen worden niet meer door hem beheerst, maar beheersen hém. Negatieve krachten in hem, de krachten die leiden tot ontkenning van de bestaande orde, zijn onzekerheden, zijn angsten, ze worden ontkend, ingekapseld of onderdrukt door de welvaartsstaat’ (cursivering van mij, uiteraard). Die welvaartsstaat biedt de zekerheid der dingen, de zekerheid van de technocratie en de zekerheid van deskundigen, en mikt op een uniform wereldbeeld waaraan elk alternatief ‘onttrokken’ is. Moiste zin in deze passage: ‘Zo worden alle potentialiteiten, de transcendentale krachten in de mens, de spanning tussen goed en kwaad, tussen Logos en Eros aan de menselijke geest onttrokken en bijgevolg hebben we in deze tijd te maken met een nieuw creatuur: de eendimensionale mens.’
    Voilà, we zijn er, bij de Kritische Theorie van de Frankfurter Schule – ons als studenten destijds in sterk verdunde vorm en zonder namen als Marcuse, Adorno, Horkheimer of Benjamin te laten vallen aangeboden -, toentertijd nog aangevuld met wat psycho-babbel uit de hoek van Erich Fromm (De angst voor vrijheid met name).
    Wat die laatste betreft, daarover schreef ik al eens in De Morgen (11 april 2001):

    Ooit heb ik het aangeschaft: Escape from Freedom van Erich Fromm (1900-1980). Mijn exemplaar maakte deel uit van de ambulante collectie van de 'Bibliobus Stadskanaal' (Was u ooit in Stadskanaal? Een wanhopig dorp in het noordoosten van Groningen, eigenlijk meer één kilometerslange straat langs een kaarsrechte vaart. Die bus moet een verzetje zijn geweest in die gruwelijke vlakten daar, een gebied waarbij vergeleken het Meetjesland de allure van een Alpenlandschap krijgt. Of Fromm er veel gelezen werd, valt te betwijfelen.) 'Afgeschreven', aldus een stempel voor in mijn exemplaar. Het is kortom één van die boeken die bibliotheken regelmatig voor spotprijzen te koop aanbieden omdat ze nauwelijks worden uitgeleend. Toch gaat het hier om de tiende druk (uit 1980) van de oorspronkelijk in 1952 verschenen vertaling.
    Fromm was ooit een veelgelezen auteur. Helemaal onbegrijpelijk lijkt me dat niet. Er was een tijd waarin we zo vaak om de oren werden geslagen met het woord 'vervreemding' dat je van lieverlede dan maar toegaf inderdaad vervreemd te zijn. Een ideale toestand om bijvoorbeeld Fromm te lezen, want
    Escape from Freedom is een van die talloze boeken die uit de doeken doet hoe het zo ver heeft kunnen komen met ons.
    We bewandelen de weg van middeleeuwen tot aan het fascisme (het boek verscheen in 1941) en die weg is zo recht als die straat in Stadskanaal. Je bent op grond van dit boek bijna geneigd om te zeggen: als de middeleeuwen nu maar niet hadden bestaan, was het nooit tot het fascisme gekomen. Wat ook zo is, natuurlijk. Misschien waren we zelfs gespaard gebleven voor de boekdrukkunst, en voor de bibliobus.
    En voor de vervreemding. Die is namelijk een rechtstreeks gevolg van de drang naar vrijheid die de leidraad vormt van Fromms historische analyse. Van de middeleeuwen tot de twintigste eeuw heeft de mens afgerekend met wat zijn "oorspronkelijke individualiteit" in de weg stond: met het feodaal stelsel bijvoorbeeld, met de God van de katholieken natuurlijk, en met die van de Reformatie vervolgens ook. Maar de vrijheid die zo gewonnen werd, was toch vooral de bevrijding van wat ons voorheen onderdrukte, en daarom noemt Fromm haar "negatieve vrijheid"; ze blijft gebonden aan wat ze overwon. Juist daardoor voelt de mens zich in het heden, waarin alle grote waarheden overwonnen zouden zijn, meer en meer ontheemd. Hij is de gevangene van zijn "negatieve vrijheid", die hem niet alleen van de verschillende waarheden bevrijdde, maar ook "los scheurde" - een favoriete uitdrukking van Fromm - uit de sociale en metafysische verbanden.
    Om Fromms verhaal af te ronden: vanwege die ontheemding en vervreemding heeft de mens de neiging weer voor zijn eigen vrijheid te vluchten: in autoritarisme, in destructivisme of in automatisch conformisme. Het fascisme en het nazisme zijn van die vlucht het levende bewijs. Maar niet getreurd: het is allemaal een kwestie van het vasthouden aan de verkeerde vrijheid. Fromm heeft de "oorspronkelijke individualiteit" nog achter de hand, en wie zich daarop richt legt uiteindelijk de weg af van een "negatieve" naar een "positieve vrijheid".
    Die "oorspronkelijke individualiteit" ontleent Fromm, die psychoanalyticus was, aan Freud, zij het dat Freud volgens hem nog niet helemaal begrepen had dat kennis van psychologische processen vooral een beter begrip van het maatschappelijk proces dient. Zoals omgekeerd historici, filosofen en sociologen nooit werkelijk hebben begrepen dat kennis van het maatschappelijk proces onmogelijk is zonder kennis van de psychologie. Eigenlijk is de verbinding tussen deze twee gebieden het werkelijke onderwerp van Fromms boek; het vormt ook de leidraad van al zijn andere werken en het was wat hem in zijn eigen vakkring tot een controversiële figuur maakte. Hij schenkt er in
    Escape from Freedom tot vervelens toe aandacht aan. Het is evident dat de "negatieve vrijheid" voor hem een sociologische categorie is, terwijl de "positieve vrijheid" een psychologisch fenomeen vertegenwoordigt. "Positieve vrijheid" is namelijk "verwezenlijking van het persoonlijk Zelf" van de mens: "de expressie van zijn intellectuele, emotionele en zinnelijke mogelijkheden".
    Dat Zelf is Fromms Waarheid, en dat verklaart waarschijnlijk de toonhoogte van dit boek. Het hele boek is geschreven in een stijl die geen tegenspraak duldt en met een aplomb dat een volledig gebrek aan twijfel verraadt. U bent vervreemd, zo zegt het op iedere bladzijde, maar de auteur zelf heeft nergens last van. Hij zweeft ver boven ons en spreekt ons toe vanuit een grote zekerheid. Wie kanttekeningen zou willen maken bij het persoonlijk Zelf en bij de "oorspronkelijke individualiteit" heeft het gewoon niet zo goed begrepen. "Theoretisch ontmoeten wij hier een misvatting omtrent het wezen der liefde," lees ik ergens, en de bedoeling is dat ik met ernst luister naar wat theoretisch gesproken de juiste opvatting omtrent het wezen der liefde is. Maar ik val van mijn stoel van het lachen, juist vanwege Fromms ernstige, steeds goedbedoelende leraarstoontje. Helemaal wanneer ik pagina's verder lees dat mannen die zeggen te willen trouwen dat vaak uit conformisme doen en het eigenlijk niet willen. Het zal een uitvinding van vrouwen zijn? Hebben die geen oorspronkelijke individualiteit misschien? Ik ben ineens nieuwsgierig naar wie in huize Fromm de afwas deed. Het is vooral die uit het godgelijkende Zelf voortkomende toon die maakt dat het stempel 'Afgeschreven' voor in mijn exemplaar me volkomen juist lijkt. Het roept het beeld van één lange rechte weg op, die wij aan Fromms handje moeten aflopen om het licht te zien. Terwijl de weg naar de vrijheid mij veeleer kronkelig lijkt, en misschien zelfs een rotonde is.


    Misschien is het diezelfde rechtlijnigheid die gemaakt heeft dat de onderwijshervormingen van links een bijna tegengesteld effect hebben gesorteerd. Ik moet natuurlijk oppassen dat ik niet ga zeggen dat het neo-fascisme van vandaag de dag eigenlijk een erfenis is van links, maar geheel onschuldig zijn de linkse emancipeerders van weleer toch ook weer niet.
    In theorie waren de onderwijshervormingen heel goed te verdedigen – het heeft links nooit aan goede bedoelingen ontbroken (en rechts al evenmin) -, maar de praktijk liet toch al heel snel zien dat de voorgestelde veranderingen tot verschraling van het aanbod leidden (al zijn links en rechts hier misschien hand in hand gegaan: toepasssing van neo-liberale principes op zoiets als onderwijs heeft desastreuze gevolgen gehad voor de inrichting ervan, ook al hadden ze dan op de korte termijn een gunstige invloed op de begroting). De nadruk op de autonomie van het vrije, zelfstandige individu vereiste inderdaad een haast goddelijke idee, zeker wanneer die ‘autonomie’ niet een negatieve vrijheid mocht vertegenwoordigen, maar een positieve. Je afzetten tegen de waarheden van een voorgaande generatie (zoals onderwijskundigen als Damsma en Griffioen hadden gedaan, en ook degenen die mij in Groningen onderwijskunde doceerden) is één ding , maar daar overheen dan uiteindelijk komen tot de alleen als volstrekt theologisch te begrijpen positieve vrijheid van mijn oorspronkelijke individualiteit? Het was te veel gevraagd voor een volstrekt a-kerkelijk en a-religieus opgevoed iemand als ik.
    Dat protest tegen de voorgaande generatie trouwens ook; die generatie gaf mij nu college immers, en niet alleen droegen velen de haren toen nog op zijn minst hálf-lang en werden wij geacht hen met de voornaam aan te spreken (wat van hen toch vooral toffe gasten maakte, en geen ‘autoriteiten’), bovendien was ik niet per se tegen hun ideeën. Het enige wat ik probeerde was ze problematiseren, destijds. En dat vooral vanuit mijn eigen behoefte om niet al voordat ik wist hoe de vork in de steel zat, te moeten horen dat er op het vlak van kennisinhouden geen absolute waarheden bestonden. Van hen die literatuur gaven, wilde ik weten wat ik moest lezen. Ik had geen boodschap aan de mededeling dat de Canon niet bestond, of dat zo’n Canon een weerspiegeling was van een bepaalde ideologie. Kortom: ik was het beu dat voor mijn generatie blijkbaar gold dat de relativiteit van alle waarheden al aan de formulering van die waarheden vooraf ging. Ons venster op de wereld, op welke wereld dan ook maar, was al van tevoren dichtgetimmerd met de ‘kritische kanttekeningen’ van de voorgaande generatie, die ons vervolgens onze ‘oorspronkelijke individualiteit’ als nieuw geloofsartikel opdrong. Sloterdijk heeft het destijds voor mij het scherpst verwoord toen hij in dat boekje met die onmogelijke titel (Kopernikanische Mobilmachung und ptolemäische Abrüstung (1987)) stelde dat het niet langer mogelijk leek een ervaring ‘nach dem Diktat der Dinge’ te hebben. Het wekte het diepe verlangen om ‘das Wort zum Resonanzboden des Wirklichen zu machen’ (cursivering wederom van mij), en tot iets anders dan het 'Glasperlenspiel' waartoe het was verworden.
    Het werkelijke ontbrak (en ontbreekt), en, daar gaat het dan ten slotte om, het langs linkse lijnen hervormde onderwijs leek er op uit te zijn het ook voorgoed te laten ontbreken; ze weigerde ons te vertellen hoe het zat in de wereld; ze ontnam ons op die manier onder het mom van emancipatie iedere mogelijkheid ons wérkelijk te emanciperen. En, niet in de laatste plaats, creëerde zo een vacuüm waarin enige krachtdadige woorden al voldoende waren om ons te doen geloven dat we met de werkelijke werkelijkheid te maken hadden. In die zin werkte de linkse didactiek mee aan het ontstaan van het huidige neo-fascistische klimaat – al zijn werkelijke schuldigen natuurlijk niet aan te wijzen (hoewel, ik neem het de onderwijskundigen en vakdidactici op de nieuwe lerarenopleiding in Groningen nog steeds kwalijk dat ze de discussie over dit soort zaken steeds lafhartig uit de weg gingen; ik vrees dat ik bij die jongens alras bekend stond als iemand met ‘verkeerde’, dat is: rechtse ideeën, alleen maar omdat ik hamerde op de noodzaak de traditie te kennen, de historische continuïteit te waarborgen, etcetera, en ik het bovendien niet zo had op het creatuur dat genezing moest brengen aan de eendimensionale mens: de 'democratische leraar').
    Enfin, al deze overwegingen voor een stukje van hooguit 1200 woorden, dat ik vrijdag maar niet geschreven kreeg. En daar Hanna en ik ’s avonds na een uurtje tennis nog met onze vrienden Anke en Jerry mee naar huis gingen (mijn moeder, voor een paar dagen hier, paste op Emma), was het zaterdagochtend vier uur voordat we in bed lagen. Ik kon vandaag alleen maar concluderen dat ik maar wéér eens onmatig was geweest met de Chateau de Muguet, dus heb ik vandaag maar wat liggen kraaien naast Emma, af en toe wegsuffend, af en toe wat bladerend in de krant, maar zonder aandrang me af te zonderen in mijn werkkamer.
    En morgen naar Den Haag (Kees (’t Hart) en Euf: hun nieuwe huis bekijken en laffe grappen maken over onze beider bijzetting op de longlist van de Libris-prijs. ‘Ben jij nu al beroemder geworden, Kees, nu je daar op staat? Ik wél hoor.’
    Dan pas verder met dat stuk.

  • Pin it!

    Factie

    Vanavond is er in Victoria in Gent een zogenaamde ‘Factiedag’ - over alles wat er tussen feit en fictie inzit. Dit keer is de aanleiding heel direct: het toneelstuk ‘Aalst’ dat Victoria op de planken wil brengen, een door Dmitri Verhulst geschreven stuk over het proces tegen Maggy Strobbe en haar partner, dat anderhalf jaar geleden plaatsvond. Dubbele kindermoord. De twee kregen levenslang, maar Strobbe meent dat het toneelstuk haar dermate in diskrediet kan brengen dat de vervroegde invrijheidstelling - verwacht over een jaar of drie - in gevaar zou kunnen komen.
    De onvolprezen De Preter liet zich al eerder deze week weer eens van zijn beste kant zien toen hij op pagina twee van De Morgen stelde dat Strobbe niet erg snugger was, want, stelde hij, had zij géén proces aangespannen dan was er hoogstens een recensie geweest in De Morgen, misschien in De Standaard en wellicht nog in De Tijd, en dat dan ook nog eens op cultuurpagina’s ‘helemaal achterin de krant’; het ging per slot van rekening ‘maar om een toneelstuk’. Dat zoiets ongestraft redacteur cultuur blijven mag, is treurig natuurlijk. Dat hij fijn sportverslaggever wordt, of dat ze hem zetten op burenruzies en aanverwante onderwerpen. Ik begrijp niet dat De Preter, of dan toch althans iemand daar bij De Morgen, niet inziet dat deze houding de VB-mentaliteit in de kaart speelt. Van een journalist van De Morgen - zélfs van een journalist - mag men iets anders verwachten, en van een cultuurjournalist zeker; dat hij te allen tijde die cultuur als wezenlijk voor de samenleving verdedigt, bijvoorbeeld, zélfs (of juíst) als zijn hoofdredacteur en/of directeur alleen neoliberaal aan de oplage denkt.
    De hele kwestie is bovendien een gedroomde kans om kunst weer in een meer politiek kader te plaatsen - dat waarvoor veel kunstenaars bang zijn (horigheid aan de macht!). Het is natuurlijk niet de rechter die de grenzen van de artistieke vrijheid moet (laat staan: mag) bepalen, maar die artistieke vrijheid zelf moet altijd een onderzoek zijn naar de mate van vrijheid die in gegeven omstandigheden mogelijk is (in plaats van een haast theologisch te noemen beginsel dat aan het scheppen van kunst vooraf gaat, zoals nu vaak het geval lijkt). Oftewel: fictie die niet tegelijkertijd factie is, is irrelevant. Zoiets ontdek je alleen wanneer je alle fictie beschouwt als datgene wat feitelijk over de hedendaagse werkelijkheid gaat.
    Ik bedoel daarmee per se níét dat een gedicht over maatschappelijk relevante thema’s moet gaan (over wat OP DIT MOMENT zo wordt genoemd), maar dat een ogenschijnlijk maatschappelijk irrelevant gedicht (over een bloesemende kersenboom, over navelpluis, over gelijk wat) altijd naar haar werkelijkheidswaarde beoordeeld dient te worden. Misschien is de wijze waarop in dat gedicht die kersenboom bloeit wel een vlammend protest tegen de wijze waarop bloeiende kersenbomen in onze werkelijkheid gewoonlijk worden voorgesteld, en bloeit er dus in zo’n gedicht méér dan een kersenboom alleen. Het is ingewikkeld om uit te leggen, besef ik steeds. Kunst moet beslist kunst blijven, maar ze maakt als kunst deel uit van de maatschappelijke werkelijkheid en moet ook altijd bekeken worden als deel van die werkelijkheid. Wég met de autonomie van de (institutie) kunst, kortom; zonder het risico van besmetting is kunst een goudvis in een vacuüm.
    In de coulissen mompelen de academici nu: avant-garde, been there, seen that, done that. Avant-garde volgens een bepaalde definitie inderdaad, but not as we know it; juist zoals we het (nog) niet kennen. Wat me er aan doet denken: Sascha Bru’s symposium: ‘Avant-garde now!?’ op 16 en 17 maart, met onder andere oude tijgers als Bürger (kan alleen maar tegenvallen) en Perloff.

  • Pin it!

    Blauw

    Mijn vriend had me vooraf gewaarschuwd. ‘Als ik open doe zal ik eerst zeggen dat ik het ben,’ had hij grappend over de telefoon gezegd. In geen maanden meer naar een kapper geweest - ‘D. deed dat altijd,’ zei hij, en hij had het nodige voorbehoud bij reguliere kappers. ‘Bovendien,’ voegde hij toe, ‘ik moet dan zeggen hoe ik het hebben wil, en ik weet dat niet.’ Dus liet hij het maar zo: lange, grijs-zwarte lokken waar hij vroeger altijd een stekelig jaren tachtig-kapsel had; bakkebaarden die over niet al te lange tijd in volstrekt onverwachte richtingen over zijn gezicht zullen uitzwermen. Hij zag eruit als een personage in een western na een lange, moeizame tocht in het kielzog van een lastige kudde.
    Ik vroeg hoe het met zijn been ging. Een paar weken terug was hij totaal beneveld uit het café teruggekomen en voor een brandende kachel in slaap gesukkeld. Hij was wakker geworden met enorme, open brandwonden op zijn been, had daar nog vrolijk een dagje mee doorgelopen, maar was toen toch maar naar een dokter gestapt. Die had het erover dat het al flink aan het ‘rotten’ was (ach, de medische stand in Nederland), en er dreigde ook nog wondroos. Weken had hij met zijn been omhoog gezeten, en kon niks doen. Onderwijl werd zijn fiets gejat - ‘met kinderzitje,’ zei hij.
    ‘Als het lijkt alsof ik alles tegelijk wil zeggen, dan komt dat omdat ik zes weken in isolatie heb gezeten,’ zei hij, maar uiteindelijk viel het nog wel mee: hij heeft immers altijd al de neiging gehad alles op één en hetzelfde moment te zeggen, onderbreekt zichzelf dan - ‘wacht, daar kom ik zo nog op’ -, maakt zijn eerste verhaal af, heeft er dan alweer drie die hem onderwijl te binnen schoten, om misschien pas een uur later met een ‘o ja, dát wilde ik je nog zeggen’ alsnog te vertellen wat hij al eerder wilde vertellen.
    Zijn nieuwe, juist op tijd gevonden appartement maakte een nog wat haveloze indruk. Ik kende het nog van die keer dat hij en zijn vrouw en, toen nog, één kind er een paar maanden verbleven tijdens de verbouwing van hun huis; ik was er toen één keer, op een avond, geweest. Nu pas zag ik het uitzicht: aan de voorkant een prachtig plantsoen met aan de overzijde veel te dure herenhuizen; achter bomen en een speelplaatsje, de achterkant van een school waar hij vroeger zelf nog opgezeten heeft. ‘Dat was een school voor de rijke mensen,’ zei hij, en grijnsde. ‘Ik moet hier eens wat verven,’ zei hij ook , ‘maar ach, dat komt wel’ - en meteen daarop: ‘o ja! dit moet je even horen! gewéldig! van Kees gekregen, heeft-ie voor mij gekopieerd, waar heb ik het? hier!’ - en hij hield een cd omhoog. ‘Moet je luisteren! Dit kán écht niet. Hélemaal onmogelijk. Maar hij doet het!’ Klinkt Frank Boeijen door de kamer, de titelsong van wat blijkbaar zijn nieuwe cd is, ’Schaduw van de liefde’ - met teksten als ‘laat me leven, laat me sterven’, en uitdrukkingen als ‘de lans van genade’.
    Nee, dit kon niet, nee, maar het is van het soort niet-kunnen dat tegelijkertijd gewéldig is. Als je, zoals ik een aantal jaren geleden in Leeuwarden, veel bij Kees over de vloer komt, dan krijg je nogal eens van dat soort muziek te horen, niet zelden tot afgrijzen van Euf (Kees’ vrouw): sentimentaliteit, tot tandenknarsens toe soms, erger dan B-film en tearjerker, en toch: hoe prachtig. Het is allemaal jaloezie: zelf niet meer in staat zijn zo onomwonden en direct - of dan toch schijnbaar direct - gevoelens - pardon: Gevoelens tot uitdrukking brengen. Schijnbaar direct, natuurlijk, want abstracter dan Boeijen ze formuleert, kan het welhaast niet. Merkwaardig kenmerk van alle ulevellen-poëzie: de hoge graad van abstractie in de woordkeuze en de onmiddellijkheid die daar voor de meesten van uit blijkt te gaan. ‘De lans van genade’ - jezus nog an toe! Maar juist daarom, of daardoor (ik ben niet zeker) prachtig; juist in de volstrekte inauthenticiteit van het poëtisch willen zijn, authentiek door de machteloosheid van de gevonden formulering. Zoiets moet het zijn. Maar daarmee zit ik het al stuk te redeneren, want ik begrijp meteen wat er gaande is zodra ik het hoor, terwijl mijn vriend erbij staat te bulderen van enthousiasme.
    Daarna moesten we maar eens wandelen - Delft in. We kwamen nog op een hoek waarvan mijn vriend zei: ‘hier was je al eens eerder natuurlijk.’ Jaren geleden, nadat ik ooit eens een lang gedicht van hem gepubliceerd had in De XXIe Eeuw, nodigde hij me uit naar Delft om ‘samen het gedicht eens te lopen’. Nog steeds één van mijn merkwaardigste en mooiste ervaringen, en ik heb destijds getwijfeld de volgende passage in ‘De inwijkeling’ op te nemen (uiteindelijk paste het niet):

    Ooit wandelde ik een gedicht. Nadat ik mijn enthousiasme voor één van zijn langere gedichten aan hem kenbaar had gemaakt, nodigde de dichter mij uit om in zijn kleine, maar wereldberoemde stad ‘het gedicht eens te lopen’. Zo zei hij het ongeveer, ‘we gaan het gedicht lopen’. Hoewel het misschien een vreemd voorstel lijkt - ik ging er onmiddellijk op in. Vanaf zijn debuut deed ik al verwoede pogingen zijn poëzie te naderen - in recensies, in essays - en ik moest de dichter, die een zeer ruimhartig mens is, telkens gelijk geven als hij bij de aanvankelijk spaarzame ontmoetingen in de wandelgangen van literaire avonden of recepties glimlachend zijn hoofd schudde en zei dat ik er weer eens niets van begrepen had, zelfs als ik voordien toch dacht een heel klein beetje dichterbij gekomen te zijn. Wat later belde hij na weer een stuk van mij wel eens op en zei op goedmoedige toon: ‘Wat ben je toch een leugenaar’, om vervolgens bulderend in de lach te schieten.
    Op het moment van de uitnodiging begreep ik inmiddels voldoende van zijn poëzie om te beseffen dat het enige begrijpen waartoe ik werkelijk in staat was, in het wandelen zelf zou liggen, in een wandeling die vlakbij het station moest beginnen en dan langs onder meer Westvest, Binnenwatersloot, Wijnhaven, Verwersdijk, Geerweg, Kolk, Noordeinde en dan ook nog de Wateringsevest nabij een grote fabriek zou voeren - namen en lokaties die in dat gedicht vermeld werden. Het werd een betoverende ervaring.
    Tijdens de wandeling praatte hij honderduit - niet over het gedicht, maar over de huizen die we zagen, de verhalen van die huizen, de hofjes die vanaf de straat niet zichtbaar waren, over ramen en uitzichten, over de mensen in de stad, glasblazers, restauranthouders, schilders, maar ook koningen, koninginnen en de Vader des Vaderlands; hij rookte zijn zware shag, ik mijn extra milde, hij gaf me vuur in de holte van zijn hand en op een zeker moment hield hij op een straathoek even stil, keek peinzend voor zich uit en zei: ‘Het gedicht gaat nu die kant op, maar wij gaan hier even rechts; dan pakken we het daarginds wel weer op’ - dat laatste met een geruststellende blik in mijn richting, alsof hij zich zorgen over me maakte. Hij was op stap met iemand die zijn eigen begrip probeerde bij te benen, zo wist hij, en je dan buiten de tekst begeven kon gevaarlijk zijn. Maar rechts van het gedicht lag ook nog iets wat hij mij per se wilde laten zien - een brug? een boom? ik ben het vergeten, misschien was het niet meer dan die glinstering op het water, waarover ik al eens bij hem had gelezen, een glinstering op doortocht die iedereen morrend en vloekend achterliet.
    Zijn bezorgdheid, als dat het was, was niet nodig. Ik liep, keek, rookte, luisterde naar zijn stem, schoot in de lach, voelde de zon op mijn gezicht en dacht aan regen, aan die ene regendruppel uit dat lange gedicht misschien, al betwijfel ik dat ten zeerste. Al wandelend waren de straatstenen, de brugleuningen, het gras tussen de tegels, een over een grachtje scherende meeuw, het licht op het grote marktplein, de terrasjes, parasols - alles, wel of niet binnen dat ene gedicht, was poëzie geworden, en alle poëzie dit: zijn stad, mijn aanwezigheid in die stad, dat uur en de uren die volgden, in een café, aan een eettafel, en later, in het donker, weer op weg naar het station.


    Als ik die wandeling vergelijk met de wandeling die we nu maakten - weer honderduit pratend, hij nog steeds rokend, zich excuserend voor een na een net overwonnen griepje achtergebleven kriebelhoest, terwijl ik zoveel mogelijk van de door hem uitgeblazen rook trachtte te inhaleren (ik stopte ruim zeven maanden geleden, maar blijf natuurlijk levenslang een verslaafde) - als ik vergelijk, dan heb ik toch het gevoel dat er iets verloren raakte in de tussenliggende jaren. We hadden min of meer afgesproken dat dat niet zou gebeuren. Maar het gebeurt. We dronken wat in ‘De klok’, waar de afgang van Ajax afgelopen weekend flink werd gevierd, en de 7-2 overwinning van Feyenoord werd bejubeld, al was het dan op De Graafschap. ‘Dit hadden we wel effe nodig,’ meende er één. Na ‘De klok’ gegeten in de Argentijn. We waren niet treurig, helemaal niet. We waren minder uitbundig dan we geweest zijn in het verleden. We wandelden terug naar mijn auto. Eenmaal op weg vloekte ik zachtjes. Af en toe. Zachtjes. Vloekte ik. Zo nu en dan. En dan uit volle borst meezingen met een ander baken van sentimentaliteit:
    I just want to feel real love
    Feel the home that I live in
    'Cause I got too much life
    Running through my veins
    Going to waste

  • Pin it!

    Bunzing

    Gisterenavond in Passa Porta de presentatie van Daniël Rovers’ eerste boek: ’Bunzing. Over land, literatuur & rijtjeshuizen’. Alweer veel publiek, waaronder een hele delegatie van de familie Rovers uit de Achterhoek. Moeilijk aan Vlamingen uit te leggen waar dat ligt: de Achterhoek. Sommigen veronderstellen (Nederlands-)Limburg, anderen schieten meteen te ver door naar het noorden en denken dat het om een streek in Drenthe gaat, of zelfs Groningen. Zeggen dat het de streek is juist ten zuiden van mijn geboortestreek helpt ook niet. Trek vanuit de Hollandse randstad een rechte lijn naar het oosten, en je komt er ongeveer uit: Doetinchem, Ruurlo, Lochem (waar ik zelf naar de middelbare school ging, 16 kilometer fietsen van mijn woonplaats): (ver) boven Nijmegen, onder Enschede, grofweg.
    Daniël las een van melancholie doordrongen stuk voor over ‘de A’ - met daarin de zin: ‘Die ondragelijke verlatenheid van de wegen voorbij Goor!’ Goor is mijn geboorteplaats. Dat staat voorgoed in je paspoort. Rutger Kopland, die er ook geboren is en met wie ik daar ooit optrad in een nieuw gebouwd cultureel centrum, zei bij die gelegenheid: ‘er wonen geen aardige mensen in Goor’ - doelend op alles wat er in de loop der jaren werd afgebroken (waaronder zijn geboortehuis, geloof ik). Zelf was ik er vorig jaar januari voor het laatst, in verband met de opnamen voor het tv-programma ’De Plek, een initiatief van John Heymans. De (voor tv-oost in Nederland bedoelde) uitzending kreeg ik een maand geleden toegezonden op dvd, en ik hoor en zie mezelf daar zeggen dat Goor me nu een plaats lijkt ‘waar je niet dood wilt gaan’. Wat een lelijkheid, inderdaad, maar, zei ik ook, voortstappend naast Heymans in uiterst druilerig en ijskoud weer, ‘als ik nu straks weer terug ben in Gent, dan herstelt zich vanzelf een idyllischer Goor.’
    Hoe dan ook: Daniël en ik delen op zijn minst een landschap, want hoewel de Achterhoek vanuit het nu ook niet onmiddellijk centraal gelegen Twente net ten noorden ervan, voor mij merkwaardig genoeg toch ook écht achterland was - ik ken de streek goed. En op het internet vind je het zinnetje: ‘Reugebrink. is gelegen in de prachtige Gelderse Achterhoek.’
    Helaas stond de presentatie zelf eniszins onder spanning door, alweer, wat ik maar ‘de Jeremia-affaire’ zal noemen: in zijn boekje haalde Kregting onbesuisd uit naar ‘de firma Bousset’ en daarmee ook naar één van zijn eigen auteurs in de tijd dat hij bij Meulenhoff redacteur was: Stefan Hertmans. Sigrid Bousset, die de avond inleidde, kon het niet laten op haar beurt, zij het volstrekt in het nette, naar Marc uit te halen, die even later, tamelijk sober en zelfs somber voor zijn doen, haast zonder op te kijken, een gedegen inleiding gaf op Daniëls essaybundel. Met Daniël had dat niks te maken, en Daniël betreurde het voorval dan ook.
    Ik heb nog lang met Sigrid over de kwestie staan praten (niet voor het eerst) - maar de oplossingen die ik te bieden heb, zijn vrees ik al een gepasseerd station. Als ik telkens wanneer er in de publieke ruimte lelijke, onware dingen over mij worden verteld, me zo gekwetst zou moeten voelen als zij zich voelt, of me geroepen zou voelen er publiekelijk of anderszins tegenin te gaan, ik zou nu een wrak zijn. Mensen als Onno Blom en Jeroen Vullings hebben over mij de lelijkste dingen geschreven, zogenaamd naar aanleiding van boeken van mij, maar van die boeken zelf is in hun recensies geen spoor terug te vinden, maar dat weten alleen degenen die die boeken al kennen. Joost Zwagerman blijft maar beweren dat ik ten tijde van de Maximalen hem bedreigd zou hebben met fysiek geweld - een verhaal dat hij vertelt om duidelijk te maken hoe verschrikkelijk hevig het er toen aan toeging in de letteren, een verhaal kortom waarmee hij zijn eigen rol in de literatuurgeschiedenis tracht te regisseren - maar niets daarvan is waar. En het hele beeld dat van mij bestaat als één van de grootste bestrijders van die Maximalen is gebaseerd op destijds in de grachtengordel onderling eindeloos doorvertelde verhalen, maar zeker niet op iets wat ik geschreven zou hebben. Men moet er mijn bibliografie maar eens op navlooien. Aan het beeld van mij verandert dat niks. En hoewel ik op al die momenten zelf wel kwaad en ook verongelijkt ben geweest, uiteindelijk rest schouderophalen - met het voordeel dat als ik in meer feestelijke verbanden mensen uit ‘het wereldje’ tegenkom, ik geweldig mee blijk te vallen: helemaal niet die zure, over-kritische, moralistische (vooral dat natuurlijk) zeurpiet die ze verwacht hadden.
    Ik bedoel: waarom het in de literatuur toch altijd uit moet lopen op het beschadigen van personen, terwijl het om de kwestie zou moeten gaan - het is niet goed te begrijpen. Dat er in de Nederlandse kritiek een meer dan schadelijke invloed is uitgegaan van bijvoorbeeld het werk van Du Perron (1899-1940) lijkt mij er maar een gedeeltelijke verklaring voor te zijn. Zijn - en Ter Braaks - ‘personalisme’ is vaak uitgelegd als een vrijbrief om het over het kapsel van een auteur te hebben in plaats van over zijn werk, terwijl het daar bij ‘personalisme’ helemaal niet om gaat. Het zogenaamde ‘personalisme’ wil een literair werk beoordelen op de persoonlijkheid van de schrijver - niet op de persoon van de schrijver. De persoonlijkheid is hier de in het literaire werk (in de vorm) veruiterlijkte auteur.
    Het is bijvoorbeeld de door mij beschreven auteur Jos Joosten in het stuk dat ik, nu alweer twee jaar geleden maakte over zijn essaybundel Onttachtiging (jaargang 2003, nummer 1). Helaas meende hij zelf dat het zijn privé-persoon betrof en sindsdien spreekt hij niet meer met mij (nooit meer ook maar één woord van hem vernomen). Zeker was het een pittig stuk, gesteld op ferme toon, zij het niet fermer dan de toon waarop Joosten zelf gewoonlijk hem onwelgevallige auteurs afserveert. Enfin. Hij was er gisterenavond op verzoek van Daniël ook, en dat zorgt dan altijd voor enige ongemakkelijkheid. Of hoe neuzen prachtig kunnen bloeden. Of nog weer anders gezegd: hoe blijft men soeverein? Hoe keert men zijn rug naar dat alles, met een haast beschermend armgebaar rond de literatuur zelf die men wil blijven koesteren als datgene wat ze, althans voor mij, is en blijft: mijn manier om ‘in de wereld’ te zijn. Haast ironisch: hoe die literatuur bij de eerste aanraking met anderen of het andere verandert in een mijnenveld dat niemand zijn eigen benen gunt.

  • Pin it!

    Minor swing

    'Nu breekt mijn klomp' - of andere woorden van die strekking: in De Morgen vandaag een artikel van Jeroen de Preter over een artikel van Bart Vervaeck over de 37 delen van de Vlaamse Bibliotheek. Schaamteloos overschrijven is dit, en dat onder het mom van citeren. De Preter zelf heeft geen mening, neehee, hij citeert om de andere regel de mening van Vervaeck, en verantwoordt een en ander met: 'Als we Vervaeck mogen geloven - en dat doen we eerlijk gezegd toch nog net iets liever dan al deze romans zelf te doorworstelen...' etc.
    'Eerlijk gezegd'.
    Wel, eerlijk gezegd lijkt me hier het cynisme van de tot society-journalist verworden literair journalist De Preter wel zijn hoogtepunt bereikt te hebben- en het was toch al opvallend met welk een gretigheid De Preter zijn bijdrage leverde aan de Story-achtige column 'Mensen' (in een krant als De Morgen heet dat dan natuurlijk 'ironisch' te zijn, maar men kan daar zo zijn twijfels bij hebben, gezien ook al een katern als Ego, waarin men een tijdlang een huppelkutje over seks liet schrijven terwijl uit elke zin van dat meiske bleek dat ze haar eigen voorkant nog niet van haar eigen achterkant kon onderscheiden - maar dit terzijde). Ik kan natuurlijk niet nalaten om straks Bart een mailtje te sturen om hem op te porren van De Morgen een honorarium te vragen. De Preters stuk heeft niets meer met berichtgeving te maken; dit is Vervaeck (die een paar jaar geleden boos bij De Morgen vertrok als recensent) misbruiken om het gebrek aan eigen mening - nee, niet eens te verhúllen, maar juist uit te venten. Zo'n stuk maakt duidelijk waar althans De Preter op uit is: herrie in de tent, want oei oei, zeggen dat de Vlaamse literatuur van de vorige eeuw maar middelmatig is, dat zal toch wel minstens tegen een paar zere benen schoppen, zo moet hij gedacht hebben. Sensatie, kortom.
    Misselijkmakende journalistiek is dit - en dat in de enige Vlaamse krant die nog enigszins de moeite waard is, zij het dat nu juist daarom die krant zich - vooral in deze dürftiger Zeit - eens goed zou moeten bezinnen op haar eigen vooronderstellingen. Ik kom wel vaker berichten tegen die niet kloppen (zoals laatst over die tot de islam bekeerde Nederlander die in het programma van - what's in a name - Andries Knevel op verzoek van de tv-host zei dat hij niet zou treuren als de heer Wilders het leven liet; in De Morgen werd daarvan gemaakt dat deze islamistische Nederlander Wilders met de dood had bedreigd. Maar dat zei hij niet. Ik op mijn beurt zou geen traan laten als die walgelijke Andries Knevel zijn laatste adem uitblaast; heb ik hem nu met de dood bedreigd?). Intussen wacht ik maar op het stuk van Vervaeck in Ons Erfdeel, om te kijken wat zijn vooronderstellingen waren bij het schrijven van zijn stuk.
    En dat alles na een uiterst genoeglijke avond in de Minor Swing op de Ottogracht te Gent, een klein, huiskamerachtig café waar ik had afgesproken met Jeroen Theunissen, 'om maar weer eens wat te drinken,' zoals dat tussen ons heet. Hij kwam wat verwaaid binnen, modieuze pet op, enveloppe onder zijn arm. Of ik eens naar de inhoud wilde kijken: een novelle die hij juist die middag had afgeschreven. Ik moest kritsich zijn, hem niet sparen. Hij had het, zomaar, ineens, tussendoor geschreven in nogal razende vaart. Ik wil dat eigenlijk vandaag al doen, omdat we elkaar vrijdagavond alweer zien, wanneer we naar Daniël Rovers' boekpresentatie in, alweer, Passa Porta gaan. Ik kan hem dan al mijn eerste indrukken geven. We spraken verder nog over de uitgeverswereld. Zijn poëziebundel verschijnt dit voorjaar bij Meulenhoff/Manteau, maar hij vroeg zich af of hij voor zijn proza niet toch bij een grotere, in ieder geval een Nederlandse uitgeverij moest zitten (zichtbaarheid voor het grote publiek). Anderzijds, zei ik, Verhaeghen is in Nederland toch ook overal besproken (maar komt inderdaad niet voor op de longlist van de Libris - het is een erg 'Vlaams' boek, denk ik, al zou ik niet graag willen uitleggen wat dat dan is). Punt is dat Meulenhoff/Manteau op dit moment de interessantste dingen uitgeeft en van veel durf getuigt. En bovendien zit Harold Polis daar, een uitgever die zich om wat anders bekommert dan de meeste uitgevers vandaag de dag (om literatuur zelf, bijvoorbeeld).
    Jeroen hield ook nog een vurig pleidooi voor één van de genomineerde vsb-bundels, moest toen dringend een koffietje tussendoor, terwijl ik nog maar eens een wijntje nam. Ik moet hem de volgende keer toch eens zeggen dat hij beter gelijk wat water kan bestellen bij zijn wijn; koffie neemt de effecten van alcohol niet echt weg. Vanochtend sliep Emma door tot half tien; ik dus ook. Haar daarna naar de crèche gebracht. Straks lunchen met Hanna. En dan gaan we eens wat doen, zeg!

  • Pin it!

    scrupules

    In het literaire wereldje moet men bij alles héél voorzichtig zijn; het is niet zozeer de buitenwacht die op de loer ligt, maar de leden van de gemeenschap zelf die elkaar het licht in de ogen niet gunnen. Dat is de grootste desillusie voor iemand die met hoge verwachtingen 'de wereld van de literatuur' binnenstapt, en bijvoorbeeld denkt dat die interessante schrijvers en dichters het onderling over literatuur hebben. Soms is dat zo, maar meestal is dat zo onder schrijvers en dichters die je niet in de eerste plaats meer als schrijvers en dichters ziet, maar als de vrienden die ze geworden zijn (ook al leerde je ze eerst als auteur kennen). Vaker gaat het enkel om botsende, enorm opgeblazen ego's - een tros balonnen in een speldenfabriek. Waarschijnlijk is dat onvermijdelijk: iedereen vindt wat hij of zij zelf schrijft uiteraard het beste, of weet dat hij/zij maar beter vol kan houden dat zulks het geval is, omdat er anders van de eigenwaarde helemaal niets meer overblijft.
    En dus ziet iedereen met lede ogen aan hoe Auteur X - die toch waarlijk nog nooit te betrappen is geweest op enig origineel idee, laat staan op een zin die correct geschreven was - maar weer alle lof krijgt of de prijzen in de wacht sleept. Of men foetert op Auteur Y die plotsklaps zitting neemt in de één of andere jury. Zo heeft iemand mij al laten weten dat de vijf genomineerden voor de vsb de door hem/haar (ik laat het in het midden) gepubliceerde bundel wat hem/haar betrof toch echt niet in de schaduw konden zetten. Dat hij/zij me laat weten welke van de in 2004 bundels volgens hem/haar dan wél. Het zou me oprecht interesseren. Nu de discussie over poëzie in de publieke ruimte niet meer wordt gevoerd, moeten we het misschien maar via privé-kanalen blijven doen. In ieder geval bewijst het dat de gedachte dat er in de hedendaagse poëzie geen 'stromingen' of 'richtingen' meer zijn, enige nuancering behoeft.
    Hoe dan ook: Meuleman, Wijnberg, Duinker, Schaffer en Ter Balkt - ik blijf het een mooi lijstje vinden (ook al zijn er bij de deliberaties voor mij dan een paar titels gesneuveld die er wat mij betreft wél in hadden mogen staan; maar als je niet bereid bent tot consensus, moet je geen zitting nemen in een jury). Wél zit ik nu met het probleem dat juist Tom Van de Voorde mij vraagt voor het fonds een promotietekstje te schrijven over Meuleman. Niet omdat ik zelf vind dat zoiets niet zou kunnen, maar omdat het naar buiten toe als een soortement laudatio avant la lettre opgevat zou kunnen worden - terwijl de winnaar écht nog niet vast staat. Maar niet doen dus.

  • Pin it!

    Draesner

    Gisterenavond in Passa Porta Draesner aangehoord. Veel publiek, althans gezellig druk, en met twee honden voor het podiumpje (één van Draesner en één van een, ik geloof Letse auteur die momenteel in residentie verblijft) haast huiselijk.
    Thomas Böhm, die zichzelf net iets te graag hoorde spreken - en in zijn vragen literair aandoende persoonlijke impressies vlocht als was het om op te bieden tegen Draesner -, Böhm interviewde haar eerst, waarna Draesner een fragment voorlas van het in yang vertaalde titelverhaal uit 'Hot Dogs', en Inge Arteel de helft van haar vertaling, waarbij Böhm en Draesner dan af en toe zaten te gniffelen. Daarna kreeg Inge heel even de kans om wat vragen over de vertaling te stellen, maar Böhm nam het alras weer over, en Inge is te aardig en te bescheiden om daar dan nog doorheen te praten. Terwijl er juist in een meer technisch gesprek over het vertalen van Draesners werk iets duidelijk had kunnen worden van wat nu onderbelicht bleef: wat er bij Draesner nu eigenlijk precies op het spel staat. Ze is, wat je kunt noemen, een erg vormbewuste auteur voor wie het beslist niet alleen om het wát van een verhaal gaat, maar ook, en misschien zelfs vooral, om het hóe van het verhaal.
    Althans, dat is wat ik opmaakte uit het verhaal 'Hot Dogs' in yang, en ook uit een fragment van een nieuwe roman, dat ze voorlas. Dat zal een roman zijn over de terroristische aanslag van de PLO in München 1972 (Draesner komt uit München). Die mededeling deed de naast mij gezeten Bert Bultinck al in mijn oor fluisteren: 'Terrorisme is sexy' - en daar grijnsde hij wat bij. Ja, fluisterde ik terug, maar misschien heeft het ook iets met generaties te maken. Ik kon dat op dat moment niet verder uitleggen zonder onbeschoft te worden jegens de rest van de zaal. Maar Draesner is van 1962, en voor die generatie van 'telaatkomers' (de eerste generatie na de alom bejubelde protestgeneratie van mei '68) ligt terrorisme misschien wel heel dicht bij de meer persoonlijke frustraties waaraan deze generatie lijdt. Geweld, zinloos geweld, tegen een allesverstikkende relativiteit die geen uitweg meer biedt, geen enkel zicht op een wereld biedt en die ook altijd elk zicht op welke wereld dan ook maar heeft verhinderd. Enfin: terrorisme is het eindstation voor een generatie voor wie de relativiteit van waarheden al aan de formulering ervan vooraf ging. In die zin is het meer dan alleen een sexy modeverschijnsel.
    En dan: in het fragment dat Draesner voorlas ging het over een kip die door de in 1972 juist nieuw aangelegde metro van München volledig in paniek kakelend en van zich af schijtend rondrent. Dat zat niet alleen goed in de taal - in de zin van: mooi geschreven. Het was ook zo geschreven dat er daar meer ondergescheten raakte dan alleen een treinstel; al op de eerste pagina stuiven de veren in het rond, en bij de aangekondigde thematiek belooft dat wat - tevens: dat stelt hoge eisen aan de auteur die over München 1972 een boek wil schrijven. De vraag hier is, kortom, of wat ik nu maar kortweg 'de stijl' zal noemen, niet al een daad van geweld jegens de lezer is - want dat is wat een auteur van het type Draesner volgens mij nastreeft (al is dit misschien mijn projectie, want ik las nauwelijks iets van haar; kocht gisteren een verhalen- en een dichtbundel). Hoe dat ook zij: het gesprek over de vertaling die Inge maakte, had dienaangaande meer duidelijk kunnen maken.
    Ik had nadien nog wel even willen blijven, om nog wat nader met Draesner te praten (ik maakte voor het programma kort kennis met haar), maar kijk, zei ik tegen Sigrid Bousset, 'het partijbureau wacht' - en ik wees in de richting van Bert Bultinck, Daniël Rovers en Piet Joostens die op mij stonden te wachten om gezamenlijk naar een café te gaan (Monk). Yang on the move. Daar gezeten vervoegde Ruud Goossens het gezelschap; die had vermoedelijk juist, zo begrijp ik uit de krant van vanmorgen, zijn commentaar over Coveliers voor De Morgen geschreven. Het gesprek dwaalde op een zeker moment weer af naar Marc Kregting en diens 'Zij zijn niet van Jeremia'. Ruuds reactie was eigenlijk wel tamelijk ontnuchterend: het was er één van geamuseerdheid, van 'ach, die literaire jongens zijn weer eens onder elkaar bezig' - en ja, ook dat is nog een neveneffect van Kregtings pamflet: dat het de onbelangrijkheid van literatuur voor de buitenwereld juist benadrukt, terwijl het zou moeten gaan om de manieren waarop het grote belang van literaire cultuur verduidelijkt kan worden. Verder nog maar weer eens Kregtings eigen twijfelachtige positie in dat boekske geproblematiseerd en kritisch doorgelicht.
    En dan blijkt dat die literaire jongens onder elkaar nog altijd heerlijk van mening kunnen verschillen en niet voor elkaar onder doen in het vinden van krachtige formuleringen. Gesprekken met een open einde; gesprekken waarin de verbindingen tussen 'het literaire' en 'het politieke', tussen Kregting en Coveliers, om het zo maar te zeggen, eigenlijk wel vanzelfsprekend zijn.
    Nog een opmerking uit die prachtclub: 'Ik vond die Draesner wel wat bourgeois, toch.' Uiteraard van ons redactielid met het Lenin-speldje.
    Op dat moment hoop ik vurig dat we aan zo'n café-tafeltje in dat rokerige etablissement meteen geheel sektarisch worden: samenzweerders in een slecht verlichte ruimte bij glazen bier die straks met nevelige koppen en vervuld van nog mistiger idealen gaan optrekken naar de Wetstraat. Alleen... ik dronk natuurlijk water. Ik moest nog terug met de auto, immers?