|
|
 |
| literair journaal |
 |
01-11-2009 |
Betrouwbaar |
Inmiddels publiceerde De Reactor de recensie die ik schreef over Peter Terrins De bewaker. Vervolgens schrijft Elsbeth Etty in een column dat De reactor zijn inhoud vooral van NRC zou betrekken en zou doen aan 'gratis bevoorrading'. Hoelang kan een mevrouw in haar eigen navel roeren en blijven poseren als kritisch journaliste voordat iemand haar eens de wacht aanzegt, liefst uit haar eigen kringen? En zou zij niet, voor straf, de recensenten die tot nu toe hebben bijgedragen aan De Reactor uit eigen zak de honoraria moeten betalen die bij NRC gebruikelijk zijn? De verwatenheid in journalistieke kringen loopt soms toch echt wel de spuigaten uit.

In DS van dit weekend staat een groot interview met de hoofdredacteuren van de VRT, Liesbet Vrieleman, Kris Hoflack en Wim Willems — en wat me opvalt, is dat de cirkelredenering een van de meest geliefde stijlfiguren van deze dame en heren is. Voorbeeld: de interviewer (Steven De Foer) stelt enkele kritische vragen bij het feit dat het tv-journaal afgelopen maandag opende met de verdwijning van de kleuter Younes. 'Het blijft gaan om één kind', stelt De Foer. 'Erg, maar weinig relevant vergeleken met het wereldnieuws, zoals de start van het proces van de spilfiguur van de laatste grote oorlog in Europa.' Hij krijgt meteen lik op stuk, want het ging om een proces waar de verdachte niet kwam opdagen. 'Dus kozen wij voor het kind'.

Het staat er niet letterlijk, maar eigenlijk bedoelt, in dit geval Wim Willems, dat een lege stoel minder aantrekkelijk is om te laten zien dan ontzette buurtbewoners, rondwadende politiemannen in duikerpakken en een langsscherende helikopter. Bijna pervers is de volgende redenering: 'We zijn allemaal een stuk gevoeliger geworden voor wat er gebeurt met kinderen sinds de affaire-Dutroux in 1996.' Daarmee wordt de aandacht voor de verdwijning van een kind onmiddellijk in de sfeer getrokken van kindermisbruik en andere horror — terwijl daarvoor vooralsnog geen aanleiding is. Ik weet niet of meneer Willems het doorheeft, maar dit is sensatiezucht verkopen als morele bekommernis. Zet dat eens af tegen een opmerking van net daarvoor: 'We zitten in een informatiemaatschappij. Alleen diegenen die betrouwbare informatie kunnen afleveren, zullen overleven.' Ik vind een hoofdredacteur die zo redeneert, weinig betrouwbaar.
Maar mooier nog — en daarmee is de cirkel rond — is de toevoeging van Kris Hoflack nadat Willems de verdwijning van een kleuter als hoofditem van het journaal verdedigd heeft door de affaire Dutroux uit de kast te halen. Hoflack zegt: 'Die verdwijning is het nieuws waarover iedereen praat.' Ja maar… toch pas nádat het journaal die verdwijning tot het wereldnieuws van de dag had bevorderd? Of niet? Het doen voorkomen alsof die verdwijning het hoofditem is omdat iedereen erover praat, lijkt me, alweer, een perverse omkering van wat werkelijk het geval is. En dan: in het journaal hoorden we niets over Trescilla Mahieu (verdwenen op 4 september), Tiphaine Taton (verdwenen op 18 juni), Sylia Kasprowicz (verdwenen op 26 mei), noch lag het journaal dagen met de camera voor het huis van de verdwenen personen om aangeslagen of zelfs verdachte, danwel door voortdurende aandacht verdacht gemaakte personen in beeld te brengen.
  
Op dezelfde manier hoor je tv-mensen altijd praten over 'wat de mensen willen'. Ik denk daarbij altijd: wilden de mensen een iPod voordat die bestond? Nee, enkel nu ze er zijn, willen we graag zo'n MP3-speler hebben. Het geklets over de wensen van de kijker/luisteraar dient alleen maar om te maskeren dat er in plaats van een duidelijk ideologisch gemotiveerd programma eigenlijk alleen plat marktdenken ten grondslag ligt aan wat men bij de tv zoal doet. Dat is ook een ideologie, maar natuurlijk niet één die strookt met de bewering dat betrouwbaarheid hoog in het vaandel staat.
De Foer brengt ook nog even de stiefmoederlijke behandeling van cultuur tersprake. En ja hoor, onmiddellijk is er daar weer de typische Auguste Reyerslaanverkramping: 'Kom zeg,' reageert Liesbet Vrieleman als gestoken, 'we brengen meer cultuur dan ooit. Breed, dat geef ik toe, K3 hoort daar ook bij, maar we werken dan ook voor een breed publiek.' Het punt is natuurlijk dat wanneer er gevraagd wordt naar het aandeel 'cultuur' juist níét K3 wordt bedoeld — dat is showbizz, en daarvoor dient De Rode Loper, een programma dat ik nooit zie omdat het me niet interesseert (ik hoop dat dat mag en dat het niet meteen elitair wordt bevonden). Er is geen reden K3 nog eens op te voeren in een journaal en het 'cultuur' te noemen.
En ja, het is waar: Lieven Vandenhaute heeft een wekelijkse rubriek in Terzake, zoals Kris Hoflack in herinnering brengt. Maar veel meer dan op een Rode Loper-achtige manier over de bekendste figuren uit de wereld van kunst, theater en literatuur spreken, mag hij daar natuurlijk ook niet. Die man heeft meer in zijn mars, denk ik, maar is ook maar gebonden aan het format dat hem grotendeels verhindert om ooit eens werkelijk de diepte in te gaan. Daarvoor is men aan de Reyerslaan als de dood — waarbij de radio dan nog het nodige voorheeft op de tv. Het is de reden dat er maar geen fatsoenlijk boekenprogramma van de grond komt, en dat het enkele kunstprogramma dat er vertoond wordt vaak uit de stal van de BBC, of een enkele keer van de VPRO komt — programma's die dan natuurlijk wel steevast worden uitgezonden op het uur voor adult entertainment. De werkelijke porno van vandaag de dag is in de ogen van de netmanagers vooral de cultuur, zo lijkt het wel.
Maar laat ik niet afdwalen (en afdalen) naar die discussie — die altijd even onverkwikkelijk is, en altijd eindigt in platitudes over 'elitisme' en 'populisme'. Zolang kennis van zaken verward wordt met elitisme is er geen hoop dat de discussie ooit eens op niveau komt. En zolang niet wordt erkend dat het 'werken voor breed publiek' niets anders is dan plat marktdenken dat zijn eigen ideologische vooronderstellingen probeert weg te moffelen achter een soort dienstbaarheid aan de bevolking, komen we met de hele zaak ook niet veel verder. Dat 'brede publiek' is in de ogen van hoofdredacteuren blijkbaar een amorfe klomp gelijkgestemde, gelijkaardige, gelijkbenige, gelijkgeknipte, gelijkgerichte runderen. Werkelijk, je zou bijna gaan veronderstellen dat instellingen als de VRT gebaat zijn bij een dictatoriaal regime dat de koppen eindelijk eens allemaal dezelfde kant op krijgt. Een breed publiek, dames en heren, is een uiterst gediversifieerd publiek — enfin, in wat zich een democratie noemt, althans.
Hoe zei Davies dat ook alweer in Flat Earth News: iets over de morele plicht van de journalistiek om de waarheid weer te geven (nog iets anders dan betrouwbaar zijn, misschien?), en over de onmogelijkheid van objectiviteit. Iedere stiel kent zijn eigen spagaat…
|
|
 |
31-10-2009 |
Bede |

De boekenbeurs wordt wel 'de hoogmis van het boek' genoemd. Eh… nou… kijk eens… Nee, nee, weest u gerust, ik ga niet klagen. Mijn reserve bij een dergelijke omschrijving heeft louter en alleen te maken met mijn invulling van het woord 'boek'. Natuurlijk denk ik als literair schrijver daarbij aan het literaire boek. En hoewel ik alle lof heb voor wat boek.be in de marge van het supermarktgebeuren in de hallen tracht te verwezenlijken (lezingen, interviews, kwesties), een hoogmis voor het literaire boek is die beurs natuurlijk niet. U moet er eens op letten: die rijen literaire auteurs achter hun tafeltjes, met elk een eigen lampje en — nee, niet torenhoge stapels eigen werk (dat is aan literaire kant toch eerder een uitzondering), maar een boekske of tien netjes op een stapel. Ze zitten er met de pen in de aanslag. Ze zijn tot veel bereid, tot veel meer dan de BV's even verderop. En ook tot meer dan de misdaadschrijvers recht tegenover, die wél al drukdoende zijn handtekeningen te zetten.
Zelf wil ik na uren werkeloos toekijken nog wel eens opzettelijk een boekje over de rand van mijn tafeltje duwen, pardoes voor de voeten van een argeloze bezoeker. Die is zo kwaad niet of hij raapt het boek op. Op het moment dat hij het me aanreikt, vraag ik: 'Ah? U wilt een handtekening?' Wat zich daarna afspeelt, is hartverscheurend. De bezoeker wil niet. Maar hij is en blijft een Vlaming, wat betekent dat hij spartelt als een duivel in een wijwatervat. Al is het katholieke schuldgevoel dan weer niet zó sterk ontwikkelt, dat het ook werkelijk lukt op die manier een boek te verkopen. Dat lukte mij maar één keer, waarna ik vervolgens zelf worstelde met mijn eigen schuldgevoel. Daar komt iemand voor deel 88 van SOS Piet en gaat naar huis met iets oneetbaar literairs…
Meestal schuifelen de bezoekers ongeïnteresseerd voorbij. Of ze staan stil voor het tafeltje van een literair auteur, maar dan meer bij toeval: ze wachten in een rij op een handtekening en een smeulende blik van Goedele Liekens die achttien tafels verderop haar nieuwste in een omslag van penisleer gestoken vaginaboek signeert.
Ik klaag niet, bezweer ik u. Ik vraag om uw mededogen.
Al meer dan tien jaar geleden stelde een aantal wetenschappers vast dat literatuur niet langer kon gelden als het trotse middelpunt van onze hedendaagse cultuur — en dat was toen al een open deur. De gedachte dat die plaats is ingenomen door een andersoortige culturele uitingsvorm — film bijvoorbeeld — slaat de plank echter mis. Als het gaat om de vraag wat waarde heeft en wat niet, is tegenwoordig alleen nog de markt beslissend. Ook dat weet iedereen.
Literatuur maakt deel uit van de massacultuur en is afhankelijk geworden van de aandacht die de massamedia eraan wensen toe te kennen, en van de economische normen die de massamarkt stelt. Een andere somberaar (Laurens Vancrevel, ooit literair uitgever) stelde al meer dan twintig jaar geleden dat het volgens hem onvermijdelijk was dat die afhankelijkheid van massamedia en massamarkt uiteindelijk ook de literaire ontwikkeling zelf zou gaan beïnvloeden. En enigszins provocerend stelde hij: "Als de 'consumptieve' literatuur de hoofdstroom wordt van het literaire klimaat van de toekomst, zal het niet minder dan een breuk betekenen in de literaire ontwikkeling vanaf de romantiek, die te vergelijken is met wat er in de Russische literatuur gebeurde toen het zogenaamde socialistische realisme werd voorgeschreven".
Dat laatste is natuurlijk tegen het zere been van de zich vrij wanende neoliberaal: de gedachte dat de markt dictatoriale trekjes vertoont, geen vrije keuze impliceert, maar dwang uitoefent. Toch is het precies dat wat een literair auteur die zich aan dat consumptieve niet zonder meer wil of kan overleveren, achter dat tafeltje op de boekenbeurs ervaart. Hij voelt dat zijn werk niet op zijn merites wordt beoordeeld, maar eenzelfde soort product is als een kookboek of het boek van een BV en dat niet de inherente kwaliteit, maar het uiterlijk vertoon hier beslissend is. En hoezeer elke literaire auteur ook overtuigd is van de maatschappelijke relevantie van zijn literaire werk — gezeten achter zijn tafeltje en niet behorend tot de enkele literaire auteurs die om vaak ondoorgrondelijke redenen wél de aandacht van de massamedia op zich gericht weten, heeft hij het akelige gevoel dat hij van de samenleving zelf wordt uitgesloten. Iedere bezoeker die hem passeert, velt een vernietigend oordeel over wat de auteur zelf als de kern van zijn bestaan beschouwt.
Daarom, als ik u bidden mag: mocht u de komende boekenbeurs langs wanhopig glimlachende auteurs komen, sta even bij hen stil. Blader geïnteresseerd in wat zij schreven. Ze schreven het wel degelijk voor u. Spreek met hen. En wie weet ontdekt ook u in het werk van een volslagen onbekende de schoonheid en de waarde die het vaak wel degelijk bevat.
In: de Morgen, 30-10-2009
|
|
 |
09-10-2009 |
Fenomenen |

Inmiddels vroeg Trouw of ze mijn voorlaatste post op deze site mochten overnemen in hun Letter & Geest-bijlage, waarin die morgen, enigszins bijgevijld, inderdaad verschijnt; inmiddels woonde ik de vrolijke presentatie bij van Annelies Verbekes Vissen redden en las ik, aanvankelijk nog wat katerig, meteen de zondag daarna het boek: haar beste, zo laat zich gemakkelijk vaststellen; en inmiddels loste ik eindelijk een al lang uitstaande schuld in die ik nog had tegenover Met andere zinnen, die mij al maanden geleden vroeg om iets te schrijven over hoe men schrijver wordt — enfin, over hoe ik het uiteindelijk werd.
Een roeping was het niet, zo moest ik nog eens vaststellen (men vergeet zoiets op den duur) — ik voelde me meer geroepen om het onderwijs in te gaan, al ging dat gepaard met het idealisme dat je vroeger waarschijnlijk (ik weet het niet) aantrof bij zendelingen en vandaag de dag misschien nog bij ontwikkelingswerkers: een haast al te romantisch aandoende bekommernis over het welbevinden van De Jeugd en De Wereld en van die dingen. Ik heb daar al eens flink de draak mee gestoken in Het grote uitstel, zij het toch ook daar met hetzelfde dubbele gevoel als waarmee ik het hier doe. Ik heb een goede vriend die in het onderwijs staat, in Rotterdam, op wat in Nederland een 'zwarte school' heet, en als iedereen (vooral beleidsmakers) ook maar de helft van zijn engagement zou hebben, stond het Nederlandse onderwijs er heel wat beter voor.
Maar een 'schriftelijke natuur' heb ik wel altijd gehad, zo bleek mij een paar maanden geleden nog eens toen ik voor een interview en voordracht afreisde naar mijn geboortestreek en mensen mij vertelden dat ik 'altijd al schreef'. Maar toch zonder ambitie er ooit een carrière van te maken. Enfin, 'carrière'… Ik kom uit een generatie die sociologen wel de 'Lost Generation' hebben genoemd. Nu doen sociologen dat wel vaker, en ik geloof dat er in zowat elk decennium van de vorige eeuw wel zo'n verloren generatie wordt opgemerkt. Maar in dit geval houdt het onder andere verband met de economische crisis van 1973-1985, die maakte dat wij studeerden voor een werkeloosheidsuitkering. Een generatie van al op voorhand stukgelopen idealisme, als ik het dramatisch wil zeggen — waarvan er, vrees ik, in Nederland nu heel veel voor Wilders stemmen. No Future. Een generatie die graag met een beschuldigende vinger naar de mei '68-ers wees — voor een deel heus terecht — maar ondertussen ook niets heeft gedaan aan wat dan ook maar. Wij hadden gemakkelijk het milieu kunnen redden. Ik zeg maar iets. Het rapport van de Club van Rome was er al in 1973; 1970 was 'het jaar van de natuur', maar het enige wat ik daarvan zelf werkelijk heb overgehouden (ik was toen tien), is dat je geen snoeppapiertjes, sigarettenpeuken of andere zaken op de grond gooit, zodat ik soms honderden meters lang met een servetje in mijn hand loop alvorens het in een vuilnisbak te deponeren. Ik voel me daar nog steeds enorm Goed bij. En ja, ik wachtte tot mijn 27ste alvorens dan toch uiteindelijk maar mijn rijbewijs te halen, waarna ik onmiddellijk in onverantwoorde oude, vervuilende wrakken de weg op ging — terwijl ik mijn geweten nu sus met een lage CO2-uitstoot, maar weer geen roetfilter heb.
'Carrière' was voor mijn generatie een vies woord. Ik heb de zichzelf uitventende schrijvers in mijn omgeving dan ook altijd verdacht gevonden, al maakte ik daarbij ook wel eens vergissingen. Het is me wel gebeurd dat ik de hype die rond een bepaalde schrijver ontstond vooral die schrijver zelf verweet. Ik heb bijvoorbeeld Anna Enquist ooit in De Groene Amsterdammer met grof geschut in de hoek gezet. De felheid waarmee ik dat deed, was heel wat minder geweest als ik me enkel had beperkt tot mijn mening over haar poëzie, die ik niet goed vond. Zoiets valt uit te leggen en te beargumenteren. Maar Enquist werd (door anderen) verheven tot exportproduct van de Nederlandse letteren — en dat was in mijn ogen volkomen onterecht als je keek naar wat er binnen die letteren verder nog aan poëzie verscheen. Ik maakte het nog niet zo bont als Bindervoet & Henkes destijds, die Enquists werk 'gehoest uit een kale kut' noemden, maar wat ik ervan maakte, was al bont genoeg. Ik ging van de poëzie over op de persoon van de dichteres.
Wat dat aangaat was een stuk dat ik ooit schreef over Ronald Giphart meer terzake — en ik herinner me nog een ellenlange discussie met de chef cultuur van het dagblad waarvoor ik toen recensies schreef. Met dit stuk, zei hij, maakte ik mezelf als literatuurrecensent van een literatuurbijlage eigenlijk onmogelijk. Ik zag dat natuurlijk anders: ik had het over een 'radeloze literaire kritiek' en zag mijn eigen stuk als een bijdrage aan een discussie over de grondslagen van die literaire kritiek. Dat was misschien ook weer wat overdreven — enfin, afgemeten aan de lengte van dat betreffende stukje dan toch.
Wel opmerkelijk trouwens dat de discussies die ik in die jaren regelmatig voerde met die 'chef kunst' überhaupt mogelijk waren — dat die man die discussies telkens weer met mij aanging: de botsing tussen journalistieke en meer literaire mores stond voortdurend op de agenda, bijvoorbeeld als er 'een nieuwe Reve' verscheen, 'een nieuwe Brouwers', 'een nieuwe Mulisch' of een nieuwe-wie-dan-ook-maar-op-voorhand-Belangwekkend-werd-geacht. Die moest ik dan natuurlijk onmiddellijk, liefst zo snel mogelijk (het raadsel van de haast in boekenbijlages), 'doen'. Het was 'een belangrijk boek'. Je bedoelt dat het een boek is van een bekende schrijver, zei ik dan, en emmerde wat door over het verschil tussen bekendheid en literair belang. Om vervolgens natuurlijk toch gewoon snel snel over dat boek te schrijven — want dat de journalistieke mores hier een en ander dicteerden was mij ook wel duidelijk. Er was ook geen verplichting het betreffende boek goed of belangrijk te vinden. Mijn vrijheid om te oordelen was niet in het geding, alleen mijn vrijheid om zelf te kiezen wat ik belangrijk genoeg vond om te beoordelen.

Vandaag zie ik in De Standaard der Letteren Mark Cloostermans vanuit precies eenzelfde soort irritatie van leer trekken tegen Paul Baeten Gronda. Principieel is de volgende passage:
Baeten (...) is de gênantste exponent van een kwalijk fenomeen. De laatste jaren zien we een een sterke toename van het element 'vriendjespolitiek' in het literaire landschap. Cultuurpausen zetten de vaste recensent buitenspel en toeteren dat x of y, geheel toevallig een medewerker van hun krant of bedrijf, een meesterwerk geschreven heeft. Dat getoeter klinkt dermate luid dat andere media het nieuws moeten overnemen, zodat x of y in de ginnegapshows op tv terechtkomt en zijn verkoop ziet stijgen. Zij krijgen bovendien het gezelschap van schrijvers die weinig literairs presteren, maar beschikken over een leuk snoetje (Naema Tahir) of een opinie die ons welgevallig is (Kader Abdollah en zijn 'de Profeet is een toffe gast'-show)
Hier lijkt de irritatie over het reilen en zeilen van de mediagestuurde samenleving (ik hoor het Phara de Aguirre alweer wat verongelijkt vragen: 'oh, wij hebben het weer gedaan zeker?' — jazeker, mevrouw) de overhand te hebben gekregen over het literaire oordeel over de roman. Niet dat het ontbreekt: ik kan uit zijn stuk opmaken dat hij van mening is dat Baeten Gronda niet weet hoe je een roman opbouwt, en hij ergert zich ook duidelijk aan de misantropie van de personages. Nu las ik Baeten Gronda's nieuwste — Kentucky, mijn land — nog niet, en met wat Cloostermans over Nemen wij dan samen afscheid van de liefde schrijft in dit stuk ben ik het niet helemaal eens, al had ik bij het lezen van dat boek aanvankelijk zeer grote reserve's. Uiteindelijk vond ik het toch overtuigend.
Maar nee, inderdaad niet het meesterwerk dat Yves Desmet er destijds van maakte in De Morgen. Het heeft ook bijna iets onrechtvaardigs om een debutant meteen op te zadelen met een meesterwerk. Als Nemen wij dan samen afscheid van de liefde iets was, dan was het een verdienstelijk, maar ook tamelijk voorspelbaar debuut van een nog jonge schrijver die voor zijn literaire ontwikkeling misschien meer gebaat was geweest bij wat rust in de tent dan bij de overvloedige media-aandacht die hem ten deel is gevallen. In De Laatste Show zit hij net een beetje te veel datgene te doen waartoe de media hem, en elke schrijver, altijd min of meer lijken te willen veroordelen: leuk zijn, dat is: vooral niet moeilijk doen (je mag op tv alleen serieus worden als je net een vliegtuigcrash hebt overleefd terwijl je goed op weg bent om te genezen van kanker nadat je eerst al je familie hebt verloren bij de aanslag op de Twin Towers en daar vervolgens een 'echt waar gebeurd'-boek over geschreven hebt). Maar of Baeten Gronda daarmee nu 'de gênanste exponent van een kwalijk fenomeen' wordt?
Het is maar de vraag waar voor jezelf de grens van je eigen integriteit ligt. Er zijn auteurs die manmoedig het spreekwoordelijke zolderkamertje verkiezen boven welk schijnwerperlicht ook. Maar de tijd dat je nog kon rekenen op de goede bedoelingen van een literaire uitgever — die zelf toch altijd nog kwaliteit boven economisch succes prefereerde (zei hij), hoezeer hij ook zijn bestsellerauteurs nodig had (zei hij) om via een systeem van 'interne subsidiëring' met de winst het kwalitatief hoogstaande (beweerde hij), maar nu eenmaal slecht of slechter verkopende werk te betalen — die tijd lijkt toch al enige tijd voorbij. Het getuigt zelfs van grenzeloze naïviteit om van een uitgever enige poëticale coherentie te verwachten — en zelfs de, vaak kleine uitgeverijen die in hun fondsvorming wel iets dergelijks na lijken te streven (denk aan IJzer of Vantilt), wachten op verkoopssucces om hun eigen idealisme te financieren. Op een zolderkamertje gaan zitten, betekent meestal monddood gemaakt worden, of jezelf monddood maken.
Dat betekent niet dat je je maar moet overgeven aan het society-gebeuren van de literatuur, dat in toenemende mate bepalend is voor wat we nog literatuur noemen. Baeten Gronda is in De Morgen gehypet, zoals ook Erwin Mortier het zonder de hype in diezelfde krant niet tot een van Vlaanderens belangrijkste schrijvers had gebracht — zeker niet meteen vanaf zijn debuut, dat, althans in mijn ogen, literair gesproken ook heel wat minder spectaculair was dan men het deed voorkomen. Maar anderzijds: we weten hoe het op dit moment met de literatuur is gesteld. Er is de waanzinnig hoge omloopsnelheid van boeken, er is het continue verwijt van elitisme van een al te mondige buitenwacht die warenkennis met arrogantie verwart, er is de definiërende kracht van de media, die vaak zonder rekenschap af te leggen bepaalt wat vandaag de dag relevant mag heten en wat niet. Men mag het schrijvers niet al te zeer kwalijk nemen dat ze de kans die hen geboden wordt, dan ook maar grijpen. Het is vaak de enige mogelijkheid op zichtbaarheid in wat tegenwoordig 'de boekenmarkt' heet, een markt waar literatuur al lang verdrongen is door boekjes van tv-persoonlijkheden die alle aandacht naar zich toezuigen — men neme de vorige en alle komende boekenbeurzen maar als voorbeeld. Als literair schrijver voelt men zich daar gewoonlijk slecht op zijn plaats.
Het werkelijke probleem lijkt me dus te liggen in het feit dat literatuur aan de leiband van de media loopt, die zich op haar beurt voor het grootste deel heeft uitgeleverd aan de markt. Daar maken de boekenbijlages natuurlijk ook zelf deel van uit. 'Ik denk wel eens dat het tegenwoordig de voornaamste taak is van een boekenbijlage om mensen te waarschuwen voor aperte oplichters, aangeprezen door personaliteiten op sleutelposities die er geen belang bij hebben om te wijzen op het literaire falen van hun chouchous,' zo stelde Cloostermans ook nog in zijn stuk. Zeker weten doe ik het niet, maar ik vermoed dat Cloostermans met dat standpunt binnen De Standaard der Letteren toch tamelijk alleen staat, want uiteindelijk volgt ook DSL de actualiteit die elders wordt gedefinieerd en kan ze zich de heroïsche onafhankelijkheid die Cloostermans zich hier droomt, niet permitteren. Ik wijs alleen maar op het sterrensysteem in die bijlage. En ja, Cloostermans laat hier dan het 'literaire falen' van Baeten Gronda zien, maar voor wat betreft diens debuut ben ik het bijvoorbeeld al niet helemaal met hem eens. Ik vermoed toch dat hier zijn irritatie over de mannetjesmakerij in de letteren de bovenhand kreeg over een werkelijk afgewogen oordeel. Ik ken het gevoel.
En Baeten Gronda? Hij is geen Giphart. Met die onzin in De Laatste Show zou hij beter ophouden. Het is erover. Hij is geen entertainer, al is hij dan evenmin een muurbloempje. Ik sprak hem enige tijd terug toen wij beiden in een programma van Behoud de Begeerte optraden. We hadden het toen even over die grote aandacht voor zijn boek. 'Geniet ervan', was het enige wat ik zei, en wat truttig: 'het blijft namelijk niet duren'.
|
|
 |
|
 |
 |
474069
|
 |
 |
| Te zien / te horen |
 |
 |
*27 november, tijdstip volgt Perdu Amsterdam, lezing n.a.v. Liedjes van Gorter
*23 februari, tijdstip en locatie volgen: Haute Koture, Antwerpen.
*18 maart, 14.30 uur: Gemeenschapscentrum De Zeyp
Van Overbekelaan 164
Ganshoren-Brussel.
*24 maart, tijdstip volgt: Bibliotheek Evergem.
|
 |
 |
© Koen Broos
|
 |
 |
| Bio |
 |
 |
Marc Reugebrink (1960, Goor) woonde jarenlang in Groningen, waar hij studeerde aan zowel de lerarenopleiding (Nederlands en Engels) als aan de universiteit (Nederlandse taal- en letterkunde). Hij was voorts nog vier jaar als aio aan die universiteit verbonden. Medio jaren tachtig maakte hij deel uit van de redactie van het literatuurfestival Herfstschrift, voordat hij in 1988 als dichter debuteerde bij De Bezige Bij (Komgrond, waarvoor hij de Van der Hoogtprijs 1989 kreeg; in 1987 kreeg hij voor zijn poëzie het Hendrik de Vriesstipendium van de stad Groningen). In 1991 volgde Wade. Onderwijl maakte hij samen met Joost Niemöller en Xandra Schutte deel uit van de redactie van het literaire tijdschrift De XXIe Eeuw (Bert Bakker, 1990-1993), en trad hij nadien, in 1994, toe tot de redactie van het algemeen-culturele tijdschrift De Gids (Meulenhoff). Hij verliet de redactie in 1999. Tegelijkertijd schreef hij een korte tijd poëziekritieken voor de Volkskrant, en werkte hij van eind jaren tachtig tot medio jaren negentig als recensent voor het Nieuwsblad van het noorden (thans Dagblad van het noorden) en bijna tien jaar voor De groene Amsterdammer. In 1995 verhuisde hij naar Leeuwarden, waar hij in het bestuur van de Stichting Literaire Activiteiten Leeuwarden zat. In 1997 verhuisde hij naar Haarlem, waar hij maar een korte tijd verbleef. In 1998 verscheen Wild vlees, zijn eerste roman, waarvan op instigatie van het literaire tijdschrift Parmentier een toneelstuk werd gemaakt in samenwerking met regisseur Jeroen Kriek van Growing up in Public en het Arnhemse InDependance. Het stuk (een monoloog) beleefde meerdere opvoeringen in Arnhem, Nijmegen, Leeuwarden en Amsterdam. Datzelfde jaar trok hij naar Gent, waar hij thans nog woont en werkt. In 2002 verscheen bij Meulenhoff de essaybundel De inwijkeling, en in 2004 Touchdown, zijn tweede roman (longlist Gouden Uil en longlist Librisprijs). In 2007 verscheen de roman Het grote uitstel bij Meulenhoff / Manteau (Gouden Uil 2008, 'Tiplijst' AKO, genomineerd voor De Inktaap en voor de Gerard Walschapprijs). Van 2001 tot en met 2008 was hij redacteur van het onafhankelijke literaire tijdschrift yang. Reugebrink schrijft regelmatig voor onder meer De Morgen, De Standaard en De Leeswolf.
|
 |
|