02-12-14

It's not the economy, stupid!

In 2011 mocht ik voor De Standaard het zogeheten 'kerstessay' schrijven: vier dagen achter elkaar over de volle breedte van twee pagina's. Ik voerde in mijn eerste bijdrage een personage uit de film Network (1976) op: Howard Beal, een nieuwsanker dat op een zeker moment uit de bocht vliegt en (in de film) heel New York, of zelfs de complete Verenigde Staten van Amerika op de been krijgt met zijn oproep aan de kijker om op te staan uit zijn zetel, het raam te openen en uit alle macht te roepen: I'm mad as hell, and I'm not going to take this anymore. 'Ik ben een mens godverdomme', 'My life has value'. 

Het leverde een voorpagina op die mij op een paar stichtelijke mails kwam te staan van mensen die vonden dat ik niet mocht vloeken, dat het een schande was, nodeloos kwetsend zelfs. Mijn uitleg aan enkelen onder hen dat niet ik, maar Howard Beal degene was van wie de vloek afkomstig was, viel bij die paar fatsoensrakkers in dovemansoren.

screenshot_145.jpg

Fatsoensrakkers…

Het ene fatsoen is het andere niet. In de laatste aflevering van het kerstessay schreef ik onder meer het volgende over wat ik — retorische truc — inmiddels al niet meer omschreef als 'mijn woede' (of die van Howard Beal) over de wijze waarop politiek, media en bedrijfsleven mijn gevoel voor wat menselijk is simpelweg terzijde schoven, maar als 'onze woede'. Ik schreef:

'Onze woede is niet in de eerste plaats politiek van aard. Ze is vooral moreel. De niets en niemand ontziende wijze waarmee het bedrijfsleven opereert, de totale verwildering in de financiële wereld, de als een godheid opgevoerde markt waartegen niemand iets vermag — het duidt op een diepgewortelde immoraliteit die ons onder het mom van vrijheid als het enig mogelijk wordt opgedrongen. De politici die daar achteraan rennen — met de nodige gretigheid als ze rechts zijn, met defaitisme als ze ooit links waren — zijn hun morele kompas compleet kwijtgeraakt. Ze weten niet meer wat fatsoenlijk is.'

Ergens vorige week postte Stefan Hertmans op Facebook een bericht waarin hij stelde dat het hoog tijd was dat kleine ondernemers zich niet langer solidair verklaarden met de grote, want de problemen van de eerste hadden maar weinig van doen met die van de tweede. "De kleine ondernemer ondervindt vergelijkbare problemen als de loontrekkende," schreef hij, "ook hij zou gebaat zijn bij vermogenswinstbelasting.Tijd dat die doelgroep zich niet langer laat gebruiken door het groot kapitaal en eindelijk kritisch over de eigen positie nadenkt: hun vermogen zal heus niet belast moeten worden, ze zullen integendeel behoren tot de sociale doelgroep die door een rechtvaardiger fiscaliteit net enige verlichting van de fiscale druk op de werkenden zou kunnen ondervinden".

Het bericht ging vrijwel onmiddellijk viraal, en Hertmans kreeg van zowel De Morgen als van Radio 1 en het VRT-programma Reyers Laat het verzoek om een en ander nog eens toe te lichten. In Reyers Laat schoof ook econoom Geert Noels aan. Het mooiste moment vindt plaats rond minuut 7, wanneer Hertmans nadrukkelijk zegt als burger en als leek niet politiek te denken en ook niet economisch, maar moreel. De reactie van Noels, die wat ongemakkelijk lijkt te worden van het appel aan de moraal, gaat onmiddellijk weer over het politieke. Zoiets als Luxleaks, zegt hij, was geen fraude; het was wettelijk. Wat hij op dat moment niet begrijpt, is dat wat wettelijk is, niet per se moreel is. Dat de basis waarop de wetten zijn gemaakt die dergelijke financiële constructies toestaan, immoreel is. Noels wordt op dat moment het levende voorbeeld van de econoom die alleen binnen de gegeven vooronderstellingen weet te blijven, en die niet begrijpt (of wil begrijpen) dat we anders moeten denken.

(Grappig in dit verband is dat hij in dezelfde uitzending, wanneer Naomi Klein inmiddels is aangeschoven, er veel nadruk op legt dat niet het (lees: kapitalistische) Westen de meeste vervuiling veroorzaakt, maar (lees: het communistische) China, alsof hij op dit punt de Koude Oorlog nog eens wil oprakelen en de superioriteit van het 'vrije' westen tegenover de minderwaardigheid van het communisme nog eens op tafel wil leggen — daarbij vergetend dat China onder andere zo veel vervuilt omdat dat superieure kapitalistische Westen daar de goedkope arbeid vindt die in het Westen niet meer voorhanden is: de sweatshops, de kinderarbeid en de, tot voor kort, gebrekkige wetgeving op het gebied van milieu. Ik wil het hier zeker niet omdraaien, maar Noels' reacties zetten hem toch neer als een erg verstokte professor die moeite heeft met paradigmawisselingen).

De politicus die bij de vaststelling van economische groei (hoe gering ook) zegt dat het weer de goede kant uitgaat, dat we de zaken weer 'op de rails' lijken te krijgen, begrijpt niet dat het spoor de verkeerde kant opgaat, dat die rails dringend opgebroken moeten worden. Dat we af moeten van de gedachte dat groei in de huidige economische en politieke betekenis van het woord iets is wat we nog zouden moeten of zelfs maar kunnen nastreven.

Werkelijk iets veranderen vraagt om meer dan wat simpele, en in het licht van het uitgestippelde programma dan ook nog eens bedriegelijke slogans van de N-VA.

It's not the economy.

Het duurt lang voor zoiets doorsijpelt. En het hangt er ook sterk van af waar iets doorsijpelt, zo lijkt het. Begin 2014 schreef Selma Franssen op de site De Wereld Morgen al over het feit dat Vlaanderen vier keer zoveel in bedrijfswagens investeert als in De Lijn, een artikel dat een samenvatting was van een discussie die toen al werd gevoerd. Toch duurt het totdat Dave Sinardet het nog eens opschrijft in De Tijd voordat er eindelijk iets begint te bewegen in deze zaak. Je kunt nu overal op Facebook en bijvoorbeeld ook in De Standaard Avond lezen dat het allemaal met zijn column in De Tijd begonnen zou zijn: een petitie, een reactie van de bevoegde minister en al onmiddellijk de old skool-denkers van Open VLD die er tegen gekant zijn. Misschien was het feit dat Sinardet het nu in De Tijd schreef, meer een krant voor ondernemers immers, dat het nu wel werd opgepikt? 

It's not the economy — het is de moraal. Stakingen kosten aan de economie zo-en-zoveel, een argument dat wordt gebruikt om stakers weg te zetten als mensen die ten onrechte opkomen voor bepaalde rechten, als mensen die het slecht voor hebben met de mensheid. Dat files veel kosten wordt door bedrijven ook vaak en gretig becijferd, en ook dan gaat het om 'economische schade' die voorkomen had kunnen worden met zestienbaans autowegen en achtbaans bruggen. Maar in geen van die sommetjes wordt ooit de milieukost verdisconteerd. Nooit wordt in de cijfers betrokken dat er zonder files en zonder stakingen ook enorme kosten zijn aan de wijze waarop onze economie dagelijks 'op de rails' staat. En ook dat gaat terug op uiteindelijk een morele keuze: de keuze de (eigen) winst voor te laten gaan op het (algemeen) welzijn.

Erst kommt das Fressen, dann kommt die Moral? Zelfs een linkse aap als Bertold Brecht kon niet voorzien dat die zinsnede vooral misbruikt zou worden door hen die met een bedenkelijke morele instelling vooral het eigen gewin voorop plaatsen. De moraal is niet het 'hogere', dat misschien inderdaad van minder belang is als je honger hebt; zij ligt aan de basis, ze gaat aan onze besluiten vooraf. De werkelijke verandering begint daar waar men zich van dat gegeven bewust is.   

 

14:46 Gepost door MR | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | |

30-10-14

De Val van Antwerpen

They don't give a fuck, schreef ik een paar maanden geleden in de krant (zie hieronder), en ik had het toen over onder meer WPG, over concerndenkers die het over 'het boekbedrijf' hebben, maar nauwelijks weten wat dat is: een boek. Het is iets anders dan een onderbroek. Het definieert zichzelf per titel, al laten meerdere titels zich wel samenvoegen: je hebt kookboeken, je hebt literaire fictie, literaire non-fictie (al houd ik niet zo van de termen 'fictie' en 'non-fictie'), er is de thriller, het knutselboek, de jeugd- en volwassenenliteratuur. Aan de vooravond van alweer een Antwerpse boekenbeurs, lijken dergelijke onderscheidingen futiel. Die boekenbeurs lijkt in velerlei opzichten de veruitwendiging van het concerndenken te zijn: er liggen daar boeken. Punt. Een kookboek verschilt er niet van een literaire roman — tenzij dan in de mate waarin het verkocht wordt.

Dat laatste maakte waarschijnlijk dat de Vlaamse steruitgever Andre Van Halewijck het gisteren in Terzake op Canvas (vanaf 17 min., 20 sec.) nodig vond om de auteurs die die dag uit de krant moesten vernemen dat De Bezige Bij Antwerpen werd opgedoekt, de B-status toe te kennen. De Bezige Bij Antwerpen, zo zei dit uitgeefwonder, speelde altijd al met een B-elftal. Dat de heer Van Halewijck zelf niets anders kan voorleggen dan de boekjes van volkskok Jeroen Meus, en dat zijn uitgeverij meteen op de fles gaat wanneer het volk de strapatsen van die jongen eindelijk beu zal zijn (dat moment komt onherroepelijk; wat in de mode is, raakt uit de mode (kijk naar Piet Huysentruyt)) maakt een dergelijke uitspraak des te kwalijker. Voor de goede orde, daarmee viseer ik noch Meus noch enige andere corryfee uit het blik BV's dat ieder jaar op de Boekenbeurs boekjes ter signering aanbiedt. Ik viseer alleen de heer Van Halewijck, voor wie kwaliteit gelijk staat aan kwantiteit en die alleen al daarom het 'boekenvak' beter zou verruilen voor het verkopen van fopspenen.

Het 'B-elftal' intussen is in alle staten. Een mail van de heren Clement en Pröpper later op de dag moest de indruk wekken dat de krant het verkeerde bericht de wereld had ingestuurd. Dat was mij kort voor die mail ook al telefonisch meegedeeld door iemand van De Bezige Bij Amsterdam, want sommigen van het B-elftal werden gebeld. Ik was er na dat telefoontje meteen al niet gerust in. De nieuwe constructie waarvan sprake is, maakt van wat tot op heden een Vlaamse uitgeverij was toch vooral een dépendance van de Amsterdamse branche, ondanks de beloofde 'topredacteur' en de verzekering dat aan de Mechelsesteenweg (waar WPG huist) heus nog wel publiciteitsmedewerkers de boeken van de Vlaamse auteurs zullen promoten.

"Inhoudelijk zal hij samenwerken met het hele redactionele apparaat in Amsterdam, dat is een enorme verrijking die auteurs meer nog dan nu gesprekspartners biedt om hun talent in de hoogste mate te kunnen ontplooien", zo staat er in de mail van Pröpper/Clement over die topredacteur. Tot nu toe was het zo dat de topuitgever die er zat — Harold Polis — niet zelden alle zeilen bij moest zetten om in Amsterdam verkocht te krijgen wat hij in Vlaanderen wilde uitgeven. We hebben het daar vroeger vaak genoeg over gehad. In de nu voorgestelde constructie zal dat nog moeilijker worden. De verrijking die De Bezige Bij Antwerpen bood, was nu juist dat er hier dingen werden uitgegeven waar geen Amsterdammer een poot naar had willen uitsteken — vaak omdat men daar geen enkele voeling had met wat ten zuiden van de Moerdijk leeft. Zonder er hier nu onmiddellijk weer een broederstrijd tussen Nederland en Vlaanderen van te willen maken, maar de Hollander staat niet echt bekend om zijn empathisch vermogen.

De vraag is ook wie die rol van 'topredacteur'-onder-Hollandse-curatele op zich zal willen nemen. Het is op voorhand een ondankbare taak, omdat gehoorzaamheid aan de directieven uit Nederland nu al deel uit lijkt te maken van de jobomschrijving. Van wie op voorhand al zoveel volgzaamheid wordt geëist, kun je niet ook nog verwachten dat hij doet wat een echte topredacteur zou doen: risico's nemen, verrassende keuzes maken, innovatief zijn. Hij zal al te vaak van een koude kermis thuiskomen als hij voor Nederlanders onbegrijpelijke keuzes maakt — zelfs al zou die topredacteur aanvankelijk enig krediet krijgen. De 'verrijking' waar Clement en Pröpper het over hebben, lijkt me gezien de door DBBA de afgelopen jaren gevoerde moeizame strijd om dat uit te geven wat ze wilde uitgeven dan ook eerder een verarming, een verdere verschraling te worden.

De grondtoon van dit alles is er natuurlijk één van wantrouwen. De managementspeak in de mail van Clement en Pröpper overtuigt hier geen enkele auteur, toch niet de auteurs die het woord nemen. We kennen dat riedeltje inmiddels maar al te goed. Of zoals Jeroen Theunissen het gisterenavond in Terzake zei: dit soort desastreuze maatregelen wordt gewoonlijk verkocht als een opportuniteit, als een nieuwe kans die voor het grijpen zou liggen. Maar het punt is dat voor veel auteurs van DBBA, DBBA zelf de opportuniteit was na jaren van toch stiefmoederlijke behandeling door uitgevers in Amsterdam. Dat kan toen, en is misschien ook nu, een kwestie van perceptie — ik twijfel niet aan de integriteit van de mensen die in Amsterdam aan de basis het werk doen — maar die perceptie komt wel ergens vandaan. Er valt niet uit te sluiten dat Vlamingen wat overgevoelig zijn geworden voor de paternalistische houding van de Nederlanders, maar wanneer je als Vlaamse auteur voortdurend wordt aangesproken op wat toch je basismateriaal is — de taal —, op wat wel of niet zou kunnen ('raam' wel, maar 'venster' niet (het voorbeeld komt uit een bijeenkomst die Vlaamse vertalers ooit hadden met Nederlandse uitgevers)), dan heb je ook wel enige reden om wantrouwig te zijn.

(Ik heb al eerder gezegd dat Vlamingen niet steeds de definitie van wat 'Algemeen Nederlands' heet aan uitsluitend de Nederlanders over moeten laten; 'ge' en 'gij' zijn geen ouderwetse vormen zolang ze in Vlaanderen deel uitmaken van het alledaagse taalgebruik, en dat geldt voor veel meer Vlaamse woorden en uitdrukkingen; het wordt tijd dat de Nederlanders hun beperkte vocabulaire eens uitbreiden en naast een 'raam' ook een 'venster' leren onderscheiden).

Maar de grote boosdoener in dit verhaal blijft het concerndenken. Men is in de hogere echelons van het uitgeefwezen bepaald gehaast om in ieder geval de in boekhoudkundige termen te weinig winstgevende literatuur voorgoed de nek om te draaien, en daarmee een van de fundamentele waarden van onze westerse cultuur de genadeklap te geven: die van het humanisme en de democratie. Regeringen die tegen dit soort bot, en wat mij betreft immoreel geweld tegengas hadden kunnen geven door in te zien dat het algemeen belang gebaat is bij nog andere deugden dan hebzucht, gedragen zich helaas ook als concerns. Het is al jaren geleden gezegd, het is sinds die tijd steeds afgedaan als een al te apocalyptische voorstelling van zaken, als pessimisme, want o, o, o, wat gaat het toch goed allemaal — maar we hebben het hier in ons vrije Westen eindelijk voor elkaar: zelfs zonder dictator aan het roer heerst er inmiddels een strenge censuur. Het B-elftal van DBBA zal het spoedig ondervinden.

 

14:25 Gepost door MR | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | |

29-08-14

Elly

Gisteren in korte tijd onderstaand stuk geschreven voor De Standaard en al voordat ik zelf goed en wel uit bed was (de boekpresentatie van Bart Koubaa's De vogels van Europa, een boek waarnaar ik om allerlei redenen zeer nieuwsgierig ben, maakte de nacht kort) vanmorgen een mail ontvangen die me waarschuwde dat men mijn bijdrage bij boek.be en bij uitgevers hoogstwaarschijnlijk niet heel erg zou smaken. Misschien niet, nee.

Ik maak altijd een onderscheid tussen wat ik mijn uitgever noem (De Bezige Bij Antwerpen), en de uitgeverij waarvan De Bezige Bij Antwerpen met nog een heleboel andere uitgeverijen deel uitmaakt: WPG. De werkzaamheden van de een wil ik graag verdedigen, ook tegenover meer puristische collegae die menen dat DBBA zich met de uitgave van sommige boeken niet zo moet 'verlagen'. De werkzaamheden van het grote concern boven DBBA bezie ik toch altijd met enig wantrouwen. Wat ik hieronder schrijf over de houding die men in die echelons tegenover auteurs aanneemt, is onder meer gebaseerd op een recente aanvaring die ik met dat concern had over financiële kwesties en percentages rond een bepaald project (ik blijf hier bewust vaag over de details). Men doet soms voorstellen die veel weg hebben van wat we kennen uit de romans van Mario Puzo en de films die daarop zijn gebaseerd: 'they make you an offer you can't refuse'. Zonder overleg vooraf, zelfs zonder respect voor bestaande contracten.

Het lijkt erop dat men op dat hogere niveau niet werkt met het oog op de belangen van auteurs, lezers of de literatuur, maar is overgeleverd aan een louter economische logica die eerst van het specifieke product dat zij aan de man brengen alle specifieke kenmerken wegneemt. Dat het product bijvoorbeeld een literair werk is, en dus functioneert binnen een specifieke context die heel anders is dan die voor kook- en hobbyboeken, is binnen die logica van geen tel. En zelfs dat het om een boek gaat lijkt van ondergeschikt belang. Binnen de geldende logica is er geen verschil tussen een boek, een cd, een varken, een auto, een… enzovoorts.

Ik neem aan dat aan die zijde mijn bedenkingen dan ook als naïef, en in ieder geval als hoogst ongewenst overkomen. Men zal aan Vlaamse zijde sowieso de smoor in hebben dat die Hollanders dit ideetje voor een 'Spotify voor boeken' als eerste in de praktijk hebben weten te brengen, want dergelijke ideetjes circuleren ook al langere tijd beneden de Moerdijk. Komt daar ook nog eens zo'n auteurtje doorheen fietsen die van dit soort zaken eigenlijk geen verstand heeft, zo'n romantische, tere ziel die waarschijnlijk met het middenstandsgedeelte van zijn vak niks te maken wil hebben… 

Mij zou het inderdaad niet ongenegen zijn als het zo was dat ik alleen maar boeken hoefde te schrijven en dat er vervolgens een team rond mij zou opstaan dat die boeken (en vervolgens ook mij) met succes aan de man bracht, en dat alles zonder dat ik mijn o zo tere kunstenaarsziel ook maar één keer hoefde te compromitteren. Dat ik een auteur mocht zijn die na een vermoeiend optreden door wat ranke stagiaires met zachte doeken werd afgewreven om vervolgens in een auto huiswaarts gereden te worden en in bed gelegd door de uitgever zelve. Ooit, toen ik deel uitmaakte van de redactie van een literatuurfestival in Groningen, kreeg de heer Mulisch ei zo na een dergelijke behandeling: met de taxi opgehaald uit Amsterdam en na het optreden (en na een copieuze maaltijd in een goed restaurant uiteraard) weer teruggebracht, de voor die tijd gigantische gage cash uitbetaald in het kantoor van de directeur van de Schouwburg van Groningen, en, zo zag ik, door de heer Mulisch rustig nog eens nageteld — alleen die ranke stagiaires ontbraken. Dat is nog eens wat anders dan met een koffertje boeken in je eigen auto stad en land afrijden om voor weinig mensen in een of ander centrum het beste van jezelf te geven, toch nog drie boekjes te slijten, en na een pintje weer de nacht in en huiswaarts te gaan. Soms lijk ik meer op een huis-aan-huis stofzuigerverkoper.

Om maar te zeggen: ik weet wel ongeveer hoe de vork in de steel zit, en lijk in niets op de schrijver die ik soms droom te mogen zijn. Ik ben me ook zeer goed bewust van de teruglopende verkoop van met name literaire fictie. Maar desalniettemin blijf ik mij verzetten tegen remedies waarin het onderscheid tussen cd's en boeken, laat staan literaire boeken, niet meer wordt gemaakt en enkel de allesnivellerende economische logica telt. Zoals ik me blijf verzetten tegen de behandeling van auteurs als quantité négligeable binnen dit verhaal. 2,99 voor tien boeken is domweg niet mogelijk zonder dat er anderen zijn die ervoor betalen (de schrijver is dan zelfs geen stofzuigerverkoper meer, maar arbeider in een sweatshop).

 

screenshot_136.jpg

 

 

Wie is die Elly eigenlijk?

Een literaire spotify — kan dat eigenlijk wel? In Nederland bestaat er nu een abonnementsdienst waar je voor een vast bedrag tien geselecteerde boeken per maand kunt downloaden én houden. De dienst kreeg naar goed Nederlands gebruik een oer-Hollandse naam: Elly’s Choice.

Ik ben een hartstochtelijk lezer van literatuur en het eerste wat ik bij zo’n abonnementsdienst dan ook (al even oer-Hollands) denk, is: Elly, who the fuck is Elly en waarom zou ik haar keuze moeten willen lezen? Welnu, Elly is ‘een redactie van uitgevers en redacteuren’, zo meldt het persbericht. Welke uitgevers? Welke redacteuren? In ieder geval zijn vijf van de gekozen boeken bestsellers (meer dan 25 duizend exemplaren verkocht), en de andere vijf zijn ‘onbekendere titels en debuten’. Ik heb meteen het gevoel dat dat laatste er staat om types als mij de mond te snoeren. Maar zelfs mét die toevoeging weet ik nu al dat ik als hartstochtelijk lezer hoogstwaarschijnlijk geen boodschap zal hebben aan de keuze die ‘Elly’ maandelijks voor mij maakt. Die bestsellers zal ik ofwel toch al gelezen hebben, of ze interesseren me geen lor. Ik lees sowieso wat ik zelf wil.

Het moet dus zijn dat de dienst bedoeld is voor mensen die geen hartstochtelijke lezers zijn. Maar die lezen niet eens tien boeken per jaar! Wat moeten die met een dienst die hen tien boeken per maand aansmeert? Als hartstochtelijk lezer met ook nog een gezinsleven, zijn tien boeken per maand zelfs voor mij niet in alle maanden haalbaar. Want we hebben het hier over boeken, hé, niet over popsongs. Die duren vier, vijf minuten — maar een bóék, dat is toch een ander paar mouwen.

2,99 gedeeld door tien

En dan die prijs… 2,99 euro per maand bij een jaarabonnement is leuk voor de consument, daar niet van. Maar hoeveel daarvan gaat er eigenlijk naar de auteurs? Een auteur zou bij 100% royalty's hoogstens zo’n 30 cent per exemplaar kunnen verdienen (2,99 gedeeld door tien). Ter vergelijking: bij een papieren exemplaar gaat het — onder de 5000 exemplaren — idealiter om 10% van de verkoopprijs, gemiddeld dus zo’n 2 euro per verkocht exemplaar (gesteld dat de uitgever zich houdt aan het in de sector overeengekomen standaardcontract, wat een aantal nadrukkelijk niet doet). Gezien de huidige economische omstandigheden, de dalende verkoopcijfers van vooral literaire fictie, lijkt het niet erg waarschijnlijk dat auteurs die schamele 30 cent zullen krijgen. Integendeel. Die omstandigheden maken dat de grote uitgeefconcerns (waarvan literaire uitgeverijen vaak een onderdeel zijn) eigenlijk liever lijken te vergeten dat hun auteurs de grondstof vormen voor hun bedrijf. Sommigen lijken zelfs te geloven in een vorm van slavernij: de auteurs moeten de ‘content’ die zij voor hun plannen nodig hebben liefst gratis leveren. Zo bekeken lijkt Elly’s Choice zelfs een besparingsmaatregel op kosten van de auteur: wie meer dan 25.000 exemplaren verkoopt, krijgt al snel meer dan 10% royalties. De door ‘Elly’ aangeboden titels zijn zo een concurrentie voor diezelfde titels in boekvorm, of zelfs in e-boekvorm op andere platforms. Een bestsellerauteur die hier aan meedoet, doet zichzelf de das om.

Foie gras

Elly’s Choice lijkt toch vooral een initiatief te zijn van uitgevers in het nauw, van uitgevers die geconfronteerd met dalende verkoopcijfers en onrealistische winstverwachtingen gedwongen worden alles te vermalen tot iets wat de consument gemakkelijk met een trechter door de strot kan worden geduwd, zodat er aan het eind van het jaar ten minste foie gras voor de aandeelhouders is. ‘Elly’s Choice’ is zo’n trechter.

Het valt nog te bezien of die vijf ‘onbekenden’ en dubutanten, de boeken die vijf maanden na hun verschijning de kaap van de 25.000 verkochte exemplaren niet hebben gerond (want dat is het criterium), voldoende zijn om de indruk weg te nemen dat ook Elly’s Choice — net als de meeste grote boekhandelketens — vooral bedoeld is om meer van hetzelfde te verkopen —  bestselleritis, zeg maar. Literatuur is gebaat bij diversiteit en meerstemmigheid, niet bij een steeds verdergaande verschraling van het aanbod.

Laten we zeggen dat ik zo mijn twijfels heb. Dat men denkt dat een literair werk op dezelfde wijze verkocht kan worden als een popsong, dat er tussen beide geen wezenlijk verschil bestaat, lijkt mij eerder een bewijs dat men in de hogere echelons van de grote uitgeverijen totaal geen idee meer heeft wat het is dat men eigenlijk probeert te verkopen. Erger nog: dat het ze ook niet interesseert. Op zijn oer-Hollands: they don’t give a fuck.

 

11:36 Gepost door MR | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | |

27-06-14

Lof van de kritiek

In NRC staat een artikel van Arjen Fortuin over de noodzaak van recensies. Je zou ook kunnen zeggen dat het stuk zelf een recensie is — een van de voorbeeldige soort, of dan toch minstens een voorbeeld van het soort recensie dat Fortuin verdedigt. Het gaat om een bespreking van een bloemlezing van na-oorlogse beeldende-kunstrecensies, De schilderkunst in een kritiek stadium?, samengesteld door Jonneke Jobse. Voor Fortuin is de bundeling aanleiding voor een 'preek voor eigen parochie', zoals hij het zelf formuleert:

het misverstand dat een recensie in de eerste plaats 'consumentenvoorlichting' zou zijn, wint rap aan terrein — hand in hand met de veronderstelling dat het oordeel van een criticus 'ook maar een mening' zou zijn. Dat wordt niet veroorzaakt door, maar wel versterkt door de ballen of sterren die bij veel Nederlandse (en Vlaamse -MR) kritieken staan. Die zijn inderdaad consumentenvoorlichting in zijn zuiverste vorm, maar ze zijn  niet het hele verhaal. Het gaat niet om de ballen, maar om het spel.

Het is een stuk van een criticus die begrepen heeft dat (in dit geval) kunstkritiek, of om de parochie meteen te herleiden tot die van Fortuin (en mijzelf): literatuurkritiek deel uitmaakt van de literatuur en dus in deze tijd in hetzelfde verdomhoekje zit als die literatuur zelf, het verdomhoekje waarin niet de schrijver of de criticus bepalend is voor wat als 'goede' of 'juiste' literatuur wordt aangezien, maar de door de commercie gestuurde media de agenda bepalen. Dat Fortuin, als ook nog eens de chef Boeken van NRC, zich daartegen wil verzetten, is moedig, en niemand die de literatuur (waarvan kritiek een vanzelfsprekend onderdeel uit zou moeten maken) een warm hart toedraagt, kan daar tegen zijn.

Fortuin schrijft:

In het hele uitdijende spectrum van oordelen en meningen is de criticus degene die betaald wordt om onafhankelijk te zijn, om op te schrijven wat hij werkelijk vindt en gelooft — óók als dat zakelijk onverstandig is of hem maakt tot de dissonant in een koor van al dan niet oprechte bewonderaars. Er moet in het debat over kunst iemand zijn wiens mening niet door commercieel belang wordt gestuurd. (...) (Voor de goede orde: een criticus die niet meent wat hij schrijft, is een bedrieger).

Het belangrijkste woord is hier inderdaad 'onafhankelijk', en het roept onmiddellijk de vraag op in hoeverre Fortuin als coördinator literatuur van NRC Boeken zelf weerstand kan bieden aan het commercieel belang in zijn keuze voor de boeken die hij bespreekt en laat bespreken, zijn keuze voor de recensenten die hij die boeken laat bespreken, de lengte die hij die recensenten in hun stukken toestaat — kortom: de hamvraag is of Fortuin in het huidige medialandschap in staat is om van de boekenbijlage iets te maken dat weerstand kan bieden aan datgene waarbij de rest van zijn krant bestaat, of hij die onafhankelijkheid ook daadwerkelijk kan organiseren in zijn bijlage. De tweede vraag is wat die onafhankelijkheid, mocht ze inderdaad te regelen zijn in zijn krant, binnen die krant — bij de hoofdredactie, om over de eigenaren, investeringsmaatschappij Egeria en Lux Media, nog maar te zwijgen — dan precies te betekenen heeft.

In kringen van echte krantenmensen is er vaak dédain te bespeuren voor zo ongeveer alles wat met cultuur te maken heeft. Zelfs Bert Bultinck in zijn uitstekende 1000 woorden-column in DS Weekblad ontkomt er niet altijd aan. 'Het gerejemieer van kat en muis in het letterenhuis blijft tenslotte een vermakelijke, diep-humanistische, maar ultiem redelijk ongevaarlijke kruiswoordpuzzel. First-world problems met literaire sterretjes', zo schreef hij een aantal weken geleden.En vorige week werd poëzie nog afgedaan als de 'meest esoterisch-etherische der hobby's, de ayurvedische massage niet meegerekend'. Ik heb geen idee wat dat laatste inhoudt (al kan ik het vast ergens opzoeken), en ik vermoed dat Bultinck daar met een 'q.e.d.' op zou antwoorden. 

Waarmee ik niet zozeer Bert Bultinck wil viseren — die is in het licht van dit soort, uiteraard als min of meer humoristisch bedoelde omschrijvingen een bijna tragisch te noemen literatuurlezer en -liefhebber, en zelfs -kenner, iets wat in zijn kringen (de kringen van persmensen pur sang bedoel ik) niet evident moet zijn. Het gaat er om dat Fortuins 'onafhankelijkheid' in de ogen van hen die bepalen waar een krant over gaat en om draait, hoogstens iets kan zijn dat hem vergund wordt — zolang het geen lezers kost. Uiteindelijk zet De Morgen zijn boekenbijlage ook alleen maar verder omdat die blijkbaar op de dag van zijn verschijnen nog steeds zorgt voor een meerverkoop van ongeveer 2000 exemplaren — al blijft die krant in het voortzetten van de bijlage wel heel halfslachtig als je ziet wat daarin dan zoal aan bod komt, en op welke manier vooral.

Fortuin heeft het in zijn stuk over de mate waarin bij de huidige explosie aan meningen het koor van stemmen over een kunstwerk geregisseerd is 'door degenen die er belang bij hebben': boekverkopers, uitgevers. Er blijkt een levendige handel in (positieve) recensies te zijn. Dat weet het publiek over het algemeen ook wel — en misschien is dat de reden waarom er onder dat publiek een zekere hunkering lijkt te bestaan naar autoriteiten die nu eens zonder verborgen agenda zeggen wat kwaliteit heeft en wat niet, en vooral ook waarom (een van de de redenen voor het succes achter 'lezers voor lezers'-programma's als 'Uitgelezen' in Gent en elders, en 'Overlezen' in Turnhout en omstreken).

Maar kan Fortuin, kan ook maar enige 'chef boeken' heen om door de media gehypete schrijvers, om auteurs die nog voordat ook maar iemand hun boek gelezen heeft al op voorhand in alle boekenbijlagen tegelijk geïnterviewd en gerecenseerd worden omdat ze ongelezen en ongezien op voorhand belangwekkend worden geacht, auteurs die om die reden soms ook een abonnement lijken te hebben op de nominaties voor de grote (commerciële) prijzen, ook al gaat het daarbij om nu niet meteen hun beste boek? (Het is een categorie waar iedere schrijver overigens erg graag toe zou behoren). Op een dergelijk moment ontstaat er tussen de verschillende boekenbijlages zoiets als een wedstrijd: wie er het eerst is met een interview, een groot stuk, een fikse foto. Ontsnapt NRC Boeken daaraan?

En dan blijft er nog een belangrijke vraag: in hoeverre wordt de 'onafhankelijkheid' die een boekenbijlage heeft weten af te dwingen bij een hoofdredactie die er zich verder niets aan gelegen laat liggen, gedragen buiten die bijlage zelf? Is er nog een 'openbaarheid' van enige betekenis waarbinnen een onafhankelijke, kritische recensie deel uitmaakt van een voortgaand debat over literatuur? Natuurlijk is dat debat er nog, maar toch vooral in wat de niche heet te zijn. Maar verschijnt die recensie niet toch vooral in een door commerciële belangen geregeerde openbare ruimte, en functioneert ze daarbinnen dan niet toch vooral als 'een consumentenadvies', ondanks de bedoelingen van de recensent, van de coördinator literatuur of de chef boeken of hoe heet dat tegenwoordig? Dus: zélfs als de recensent in kwestie de onafhankelijkheid hoog in het vaandel heeft, zoals Fortuin zelf?

Voor de goede orde: ik ben blij met zo'n stuk van Fortuin. Niet in het minst omdat dat stuk verschijnt in nu juist een boekenbijlage. Was ik een onverbeterlijke optimist, ik zou gewagen van een 'kentering'! Mét uitroepteken. Ik denk niet dat ik per se een pessimist ben wanneer ik toch wat vragen heb bij de misschien net iets te simpele voorstelling van zaken als het gaat om wat we aan moeten met de literaire kritiek en haar ontegensprekelijke belang voor de literatuur. Wat betekent de bepleite onafhankelijkheid als we tegelijkertijd weten dat die onafhankelijkheid alleen maar iets is wat wordt gedoogd: als iets waarmee achtergebleven intellectuelen zich mogen bezighouden? Terwijl literatuur gewoon blijft wat het geworden is: lifestyle, accessoire, inwisselbaar tegen een goede fles wijn (vijf sterren van 'wijnschrijver' Bruno Vanspauwen), een paar handgemaakte schoenen van n.d.c. (erg mooi)? Ik vind het een van de lastigste vragen van dit moment. 

15:54 Gepost door MR | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook | |

07-06-14

Waar?

IJs

Likken aan een ijsje: het blijft lastig. Sex sells, zeker als het om de ijsverkoop gaat. Er zijn maar weinig merken die min of meer erotische connotaties achterwege laten wanneer ze hun ijs aan de man en/of vrouw willen brengen. Magnum, Häagen-Dazs — het is één pot nat. Maar zo kinderachtig als Ice Crime had ik het in tijden niet meer gezien (de naam doet overigens ook al vermoeden dat de mensen erachter niet werkelijk overlopen van creativiteit). Al een paar dagen lang viel mij in de zogeheten kwaliteitskranten de forse reclame voor dit nieuwe ijsmerk op:

10302110_10202264952963581_4517316807246260766_n.jpg10375152_10202264953083584_8147365816230239879_n.jpg

De linkeradvertentie heb ik eigenlijk nooit gezien, maar ze bevestigde mij slechts wat de rechter al bij me had opgeroepen. Het feit dat het heerschap aan een wafeltje likt (een 'boekske', zoals ze in Gent zeggen), en nu juist níét aan een hoorntje met twéé — niet met dríé of één — bolletjes, maakt des te meer dat het hier over kut en pik gaat. Het druipt ervan af, zou ik willen zeggen. Wat orale seks met schuldgevoel te maken kan hebben, is me niet helemaal duidelijk, maar blijkbaar is dat iets wat de reclamemakers in kwestie nogal kwelt. Ik vermoed dat het een stelletje katholieke deugnieten is. Misschien dat het woord 'stevia' (want het gaat hier om ijs dat gezoet wordt met stevia) deze jongetjes (ik ga er zomaar van uit dat het jongetjes zijn) op het idee heeft gebracht om dit merk op precies deze manier aan te prijzen. Je hoort het één van die pagadders bijna zeggen: stevia, stijvia — waarna het hele gezelschap ongetwijfeld begon te gniffelen en giechelen. 

Een beetje infantiel, kortom. En misschien, heel misschien toch ook een heel klein beetje bedenkelijk? Ik postte beide foto's op Facebook met de opmerking dat ik lichtelijk verbaasd was dat de verontwaardiging uitbleef over de wel heel platte seksuele connotaties bij deze foto's en dat ik eigenlijk allang militanten tegen de pornoficatie van onze samenleving had verwacht. Maar iedereen reageerde eigenlijk zoals ik zelf tot dan toe ook had gereageerd: met wat geschamper over het ontbreken van elk niveau, en met schouderophalen. (Dat Ice Crime — of liever het tweemansbedrijf achter het product, Just Ice uit Oudenaarde — een dergelijk reclameoffensief kon ontwikkelen omdat ze de N-Powerment Award van BECI en Newspaperwork wonnen (1 miljoen euro advertentieruimte in de nationale kranten), maakt een en ander nog treuriger dan ik het toch al vind. Die ruimte invullen met zoveel banaliteit… Mijn associatie is in ieder geval al op voorhand: dat kan niet goed zijn, dat Ice Crime).

Onder de reacties die ik op Facebook kreeg, was er één die stelde dat elke serieuze tegenkanting alleen maar zou leiden tot méér reclame voor het ijsmerk. En ineens ging het voor mij niet meer over ijs.

Wijnberg

Op 29 mei verscheen op de correspondent.nl een stuk van Rob Wijnberg, 'Hoe waarheid een product werd'. Wie een klein beetje de filosofie van de afgelopen decennia heeft bijgehouden, vindt in dat stuk niet werkelijk heel veel nieuws. Maar het is een mooie, heldere, journalistieke samenvatting van het verdwijnen van het waarheidsgebod uit onze cultuur. Zoals de filosofie van de hebzucht in kringen van louter economisch denkende lieden een einde stelde aan meer dan 2000 jaar beschaving waarin juist de beteugeling van onze driften (waaronder de ongebreidelde hebzucht) als een primaire deugd werd gezien, zo is ook het verdwijnen van het waarheidsgebod een indicatie dat wat tot nu toe onze beschaving uitmaakte misschien op zijn einde loopt.

Waarheid is een product geworden, schrijft Wijnberg, en heeft als zodanig geen eigen filosofische kern: "waar is wat verkoopt, waar een markt voor is. Waarheid als product reduceert alles − van politiek tot informatie tot wetenschap tot onderwijs tot kunst − tot een vorm van behoeftebevrediging zonder onderliggend doel. Het maakt van politiek een ‘pitch’, van informatie een ‘format’; van kunst een ‘concept’, van onderwijs een ‘formule’. Niet om te overtuigen, te informeren, aan het denken te zetten of te leren, maar om ‘te bevredigen’".

"Hierin," schrijft Wijnberg, "schuilt, volgens mij, de kern van onze tijd. Het verklaart waarom de meeste politieke partijen nauwelijks nog van elkaar verschillen, behalve in koopkrachtplaatjes. Het verklaart waarom onderwijsinstellingen zijn uitgegroeid tot diplomafabrieken op zoek naar de hoogste score in de ‘rankings’. Het verklaart waarom solidariteit afbrokkelt en winstbejag op korte termijn regeert".

Het doet natuurlijk allemaal erg denken aan wat Baricco, met een even grote als, wat mij betreft, valse opgewektheid, jaren terug in De barbaren al signaleerde. "Het oppervlak in plaats van de diepgang, snelheid in plaats van reflectie, sequenties in plaats van analyse, surfen in plaats van verdieping, communicatie in plaats van uiting, multitasking in plaats van specialisatie, plezier in plaats van inspanning. Een systematische ontmanteling van het hele mentale arsenaal dat ons is nagelaten door de negentiende-eeuwse, romantische burgercultuur", zo stelde Baricco vast en hij hield ons — nog steeds levend met de vooronderstellingen van die negentiende-eeuwse, romantische burgercultuur — voor dat we daar niet bang voor moesten zijn. Hij was het in ieder geval niet, hij die, zoals hij schreef, zelf verkeerde "in een wereld van mensen die hebben gestudeerd, mensen die nog studeren, verhalenvertellers, theatermensen, intellectuelen, dat soort lieden". "Een vreselijk wereldje", vond hij (ja hoor…).

Het voordeel van Wijnbergs stuk is — enfin, in de eerste plaats dat hij niet de walgelijke hypocriete neiging van Baricco heeft om zich te excuseren voor zijn analyse, niet heult met hen die bij het verschijnen van dit soort analyses altijd onmiddellijk roepen dat de analyticus een zwartkijker, een apocalypticus of nog erger is, of net te doen alsof iemand die het waarheidsgebod in onze cultuur wenst te verdedigen 'een beetje uit de tijd' en beklagenswaardig is. Maar ook dat hij laat zien dat het verdwijnen van het waarheidsgebod niet betekent dat we niet van hogerhand worden aangestuurd. Uiteindelijk blijft de waarheid van het consumeren hier recht overeind staan, consumeren ten koste van alles en iedereen, rücksichtslos. Er is een beperkt aantal monsterbedrijven in de wereld dat daar wel bij vaart — al blijft de ophoping van kapitaal daarmee even zinloos, omdat die ophoping het eindpunt vormt. Het is als een stront die niet als mest gebruikt wordt, maar alleen om nog meer stront te maken. Economie als coprofagie.

Verlinden

 Een en ander maakt dat 'de waarheid' — of toch dat wat aanleiding geeft tot onze kritiek — meestal niet… handig is, zoals in het geval van het likkende koppeltje hierboven. Het risico dat kritiek op de platte, seksistische reclame alleen maar tot meer reclame voor het ijsmerk leidt, doet ons overwegen of we maar niet beter onze mond houden. Je kunt dat niet werkelijk een halszaak vinden als het maar om ijsjes gaat (al gaat het eigenlijk om seksisme). Maar wat als het gaat om, laten we zeggen: racisme?

De afgelopen week kwam die vraag even in het middelpunt van de belangstelling te staan naar aanleiding van een blogpost van VRT-journalist Peter Verlinden op deredactie.be. Iemand had op de muur van zijn huis, met wit krijt, het woord 'negers!' gekalkt. Verlinden is gehuwd met een zwarte vrouw en heeft een bruine dochter, zo staat onder het stuk vermeld. Het stuk ging onder meer over het uitblijven van een reactie van politici op een campagneboodschap van het bij de laatste verkiezingen fel gedecimeerde Vlaams Belang: dat niet de vergrijzing van de samenleving het grootste probleem vormde, maar de verbruining. De reden voor dat stilzwijgen was ook hier dat aandacht geven aan zo'n uitspraak, er tegenin gaan, precies geweest zou zijn waar Dewinter en de zijnen op hoopten. Maar op die manier, zegt Verlinden, laat je racisme als sluimerend gif gewoon zijn werk doen binnen de samenleving.

Dat is een gerechtvaardigde kritiek, al haalde Verlinden die zelf wel grotendeels onderuit door zijn eigen verantwoordelijkheid als journalist te minimaliseren. Hij schreef: 

"Een notoir extreemrechts politicus kan ongestraft uitspraken doen op een openbare bijeenkomst die voor vele waarnemers racistisch klinken, daarenboven door de massamedia als een megafoon herhaald, niemand kan hem dat beletten. Dat is de prijs die een democratische samenleving betaalt voor het universele recht op vrije meningsuiting. Het zij zo. Dat de (meeste) massamedia daarbij hun kritische opdracht verwaarlozen, dat is de prijs die deze samenleving betaalt voor de persvrijheid die meer en meer een mercantiele strijd om de kijker/lezer/luisteraar is geworden, eerder dan een strijd om het meest correcte verhaal, de meest kritische en deskundige kijk op de werkelijkheid. Het zij zo."

Men moet het mij niet euvel duiden, maar bij zo iemand had ik graag iets heel anders op de muur gekalkt dan het schandalige 'negers!' dat er nu stond. Men kan als journalist zijn eigen verantwoordelijkheid in dezen niet afschuiven op enkel de politici die, zoals hij zelf heel goed weet, zelf vaak aan de leiband van de massamedia lopen. De kans dat Dewinters uitspraak over de verbruining vooral juist deze vorm heeft aangenomen omdat hij anders geen aandacht van de massamedia gekregen zou hebben, lijkt me niet gering.

Als er naar schuldigen gezocht moet worden, zijn die ook te vinden in het kamp van de VRT, onder journalisten die de vermarkting van de waarheid blijkbaar berustend aanvaarden. Ik kan me voorstellen dat Verlinden die ochtend niet meteen de hand in eigen boezem wilde steken en eerder snel op zoek ging naar een emmertje met wat water (gelukkig, moet je bijna zeggen, was het maar krijt). Maar als je vervolgens zo'n stuk schrijft, lijkt me dat de eigen verantwoordelijkheid voor dat wat je aanklaagt bij anderen toch wat zwaarder mee had mogen wegen dan hier het geval is. Of mocht dat misschien niet op de website van de VRT — een organisatie die niet meteen bekend staat om haar zelfkritisch vermogen?

Kritiek als taboe?

Inmiddels lijkt het duidelijk: opkomen voor je waarheid is vandaag de dag verdacht, waarbij de verdenking van naïviteit nog de minst erge is. Je ziet het ook aan hoe mensen stemmen, of aan hoe er voor de verkiezingen over het wenselijke stemgedrag wordt gediscussieerd. Het hele concept van 'tactisch stemmen' komt voort uit het loslaten van elk geloof in de eigen overtuiging. "Ik stem maar op de CD&V om de NV-A klein te houden, ook al ligt mijn hart eigenlijk bij de SP.a" — dat soort overwegingen. Ik heb aan borrel- en eettafels al menige hoogoplopende discussie meegemaakt over de vraag of je voor je overtuiging moet/mag uitkomen, of dat het beter is om er door een tactische stem voor te zorgen dat de partij waar je tegen bent in ieder geval niet aan zet komt. De meest gebruikte woorden tijdens dergelijke discussies zijn 'naïef' (inderdaad), 'dom' en 'cynisch'. 

De vaak 'pragmatisch' genoemde keuze prevaleert, zo lijkt het wel. Als het gaat om politiek en partijprogramma's is dat nog wel enigszins te begrijpen: politieke partijen zelf lijken zich minder en minder te willen beroepen op hun eigen ideologisch bepaalde waarheden en plooien zich in toenemende mate naar wat ze denken dat de kiezer (de klant) wil. De SP.a heeft nog een lange weg te gaan voordat ze weer een werkelijk sociaaldemocratische partij is. En ook Open VLD is mijlenver verwijderd geraakt van het oorspronkelijke liberale gedachtegoed. Het komt daarbij steeds op hetzelfde neer: de aard van onze werkelijkheid staat voor veel politieke partijen blijkbaar niet langer ter discussie. Juist dat maakt de politiek overbodig. 

Maar het dreigt dus ook kritiek overbodig te maken (ja, ook de literaire kritiek (uitgevers gebruiken soms zelf negatieve opmerkingen over een boek als reclame voor het boek), maar dit terzijde). Op het domme seksisme van een ijsreclame reageren we maar niet meer omdat er toch geen kruid tegen gewassen is. En Filip Dewinter heeft zo een vrijbrief om wat dan ook te zeggen, en wast natuurlijk zijn handen in onschuld als iemand zijn waarschuwing tegen 'verbruining' omzet in gewelddaden. Dat is iets waar de felste pleitbezorgers van de 'vrijheid van meningsuiting' vaak geen rekening mee houden: dat woorden altijd ook daden kunnen worden, dat woorden niet onschuldig zijn.

 

17:47 Gepost door MR | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | |

26-04-14

Close Reading en de open geest

Op de site van de Volkskrant kom ik een tekst tegen uit 2012 die mij toen geheel is ontgaan. Joost Zwagerman schrijft over Het geluk van de kunst, mijn essaybundel uit dat jaar. Hij is er niet blij mee. Ik ken er wel meer die er niet zo blij mee waren. En er was veel instemming ook. Wat me bij de negatieve stemmen opviel: de neiging om wat een tamelijk nuchtere analyse was van de huidige staat van het boek uit te leggen als bewijs voor de pessimistische, zelfs klagerige houding van de auteur — van mij dus. Maar als ik iets niet doe in dat boek is het klagen. Ja natuurlijk, er staat de tirade in die ik bijwijze van kerstessay (zie hier, hier, hier en hier) in De Standaard heb gepubliceerd. Maar in de essaybundel staat dat stuk tussen andere essays die weliswaar de kern van dat kerstessay allesbehalve relativeren, maar toch veel meer in een wijdere context plaatsen.

Wat blijft: als je zegt dat literatuur in onze samenleving niet langer het stralende middelpunt van ons cultuurideaal vormt — een nuchtere analyse die al bijna 20 jaar geleden door onder andere Frans Ruiter en Wilbert Smulders werd gemaakt (Literatuur en moderniteit in Nederland 1840-1990, Amsterdam 1996) en die begin jaren Nul door Sloterdijk werd gemaakt (hem haal ik aan in mijn essaybundel) — dan raak je blijkbaar aan een taboe. Terwijl het evident is. Er zijn er dan die zeggen: ja maar, er wordt veel meer gelezen dan vroeger. Is dat zo? Wat wordt er dan gelezen? En hoe komt het dan dat alle onderzoeken uitwijzen dat de verkoop van boeken de afgelopen decennia spectaculair is gedaald? 

Je kunt niet zeggen dat ik me in het boek niet bewust was van de mogelijkheid voor 'grumpy old man' uitgemaakt te worden — ik besteed er expliciet een aantal bladzijden aan. Ook in dat kerstessay zie ik steeds de alarmist die staat te roepen, een man die ik ook zelf wat overdreven druk vind doen, al geef ik hem dan gelijk. En natuurlijk klopt het dat ik het verdwijnen van de literaire cultuur (verbonden met een negentiende eeuws ideaal waarop je vanuit weer andere perspectieven ook heel veel kritiek zou kunnen hebben) ernstig betreur. Het gaat voor mij hand in hand met het verdwijnen van een aantal in se humanistische waarden die ik onontbeerlijk acht — wat maakt dat ik auteurs als Tony Judt of Paul Verhaeghe (of Paul Scheffer, denk ik nu) hoog in het vaandel heb. Maar ik ben me er steeds van bewust dat de realiteit waarin ik leef met deze waarden nu eenmaal niets op heeft, en dat dat ook voor mij als auteur consequenties heeft. Ik mag het negentiende eeuwse humanistisch-literaire cultuurideaal dan als ijkpunt nemen — niet eens als ideaal overigens, maar dat is een ander chapiter —, ik ben daarom nog geen anachronist.

Maar voordat dit uitloopt op een apologie voor een boek dat, voor wie het goed leest, zichzelf meer dan voldoende rechtvaardigt — bij het stuk van Zwagerman gaat het me om wat anders. Wat ik er hier over wil zeggen kadert in de recente, zoals altijd kleine discussie die ontstond over literaire kritiek.

_avd7115.jpg

"En er was veel instemming ook". In gesprek met Annelies Beck bij de uitreiking van de Prijs voor Letterkunde, essay en monografie van de provincie Oost-Vlaanderen in het NTG op 3 april j.l.

De indruk dat we in onze grote kranten met critici van doen hebben die er vaak met de pet naar gooien en ronduit slechte stukken schrijven — zonder argumenten, of juist met argumenten ad hominem, met half ware beweringen of zelfs regelrechte leugens, met suggestieve passages waarvan het villeine karakter achteraf makkelijk ontkend kan worden — leidde tot een aanklacht en een discussie die vorige week zaterdag door Jeroen De Preter werd samengevat in een stuk in de Morgen. 'Nooit meer recenserenheette dat. Wat me in de reacties van Cloostermans en Leyman vooral opviel, was het wat treurige misverstand dat bij hen bestaat over het 'open klimaat' waarin zij hun recensies zouden schrijven (de impliciete gedachte dat een boekenbijlage onafhankelijk van de commerciële eisen van de rest van de krant zou functioneren bijvoorbeeld, dat het zetten van sterren of bollen geen inperking van hun métier is, dat de restricties qua lengte hen niet beperkingen opleggen die elk beroep op de vrijheid van meningsuiting lichtelijk pathetisch maakt, dat er in de publieke ruimte nog zoiets als een debat over literatuur zou zijn (alsof juist zij niet doorhebben dat de negentiende eeuw voorbij is), enzovoorts). En natuurlijk wordt Jeroen Theunissen, de man die de kat de bel aanbond, door beide critici afgeserveerd, al geeft De Preter hem dan gelukkig toch nog het laatste woord.

Ik moest denken aan Du Perron. Natuurlijk moest ik denken aan Du Perron. De klacht over critici — niet in de laatste plaats over Du Perron zelf (terecht, als je het mij vraagt; de man was vaak unfair in zijn stukken) — was ook tussen de beide Wereldoorlogen vaak te horen. Maar Du Perron schreef ooit een heel boek over één welbepaalde, op dat moment gezichtsbepalende criticus: Dirk Coster. Uren met Dirk Coster heet het, en het verscheen oorspronkelijk in het literaire tijdschrift Forum, en vervolgens in 1933 in boekvorm. Het bevat kleine hoofdstukjes met titels als: 'De heer Coster over toeval en liefde', 'De heer Coster bij toneel en film', 'De heer Coster en de schrijvende vrouw'. Het is, tachtig jaar na dato, nog steeds een vernietigend boekje en — ik beken — heerlijk om te lezen. (Dat Du Perron zijn boekje terugtrok op het moment dat de werkelijke barbarij, in de vorm van het nationaal-socialisme, zijn intrede deed, omdat de heer Coster tegenover die meute een toonbeeld van fatsoen en rechtschapenheid moest heten, helpt wel om het nog genietbaar te vinden).

Punt is: het bleef bij Du Perrons felle kritiek op Coster niet bij beweringen die een groot aantal schrijvers kon onderschrijven — zoals nu in het geval Leyman en Cloostermans — maar de beweringen werden onderbouwd met een vracht aan citaten, citaten die tussendoor werden becommentarieerd en vervolgens als bewijs werden opgevoerd bij de belangrijkste stelling van het boekje: dat de heer Coster een 'pathestheteticus' was: een pathetische estheet die de moralist uithing. Of voor een dergelijke werkwijze vandaag nog ruimte is, valt te betwijfelen, maar ook ik denk dat dan zou blijken dat zowel Dirk Leyman als Mark Cloostermans vaak aantoonbaar slechte stukken schrijven, dat het hen vaak aan generositeit ontbreekt tegenover het boek dat ze voor zich hebben, en ze zich ook vaak laten leiden door hun luimen van het moment.

Zonder citaten die dit aantonen — maar wie wil er weken in het verzamelde proza van recensenten duiken — zijn deze opmerkingen overigens even veel waard als de vaak ongemotiveerde beweringen die je in hun recensies tegenkomt.

Terug naar Joost Zwagerman nu. Want als ik zijn stuk in de Volkskrant wél met een vergrootglas lees, dan zie je bijna onmiddellijk waarom er over wat ik in Het geluk van de kunst schreef en wat Zwagerman daar tegenover wil zetten, geen uitwisseling mogelijk is. Zwagerman leest namelijk dingen die ik niet heb geschreven.

Voorbeelden dus.

Het geluk van de kunst bevat veel bezorgde kost - cultuurkritisch, hoor je dan te zeggen, maar mopperend en klaaglijk zijn woorden die de lading van Het geluk van de kunst beter dekken, schrijft Zwagerman.

Ik gaf hierboven al aan dat dit alleen beweerd kan worden door iemand die op voorhand besloten heeft dat de auteur klagelijk wenst te zijn. Er staat al in het woord vooraf dat de auteur dat allerminst wil zijn. Dit boek is geschreven uit liefde voor de literatuur — waarbij literatuur net zo wordt opgevat als Zwagerman dat in feite doet. Het doet dat echter vanuit het verlangen over die liefde wel realistisch te willen zijn.

Serieus literatuuronderwijs is tanende, stelt Reugebrink ferm. Jazeker. Maar wisten we dat nog niet?

Ik neem aan van wel. Ik vermeld het in de context van het verdwijnen van die humanistische cultuur. Dat dat literatuuronderwijs ooit één van de pijlers was van ons middelbaar onderwijs en nu niet meer, dat in dat onderwijs de waarden die door literatuur(onderwijs) vertegenwoordigd worden steeds meer plaats moeten maken voor 'competenties', voor 'toepasbaarheid' van kennis binnen altijd weer dezelfde neo-liberale ideologie — het baart me zorgen. Zwagerman suggereert met bovenstaande zin dat ik mijn lezers informatie wil geven, dat ik denk dat ik iets nieuws zeg zelfs, maar de opmerking over literatuuronderwijs houdt verband met andere veranderingen in onze samenleving waartegen, dacht ik, ook Joost Zwagerman toch de nodige bezwaren heeft.

Wie een literaire prijs als de Gouden Uil wint, ziet zich in de nasleep van de uitreiking geconfronteerd met de mallemolen van het literaire bedrijf. Dat zal vast zo zijn. Maar: wisten we ook dát al niet uit de geschriften van andere apocalyptici?

Alweer, vast wel, alleen ben ik geen apocalypticus, en heb ik me met het schrijven van dat stuk (het eerste uit het boek) zowel als met de hele kermis rond die prijs op het moment zelf, enorm vermaakt. Ik schreef het al in mijn woord vooraf: ironie is een gevaarlijk stijlmiddel — en bij het schrijven van dit stuk zowel als bij de beslissing om het na een tijdschriftpublicatie in dit boek op te nemen, dacht ik dat die ironie er zo met bakken van afdroop, dat niemand zich hier zou vergissen. Alsof dat nog niet genoeg was, neem ik in het stuk dat erop volgt mijn neiging tot ironisering zelf ook nog eens op de korrel. Ik ben in het huidige klimaat  helemaal niet tegen de grote tombolaprijzen, niet tegen de boekhandelsjury van DWDD — al heb ik meer op met de jaarlijkse 'Van Dis' die DWDD ook organiseert; ik ben niet tegen aandacht voor literatuur in de media, al hoop ik alleen dat men er daar nu eens wat minder verkrampt mee omgaat, wat minder giechelig en besmuikt ook. In het huidige klimaat zijn die zaken het enige wat die literatuur nog redt van de economische logica die haar momenteel aanstuurt (beslist over wat er wordt uitgegeven, hoe dat gebeurt, waarbij de grote boekinkopers bijna dicteren wat er maar gemaakt moet worden — een situatie die ik trouwens in een niet eens zo heel verre toekomst ook nog wel weer zie omkeren). Ik heb het dus wel wat moeilijk met dat huidige klimaat ja. Ik heb daar wat bezwaren tegen — alweer: geen andere dan Zwagerman zelf zal hebben.

Zwagerman probeert me met bovenstaande passage uit alle macht een hoek in te duwen die minder met het boek te maken heeft dan met zijn intenties, vrees ik. Bon, tot daaraan toe. Kwalijk wordt het pas daarna:

Reugebrink: 'Ik schrijf vanuit 'een existentiële behoefte'. Ik excuseer me daarvoor. (...) Maar ik vrees dat ik het meen.'

Dat komt uit dat ironische stuk over het winnen van de Gouden Uil en staat in de context van de vooronderstellingen van de media waaraan je op een dergelijk moment overgeleverd bent. Het was dus geen mededeling zonder meer, zoals Zwagerman met de volgende vraag suggereert:

Twijfelde iemand daar dan aan?

Maar dan gaat hij door:

Schrijven niet vrijwel álle schrijvers vanuit die existentiële behoefte? Reugebrink vindt van niet.

Dat staat nergens. Ik neem aan dat iedereen schrijft omdat hij de wereld per se iets heeft mee te delen. Suggereren dat ik daar anders over denk, is liegen dat het gedrukt staat.

En dan noemt hij wat schrijvers die hem iets minder aanstaan. 

Wie wat waar? Dat doe ik niet. Ik heb het in de passage waarnaar hij hier verwijst over de willekeur van de media als het gaat om schrijvers die op het schild gehesen worden en schrijvers die dat niet worden. Ik laat me over mijn appreciatie voor hun werk op geen enkele manier uit, enkel over de manier waarop ze getypecast worden door de media. Dat is het enige waar die passage over gaat. Zwagerman doet op deze manier aan zijn eigen typecasting van mij. Hij zal vinden dat ik Kluun, Giphart, Brusselmans, Lanoye, Bril, Mortier, Verhulst en Verhelst onmogelijk goed kan vinden. Mij hoor je daar niks over zeggen (en het klopt ook niet).

Het wordt nog erger:

Zo duikt in de media steeds vaker 'gewoon een lekker stuk' op dat een boek heeft geschreven, iemand bij wie je, aldus Reugebrink, 'denkt: maar die hoeft toch helemaal niet te schrijven om aan de kost te komen?'

En hier zijn we dan op het droeve punt aangeland waar we Zwagerman moeten gaan uitleggen wat ironie precies is (en dat lukt eigenlijk nooit: ironie uitleggen). Dat het de media zijn die het seksistische element uitspelen, een auteur niet opvoeren als auteur, maar als een lekker ding, en dat je dat als lezer/kijker natuurlijk ook ziet en dan vervolgens bijwijze van boutade zegt: maar die hoeft toch helemaal niet te schrijven om aan de kost te komen. Je krijgt namelijk al kijkend en lezend het gevoel dat de auteur in kwestie vooral geen auteur mag zijn, maar een andere rol heeft te vervullen in het mediaspektakel, dat zij (of hij) er niet zit voor wat haar (of zijn) werkelijke verdienste is, maar als glijmiddel voor iets anders.

In die cursivering van 'hoeft' zit 'm het venijn.

Ik kijk in het boek en zie de zin er zo staan: 'maar die hoeft toch helemaal niet te schrijven om aan de kost te komen'. Niet 'hoeft' is gecursiveerd, maar 'schrijven'. Het zal voor hem geen verschil maken, maar het zegt iets over het gebrek aan zorgvuldigheid.

Melige provocatie natuurlijk - maar intussen. Je zal in plaats van een man van in de 50, behept met even invoelbare als voorspelbare bedenkingen tegen het literaire bedrijf, maar een vrouw van rond de 30 zijn en toevallig door diezelfde 50er worden beschouwd als een 'lekker stuk'. Zo iemand kan onmogelijk, vanwege het feit ze nu eenmaal een lekker stuk is, óók 'vanuit een existentiële behoefte' schrijven. Volgens Reugebrink.

Hier gaat Zwagerman ruimschoots over de schreef. Nu wordt wat de media uitvent (en waar ik niet op zit te wachten) zelfs mijn persoonlijke overtuiging. Nu ben ik het persoonlijk die de schrijfster van dienst als lekker stuk achter het behang plak. wat een baarlijke nonsens. Hier is de onwelwillendheid van Zwagerman volledig tot een leugen verworden. Dit raakt echt kant noch wal. 

Ik geef hieronder nog eens de volledige passage weer waarop een en ander betrekking heeft. Oordeel zelf.

Waar het me nu om gaat, is dat dit soort onzorgvuldigheid en onwelwillendheid, waarachter je soms alleen maar persoonlijke motieven kunt vermoeden, een intentie om een ander schade toe te brengen, de les te lezen of weet ik wat — dat dit soort onzorgvuldigheid natuurlijk precies is wat je aan recensies kan storen. Ze zijn domweg slecht geschreven. Wanneer je je daar als auteur tegen zou willen verweren, sta je altijd automatisch aan de kant van hen die niet tegen hun verlies zouden kunnen. Schrijvers moeten niet jammeren en huilebalken, zo zei Leyman parmantig, en voegde er als ware scoutsleider aan toe: 'Ze zouden beter de rug rechten, kin omhoog en hup, schrijven aan dat volgende boek'. Het is de typische reactie van een recensent die zelf om de dooie dood niet gerecenseerd wil worden. Wie kritiek heeft op hem, is een huilebalk. Daar valt, lijkt mij, toch wel het nodige op af te dingen. Een recensent die de schrijver toevoegt dat hij zijn mond moet houden en, hup, maar rap een volgend boek moet schrijven, kan zich niet tegelijkertijd beroepen op een open geest. Hij weigert de uitwisseling waartoe ieder boek uiteindelijk oproept.

-

"Literatuur maakt vandaag de dag hoogstens nog deel uit van een marktgedreven amusementsindustrie en is alleen van belang voor zover men binnen die industrie bereid is haar amusant te vinden. De schrijvers die men daar nog wél belangrijk acht, danken die aandacht niet zozeer aan de specifiek literaire voortreffelijkheid van hun werk (al ontbreekt die daarom niet). Het zijn andere factoren die hen geschikt maken om als hofnar te dienen voor een industrie die alleen op entertainment en verkoop is gericht. Dat heeft niets meer te maken met de waarden die de literatuur van oudsher voorstaat. Het zijn de media die beslissen over de belangrijkheid, liever: de aantrekkelijkheid van een auteur.

            Wat daarbij precies bepalend is, valt overigens moeilijk te voorspellen. De ene keer gaat het om wat je bij aandacht van de massamedia verwacht: een schrijver die zichzelf presenteert als een simpele ziel die van die literatuur niet zo heel veel verstand zegt te hebben (type Kluun en Ronald Giphart), of die er gewoon een broertje dood aan heeft (Herman Brusselmans). De andere keer ziet men graag dat de schrijver zijn traditionele rol van ‘echte’ auteur blijft vervullen: dat hij kritisch, tegendraads is, tegen het establishment (type Tom Lanoye). Soms wil men de ondraaglijke lichtheid van Martin Bril, dan weer de zware poëtische diepte en hoogte van Erwin Mortier. Soms het haast documentaire, en vooral autobiografische realisme van Dimitri Verhulst (men is dol op autobiografie), dan weer de artificiële, mystieke werelden van Peter Verhelst. Ze mag natuurlijk ook gewoon een lekker stuk zijn, de auteur, liefst met een foto waarbij je spontaan gaat denken: maar die hoeft toch helemaal niet te schrijven om aan de kost te komen? Als het maar sexy is, kortom. Als het maar verkoopt."

Uit: Het geluk van de kunst, p. 31-32

  

17:09 Gepost door MR | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | |

13-04-14

Stemmen…

Stemmen van Mieke Dobbels, Jan Sobrie en Wouter Deprez zoals ze klonken tijdens de presentatie van 'Het Belgisch huwelijk' op 25 maart jongstleden in de Vooruit. Doodjammer dat ik die mensen niet mee kan nemen naar andere optredens, elders. Al neem ik ze dan mee op film.

 

Overigens: op 22 april wordt het boek besproken in 'Uitgelezen' in Gent, op 24 april in 'Uitgelezen' in Antwerpen.

 

 

00:29 Gepost door MR | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | |

28-03-14

VPRO

Cultuur is onchristelijk vroeg op de dag des Heeren (VRT) of goddeloos laat, maar dan wel elke nacht (VPRO). 'Nooit meer slapen', zo heet het toepasselijk genoeg. Het gesprek met Maarten Westerveen had ik gelukkig al eerder, in een klein kamertje van het pand aan de Van Miereveldstraat waar De Bezige Bij al sinds jaar en dag huist — de allereerste uitgever die ik ooit bezocht overigens.

(Het moet ergens in 1985 of daaromtrent zijn geweest, kort na mijn debuut in het toenmalige tijdschrift Raster. Ik werd kort na die publicatie door de uitgever van Raster uitgenodigd om eens te komen praten. Er reden toen nog auto's op het Museumplein. We praatten niet in de uitgeverij zelf (Nicolaas Matsier —enfin, Tjit Reinsma, en nog iemand… ik ben zijn naam kwijt; hij overleed een paar jaar later), maar in café Keyzer in de Van Baerlestraat. Ik ben rond die tijd wel vaak in het pand aan de Van Miereveldstraat geweest, onder andere de dag dat mijn debuutbundel verscheen, 5 februari 1988, tevens de dag waarop De Bezige Bij haar nieuwjaarsreceptie hield. Op die receptie was ook Bert Schierbeek, winnaar van de Hendrik de Vriesprijs die destijds in Groningen werd uitgereikt. Ik had toen juist het Hendrik de Vriesstipendium van de stad Groningen gewonnen. 'Waar zouden we zijn zonder Hendrik!' bulderde Schierbeek, al enigszins boven zijn theewater, toen hij dat hoorde. Hij omhelsde mij en vroeg of wat ik daar in mijn handen had mijn nieuwe bundel was. Mocht hij die eens bekijken? En stak hem vervolgens in zijn zak. Dat was dan meteen het eerste van de tien auteursexemplaren dat ik kwijt was).

De Bezige Bij (Amsterdam) is nu een totaal andere uitgever dan toen. Zelfs de schim van Mulisch (in '86 aanwezig getooid met een grote hoed, herinner ik me) lijkt er nu verdwenen. Er liep, zo leek het, nu veel meer personeel rond dan in de jaren tachtig. En toch was het hetzelfde pand, enkele verbouwingen daargelaten, en wist ik er nog grotendeels de weg. Maar ergens verwachtte ik Oscar Timmers nog tegen te zullen komen. En Erik Menkveld. Maar iedereen was iemand anders.

Het past natuurlijk bij de situatie van een auteur als ik, die in zekere zin met ieder nieuw boek opnieuw debuteert. 'De literaire wereld' is 'het boekbedrijf' geworden en dat bedrijf heeft geen geheugen — tenzij voor verkoopcijfers en dus voor de bestsellerauteurs, de enige auteurs die in de huidige situatie in staat zijn om in de ogen van publiek én boekhandelaar werkelijk een oeuvre op te bouwen. Voor de meeste andere auteurs geldt dat ze zichzelf steeds opnieuw moeten voorstellen, alsof je op een receptie bent met louter demente mensen. Voor mij geldt dat zeker in Nederland. Mijn overstap naar (destijds) Meulenhoff / Manteau (en dus de overstap van 'Amsterdam' naar 'Antwerpen') heeft, samen met de steeds verdergaande verzelfstandiging van de Vlaamse en de Nederlandse literatuur, gemaakt dat ik boven de Moerdijk nauwelijks nog als auteur besta — tenzij in de herinnering van sommige recensenten. Maar het gaat natuurlijk vooral om de lezers.

Wat dat aangaat was het tekenend om te horen van een oude kennis dat een boekhandel in Leeuwarden de boeken van De Bezige Bij Antwerpen niet 'automatisch' inkoopt; er is met andere woorden een groot aantal (Vlaamse) auteurs dat niet 'automatisch' in de Nederlandse boekhandels terecht komt. Wat niet betekent dat je hun werk niet alsnog kunt bestellen, maar je komt het niet in de winkel tegen. Je moet dus al weten dat het bestaat. De verkoopcijfers van Vlaamse auteurs in Nederland zijn dan ook navenant (omgekeerd blijkt er trouwens tussen Antwerpen en Breda ook een slotgracht zonder ophaalbrug te liggen).

Hoe dan ook, onderstaand interview werd weliswaar in het putje van de nacht uitgezonden, maar opgenomen op een mooie zonnige middag, ergens vorige week, en nog wel door een interviewer die net als ik oorspronkelijk uit Twente kwam. Het maakte het wat makkelijker om uit te leggen dat je als Nederlander sommige Vlaamse uitdrukkingen nooit tot in de finesses zult begrijpen. Hij en ik begrijpen elkaar wanneer we zeggen 'Hennig an'. Rustig aan, zo zou je kunnen vertalen, maar achter de uitdrukking zelf zit een hele Twentse wereld en mentaliteit die maakt dat 'rustig' hier net iets anders is dan… rustig. Jammer eigenlijk, dat we het daarover hadden toen de microfoon al uit stond…

 

15:19 Gepost door MR | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | |

23-03-14

Bar du Matin

Het blijft een straf, zo vroeg op de ochtend moeten vertrekken om live in een uitzending te zitten van het nieuwe cultuurprogramma van radio 1. Maar kijk, in Museum M te Leuven, waar het programma deze ochtend te gast was, zat al om 7.00 uur publiek, er was koffie, er waren koffiebroodjes, er was fruitsap — maar je blijft je afvragen wie er werkelijk heeft geluisterd, zo vroeg. Vandaar bijgaande opname. 'Het goede doel' is een bonus — enfin, voor wie ooit in Nederland met dit lied mee stond te galmen ergens in de jaren tachtig. Een prachtig lied om aan te tonen hoe scheef de perceptie van België in Nederland is: 'omdat iedereen daar lacht'; en: 'dat taaltje is zo zacht'. 

 

17:54 Gepost door MR | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook | |

07-03-14

Vijfentwintig drie (3)

 

Gentenaar.jpg

12:03 Gepost door MR | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | |

05-03-14

25 maart (2)

 

Hompen vlees.jpg

"Het was zo'n voorstelling waarin veel onverstaanbaar geroepen en gegild werd en de acteurs en actrices weinig anders leken te zijn dan hompen vlees die druipend aan touwen op het toneel heen en weer zwaaiden en zo iets uitbeeldden, iets existentieels ongetwijfeld, iets dwingends ook, iets wat met onze tijd te maken had — wie weet zelfs met de politiek".

Uit: Het Belgisch huwelijk.

 

 

11:13 Gepost door MR | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | |

28-02-14

Presentatie 25/3 (1)

Max loves Isabelle.jpg

 

10:42 Gepost door MR | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | |

18-02-14

Voorproefje van Het Belgisch huwelijk (verschijnt 25 maart)

 

HBH_A+.jpg

 

 

podcast
of

14:49 Gepost door MR | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | |

12-02-14

Vandaag in De Standaard: 'Belg. N'

20130524_natalia.jpg

Of een aantal collega-schrijvers me het stuk hieronder wel in dank gaan afnemen, valt te betwijfelen. Maar ik begrijp werkelijk niet waarom men zich druk maakt over de tussentaal van zangeres Natalia. Eenzelfde — als men wil — schabouwelijk Nederlands is dagelijks in diverse programma's op de Nederlandse tv te horen. En heel erg vind ik dat niet. Dat het hier voor specifiek Vlamingen een gevoelige kwestie betreft, is natuurlijk evident. De vele positieve reacties die ik deze ochtend op Facebook al mocht ontvangen, maken duidelijk dat ik een snaar raak. 

Tegelijk zit ik hier op een hellend vlak. In tijden dat een populistische partij het zelfbewustzijn van de Vlaming vooral definieert als verkrampt Vlaams nationalisme, waarin wraakgevoelens jegens een ieder die de Vlaming slecht gezind zou zijn (en dat lijkt vaak de hele wereld te zijn) de overhand hebben, is wat ik hier bepleit makkelijk te misbruiken. Dat soort zelfbewustzijn bedoel ik niet, uiteraard. Het is maar dat het Nederlands in Vlaanderen de geheime voorraadkamer lijkt te zijn die van het Nederlands boven de Moerdijk wellicht nog een taal kan maken die niet voor de schoonheid van andere talen hoeft onder te doen — al was het maar omdat dat Nederlands hier veel meer van haar eigen geschiedenis heeft bewaard dan in Nederland zelf.

Gezien de reacties op dit stuk, kan ik me nog aan het nodige verwachten (kan ik nog het nodige verwachten) wanneer straks (25 maart) mijn nieuwe roman verschijnt: Het Belgisch huwelijk. Nu even afgezien van het verhaal van de roman zelf: die roman gaat op het niveau van de taal heel erg over juist al die verschillen tussen het Nederlands en het Vlaams, en over wat dat betekent voor de wijze waarop we de wereld zien. Maar het bevat ook een aantal, misschien onaangename observaties over het huidige Vlaanderen en het huidige Nederland, over nationalisme, ressentiment, arrogantie en geweld.

Ik meld het hier vast: 25 maart, in de balzaal van De Vooruit, wordt het boek gepresenteerd.

HBH_A+.jpg

Hieronder het stuk zoals het in De Standaard van vandaag stond. 

screenshot_03.png

Wat is dat toch met die Vlaamse taalpuristen? Nu struikelen ze weer met z’n allen over Natalia tijdens de MIA’s. In de eerste plaats: waar is de tijd gebleven dat dergelijke puristen zich te goed voelden voor dergelijke banale programma’s en er niet naar keken? Dat scheelde heel wat gemor. En in de tweede plaats: Natalia is inclusief borstmaat, beenlengte, achtergevel, mondholte en uitspraak nu eenmaal een merk. Dat huur je in of dat huur je niet in. Stel je voor dat Jan Becaus de MIA’s gaat presenteren. Of Kathleen Cools. Zo’n programma verdraagt helemaal geen Algemeen Nederlands. En soortgelijke programma’s in Nederland ook niet. Of dacht u dat Algemeen Nederlands boven de Moerdijk wel door alle tv-presentatoren gesproken wordt?

 Daar is het minder erg, zo lijkt het. ‘Hun hebben beter gespeeld’, zegt de gemiddelde voetballer, en hij weet heus wel dat ‘hun’ verkeerd is; het moet ‘hullie’ zijn. ‘Knuffelmarokkaan’ Ali B — recentelijk nog te gast in Café Corsari — moet zijn eerste zin in het AN nog uitspreken. Marco Borsato kan er ook niet veel van, eerlijk gezegd. Sowieso hebben alle Amsterdammers een spraakgebrek. En een gehoorprobleem. Een Vlaamse toerist die zijn stinkende best doet er in het AN een Hollandse Nieuwe te bestellen, krijgt antwoord in het Engels en kan naar zijn haring fluiten. Een Groninger overleeft het binnen de Amsterdamse grachtengordel trouwens ook niet zonder ondertiteling.

Iemand moet me nu toch eens uitleggen waarom de zin Wa hebbie da baj je in Nederland niet tot een principiële discussie over ernstige taalverloedering leidt, en een zinnetje als Mijne vriend, gade gij mee hier onmiddellijk leidt tot de oprichting van een Actiegroep Nederlands onder leiding van een heuse emiritus hoogleraar (Stijn Verrept) en zelfs tot een petitie die door de grootste geesten van dit land prompt wordt ondertekend. De eerlijkheid gebiedt om te zeggen dat de actiegroep niet alléén uit Vlamingen bestaat; onder de twintig leden zijn er zowaar twee Nederlanders.

Het heeft natuurlijk met macht te maken. Je zou bijna wensen dat er naast AN ook zoiets als AV, Algemeen Vlaams, zou bestaan. Tot voor kort werd alles wat daaronder zou kunnen vallen in de Van Dale nog aangeduid met de toevoeging ‘Belg. N.’: Belgisch-Nederlands. Ik geloof dat Van Dale daar vanaf de volgende druk mee op wil houden. Maar daarmee zet je niet onmiddellijk recht wat scheef is gegroeid: dat er vele ‘Belgisch-Nederlandse’ woorden en uitdrukkingen zijn die boven de Moerdijk niet tot het AN worden gerekend. Geen wonder dat Tom Lanoye altijd zegt dat het Nederlands in zijn puur Nederlandse gedaante zo mager en schraal is. Vlaamse vertalers hebben al eens van Nederlandse uitgevers te horen gekregen dat ze het woord ‘venster’ niet meer mochten gebruiken in hun vertalingen; het moest ‘raam’ zijn. Maar een vernster is net even iets anders dan een raam. Je kijkt er heel anders door.

Het AN behoort blijkbaar aan de Hollanders, en er zijn helaas nog veel te veel Vlamingen die zich daarbij neerleggen en zelfs aan zelfkastijding beginnen te doen. In plaats van de breedte van onze taal te verdedigen, waarin een venster, een raam, en zelfs een vensterraam of glasraam het uitzicht op onze wereld zoveel groter maken. Ik bepleit hier dus niet dat de Vlaming het AN moet loslaten; hij moet het veeleer veroveren op de Hollander die er zijn alleenrecht laat gelden. Als we willen dat het Nederlands voor Nederland én Vlaanderen als standaardtaal behouden blijft, dan wordt het tijd dat men ook boven de Moerdijk eens de handen uit de mouwen steekt en leert luisteren naar hoe (wel degelijk ook) hun eigen taal hier klinkt. Voor de duidelijkheid: ik heb het dan niet over de talloze dialecten; ik heb het over ‘Belg. N.’, dat gewoon Nederlands is.

Of Natalia’s Nederlands uit de Kempen dan wél aan de veroordeling ontsnapt die het nu ten deel viel, is van ondergeschikt belang. Zonder die kempische tongval zou ze een deel van de charme kwijt zijn die ze nodig heeft om haar andere gebreken te maskeren. Zoals het eten van Jeroen Meus zonder de saus van zijn sappige taaltje inderdaad gewoon dagelijkse, nogal saaie kost wordt. En zolang beiden het journaal niet presenteren, is er wat mij betreft geen reden voor de loeiende verontwaardiging van sommigen over hun zo verderfelijke tussentaal.

In: De Standaard, 12 februari 2014

12:27 Gepost door MR | Permalink | Commentaren (2) |  Facebook | |

13-12-13

Vandaag in De Standaard: pleidooi voor ouderwetse solidariteit

 

screenshot_131.jpg

We hebben er al bij al lang op moeten wachten: het moment dat auteurs zich eindelijk eens roeren als het gaat om de wijze waarop allerhande organisaties menen om te kunnen gaan met de prestaties die door hen worden geleverd. Een tijdje terug was het auteur Ann De Craemer die in het Nederlandse HP/De Tijd protesteerde tegen het dédain van een ieder die meent auteurs af te kunnen schepen met een flesje wijn, een boekenbon of soms — hoe schattig — een bosje bloemen. Meer recent was het Arjen Lubach die op zijn Facebookpagina Van Dale Uitgevers aanklaagde omdat die spulletjes uit hun eigen winkel als honorarium aanboden (DS, 7 december). Els Snick voegde er afgelopen dinsdag haar relaas aan toe (DS, 10 december). Zelf pleitte ik al in 2011, na de bekendmaking van de resulaten van het onderzoek van de Vlaamse Auteursvereniging naar het inkomen van schrijvers (gemiddeld 300 euro per maand), in deze krant voor een billijke vergoeding van auteurs (DS, 2 april 2011).

Opmerkelijk in Snicks verhaal is dat ze de honorariumperikelen 'een heikele kwestie' noemt. In deze tijd, waarin het rigide marktdenken en de daarmee verbonden eis van nut en rendement hoogtij viert, bezorgt het blijkbaar menig auteur, illustrator, vormgever en wat dies meer zij enig schuldgevoel wanneer ze voor geleverde arbeid geld vragen. Alsof er een onoverbrugbare kloof bestaat tussen het scheppen en het verkopen van iets. Alsof de waarde van wat er is gemaakt alleen symbolisch valt uit te drukken.

Dat hangt samen met het gevoel dat de kwaliteit van wat er wordt gemaakt geen enkel verband houdt met de mate waarin het verkoopt. Om me tot de literatuur te beperken: iets wat literair gesproken kwalitatief hoogstaand is, krijgt in veel gevallen totaal geen aandacht en de auteur behoort — financieel en anderzins — tot de absolute achterhoede. Iets wat literair gesproken abominabel is, kan in de verkoop toch hoge toppen scheren. En voor u nu denkt dat alles wat goed verkoopt literair gesproken minderwaardig is: dat is beslist niet zo. Er is geen peil op te trekken. Voor een auteur lijkt het grotendeels een loterij, iets wat hij of zij misschien alleen een klein beetje kan beïnvloeden door buiten het werk om salto's en koprollen te maken, een striptease te doen of anderszins de aandacht op zich te vestigen.

Het kunstenaarschap is in onze contreien nog steeds verbonden met de stroming van de romantiek. De waarden die door de romantiek werden verdedigd (o.a. het individuele, de vrijheid, authenticiteit, orginaliteit), zijn in onze samenleving ondergeschikt gemaakt aan die van de heilige markt. Om niet te zeggen dat die waarden alleen nog mogen bestaan als een vorm van amusement — iets ter ontspanning. Individu ben je maar beter in je vrije tijd. Kunst, literatuur: het is voor de leut, eventueel om de burger na de kunstconsumptie in het alledaagse bestaan nog wat beter in het gareel te laten lopen.

De nadruk op het individuele zelf heeft gemaakt dat kunstenaars, schrijvers etc. het erg moeilijk hebben om solidair te zijn met elkaar. De (artistieke) vrijheid maakt juist dat het verschil met de ander (terecht!) als een groot goed wordt beschouwd. Maar in een marktgestuurde context maakt dat ook dat schrijvers makkelijk tegen elkaar worden uitgespeeld als concurrenten. De waarde van hun meningsverschillen is in die context alleen van belang wanneer het een zekere amusementswaarde vertegenwoordigt — niet omdat die meningen er zelf ook maar iets toe zouden doen.

Juist die onverschilligheid van de rest van de wereld zou auteurs van allerlei slag er meer toe moeten aanzetten om één lijn te trekken. Dat begint ermee dat ze zich zelf een klein beetje beter informeren over hoe de vork in de steel zit. Er zijn auteurs die zich laten afschepen door, wat mij betreft malafide uitgevers die doodleuk beweren dat als ze de auteur ook nog royalty's moeten betalen het boek in de winkel wel héél erg duur wordt. Bij zo'n uitgever moet je niet zijn, en je moet er zeker geen contract ondertekenen. Onderteken alleen een zogeheten 'standaard-' of 'modelcontract' (zie de site van de Vlaamse Auteursvereniging). En ja, weiger op te treden als er geen fatsoenlijke vergoeding tegenover staat, ook als het schrijver- of kunstenaarschap niet de voornaamste bron van inkomsten is. Wees solidair met je vakbroeders en -zusters op dit punt. Er bestaat een lijst van billijke (lees: minimum) vergoedingen (zie alweer de Vlaamse Auteursvereniging).

Nu alleen nog het verschil tussen Nederlandse auteurs (basishonorarium bij optreden 265 euro) en Vlaanderen (200 euro) wegwerken. Dat Nederlandse auteurs meer zouden moeten verdienen dan Vlaamse lijkt mij op zijn minst iets waarover we, om kwalitatieve en andere redenen, grondig van mening zouden kunnen verschillen.

zie ook:

http://www.auteursvereniging.be/informatie/modelcontracten/

http://www.auteursvereniging.be/informatie/richttarieven

In De Standaard, 13-12-2013.

12:14 Gepost door MR | Permalink | Commentaren (2) |  Facebook | |

18-10-13

Joos

Wat te vrezen valt: dat de verontwaardiging over het afvoeren van het programma 'Joos' op Radio 1 uiteindelijk verzandt in dezelfde doffe berusting als die welke volgde op de veranderingen die van Vlaanderens klassieke muziekzender Radio 3 inenen 'Klara' maakten. Ook Radio 1 is wat dat aangaat niet aan zijn proefstuk toe. Ook daar is de afgelopen jaren al vaak 'ge-restyled', zoals het in de kringen van netmanagers en ander overbetaald volk heet, en dat allemaal omdat ze te weinig luisteraars zouden bereiken.

Toegegeven: men wordt een beetje iebel van ieder half uur hetzelfde nieuws met dezelfde soundbytes — maar er waren aangename uitzonderingen. 'Joos' was daarbij dan nog eens  een verademing — niet alleen omdat het een cultuurprogramma was (het ging en gaat er vaak genoeg over heel andere dingen), maar vooral omdat Ruth Joos de drijvende kracht achter het geheel is. Zelden iemand gekend die zo hard werkt. En ja, één van de weinige presentatoren die het boek van de uitgenodigde schrijver gewoon gelezen heeft (en de handigste onder hen niet laat wegkomen met wat promopraat), de voorstelling van een theatermaker heeft bezocht, de films heeft gezien die ze in haar programma ter sprake brengt, concerten bezoekt.

Geïnterviewd worden door Ruth Joos, dat is tot je eigen verrassing gewaar worden dat de audiovisuele media dan toch niet per se op gespannen voet staan met kunst en cultuur. In een (misschien naar de maatstaven van managers ontoelaatbaar lang) interview van slechts 20 minuten weet zij tot de kern door te dringen, zonder dat ook maar iemand het idee heeft dat hij er voor gestudeerd moet hebben om alles te kunnen volgen. Ruth Joos en het (sinds 2010) naar haar genoemde programma (voorheen heette hetzelfde programma 'Mezzo') doet in feite aan volksverheffing omdat in haar programma cultuur gewoon nooit 'moeilijk' is — waarmee ik niet bedoel dat ze niet spreekwoordelijk 'moeilijke' kunstenaars, schrijvers, kunst en literatuur aan bod laat komen, maar dat ook die 'moeilijke' mensen in haar programma meestal worden wat ze voor zichzelf waarschijnlijk ook zijn: gewoon kunstenaars, schrijvers, mensen die gepassioneerd bezig zijn met iets, vanuit die passie iets moois, interessants hebben gemaakt,  en die in dit programma iemand tegenover zich aantreffen die al even gepassioneerd is en van daaruit haar vragen stelt. Dat leidde in het verleden tot boeiende gesprekken die je nergens anders nog hoorde.

Hoe anders de sfeer op de redactie van 'De ochtend', of toch tenminste die ene keer dat mij gevraagd was in alle vroegte iets te komen zeggen over… enfin, over iets. Ik was vroeg vertrokken om fileleed voor te zijn, en al rond kwart over zeven ter plaatse, waar dan naar goed gebruik een ontbijtje wordt aangeboden. Ik zat bij de hard werkende redactie die bezig was het lopende programma tot een goed einde te brengen een croissantje te eten. Op een wat rustiger moment vroeg één van de aanwezigen wat ik precies kwam doen, en dat moet ik toen hebben uitgelegd. Wat het ook was toen, het zal zeker verband hebben gehouden met literatuur. Ik herinner me dat ik dat woord daar heb laten vallen. Het leidde meteen tot fronsende wenkbrauwen. 'Ja ja, literatuur, dat is érg moeilijk hoor, op de radio'. Ik begon meteen een gesprek over wat ik noemde 'de angst voor literatuur' bij de media, de enorme vooroordelen als het daarover gaat, en inderdaad altijd maar weer dat idee dat het allemaal zo moeilijk is, en vooral: dat 'de luisteraar' dat niet zal begrijpen.

Onderschatting van 'de luisteraar', vind ik altijd. Zoals 'de kijker', 'de lezer', 'de bioscoopbezoeker' en de 'theaterbezoeker' vaak worden gehouden voor halve randdebielen die je maar beter op de hurken toespreekt.

(Dat heb ik Ruth Joos nooit zien doen: op de hurken gaan zitten om een denkbeeldige 'luisteraar' ter wille te zijn, waarvan iedereen weet dat het eigenlijk de netmanager zelf is).

'Waar zijn jullie toch zo bang voor?', vroeg ik die ochtend. Ja, nou ja, kijk, dit was wel een publieke omroep hè. Dus… eh… ze moesten voor iedereen radio maken hè. Ik denk niet dat ik toen gezegd heb dat literatuur natuurlijk voor iedereen is. Ik antwoordde iets in de trant van: dat het publieke karakter van de zender niet betekende, en mijns inziens ook nooit kán betekenen, dat je op ieder moment van de dag voor iedereen, maar dan ook werkelijk voor iedereen, radio zat te maken. Het publieke aspect leek mij beter gewaarborgd door de zorg voor diversiteit — het omgekeerde van de eenheidsworst die hun houding opleverde. Waarna ik in de studio een luttele 5 minuten voor het nieuws nog even snel iets moest zeggen over… iets (echt geen idee meer wat dat was).

De angst voor cultuur overwint telkens weer in de kringen van hen die inhoud en diepgang alleen wensen te begrijpen als het te vermalen valt tot wat zij 'content' noemen — het maakt geen reet uit wat die 'content' precies is. Eigenlijk zou je over literatuur moeten berichten als over sport.

-We schakelen nu over naar Bart Schols die in Drongen staat, Bart?

-Ja, Friedl, ik sta hier voor het huis van Erwin Mortier en het is ondragelijk spannend. Het ziet er naar uit dat Mortier tussen nu en een paar minuten dan toch… Ja, ja, het is gebeurd, dames en heren, het is gebeurd! Erwin Mortier heeft juist een nieuwe zin geschreven en… ja dat is toch mooi hoor, u kunt dat niet zien, beste luisteraars, maar Mortier maakt nu een ontroerend rondedansje voor de schrijftafel. Hij steekt zijn beide armen in de lucht. En terecht natuurlijk. Een prachtige zin is het, dames en heren, schitterend geschreven en precies op maat. Het leek heel even niks te worden, maar na een geraffineerde puntkomma hernam Mortier zich op formidabele wijze. Een bevrijding, dat moge duidelijk zijn. Er is dus een zin, een nieuwe zin, en de schrijver ervan heet Erwin Mortier. Terug naar de studio, terug naar jou Friedl.

Misschien dat cultuur op deze manier nog een kleine kans maakt om te overleven in het geweld van de nieuwe elite: de cijferfetisjisten van de media die vooral de efficiëntie van hun meetinstrumenten meten.

We moeten het niet pikken, die continue egalisering van onze cultuur tot een monocultuur  waar vroegere dictators alleen maar van konden dromen — en altijd op basis van argumenten die niets te maken hebben met de grond van de zaak. Een nieuwszender als Radio 1 die een cultuurprogramma als dat van Ruth Joos de nek omdraait, is de journalistiek onwaardig.

95c78e24-373d-11e3-9849-c94566c8b785_web_scale_0.375_0.375__.jpg

00:25 Gepost door MR | Permalink | Commentaren (6) |  Facebook | |

28-08-13

Eindelijk nieuws

Het heeft even geduurd, maar na het interview met Marnix Peeters in De Morgen van afgelopen zaterdag (24 augustus) en het opiniestuk van Christoph Van Gerrewey in De Morgen van afgelopen dinsdag, blijkt er vandaag — alweer in De Morgen — dan toch eindelijk sprake te zijn van een literair nieuwsfeit: Jeroen de Preter meent dat de losse opmerkingen van Peeters en de repliek van Van Gerrewey 'de terugkeer van de literaire polemiek' inluiden.

Tiens… Ik meende dat ik nog niet zo heel lang geleden (op de Staat van het Boek in april, om precies te zijn) Yves Desmet hoorde zeggen dat De Morgen in het verlengde van de slow food-beweging en de slow art-beweging en de slow nogwat-beweging resoluut voor slow journalism koos. Het personeel is blijkbaar niet ingelicht.

Literaire nieuwsfeiten beperken zich al heel lang vooral tot de vermelding hoeveel iemand voor de krabbeltjes van een beroemde schrijver over heeft gehad, hoeveel boeken er van een bepaalde auteur zijn verkocht, welke auteur er is overgegaan naar welke uitgeverij (en eventueel voor hoeveel geld), en ja, mocht zich bij wijze van gelukkig toeval ergens een vechtpartij tussen auteurs hebben voorgedaan, dan zou ook dat in de kolommen literair nieuws terecht zijn gekomen. Er zijn natuurlijk nog altijd de boekenbijlagen, maar die gelden niet als werkelijk nieuws, ondanks verwoede pogingen om ook boekenbijlagen zoveel mogelijk op één lijn te krijgen met de rest van de krant (veel interviews, human interest etc, korte, steeds kortere recensies met toegekende sterren of bollen).

Schrijvers zelf zijn al langere tijd zo verstandig om hun meningsverschillen binnenskamers uit te vechten — als het daar nog van komt. De druk van de commercie is inmiddels zo groot geworden, de traditionele literaire infrastructuur zozeer vernietigd, dat elke schrijver wel ergens het besef heeft dat literaire kritiek in de traditionele zin van het woord in de huidige omstandigheden alleen maar tot misverstanden kan leiden (literaire critici leggen in een klimaat waar verkoopcijfers belangrijker zijn dan de kwaliteit van de geboden waar bijvoorbeeld veel minder gewicht in de schaal dan tv-persoonlijkheden, politici, acteurs, zangers of ander bekend volk dat desgevraagd een mening over literatuur heeft). Een kritische opmerking over het werk van een collega zal nooit begrepen worden als een serieuze kanttekening bij een debat dat behalve over literatuur vooral over de wereld gaat. Nee, die kritiek zal begrepen worden als de uitdrukking van concurrentiezucht, niet met de bedoeling om van gedachten te wisselen, maar met de bedoeling de ander onder de zoden te schoffelen.

Zoals altijd in dit soort gevallen lijkt het de schuld te zijn van enkel de journalistiek, van 'de' media. Helemaal waar is dat niet. Het feit dat De Preter op grond van niet meer dan een tweetal stukjes in de krant De Terugkeer Van De Literaire Polemiek proclameert, pleit nu niet onmiddellijk in het voordeel van de rol van de media in dezen. Zoals gezegd, als de Morgen aan slow journalism wil doen, dan zijn ze daar vergeten De Preter in te lichten. Maar anderzijds blijkt uit de voorbeelden die De Preter geeft dat ook onder schrijvers zelf 'polemiek' blijkbaar gelijk staat aan het elkaar toevoegen van persoonlijke beledigingen, het elkaar letterlijk te lijf gaan. Zoiets is alleen 'polemisch' wanneer het gebeurt in een context waarin literaire meningsverschillen nog relevant geacht worden voor een debat dat het literaire ver overstijgt. Dat was nog het geval in de tijd van grote polemisten als Du Perron, W.F. Hermans en de, zeg maar, wat jongere Jeroen Brouwers (zij het toen al een stuk minder). In een context waarin alleen het feit dat er geruzied wordt van tel is, maar niet werkelijk waarover het dan gaat, moet men zich als schrijver op zijn minst telkens afvragen waarom een krant ruimte zou bieden aan een stuk over een literaire kwestie.

Suggereer ik nu dat Van Gerrewey met zijn stuk in de val is getrapt? Dan zou ik ervan uitgaan dat de krant die val bewust heeft gezet: eerst door Peeters populistisch te keer te laten gaan tegen De Literatuur (in populistische vertogen altijd opgevat als het domein van ivoren toren onanisten die zich beter voelen dan de rest van de wereld), daarmee speculerend op de Verontwaardiging van de Serieuze Schrijver die zich dan in de figuur van Van Gerrewey aandiende.

Van een werkelijk bewuste val lijkt me hier geen sprake; maar de bok-op-de-haverkist reactie van De Preter maakt wel duidelijk dat in de huidige tijd die valkuil er altijd is. 

Intussen is er van een werkelijke polemiek geen sprake, vooral omdat Van Gerrewey niet reageert op wat Peeters wérkelijk in dat interview zegt. Van Gerrewey kraakt Peeters boek af. Bon. Dat is literaire kritiek, en we weten al dat het daar niet langer om gaat. (Ik moet daar altijd bij zeggen dat ik dat betreur; welnu: ik betreur dat ten zeerste). Van Gerrewey komt uiteindelijk niet verder dan het uitventen van zijn eigen poëtica tegenover die van Peeters. Dat is zijn goed recht, maar hoewel er ook zeker een poëticale kant te ontdekken valt in wat Peeters allemaal heeft gezegd, gaat het niet in eerste instantie om een poëticale kwestie, maar om een sociaal-cultureel fenomeen.

Eerst dit: wat Marnix Peeters in het interview heeft gezegd leunt zwaar aan tegen dat populistische discours waarover ik het had. Het lijkt alsof Peeters op 'de' literaire wereld projecteert wat hij zelf denkt dat die literaire wereld van hem zal vinden. Als voormalig journalist heeft hij het gevoel toegetreden te zijn tot een gezelschap dat hij blijkbaar zelf altijd als 'intellectueler' of 'meer hoogstaand' of iets dergelijks heeft beschouwd, en dat maar weinig op heeft met 'banale journalistjes' als hij. Ja, als je Cees Nooteboom als referentie neemt, zoals ergens Peeters doet, dan krijg je misschien dat idee ja. Die man is op persoonlijk vlak qua arrogantie en verwatenheid echter hors catégorie. Of Peeters persoonlijk geconfronteerd is met wat hij al op voorhand op 'de' literaire wereld projecteert, weet ik niet. Ik kan alleen maar zeggen dat het met de superioriteitsgedachte onder mijn schrijvende vrienden enorm meevalt. Wij praten over voetbal, en als het gezelschap het toelaat: over vrouwen (niet altijd even eerbiedig, moet ik bekennen); wij roddelen als de eerste de beste journalist over wie het met wie doet; wij spelen gitaar en zingen kampvuurliederen; en jawel, wij mopperen op 'de' journalistiek, 'de' media ook, verliezen ons soms even in een sombere beschouwing over het neoliberalisme dat ons allen nekt; het milieu komt soms langs ('het gaat toch echt wel niet goed, geloof ik'; 'hoe zijde gij hier? Met de wagen? Dieseltje?'); en verder gaat het over onze kinderen, die tot onverantwoord laat in de nacht door de tuin dwalen (als er al een tuin is; schrijvers zijn arme mensen) en over dat we snel oud worden; en als er echt veel drank mee gemoeid is dan bekennen we dat we elkaar graag zien. En ja, soms gaat het ook heus over literatuur. Meestal kort. Onze partners beginnen anders met hun ogen te draaien. Wij vallen, kortom, geweldig mee voor wie hier hoogdravende praat verwacht, en morele superioriteit.

Toch is het vooral vanuit die vooronderstelling dat Peeters in zijn interview vertrekt. En het is met die vooronderstelling dat hij in dat interview een pleidooi houdt voor een zekere weidsheid, voor breedte, voor 'anything goes' eigenlijk. En voor voorlezen ook. 

Ik heb niets tegen voorlezen voor een publiek. Wel integendeel. Ik ken niet veel schrijvers die er wel iets op tegen hebben. Ja, blijkbaar Van Gerrewey die, zo stelt hij zelf in zijn opiniestuk, de auteur was die door Peeters smalend wordt beschreven als degene die op Crossing Border een pamflet voorlas 'waarin hij uitlegde waarom hij niet ging voorlezen uit zijn overigens zeer goede nieuwe boek'. Het moet voor Peeters een alweer gemakkelijk verkregen bewijs zijn voor de hooghartige afzijdigheid van 'de' literaire auteur.

Ik frons ook even de wenkbrauwen bij zo'n actie, vind helemaal niet dat elke auteur het tot zijn plicht moet rekenen om zijn werk voor te lezen, maar zou in het geval van Van Gerrewey Crossing Border vriendelijk hebben bedankt voor de uitnodiging en de eer aan een andere auteur hebben gelaten, een auteur die wél graag voorleest uit eigen werk. Kwestie van collegialiteit.

Het is maar dat juist door dit soort voorbeelden in het interview van Peeters langzamerhand een identificatie optreedt tussen 'voorlezen' en een bepaald soort, meer toegankelijke literatuur, een literatuur die geen moeite heeft gekost, die niet uit pijn geboren is, die niet zo in de diepte wroet als sommige auteurs (overigens heel vaak niet ten onrechte) zeggen dat hun werk doet. En de ironie is dat Peeters dat eigenlijk lijkt te zeggen vanuit het idee dat mensen als hij niet aan bod komen in de 'literaire' wereld. Dat is in zijn geval evident onzin. En hij zal misschien verbaasd zijn dat er aan de door hem als hoogliterair beschouwde kant juist het omgekeerde gedacht wordt: dat het Peeters' ideeën zijn die de boventoon voeren in het vandaag de dag geheel door de vooronderstellingen van de journalistiek (en de daarmee onvermijdelijk verbonden commerciële logica) gedomineerde 'literaire' klimaat. En dat het die vooronderstellingen zijn die maken dat 'stillere' auteurs, schrijvers van meer introverte teksten,  niet meer aan het woord komen. Heel veel van die auteurs willen best graag voorlezen, maar ze worden niet uitgenodigd, ze krijgen de kans niet eens meer om het publiek via hun eigen stem kennis te laten nemen van het schoons dat zíj te bieden hebben (terwijl tegelijkertijd hun boeken niet meer worden ingekocht door de grote boekhandelconcerns en daar dus ook al niet te vinden zijn). Ze zijn voor organisatoren al op voorhand (en vaak ongelezen) 'te moeilijk' of 'te serieus'. Of domweg niet bekend omdat media noch grote boekhandels hen wensen waar te nemen.

Heel veel van die auteurs hadden ook niet zo gemakkelijk toegang tot de media als Peeters bleek te hebben toen zijn debuut verscheen, een debuut waarvoor zijn uitgever — juist vanwege Peeters' banden met de journalistiek — op voorhand meer moeite wilde doen dan voor veel van zijn andere auteurs: de kans op succes in juist die journalistieke kringen was immers groter. Pas op, dat is geen verwijt naar Peeters of zelfs naar de uitgever toe. Het is een weergave van wat momenteel nu eenmaal de realiteit is. Er is geen relatie tussen de literaire kwaliteit van het gebodene en de toegang tot de media. Het is van andere factoren afhankelijk.

Korter door de bocht: de hele 'terugkeer van de literaire polemiek' is in dit geval terug te voeren op het feit dat Peeters in zijn interview precies die dingen zegt die men in journalistieke kringen graag over literatuur en literaire auteurs hoort (dat het een zootje arrogante betweters is) en dat Van Gerrewey daarop reageert op de manier die de journalistiek graag ziet: als een echte arrogante auteur die het beter weet. Over literatuur zelf gaat dit niet echt. Hoogstens bewijst de hele kwestie nog eens dat het — jawel: 'de' media zijn die de agenda bepalen. 

En daarom is er dus bij dezen sprake van De Terugkeer Van De Literaire Polemiek. Het staat in de krant, immers?

14:55 Gepost door MR | Permalink | Commentaren (7) |  Facebook | |

11-08-13

Terugverlangen naar nu

bonkaart 1944.JPG

Foto's; een Diploma A van de Vereeniging van Leeraren in Stenografie en Machineschrijven, afdeeling Machineschrijven, snelheid 140 aanslagen per minuut, behaald op 31 januari 1946;  een bonkaart uit 1944; een tweetal foto's uit de tijd dat het leraarschap nog respectabel genoeg was voor staatsieportretten van het personeel (met sigaret); een rapport van de muziekschool van mijn zus; bouwtekeningen van de 'Middenstandswoning' die mijn ouders in 1961 betrokken aan de rand van Goor, met toen nog direct achter een later afgebroken stationsgebouw de velden; nog meer foto's met deels onbekende gezichten zonder naam die desalniettemin een vage gelijkenis vertonen met foto's met gezichten waarop ik nog wel een naam kan plakken…

papa jaren 50.JPGpapa school jaren 50.JPG

Een persoonsbewijs van de grootvader van mijn vaders kant, van de grootmoeder van mijn moeders kant, alsmede een pasje van N.B.S. Afdeeling Bewakingstroepen met de tekst: 'Verzoeke aan: H. Van Schooten-Gierman P.B. No. B96/3201 de IJsselbrug te laten passeeren. Geldig alle dagen', ondertekend door de commandant van de N.B.S. Bewakingstroep Zutphen, J. Sierink (als ik de handtekening correct lees) — een pasje dat mijn oma, die als dienster werkte, het recht gaf elke dag de IJsselbrug bij Zutphen over te steken als zij vanuit Brummen naar haar werk ging. Een kaart uit Leeuwarden, waar mijn grootvader van moederszijde gedurende de Eerste Wereldoorlog gelegerd was (gemobiliseerd) — een bewijs dat toentertijd al ter gelegenheid van nieuwjaar foto's werden verstuurd bij wijze van ansichtkaart. Als ik het goed zie is hij degene die zo frivool zijn veldfles heft. En ik heb het sterke vermoeden dat de man helemaal links de vader van mijn vader is: mijn ene en mijn andere grootvader kenden elkaar al lang voor de geboorte van mijn ouders en waren samen op dezelfde plek onder de wapens geroepen (maar vochten niet, uiteraard).

kaart nw jr 1918.JPG

 

screenshot_110.jpg

Uit de pakweg tien verhuisdozen die we de afgelopen maand uit het appartement van mijn moeder hebben meegenomen, komt de ene herinnering na de andere. En vooral ook: de herinneringen van degene die ik me herinner, zonder dat ik zelf herinneringen heb aan veel van wat ik zie. Het verlangen dit alles op de juiste manier een plek te geven, ook al tast ik bij veel in het duister en is er niet werkelijk iemand meer aan wie ik kan vragen hoe of het zat. De merkwaardige haast zelfs die ik heb om dit alles ordelijk op te bergen zonder dat het verdwijnt in dozen op zolder, dozen die je pas bij een eventuele volgende verhuizing terugvindt om dan voor hetzelfde probleem te staan: wat moet ik hier allemaal mee? Weggooien gaat niet. Bewaren is in zekere zin zinloos. Het zijn delen van een verhaal dat ik niet ken. Een verhaal dat ik zelf zal moeten maken misschien, maar niet nu, niet nu. 

De voortdurende herinneringsarbeid waartoe het opruimen me dwingt, is op dit moment een aanslag op de eigen gemoedsrust. Ze verhindert dat de tijd zijn rechten herneemt. En hoewel ook de rouw zijn rechten heeft is er inmiddels een soort terugverlangen naar het heden: dat ik nu weer mag beginnen met waar ik mee bezig was. Zodat ik mezelf nu toch oude briefkaarten, half-vergane fotoboeken, officiële documenten die elke betekenis in deze tijd verloren hebben in dozen zie stoppen met aan mijzelf de vage belofte dat ik niet zal wachten tot een volgende verhuizing om hier wat orde in aan te brengen.

Parallel daarmee word ik steeds ongeduldiger ten aanzien van Nederlandse firma's en instanties die mijn overleden moeder maar niet uit hun systemen lijken te kunnen krijgen, geld eisen wanneer dat niet terecht is, telefonisch onbereikbaar zijn en anderzins niet te contacteren, en die als ze mij als erfgenaam geld schuldig zijn bijvoorbeeld doodleuk beweren dat de 'structuur van Belgische bankrekeningnummers' het hen onmogelijk maakt om dat geld aan mij over te maken; hun 'systeem' kan dat niet aan. Of ik niet in Nederland een rekening kan openen. Het gaat in dit geval om een afrekening van gas en licht, zodat nog niet helemaal duidelijk is wie er wie iets is verschuldigd. Ik heb al laten weten dat in dat geval míjn 'systeem' eventuele betaling aan hun Nederlandse rekeningnummer ook volstrekt onmogelijk maakt. Al heb ik wel nog uitgelegd aan de dienstdoende mevrouw dat die 'Belgische structuur' van mijn rekeningnummer eigenlijk een internationale 'structuur', want een IBAN-nummer is, een 'structuur' die in België en de meeste omringende landen ook al ingeburgerd is voor binnenlands betalingsverkeer. En verder dat het me niet zo héél erg ingewikkeld lijkt als 'het systeem' het niet aan kan: men neme een internationaal overschrijvingsformulier en vult dat, desnoods met de hand, in. Men reageert gechoqueerd op een dergelijk onbetamelijk voorstel.

Ook al dit vruchteloze gedoe — een combinatie van voorgeschreven beleefdheid (men condoleert mij zonder uitzondering netjes en wenst mij veel sterkte toe) en onbeschofte domheid — houdt me vast in iets wat ik zou willen kunnen afronden, zodat ik eindelijk een begin kan maken met wennen aan wat voortaan het geval is: het heden zoals het is.

17:28 Gepost door MR | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | |

15-07-13

'Overlijding'

Er zijn in Nederland diverse firma's die zich aanbieden om een woning 'bezemschoon' op te leveren. Het is alweer lang geleden dat ik dat woord nog eens hoorde: 'bezemschoon'. Het herinnert me aan die typisch Nederlandse woningbouwverenigingen, aan de huurwoningen waaruit je bij vertrek zelfs de tijdens je verblijf aangebrachte evidente verbeteringen weer diende te verwijderen. Ik herinner me in Leeuwarden een inbraakvrij traliewerk dat ik voor het grote raam in de voordeur had geplaatst nadat er bij me was ingebroken. Dat moest er weer af. Maar ik ken ook verhalen van mensen die een nieuwe badkamer moesten slopen en het oorspronkelijke armoedige lavet en de douchebak dienden terug te plaatsen. Originele staat is originele staat.

Mijn moeder liet een goede anderhalve maand voor haar overlijden nog een nieuwe laminaatvloer leggen. 'Toch zonde,' zei ze een paar dagen voor haar verscheiden. 'Hé,' zei ik, 'je bent er nog. Je hebt er nog plezier van, toch?' Nu staat die laminaatvloer op een 'overnameformulier' in de hoop dat een nieuwe bewoner of bewoonster dat graag zal zien. Anders moet ik de laatste dagen voor de opzegdatum nog op de knieën om het er allemaal weer uit te breken.

Ja, of zo'n firma het werk laten doen. Ze doen dat immers ook en vooral 'bij overlijding', zoals het op de ene na de andere website van betreffende firma's genoemd wordt. Men moet opkopers en -ruimers niet op hun kennis van de Nederlandse taal afrekenen. Men moet hen afrekenen op wat ze zeggen over te hebben voor het meubilair dat weg moet. Er staat voor duizenden euro's aan notenhouten dressoirs, salon- en eettafels met bijpassende stoelen, een zo goed als nieuwe roodleren zetel voor de bejaarde burgerlijke burger — hedendaags meubilair voor wie vooral hecht aan ouderwetsheid. De eerste en tot nu toe enige firma die een offerte uitbracht kwam tot een zodanig miezerig bedrag, dat we vriendelijk beloofden nog iets van ons te laten horen om ze zo snel mogelijk de deur uit te krijgen. Auping-bedden met elektrisch verstelbare bodem die ik op tweedehandssites voor ruim 500 euro aangeboden zie staan, stonden op hun papiertje voor nog geen 30 euro. De dood is altijd al lucratief geweest.

Het is slopende arbeid, dit 'opruimen'. Het is letterlijk de ontbinding van een leven, het uiteenvallen daarvan in losse stukken meubilair, glas- en zilverwerk, in koektrommels waarvan ik me nog herinner hoe lastig het was om ze zonder al te veel geluid open te krijgen om er in het geniep een koekje uit te kunnen nemen, in oude doosjes, portefeuilles, kistjes waarvan je nog weet waar ze precies lagen in het ouderlijk huis dat al bijna dertig jaar geleden werd verkocht en die nu weer opduiken in dit laatste appartement — spullen die je als de door het lot bepaalde opruimer, de laatst overgeblevene uit een gezin van vier, krampachtig in het verband houdt waarin ze ooit stonden. Om dan, telkens opnieuw, bij zowat elk voorwerp dat door je handen gaat, in te moeten zien dat dat nu juist is wat je moet lossen: dat verband. Je moet zien dat het 'spullen' zijn, niks meer. Telkens weer.

Maar bij sommige van die 'spullen' gebeurt net het omgekeerde. Het is alsof je ze nu pas voor het eerst ziet. Ik denk dat dat komt omdat je overweegt of het misschien juist de laatste keer is dat je ze zult zien, zult vastpakken. Het maakt dat wat voor mij altijd vanzelfsprekend was — een object, een ding waar ik nauwelijks aandacht aan schonk, dat geen bijzondere waarde voor me had omdat het er nu eenmaal altijd, niet zelden in al zijn wansmakelijkheid, was — nu opeens heel bijzonder wordt, het tegendeel van het object, het ding dat het altijd was.

Het is, het was van mijn moeder. Het verbindt zich met de fotoboeken van de verloving in 1951, van het huwelijk in 1954, met het fotoboek van de zus, van mijzelf. Het verbindt zich met het dagboek dat je tegenkomt in een lade. Het wordt iets onoverkomelijks.

Slopende arbeid, dit.

Als we na zo'n dag terugrijden, voor mij de lange weg vanuit het moederland naar het thuisland, langs Arnhem, Nijmegen, Gorinchem, Breda, Antwerpen, 260 lange kilometers terug — dan zwijgen we. Er is dat typische zomeravondlicht. Je ziet de bomen zwarte silhouetten worden tegen een nog steeds niet helemaal donkere hemel. Er speelt muziek. De dochter valt in slaap. De parkeerterreinen staan vol vrachtwagens. 

13:55 Gepost door MR | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | |

23-06-13

'neergegooid in de hoek van een oud station'

Misschien geldt het voor alle meer algemene kwesties: dat er altijd anekdotes zijn die het hele discours ondermijnen. Maar wie alleen de individuele gevallen laat gelden, komt uiteindelijk tot niets, ook niet als het de bedoeling is om de rechten van juist het individu te beschermen. Het komt dus aan op de juiste generalisaties. Maar generalisaties kunnen alleen juist zijn als de individuele gevallen het uitgangspunt vormen. 

Het maakt dat bijvoorbeeld euthanasie altijd een heikele kwestie zal blijven.

Ik maakte het recentelijk mee in een Nederlands ziekenhuis: hoe een arts met voorbijgaan aan zijn patiënte de zinvolheid van het medisch handelen tot het enige criterium verklaarde en op grond daarvan, zonder dat zijn patiënte daarop was voorbereid, vijf minuten voor een in zijn ogen blijkbaar zinloze ingreep vroeg: 'Weet u zeker dat u dit nog wel wilt?'

Erg warm menselijk was dat niet, nee.

Nog minder menselijk was het feit dat hij de ingreep maar half uitvoerde. Ik kon niet in zijn hoofd kijken, maar toen ik samen met hem en de patiënte in kwestie in een vensterloos vertrek van het ziekenhuis rond de tafel zat en hem hoorde zeggen dat het blijkbaar allemaal niet veel geholpen had, dat de bloedwaarden nog steeds geen verbetering vertoonden, kreeg ik sterk de indruk dat wat hem betreft deze 83-jarige vrouw met kanker maar beter zo snel mogelijk kon sterven. Hem zo eens beziend, had ik de indruk dat bij die overtuiging niet eens de oplopende kosten in de Nederlandse gezondheidszorg zijn grootste bekommernis waren. Dat was al erg geweest. Maar ik vermoed dat zijn vakantie voor de deur stond, dat hij belangrijker zaken te doen had en geen zin had zich bezig te houden met wat hij zelf al had afgeschreven. Fuck Hippocrates!

Die vrouw, die patiënte, was wel mijn moeder. Ik werd dus kwaad.

Of, vroeg ik, het niet een klein beetje logisch was dat als er sprake is van algeheel nierfalen en hij, meneer de dokter, slechts één van de twee door kanker geblokkeerde nierleiders met behulp van een stent weer had geopend — was het dan niet logisch dat de andere, nog geblokkeerde nier onverdroten gifstoffen aan het bloed bleef afgeven, zodat inderdaad die bloedwaarden niet spectaculair verbeterden? 'Ik ben natuurlijk geen uroloog, zoals u', zei ik, maar logisch redeneren kan ik nog wel.

De man was geïrriteerd. Hij maakte een vegende beweging met zijn arm. Ik moest even denken aan een dichtregel van Gerrit Kouwenaar. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Ook in een ziekenhuis. 'neergegooid in de hoek van een oud station', dacht ik. Het is een regel uit het in memoriam-gedicht dat Kouwenaar voor zijn moeder schreef. 'Al met aarde', heet het en het staat in het ogenblik: terwijl (1987): 'Al met aarde besmet haar uitwendig gezicht, nooit / keek men zo laat in het vroegste gezicht', zo begint het. En aan het slot staat die regel over het station. Die staat in het gedicht zelf tussen aanhalingstekens. Het is een citaat, zo vertelde Gerrit Kouwenaar mij ooit zelf, het was iets wat zijn moeder op het laatst tegen hem gezegd had: dat ze zich voelde als iets wat was neergegooid in de hoek van een oud station. 'vergeten bagage, afgelast eindpunt, zelfs / geen laatste trein die haar meeneemt —' , zo vervolgt de dichter.

Met dat armgebaar leek de uroloog mijn moeder als een hoopje vuil in een hoek te willen vegen. Hij beweerde ineens dat die andere nier helemaal niet meer werkte, 'en u zit toch helemaal vol kanker, is het niet? Het zit toch ook al in de botten?' Dat was ons nog niet verteld. Hij kon het ook zo snel niet in zijn papieren terugvinden, maar zoiets was het toch wel, dacht hij. Hij was natuurlijk geen oncoloog.

Nee.

Na dit optreden eiste ik een onderhoud met de oncoloog. Die verordonneerde dat de maar half uitgevoerde ingreep alsnog volledig zou worden uitgevoerd, was duidelijk geïrriteerd over het gedrag van zijn collega, maar zei ook: 'U moet goed begrijpen mevrouw, we kunnen deze slag misschien winnen, maar de oorlog gaan we verliezen.' Maar de vraag waar de grens getrokken moet worden, legde deze man wel weer waar hij dient te liggen: bij de patiënt. Het is mijn moeder die moet aangeven wat ondragelijk is, en wat ze nog wil dragen. Nooit mag een arts een ingreep weigeren alleen maar omdat die, met het oog op het zekere einde, medisch gesproken niet 'zinvol' zou zijn. Als we hier de verkeerde generalisatie maken, zou je immers kunnen zeggen dat er dan nooit ingegrepen hoeft te worden, omdat het leven nu eenmaal vroeg of laat op de dood uitloopt. De besparingen in de gezondheidszorg zullen enorm zijn.

Later vroeg ik me af: zou het misschien zo zijn dat euthanasie in Nederland zo'n courante praktijk is geworden dat de terugkoppeling naar het individuele geval niet meer of minder snel gebeurt? Dat 'zinvol medisch handelen' een mantra is geworden die in deze tijden van nuttigheidsdenken als vanzelf leidt tot de conclusie dat elke ingreep die geen genezing meer brengt maar bijvoorbeeld wel nog het comfort van de patiënt verhoogt, al is het maar voor even, onder 'therapeutische hardnekkigheid' valt en te veroordelen is? In veel gevallen dreigt dan de diagnose een vorm van executie te worden.

De patiente vecht. Ze gaat verliezen. Ze lijdt. Maar zij is het die opgeeft — aan het bittere eind, of eventueel eerder. Die beslissing is niet aan de arts, zelfs al krijgt die achteraf gelijk…     

14:43 Gepost door MR | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | |

24-05-13

Types

Het blijft toch een wonderlijk fenomeen: de wijze waarop de media met literatuur omgaan. Het kan niemand ontgaan zijn dat Dimitri Verhulst een nieuwe roman uit heeft gebracht. Ik heb die roman nog niet gelezen. Ik vind Verhulst een goed auteur. Maar ik vind hem niet per se beter dan veel andere goede auteurs die boeken kunnen uitbrengen totdat ze de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, maar van wie we in de media nooit iets anders zullen vernemen dan een signalementje of een recensietje. We horen in ieder geval niet dat de auteur in kwestie van zijn vrouw af is, tegenwoordig in Zweden rondhangt met een nieuw lief, dat dat nieuwe lief eigenlijk een oud lief is, dat hij failliet is, dat hij er niet voor kiest om voor een publiek van menopauzerende vrouwen in een bibliotheek gedichten voor te lezen, dat aankloppen bij het Vlaams Fonds voor de Letteren min of meer een verkapte vorm van werklozensteun is — God, wat zijn we in korte tijd wel niet allemaal over en van Dimitri Verhulst te weten gekomen? O ja, dat er dus een nieuwe roman is, al is niet helemaal duidelijk geworden waar die nu precies over gaat, noch is erg op de voorgrond komen te staan wat de betekenis van deze roman voor ons zou kunnen zijn.

Dit klinkt een beetje als het gebruikelijke verongelijkte gesputter uit de vergeetput die de rest van de literatuur voor de media zo vaak is — maar daar gaat het me niet om. Dat Verhulst buiten zijn nieuwe roman om dingen zegt die kant noch wal raken, het zij hem vergeven. Dat hij een afkeer heeft van 'de middelmatigheid die zich daarna liefde laat noemen', bijvoorbeeld. Ach, de man is verliefd. Dat gaat ook weer over. Het is een chemische cocktail die, zeggen onderzoekers, na een goeie 22 maanden wel ongeveer is uitgewerkt. Wat daarop volgt middelmatigheid noemen is je opstellen als een drugsverslaafde die zijn shotje niet meer krijgt. Je kunt het ook lichtelijk infantiel noemen. En dan te bedenken dat zijn nieuwe liefde over 22 maanden (ze is nu 46, zelfs dat weten wij als lezers nu dankzij een interview in DS Weekblad), waarschijnlijk tot het menopauzerende deel van de bevolking zal behoren. Als dat maar goed gaat…

Maar nog steeds is dit alles niets wat je Verhulst kwalijk kunt nemen. Hij is een beetje hyper (nieuw boek, nieuw wijf) — en dan zegt men wel eens wat. Velen van ons zouden niet anders reageren. En de diverse interviewers willen blijkbaar dit soort dingen graag horen en opschrijven. Er bestaat nu eenmaal een beeld van de schrijver Verhulst en daar passen verhalen over nieuwe lieven beter in dan verhandelingen over… vooruit… over het neoliberalisme — waar Verhulst blijkens zijn inleiding op Hoe durven ze? van Peter Mertens erg tegen gekant is, alhoewel hij nu tussen neus en lippen opmerkingen maakt die toch doen vermoeden dat hij ondanks die inleiding in het geniep Open VLD stemt en wekelijks bij Van Eetvelt van de Unizo op de koffie gaat. Hij spreekt, om het zo eens te zeggen, 'wild om zich heen', omdat dat ook precies is wat men van hem vraagt.

Niets aan de hand, dus. Gewoon een perfecte illustratie van de zucht naar amusement, een mediaverlangen dat door de ene schrijver nu eenmaal beter wordt vervuld dan door een ander. Verhulst heeft een hoge amusementswaarde. (Waarmee ik alweer — men moet o zo voorzichtig zijn! — niets maar dan ook helemaal niets over het werk van Verhulst gezegd wil hebben, en over de literaire waarde die dat werk uiteraard heeft). 

Maar dan pikken diezelfde media plotsklaps één uitspraak van de (voor hen) auteur-van-de-week uit het grote geheel, en lijkt er opeens een Kwestie te zijn. De stelling dat aankloppen bij het Vlaams Fonds voor de Letteren min of meer een verkapte vorm van werklozensteun is — een uitspraak die Verhulst in een radioprogramma deed — werd door De Morgen nog eens apart geciteerd. En daarmee zit het spel dan meteen op de wagen. Subsidies…

Politici worden gesubsidieerd, en ruimer dan auteurs. Boeren krijgen subsidie. Voetballers. De politie. Wegenbouwers. Zelfs journalisten (jazeker!) Maar alleen de subsidies voor auteurs van literair werk zijn blijkbaar in staat om volkswoede op te wekken. Niemand komt op het idee een journalist een verkapte werkloze te noemen. In die zin deed Verhulst een halsloze uitspraak waarvoor zijn verliefdheid wat mij betreft maar in zeer geringe mate als excuus kan dienen. Zelfs in die aggregatietoestand had hij beter moeten weten (verliefdheid lijkt mij gasvormig, vluchtig). Dat de verkapte werklozen bij de krant zo enthousiast op precies zo'n uitspraak springen, lijkt te duiden op de diepgewortelde overtuiging dat literatuur van nul en generlei waarde is — dit ondanks het bestaan van (zij het dan geregeld nogal lifestyle-achtige) boekenbijlages.

Dat blijkt ook uit het vervolg dat De Standaard gisteren aan de Intocht van Verhulst breide: nu was het Verhulsts opmerking dat hij failliet zou zijn die de aanleiding vormde voor een wat dwaze typologie van schrijvers. De vraag was met welk zakenmodel de schrijver het woord met de winst verzoende. Een idiote vraag. Helemaal als je ziet tot welke typologie men vervolgens kwam: de broodschrijver, de ondernemer, de zolderkamerschrijver en de pragmaticus. 

screenshot_108.jpg

Voor de volledigheid:

Een broodschrijver streeft niet naar artistieke erkenning, verkoopt graag en veel, doet geen beroep op subsidies en zit er niet mee in om zijn waren aan te passen aan de smaak van de massa of om een succesvol recept te herhalen (prototype: Aspe).

De ondernemer is een schrijver met een plan die weet hoe je boeken verkoopt en die er geen problemen mee heeft om ook de populaire paden te bewandelen; hij is zichtbaar want de media maken deel uit van zijn businessplan; hij treedt graag op en spreekt even vlot als hij schrijft (prototype: Bart Van Loo).

De zolderkamerschrijver acht geld ondergeschikt aan het schrijverschap, rekent op subsidies en vindt dat oké, belichaamt het idee van de romantische schrijver (schrijven is een roeping) en wil zich voltijds aan het schrijven wijden (protoype Maarten Inghels).

De pragmaticus heeft een job die niets met het schrijversvak te maken heeft en publiceert daarnaast mondjesmaat (doet gemakkelijk vijf jaar over een project); hij heeft de vrijheid om weinig compromissen te sluiten, is selectief in zijn schrijfprojecten en zuinig op zijn lezingen en optredens (prototype Dirk van Bastelaere).

Aldus De Standaard van 23 mei.

Tjonge…

Ik hoor niet echt ergens bij, vrees ik toch. Of juist overal. Want, goh, ja, ik ben ook echt wel een broodschrijver, aangezien het mijn ambitie is om van mijn schrijven te leven — iets wat mij voorlopig alleen lukt door een beroep te doen op werkbeurzen die mij in staat stellen om de projecten waar ik echt wel voor gekozen heb, tot een goed einde te voeren. Ik geloof overigens niet dat een broodschrijver niet naar artistieke erkenning zou hengelen en vind het unfair hem die al op voorhand te willen onthouden. Verder ben ik wel degelijk ook een ondernemer, want ik heb er geen problemen mee 'populaire paden' te bewandelen (ik weet niet precies wat ermee wordt bedoeld, maar toch wel ongeveer). Ondanks het feit dat ik als zolderkamerschrijver mijn schrijven als een roeping zie en ik tegelijkertijd pragmatisch probeer te zijn en — om den brode — naast het schrijven heel wat doe wat die roeping soms danig in de weg staat. 

Of je zichtbaar bent omdat de media ook wel degelijk deel uitmaken van je businessplan, weet ik niet. Het is maar één van de vele vreemde aannames bij de vier typen van schrijvers. Bart Van Loo is zeker zichtbaar omdat hij boeken heeft geschreven die uitstekend passen binnen wat de media op dit moment graag uitventen: boeken waarin een zekere nostalgie de boventoon voert; die nostalgie viert in wel meer programma's op tv en op de radio hoogtij (alweer: dit is absoluut geen kritiek, maar een verklaring). Dat Bart een gave heeft die vele schrijvers ontbreekt — hij is, net als Lanoye trouwens, een theaterman, of gewoon De Gedroomde Leraar — helpt hier natuurlijk wel. En tja, alweer helemaal niks ten nadele van Van Loo (die ik hogelijk waardeer in wat hij doet en in hoe hij dat doet), maar een schrijver die vooral goed is in schrijven, lijkt mij toch niet te kort te schieten in wat we van hem mogen verwachten. En kijk, voor de meesten maken de media deel uit van hun businessplan (of dacht u dat Leonard Nolens het liefst niets verkoopt, geen aandacht wil in de media? Hij heeft zelfs een keer een half radioprogramma zitten zwijgen om aan het woord te komen). Maar dat is de vraag niet. De vraag is of zij passen binnen het businessplan van de media. De ene zolderkamerschrijver blijkbaar wél, zo blijkt (Verhulst wordt, ondanks zijn afschuw van subsidies, bij deze categorie gerekend), de andere niet.

Wat deze typologie vooral verdoezelt, is hoezeer het de media zijn die bepalen wat wel of niet relevant is. Voor hetzelfde geld was Van Loo's liefde voor Frankrijk in de ogen van de media zoiets geweest als de liefde van de filatelist voor postzegels uit de Derde Republiek. Kijk, daar lees je nou nooit eens iets over…

Enfin, de hele typologie is op een achternamiddag aan de telefoon, aan een rommelig bureautje in het redactielokaal van De Standaard tot stand gekomen. Zelfs Van Bastelaere werd even in een nontheoretische bui aangetroffen. 'Ik heb altijd nog een job naast mijn activiteiten als dichter en essayist gehad: ik vind dat je ook een band moet hebben met de reële economie en je moet engageren in de maatschappij waarover je schrijft'. Dat klinkt als een fijne veroordeling aan het adres van die schrijvers die geen job naast hun schrijverschap hebben, maar die hun job als schrijver beschouwen als wel degelijk een band met de reële economie, en al helemaal als de wijze waarop zij zich engageren in de maatschappij waarover ook zij schrijven. Je zou kunnen zeggen dat Van Bastelaere dat alleen doet als persverantwoordelijke van SD Worx, omdat hij met de vrijheid die hij zich zo verwerft compromisloze literatuur kan schrijven die niemand wil lezen en die zich dus op geen enkel manier engageert in de maatschappij, niettegenstaande de rotsvaste overtuiging van de essayist VB dat het altijd en overal ging en gaat om 'de wereldlijke inbedding van de poëzie'.

Je zou dat kunnen zeggen… Maar dat zet ook geen zoden aan de dijk.

Ergo: een non-issue, deze typologie, maar buitengewoon irritant in zijn stigmatiserende effecten (subsidieslurpende schrijvers). En speciaal voor (al dan niet gesubsidieerde) Standaard-journalist Joël-'ik haat schrijvers die het over het neo-liberalisme hebben'-De Ceulaer zou ik er nog aan toe willen voegen: heel erg geredeneerd vanuit een marktlogica die waarde met winst verwart. 


 

16:56 Gepost door MR | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook | |

24-04-13

De Staat van het Boek

logo185.gif

Gisteren mochten Andre Vandorpe, de nieuwe directeur van Boek.be, en ik, als nieuwe (co)voorzitter van VAV, het bal openen op De Staat van het Boek in het Radissonhotel in Antwerpen. Het was daar waar zich 'de spelers' in het 'speelveld' van het boek hadden verzameld, zoals dat vaak heet. Ik kon het niet laten om het (strikt voor mezelf) op te merken: veel stropdassen en goede salarissen, weinig tot geen auteurs (voor wie 35 euro inschrijfgeld misschien ook wat aan de hoge kant was). Dat ik als vertegenwoordiger van die auteurs meteen aan het woord kwam, compenseerde dat misschien enigszins — in ieder geval was de organisatie ons niet vergeten (dat heeft de VAV onder Erik Vlaminck en Koen Stassijns in ieder geval weten te bewerkstelligen) — maar in één van de sessies die volgde op Vandorpe's en mijn gesprek kwamen er twee wat clowneske 'spelers' een 'actieprogramma voor de Nederlandstalige boekensector' voorstellen, en zaten we weer onmiddellijk in de logica van marktdenkers die de auteur als voorwaarde voor het hele boekgebeuren domweg niet erkennen. Bovendien werd ik na mijn gesprek met Vandorpe door een dan toch aanwezige auteur aangesproken die met Het geluk van de kunst in de hand zei ernstig in mij teleurgesteld te zijn. Daarop las ze een passage voor uit het boek. Ik moest haar uitleggen dat ik als co-voorzitter van zoiets als een vakbond voor alle schrijvers niet louter en alleen voor mezelf kon spreken.

Dat is ook een beetje de consensus onder alle 'spelers': dat de tegenstellingen en vooral de tegengestelde belangen (tussen auteurs en uitgevers, tussen auteurs en boekhandel, tussen boekhandel en uitgeverij, tussen rechtenmaatschappijen en de rest van de wereld) weliswaar bestaan, maar dat het de bedoeling is dat we met z'n allen 'constructief' blijven. Dat is ook mijn uitgangspunt. Maar als ik de heren Van Nispen (CPNB) en Vanschoonbeek (Vlaamse Uitgevers Vereniging) namens de 'Denktank Vlaanderen-Nederland' dan een volledig op vergoddelijking van het marktdenken afgestemd betoog hoor houden waarin de auteur volledig is weggestreept, heb ik ineens geen enkele behoefte om 'constructief' te blijven.

Er wordt in een dergelijk betoog altijd naar hartelust geschermd met 'de lezer' of 'de consument'. Beide heren deden dat op een wat perverse wijze door slogans uit de bij uitstek antikapitalistische bewegingen uit het verleden te gebruiken om deze nadruk op de gebruiker kracht bij te zetten. Power to the people, zo heette het, alsof ze het niet over geldgewin maar over democratisering hadden.

Je hoort dat tegenwoordig vaker: 'de' lezer wil dit en dat, en een auteur doet er goed aan om zich aan 'de' lezer aan te passen en niet zo eigenwijs zijn eigen gang te blijven gaan. Het is een boodschap die auteurs niet alleen van dit soort marketeers krijgen, maar in toenemende mate ook van uitgevers die zich, bijvoorbeeld omdat ze gezien hun sector onrealistische winsten moeten maken, gedwongen voelen om vooral naar hun verkoopafdeling te luisteren — verkoopafdelingen die niet verkopen wat er gemaakt wordt, maar willen dat er gemaakt wordt wat verkoopt. En dat wordt dan weer bepaald door grote boekhandelketens die (zo zei ik vorig jaar in mijn geheel namens mijzelf uitgesproken lezing op dezelfde gelegenheid) het niet lijkt uit te maken of ze nu literatuur of porno verkopen. En zo zijn er dan plotseling auteurs die 'het verkeerde boek' schrijven. Misschien boeken die afgemeten aan de traditie van de literatuur en de binnen die traditie bestaande praktijk van betekenisgeving en kwaliteitstoekenning tot het meer briljante deel van de wereldliteratuur gerekend zouden kunnen worden, maar met dergelijke mumbo-jumbo halen we onze winstmarges niet natuurlijk. 

Vreemd en kortzichtig vind ik zoiets. Niet alleen omdat het een recept is voor een monocultuur die uiteindelijk tot de volledige ineenstorting van de totale boekenmarkt zal leiden — ook die van de e-books, voor wie denkt dat een vlucht in het digitale de sector zal kunnen redden. Maar vooral omdat deze mensen niet zien dat die lezer van hen zélf een product is van de markt.

Ik maak wel eens de vergelijking met de modewereld. Niemand is graag uit de mode — tenzij uit de mode zijn zelf weer modieus is. Toch komt in die wereld niemand op het idee om aan modeontwerpers op te leggen dat zij alleen dat mogen ontwerpen wat al in de mode is, wat iedereen graag draagt. Integendeel, modeontwerpers ontwerpen haast per definitie kleding die niemand wérkelijk zou willen dragen — of loopt u er graag bij als die wandelende skeletten op de diverse defilés in Parijs, Milaan en elders, met frutsels waar u ze liever niet heeft, met transparante stoffen die uw lichaam ontbloten waar u het liever bedekt houdt? Toch zullen elementen van die ontwerpen hun weg vinden naar wat u een jaar of twee jaar later wél graag aan zult doen, waarvan u zelfs het gevoel heeft dat u het aan móét doen om niet uit de mode te zijn. Als het om modeontwerpers gaat, vindt iedereen dit normaal. Als het om schrijvers gaat, heet het elitair en blijkt het om 'de verkeerde boeken' te gaan. Om binnen het beeld te blijven: de schrijver moet confectie maken.

Er is niks mis met confectie, maar wel met een redenering die confectie dwingend voorschrijft. Het marktgerichte denken wordt voorgesteld als verfrissend, als nieuw, als een vorm van innovatie, terwijl vasthouden aan de traditie van de literatuur waarin het zoeken naar het andere voorgaat op de reproductie van het overbekende (en ik heb het dan niet alleen maar over het esthetische en vormelijke van literatuur, maar ook over het ethische, over gezichtspunten, perspectieven, kortom: over het ideologische aspect van literatuur) als 'conservatief' en 'achterhaald' wordt voorgesteld. Maar de redeneertrant van de heren Van Nispen en Vanschoonbeek leidt juist tot steeds meer van hetzelfde en is in die zin allesbehalve vooruitstrevend: achter de vlotte managementspeak gaat een verpletterend reactionair wereldbeeld schuil. Bovendien een wereldbeeld dat, in tegenstelling tot de mooie (maar volstrekt pervers gebruikte) woorden over power to the people de lezer, de consument niet serieus neemt als een willend wezen, maar alleen als iemand die zijn portemonnee moet trekken voor wat in toenemende mate verstikkende monotonie zal blijken te zijn.

Enfin, dit is niet wat ik 'constructief' noem. Het feit dat in de genoemde denktank de auteurs niet zijn vertegenwoordigd, is dat al evenmin.

De Staat van het Boek had nog wel meer te bieden. Ik kon, net als iedereen, niet alles bijwonen, en koos ervoor om naar een sessie te gaan over Confituur, eerder een causerie van Yves Desmet. Die deed zijn best om de paniek in de boekensector wat te temperen, de adembenemende haast waarmee er in die sector achter de nieuwste ontwikkelingen wordt aangehold. Het enige wat men daarmee bereikt, zo zei hij, is dat men zijn eigen ergste voorspellingen helpt waarmaken. Hij wees op de mode in krantenland om een goed decennium geleden globaal digitaal te gaan, waardoor er nu een hele generatie potentiële krantenlezers is opgegroeid met het idee dat nieuws vooral gratis dient te zijn, niet beseffend dat het zo nooit kan werken en met een desastreus effect op de verkoop van kranten. Hij begon over de slow food-beweging en over de keuze die je vandaag de dag kunt maken voor ook het tegenovergestelde van de dwang eindeloos te consumeren, voor inhaligheid als perverse deugd en nog zo wat — iets waarbinnen uiteraard het nieuwe verbond van onafhankelijke boekhandels past. Een verhaal dat veel beter als fond kan dienen om constructief te blijven zoeken naar de evenwichten tussen de diverse spelers die noodzakelijk zijn om de boekensector overeind te houden.

Kortom, zoals het misschien ook wel hoort op zulke dagen, de Staat van het Boek was een mix van ergernis en instemming en legde in die zin vooral de tegenstellingen bloot in een sector die, net als de meeste sectoren in onze economie, enigszins in paniek lijkt te zijn. En ik moet zeggen: de organisatie was uiterst correct tegenover de arme auteur die ik ben. Ik kreeg een doos met drie flessen wijn voor mijn bijdrage, maar die kwam bovenop een eerder honorariumvoorstel. De meeste sprekers zullen het met enkel de wijn moeten doen, maar men was zich ervan bewust dat het voorzitterschap van de VAV niet bezoldigd is.

Wel moest ik mijn horloge afgeven aan gastvrouw Gitte Van Hoyweghen… Ze was de hare vergeten. Maar zelfs dat kreeg ik aan het eind van de dag terug.      

12:52 Gepost door MR | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | |

15-04-13

Deze maand in De Leeswolf: Nanne Tepper

 

screenshot_83.jpg

In de nieuwe Leeswolf het stuk dat ik schreef over Nanne Tepper. Het opent in de titel met een eigenlijk wel mooi neologisme: 'heimweer' — maar ík bedacht het niet. Heimwee natuurlijk. Een drukfoutje waarschijnlijk veroorzaakt door de problemen waarin ik de redactie bracht door ongeveer een kwartier voordat het nummer naar de drukker moest eindelijk met mijn stuk af te komen (onmiddellijk waarna ik ook nog eens bijna een uur te laat verscheen op een voorzittersoverleg van de Vlaamse Auteursvereniging in het onvolprezen 't Voske te Gent).

En het blijft de vraag of Nanne Tepper nu werkelijk een miskende schrijver was — honende commentaren van sommige recensenten daargelaten, de stukjesschrijvers die zich vanwege de geringe omvang van hun eigen schaduw menen te moeten opblazen ten koste van anderen. Daarvan heeft Tepper ook meer dan zijn deel gekregen, zeker toen hij tegen de zin van enkele recensenten in genomineerd werd voor de Librisprijs. Stel je voor dat niet Mulisch, maar hij die had gewonnen dat jaar…

Er wordt over dit soort onheuse bejegening door critici altijd gezegd dat je je als auteur groot moet houden. Noblesse oblige, zo zegt men dan. Maar waarom men tegenover moerassige geesten uit wier stukken en stukjes niets anders dan de putgeur van de eigen verongelijktheid walmt per se nog blijk zou moeten geven van de eigen noblesse, is niet altijd even duidelijk. In Teppers laatste boek, De lijfbard van Knut De Verschrikkelijke, lijkt Tepper vooral verbaasd te zijn over de felheid waarmee hij op verder onduidelijk blijvende gronden wordt bestreden door recensenten die, god mag weten waarom, in de vaderlandse pers hoog worden aangeslagen en die vervolgens dan ook deel mogen uitmaken van de jury's van de grote tombolaprijzen, van commissies van het Fonds voor de Letteren en nog zo wat posities bekleden die het hen makkelijk maken deuren gesloten te houden voor wie volgens hun onfeilbare oordeel niet binnen mag. Die felheid heeft met de geleverde literaire prestatie gewoonlijk weinig te maken.

Alleen op basis daarvan van miskenning spreken, lijkt overdreven (Claus, om maar iemand te noemen, heeft voor zijn heiligverklaring van zijn critici ook het nodige te verduren gekregen, immers). Maar het isolement waarin hij door persoonlijke omstandigheden terechtkwam, en ook zijn geografisch-culturele isolement (als rasechte (Oost-)Groninger maakte Tepper geen deel uit van de literaire goegemeente die gewoonlijk de buit onder elkaar verdeelt) hebben wel gemaakt dat de vergetelheid nooit veraf was. Vandaar dat dit stuk misschien toch in de rubriek 'Miskende schrijvers' van de Leeswolf past.

Nog niet zolang geleden vertelde Kees 't Hart mij dat Nanne Tepper mij als een 'literaire vijand' beschouwde. 't Hart heeft een aantal jaren met Nanne gecorrespondeerd nadat hij voor De Revisor een verhaal van hem had afgewezen (voor 't Harts in memoriam, zie hier). Ikzelf ken Nanne van de jaren dat hij en ik op dezelfde opleiding zaten, de Nieuwe Lerarenopleiding, die Nanne overigens niet afmaakte. We speelden samen in een toneelstuk van Lodewijk de Boer dat ter gelegenheid van het tweede lustrum in 1981 opgevoerd werd in de beide vestigingen van de opleiding, die in Groningen en die in Leeuwarden. Ik heb zijn debuut, De eeuwige jachtvelden, destijds onmiddellijk en in één ruk uitgelezen, en voor het schrijven van dit stuk met veel plezier en bewondering nog eens gelezen. Hetzelfde gold voor De vaders van de gedachte. De avonturen van Hillebillie Veen heb ik pas recentelijk te pakken gekregen, net als De lijfbard… Ik heb in hem nooit een 'vijand' gezien, alleen maar een heel goede schrijver. Dat zie ik nog steeds in hem.

----- 

Heimwee naar wat komen moet

Ik ben er niet zeker van of je de in november jongstleden door eigen hand gestorven auteur Nanne Tepper (1962-2012) wel een miskende schrijver kunt noemen. Zijn debuut, De eeuwige jachtvelden (1995) won de Anton Wachterprijs en werd vier jaar later in het Engels vertaald. De vaders van de gedachte (1998) werd genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs. Tussendoor (1997) schreef hij in opdracht van de Provincie Groningen ten behoeve van het Belcampo-Stipendium De avonturen van Hillebillie Veen, dat aanvankelijk alleen in Groningen verscheen in een oplage van 500 exemplaren, maar waarvan in 2002 bij zijn uitgever (toen nog Contact) ook nog een handelseditie het licht zag. Daarna echter volgde er een grote stilte — literair gesproken althans. Tepper schreef voor Algemeen Dagblad en NRC Handelsblad, hij schreef voor het muziekblad OOR en voor Het Parool. Maar een nieuw boek bleef uit.

In De lijfbard van Knut De Verschrikkelijke (2008), zijn laatste boek, kan men lezen wat er mis is gegaan. Nee, niet waarom de auteur besloot een einde aan zijn leven te maken. Op die vraag had alleen Tepper zelf het antwoord kunnen geven. De zelfdoding volgt niet 'logisch' uit de optelsom van de ellende die iemand meemaakt — en Nanne Tepper heeft daarvan zijn portie wel gehad. Het fijne weet ik daar ook niet van, zelfs al weet ik dat hij de eerste vijf jaar van zijn literaire loopbaan had 'verdeeld tussen schrijftafel en ziekbed, tussen parallelle universa en creperen', zoals hij schrijft in De lijfbard… Waarna er 'ineens aan alle kanten nog meer dierbaren omvielen, in vele stadia van bederf' ('ik kan er niet tegen, punt uit', schrijft hij). Daarna kwam hij zelf 'anderhalf jaar niet meer overeind '. En toen hij wel weer overeind was gekrabbeld zat 'de ziekte Kanker ineens tegenover [hem] aan het ontbijt' — zijn geliefde die hem, nadat zij later weer 'voorlopig genezen' was verklaard, dan ook nog eens verliet.   

'Vreemd toch,' schrijft Tepper met het nodige sarcasme, 'dat het schrijven er dan opeens bij inschiet, dat je je kop niet meer bij je roman kunt houden, al was het maar omdat je ook nog vreten moet, en je je daarom aan letterknechterij moet vergooien'. Hij had namelijk de fout begaan het Nederlandse Fonds voor de Letteren op de hoogte te stellen van zijn persoonlijke omstandigheden, omstandigheden die maakten dat hij zijn eerder ingediende werkplan niet op tijd kon uitvoeren — en dat Fonds had daarop gereageerd door zijn werkbeurs te minimaliseren (of misschien zelfs stop te zetten). Als hij al bij machte was de pen te voeren, moest hij dat doen om geld in het laatje te krijgen en schreef hij wat hij in De lijfbard… 'een achterlijke hoeveelheid columns' noemt. Maar geen nieuw boek.

Zo werd Nanne Tepper — nee, niet vergeten, zo bleek nog maar eens bij zijn dood, maar De Schrijver Waarop We Wachtten, de auteur die met drie boeken iets had ingezet dat meer was dan columnisme vermag. Niet voor niets werd hij wel eens 'de Groningse Nabokov' genoemd, al belooft de toevoeging 'Gronings' in Nederlandse literaire kringen meestal weinig goeds. Het betekent niet-Amsterdams, en dat betekent gewoonlijk 'provinciaal'. Maar ik denk dat het niet overdreven is om te zeggen dat Tepper die provincie hoog boven Holland uit heeft getild en er in zowel zijn debuut als in De avonturen van Hillebillie Veen (een boek dat overigens in De eeuwige jachtvelden al wordt genoemd en dat je als een spin-off van die roman kunt beschouwen) een haast mythische plek van heeft gemaakt: de Groninger Veenkoloniën, een gebied in het zuidoosten van de provincie Groningen, met plaatsen als Hoogezand-Sappemeer, Veendam, Oude- en Nieuwe-Pekela en Stadskanaal. Een vlak land met veel hemel, waarover lokale zangers als de in het hoge noorden van Nederland ernstig (en terecht) betreurde Ede Staal (1941-1986) zo konden zingen dat het spontaan begon te regenen. 'Het claustrofobische schaakspel van de ruilverkaveling. Het arme land langs onze stramme wegen. Die zwarte vlakken modder wier ademnood je hoort als je weet hoe je oor te leggen', schrijft Tepper. Een landschap doorsneden met (alweer gedeeltelijk gedempte) kaarsrechte kanalen waarlangs in lintbebouwing de huisjes waren gebouwd van de turfstekers die er vroeger hun karig bestaan bij elkaar zwoegden. En ergens achter de horizon ligt altijd Stad, zoals de hoofdstad van de provincie Groningen kortweg wordt genoemd, uitgesproken met een wat nasale a en een sterk geaspireerde t: st(h)aet. Groningen is Teppers Yoknapatawpha, de fictieve provincie waar veel van William Faulkners verhalen en romans spelen. Het is wat de Langhe, de heuvelachtige landstreek in de Italiaanse regio Piëmont, voor Pavese was. Het is de toevallige plek van herkomst die in het schrijven (en door het geschrevene) een bovenlokale en een bovenpersoonlijke betekenis krijgt.

edestaal.jpg

Ede Staal


podcast

'Het Hoogeland'

 Groningen is existentiële heimwee, als dat geen pleonasme is. 'Het leed van heimwee verschilt niet van het leed van melancholie', zo staat ergens in De eeuwige jachtvelden. Je zou het een verlangen naar een heelheid buiten de tijd kunnen noemen: iets wat lijkt op een herinnering aan toen alles nog paradijselijk was, maar zonder dat er in de herinnering een tijd of een plek gevonden kan worden die daarmee daadwerkelijk overeenstemt. Integendeel zelfs. De personages uit Teppers romans zijn van meet af aan uit het paradijs gedonderd dat ze desalniettemin in hun verbeelding blijven koesteren, ook al hebben ze het niet gekend. De incestueuze relatie tussen Victor Prins en zijn zusje Lisa die in De eeuwige jachtvelden centraal staat, heeft minder met seksualiteit te maken (al ontbreekt dat verlangen niet) dan met geborgenheid, zo is mijn indruk. Het is een dam die tegen de wereld opgeworpen moet worden om die wereld buiten te houden. Tot de gelukzaligheid die dromen van het paradijs ons voorspiegelt, leidt dat nooit. Veeleer is het de uitdrukking van wanhoop, maar dan een wanhoop die zichzelf niet vertrouwt.

Dat wantrouwen heeft enerzijds met volksaard te maken. Of zoals Hillebillie Veen het verwoordt: 'Misschien is het de aard van de Oost-Groninger, die bestemd heimwee afkeurt en onbestemd heimwee wantrouwt'. Maar het heeft ook te maken met een wantrouwen tegen sentimentaliteit, en dat zou wel eens meer met specifiek Teppers (en ook mijn) generatie te maken kunnen hebben. De pathetiek ligt altijd op de loer voor hen die de ironische relativering van het bestaan moe zijn. 'Ironie zou weleens (…) het slapste handje van het individualisme kunnen zijn', zegt de vaderfiguur uit Vaders van de gedachte. Wie die ironie afwijst, wordt al snel een hemelbestormer, en het is kenmerkend voor de generatie die in de jaren zeventig de middelbare school doorliep en in de jaren tachtig studeerde dat ze in een dergelijke hemelbestormer onmogelijk nog kunnen geloven. Victor Prins, zelfs Hille Veen, en ook de vaderfiguur uit De vaders van de gedachte — als ze hun ongeloof uitdrukken is het eerder sarcastisch dan ironisch.

No future heette het in de meer krachtdadige punkvariant van dat gevoel in die dagen, maar het uitte zich ook vaak als gebrek aan ambitie. In De lijfbard roept Tepper de wereld van 'de kansloze rock-'n-rollbandjes die in garages en schuren en kelders wonen' nog even in de herinnering. Hijzelf speelde jaren in een band die The Diseases heette, en daarvoor maakte hij een tijdlang deel uit van The Rockin' Teenage Combo, een duo dat hevig experimentele muziek maakte (opnames op speelgoedapparatuur bijvoorbeeld). Voor Tepper vormden dergelijke bandjes een soort onderwereld die hem in staat stelde zijn melodramatische inborst onder controle te krijgen, zoals hij schrijft. Buiten die bandjes om vertaalde dat melodrama zich vooral in een steile literaire ambitie, met waarschijnlijk dezelfde bedoeling: om in de vorm, in de verbeelding, het melodrama onder controle te krijgen — het te behoeden voor het sentimentele én voor het slappe handje van de ironie.

Het leidt met name in De avonturen van Hillebillie Veen tot die merkwaardige mengeling van een eigenlijk zeer sentimenteel, nostalgisch verhaal en hoge literatuur. Het gaat over een man die zijn eerste liefje en daarmee zijn middelbare schooltijd op het Groningse platteland lijkt te willen celebreren (en die zijn tijd na de middelbare school en nadat het uit is geraakt met het meisje bijna onverdragelijk pathetisch omschrijft als zijn 'nabestaan'), maar die tegelijkertijd in de wijze waarop hij een en ander op papier zet dat op zich clichématige gegeven tot Literatuur Met Een Hoofdletter verheft. 'Als voor de schrijver nog ergens muziek in zit, is het wel in de liefde voor de verbeelding, of in de verbeelde liefde', schrijft Tepper in De lijfbard… En hij vervolgt: 'Waarom de liefde weer verbeeld als zij de lafste streek is van de schepping? Omdat de liefde enkel in de kunst kan leven. De schepping verdient alle hoon die de mens weet op te wekken'. Of in de woorden van Hille Veen: 'Ik heb aan de kunsten geroken  als een beest dat een leger zoekt om in te creperen en me in de literatuur genesteld omdat zij uiteindelijk alle dromen bewaakt die gedroomd kunnen worden'.

Dit in se hoogromantische programma was al vanaf Teppers debuut de inzet van een schrijverschap dat door omstandigheden zich nooit volledig heeft weten te ontplooien. Wie De eeuwige jachtvelden, De vaders van de gedachte (waarin een vader het leven van zijn zieke dochter beëindigt omdat zij alleen in staat is weemoedige dromen van oude genietingen te hebben die van vreugdevolle dromen nachtmerries maken) en De avonturen van Hillebillie Veen leest blijft vooral achter met honger naar meer. Dat meer is bij nadere beschouwing vooral een honger naar troost, heimwee naar wat nog komen moet en naar wat ons in zekere zin schadeloos stelt voor wat het tegelijkertijd genadeloos bevestigt. Dat is de paradox van alle grote romantische kunst.

----- 

In De Leeswolf, jrg. 19 (2013), nr. 3, p. 175-76.

 

15:45 Gepost door MR | Permalink | Commentaren (3) |  Facebook | |

13-03-13

Kanttekening bij culturele relevantie

Soms blijf ik zelfs in de krant even haken bij een zin. Vandaag stond in de cultuurbijlage van De Standaard een stuk van Peter Vantyghem over de Harlem Shake. Dat ik definitief behoor tot de middelbare leeftijd mag misschien blijken uit het feit dat ik alle drukte die er rond dit nieuwste fenomeen op internetfora en mogelijk elders is ontstaan al op voorhand van de hand deed als iets wel heel erg voorbijgaands. Gangnam Style, Harlem Shake — het zal wel. Straks krijgen we de London Fart en de Paris Burb nog, als het de Moscow Hurl niet is. Het verschilt per saldo niets van de disco-dansjes die in het verleden al de revue passeerden en waarvoor ik ook toen al niets dan dedain had — wat me in zekere zin dan weer geruststelt.

In het stuk van Vantyghem gaat het ogenschijnlijk dan ook niet meteen over de culturele waarde van de betreffende Shake, maar om de vraag wie er precies allemaal aan verdient, en daarmee ook om de vraag wie zich eigenlijk de auteur van het hele ding mag noemen. Want hoe gaat dat? Iemand maakt een beat, legt Vantyghem uit, en begint dan te samplen. Dat wil zeggen: de 'beat-maker' probeert die beat "‘flashy' te maken door er ‘zoveel mogelijk klankjes en weird shit' in te pompen" als maar mogelijk is. Die klankjes haalt hij van het internet.

Een sample is een citaat en inmiddels is duidelijk dat wie samplet voor die citaten moet betalen. Zoiets wordt pas belangrijk wanneer er aan de geproduceerde herrie ook daadwerkelijk iets verdiend wordt. En dat is met de Harlem Shake het geval.

Dit kennen we. Dit is de gebruikelijke gang van zaken rond auteursrecht. De maker dient betaald. Maar dan stelt Vantyghem de vraag naar het belang van de 'first follower'. Ik citeer: "Baauer (degene die de beat verzon en opleukte met samples) heeft immers geen enkel aandeel in het succes van zijn song. Het is een clipje van dansende mensen dat de hele rage veroorzaakte. Maar gaat die eer van ‘first follower' naar Filthy Frank, die de eerste clip maakte? Of naar die vijf verveelde tieners van SunnyCoastSkate die er hun versie van maakten, die de blauwdruk werd voor wat volgde? Hoe dan ook, zij hebben de song tot een hit gemaakt en de waarde ervan gecreëerd".

Hier wordt ineens een draai van 180° gemaakt. Hier is het niet meer het geestelijk eigendom maar het gebruik ervan door derden dat bepalend is geworden voor de vraag wie welk deel van de taart mag hebben. "Het hele verhaal herinnert ons eraan dat de schepper niet noodzakelijk degene is die de schepping ook cultureel relevant maakt", zo luidt het aan het slot.

Het is dat zinnetje waaraan ik even bleef hangen. Omdat ik me ineens realiseerde dat het uitgangspunt hier dan toch is dat culturele relevantie gelijk staat aan de mate waarin iets verspreid is geraakt. Of wat platvloerser: dat de verkoop de culturele relevantie uitmaakt. De hele redeneertrant laat zien hoe de neo-liberale logica al zover is doorgesijpeld dat in dit soort artikelen het onderscheid tussen culturele en economische waarde niet eens meer bestaat. Het lijkt mij dat daar toch de nodige kanttekeningen bij geplaatst zouden kunnen, en wat mij betreft zelfs zouden moeten worden.

13:38 Gepost door MR | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | |

26-02-13

Onbehagelijk

Juist nu er hier en daar nog maar weer eens kanttekeningen bij de alomtegenwoordige ironie worden geplaatst, vroeg De Standaard mij om zomaar eventjes vijf levenslessen van mij te geven. Dat deed ik een tijdje terug al, en vandaag werden ze gepubliceerd.

Onbehagelijk.

Dat was het natuurlijk meteen al toen het mij gevraagd werd — en hoewel ik het graag anders zou willen doen voorkomen: met bescheidenheid heeft het niet zo veel te maken. Het heeft misschien wel te maken met wat Merijn Oudenampsen in een interessant stuk op ooteoote 'een generationeel trauma' noemt. Hij schrijft: 

"Het is het trauma van de verzuiling, van de generatie die in opstand kwam tegen de verkrampte pastoren- en domineemoraal en de dwingende sociale controle uit de jaren vijftig. Het nihilisme verschafte een ontsnappingsroute voor deze generatie van cultuurmakers. Het wees hen de weg naar een ruimte waar vrij adem gehaald kon worden. Het was het perfecte breekijzer, een oorlogsverklaring aan elke vorm van betutteling."

Nu heb ik zelf altijd nogal wat problemen gehad met het vrolijke nihilisme van de cultuurmakers — en waar ik dat in de publieke ruimte al eens problematiseerde kreeg ik  onmiddellijk het verwijt dat ik terugverlangde naar de jaren vijftig, als ik al niet vergeleken werd met de ayatolla's die toen (begin jaren negentig) net de fatwa over Rushdie hadden uitgesproken. Maar het punt was nu net dat er bij mij van terugverlangen geen sprake was, maar wel van een verlangen om van een door mij als verstikkend ervaren relativisme verlost te worden, van de vrijblijvendheid die juist in de jaren negentig in culturele middens steeds dwingender werd voorgeschreven.

Misschien wilde ik dat al die ontmaskeraars nu eindelijk eens werk gingen maken van die postchristelijke, wereldlijke ethiek in plaats van zo comfortabel te blijven hangen in het afzweren van de christelijke variant. Wie afrekent met iets boekt geen vooruitgang tenzij hij voortbouwt op wat hij overwonnen dacht te hebben. Maar typerend voor de generatie die Oudenampsen in zijn stuk op het oog heeft, is dat zij op vrijwel elk vlak het kind met het badwater weggooide — een trend die zich tot op de dag van vandaag voort lijkt te zetten.

Het verlangen naar begrenzing — ik heb al vaak geschreven dat het geen ongevaarlijk sentiment is. Al helemaal niet als je, zoals ik, zelf niet werkelijk een idee hebt waar je in algemene zin die grenzen zou kunnen trekken. Niet dat ik in dat opzicht van geen enkel hout pijlen zou weten te maken — maar een werkelijke ethiek ontdek ik toch ook niet achter mijn pogingen grenzen te trekken. Het is allemaal nogal situationeel. Je zou zelfs kunnen zeggen vrijblijvend, want te nadrukkelijk persoonlijk.

En bovendien, het verlangen verlost te worden van de vrijblijvendheid maakt nog niet dat ik verlost wens te worden van ironie. Toen ik begin jaren negentig in de redactie van het literaire tijdschrift De XXIe Eeuw zat maakte ik samen met Joost Niemöller en Xandra Schutte en met de hulp van een groot aantal medewerkers eerst een nummer over de (on)mogelijkheid van de klassieke (literaire) vadermoord (niemand uit die generatie leek daaraan nog werkelijk behoefte te hebben); daarna een nummer met als opschrift 'De ironie voorbij?' (een vraag die op verschillende manieren werd beantwoord) en het vierde nummer van die jaargang ging over de (on)mogelijkheid van engagement. Daarmee werd in één jaargang een aantal essentiële kwesties aangesneden dat, blijkens het stuk van Oudenampsen, vandaag de dag nog steeds even actueel is.

Ironie was iets tussen pathetiek en cynisme, zo concludeerde ik toentertijd, en dat is voor mij nog steeds zo. Bert Bultinck formuleerde het dit weekend in DS Weekblad, schrijvend over precies deze kwestie, kortweg als volgt: 'Te weinig ironie is dom, te veel ironie is zielig'. 

Het is precies daarom dat ik de opdracht om in DS vijf levenslessen te geven toch wel serieus nam, maar me er tegelijkertijd onbehagelijk bij blijf voelen. Het doet me veel denken aan een personage uit een verhaaltje dat ik ooit in De Gids publiceerde, Vingerpijn (De Gids, jrg. 161, nr. 4, april 1998, p. 304-307) — een personage dat natuurlijk zelf ook weer volkomen in een ironisch licht staat.

VINGERPIJN

Ik heb veel van mijn wijsvinger gehouden. Om eerlijk te zijn: misschien wel te veel. ‘Niet wijzen!’ zei mijn moeder vroeger al wanneer ik in de erker stond en mijn vinger gericht hield op de plaatselijke invalide die met slepende tred voor ons huis langsging, en ze keek schichtig links en rechts de laan af of iemand het misschien ook had gezien. Soms, op straat, kwam het wel voor dat zij zich genoodzaakt zag mijn uitgestoken vinger met haar hele hand bruusk te omklemmen omdat dikke Mina van de Achterweg, naar wie ik hem juist beschuldigend had uitgestoken, dreigend in onze richting kwam. ‘Kom! Geef mama maar een handje, hè’, zei ze dan zoetsappig, maar net te luid om door mij niet onmiddellijk als vingerwijzing begrepen te worden, en net luid genoeg om dikke Mina gerust te stellen. Die gaf dan mijn moeder, en wat erger was: soms ook mij, een minzaam knikje en waggelde ons voorbij. ‘Hoevaak heb ik je dat nou al gezegd, rotjong!’, foeterde mijn moeder en trok daarbij lelijk aan mijn omklemde vinger, ‘níet wíj-zén! Begrepen?’. Ik knikte en ze liet me los. Schielijk stak ik mijn vinger nog even voor mij op en zag dat hij wit en benig was geworden. Ik was bang dat hij bij het buigen zomaar af zou breken. En wat had ik dan moeten beginnen? Ik hield van dat ding. De hele weg naar huis hield ik hem dan ook gestrekt in mijn broekzak, af en toe schokkend met mijn schouder als ik bijvoorbeeld Tinus met de tassen weer eens uitgeteld op zijn bankje bij de brug zag liggen, wel twee bierflesjes op de grond voor zich, of als Mongole-Jantje voorbij kwam, zwaaiend met zijn dirigeerstokje. Ik kon dan maar net voorkomen dat hij zomaar uit mijn zak schoot. ‘Rinus’, zei mijn moeder wanneer we thuisgekomen waren, ‘Rinus, we moeten nu toch eens met hem naar de dokter; die zoon van jou heeft een tic’.

Of het nu de gedurige reprimandes waren — ‘ik hak hem eraf hoor, als je zo doorgaat’, heeft mijn moeder wel eens gezegd — of dat het gewoon een kwestie van natuurlijke ontwikkeling is geweest, maar ik hield op een zeker moment op met wijzen. Mongole-Jantje, Tinus, Mina, de invalide, Ali, de eerste Turk die bij de stoomblekerij kwam werken, of Tamtam niet te vergeten, althans mijn vader en zijn collega’s noemden hem zo, een Surinamer met wel tien kinderen die zomaar twee huizen verderop was komen wonen - ik kon ze op een zeker moment zonder wijzen passeren. Maar niet omdat mijn liefde voor mijn index was bekoeld. Integendeel. Ik was ze nog niet voorbij of ik voelde hoe mijn vinger begon te kloppen, hoe hij verstijfde en omhoog kwam, langzaam eerst, maar allengs steeds sneller, hoe hij een klein moment recht vooruit stak maar daarna nog verder omhoog ging — vijfenveertig graden, vijftig —, totdat hij priemend naar de hemel wees. Tegelijk voelde ik dat zich in mijn strottehoofd iets aanspande, en ik haalde diep adem. Maar meer dan een langgerekt ‘eueueuh’ bracht ik niet voort. Wat zou ik ook hebben moeten zeggen? Ik wist nog niks. Ik had alleen die vinger.

vinger.jpg

Wel staat voor mij vast dat ik sinds die tijd altijd in de voetsporen van mijn vader heb willen treden. Niet dat ik hem tot dan toe ook maar ooit een vinger had zien heffen, maar als ik soms in de weekeinden wel eens naar boven sloop, naar zijn kamertje, om daar over het glimmend bruine leer van zijn boekentas te strijken, of om uit de zakken van zijn geruite colbert een krijtje op te diepen — zo’n stompje, of soms zelfs wel een nog heel pijpje, geel-poederig aan de buitenkant en wit vanbinnen — dan wist ik, ook zonder dat ik het ooit zelf had gezien, dat hij dagelijks met een geheven wijsvinger voor een gitzwart schoolbord stond, voor een ademloos, met open mond en glimmende ogen naar hem luisterend publiek. Het is vaak voorgekomen dat ik die houding daar in dat kamertje nadeed, er op oefende zou je kunnen zeggen, en met een ‘ke zje me zwa de poetepoet, kan fèèr de mese bwa, mézjeus’ een denkbeeldig publiek het Frans bijbracht dat ik mijn vader wel eens luidop hoorde lispelen boven zijn oude nummers van Paris Match. En op verjaardagen, als in de voorkamer slierten blauwe rook boven de salontafel dreven en mijn vader met zijn collega’s glaasjes jenever met suiker dronk — oom Arie, ome Wil, meneer Quee, juffrouw Jalink, die natuurlijk geen jenever dronk (stel je voor!) maar af en toe in haar grijze plissé-rok voorover boog om van een glaasje sherry te nippen — dan zat ik in een hoekje van de erker, half onder de vensterbank met de koperen bloempotten en lette goed op. Af en toe probeerde ik mijn vinger en fluisterde een zinnetje na dat ik juist had gehoord. ‘De jeugd is brutaal’ bijvoorbeeld, of: ‘Als er nog meer van die tamtammetjes komen, gaat onze taal teloor’.

Met het naspreken van deze zinnetjes daar onder die vensterbank — of wat later in de tuin voor een publiek van dennebomen en rododenderon-struiken, als mijn moeder, die mij al geruime tijd argwanend had gadegeslagen, mij met een ‘kom, ga eens buitenspelen joh’ had weggestuurd — wist ik dat ik mijn eerste stappen zette op weg naar een stralende toekomst waarin hele scharen kinderen aan mijn lippen zouden hangen, hun ogen gericht op mijn stram geheven wijsvinger. Ik was dan ook haast buiten zinnen toen eindelijk de eerste schooldag aanbrak en ik voor de eerste maal dat lokaal met de hoge ramen betrad, met die keurig in rijen achter elkaar geplaatste tafeltjes, met — en dat had ik zelfs niet durven dromen! — de tafel van juffrouw Gierman op een verhoging links vooraan, zodat ze altijd majesteitelijk boven ons uit torende. En er was het bord natuurlijk. Dat was weliswaar wat minder zwart dan ik had gehoopt (er zaten overal van die grijs-witte vegen op), maar na lang aandringen kreeg ik het gedaan dat ik het in het speelkwartier, tussen de middag en ook om kwart over vier met een natte spons telkens weer blinkend zwart mocht maken. En ook in andere opzichten werd ik niet teleurgesteld, want al spoedig bleek dat het vingeropsteken hier tot de dagelijkse discipline behoorde, ja zelfs dat degenen die het waagden om het woord te nemen zonder eerst hun wijsvinger op te steken, werden weggestuurd en voor straf op de gang, met hun hoofd tussen de jassen en hun handen op de rug, uren moesten blijven staan.

Het waren heerlijke jaren, en telkens als ik er aan terugdenk voel ik hoe er aan mijn hand als het ware weer iets begint te tintelen, hoe zich daar iets zou willen verheffen, ook al weet ik dat dat niet zal gaan, dat het wat ongepast zou zijn zelfs en dat het niet zelden afgrijzen wekt wanneer ik, verzonken in die zalige herinnering, het schokschouderen niet meer kan bedwingen en mijn hand plotseling en razendsnel uit mijn broekzak schiet en zich heft. Toen ging ik nog onbekommerd met een kloppende wijsvinger door de stad, liep ik na het sponzen van het schoolbord nog uren door de straten en merkte dat ik bij het passeren van Tinus met de tassen niet langer om woorden verlegen zat, zodat ik het op een gegeven moment zelfs aandurfde om voor zijn bankje te blijven staan en, terwijl ik met mijn voet de lege bierflesjes terzijde schoof, hem met plechtige stem toe te voegen: ‘Drie keer vier is twaalf’. Het was weliswaar nog niet precies wat ik wílde zeggen, dat voelde ik ook wel, maar het sorteerde wel het juiste effect. Met grote ogen keek hij naar mij op en zijn mond viel open van verbazing.

Ik was ontegenzeggelijk op weg naar dat podium links vooraan en in de voorstellingen die ik mij van mijn vader maakte, stond hij nu niet alleen meer voor het glimmend zwarte schoolbord — hij was wat klein van stuk, zo begon mij op te vallen — maar met geheven kin op die verhoging, en hij sprak luid en krachtig zijn gehoor toe, wees na het stellen van een vraag met een autoritair gebaar een opgestoken vinger aan en zei: ‘jij daar!’. Precies zoals ik het zou gaan doen, want al spoedig bleek dat mijn opgestoken vinger in de ogen van meesters en juffrouwen een belofte inhield, dat men de mijne nooit tevergeefs uit het woud van opgestoken handen uitkoos en de juiste antwoorden op de gestelde vragen kreeg, zodat ik na een jaar of zes één van de weinigen was die ‘s ochtends voor schooltijd les kreeg van meneer Quee, die mij de spreekwoorden en gezegden leerde waarmee ik ‘s middags bij Tinus veel succes had. Ik had hem inmiddels al zo ver gekregen dat hij recht overeind ging zitten als hij mij in de verte aan zag komen, zijn beide armen strak langs zijn lichaam, de handen om de zitting van zijn bankje geklemd. Vlak voordat ik bij hem was, keek hij dan altijd nog wat verschrikt om zich heen, om vervolgens, als ik voor hem stond en hem toesprak, met een zacht kreunend geluid wat ineen te zakken. ‘Drie dingen zijn moeilijk tegen te houden,’ zei ik dan bijvoorbeeld, ‘een meisje dat wil trouwen; een paard, dat stormt; een boer die een vane draagt’ — en dat leek er al heel wat meer op dan de tafel van vier.

Is het dan een wonder dat ik hoge verwachtingen koesterde toen ik voor de eerste maal het grote gebouw in het centrum betrad, het gebouw waar ik al vele malen voor was blijven dralen, met boven de beide hoge deuren die door mij zo vaak gemompelde spreuk: ‘Non scholae, sed vitae discimus’? Alleen al die in steen uitgehouwen woorden, die ik niet begreep, die ik nog niet begreep, hadden mij de zekerheid gegeven dat er meer moest zijn dan de blauwe deeltjes Stoett die meneer Quee ons te leren had gegeven, meer dan het ‘Die alles door de vingers ziet, en heeft genen bril van doene’ waarmee ik Tinus moeiteloos op de knieën kreeg. En ongetwijfeld zou ik in de ruime hoge lokalen met de bollampen aan het plafond de feiten leren kennen die men nodig had om het leven te leven zoals het behoorde, om uiteindelijk toegang te verkrijgen tot de podia die her en der verspreid over het land stonden opgesteld en van daaraf deze feiten voor te houden aan hen die nog niet meer wisten dan een kat van saffraan. Ik was daar zelfs zo van overtuigd dat de rangschikking van de tafeltjes in het eerste lokaal dat ik betrad mij aanvankelijk nog niet van de wijs kon brengen, want hier zat men niet achter elkaar, keurig uitgelijnd, zo bleek mij, maar gevieren naar elkaar toegekeerd, sommigen zelfs met de rug naar het bord! Dat was natuurlijk, zo hield ik mij toen nog voor, om elkander goed zichtbaar zijn vinger te kunnen laten zien. Dat het podium ontbrak bevreemdde mij wel enigszins. Maar zelfs toen enige minuten na het belsignaal een wat slungelige manspersoon met schouderlang haar binnentrad, in zijn hand een plastic tasje van de Spar, had ik het nog niet direct in de gaten. Hij leek zo in niets op mijn vader, met zijn boekentas en zijn colbert, met zijn iedere ochtend keurig door mijn moeder gestrikte das, dat het niet bij me opkwam om in hem een vertegenwoordiger te zien van het nobele gilde waartoe ik met mijn hele ziel en zaligheid wilde en zou gaan behoren. Een vergissing, zo bleek.

Want vanaf die dag begon ik mijn vinger te stoten. Het was als hing één van de melkglazen bollampen vlak boven mijn hoofd, zodat telkens wanneer ik, aanvankelijk nog met het mij eigen enthousiasme en dus veel te snel, mijn arm opstak, ik het gevoel had dat mijn vinger dubbel klapte tegen wat zich daar boven mij bevond. Maar ook wanneer ik ten overstaan van mijn groepsgenoten aan de tafeltjes naast en tegenover mij mijn vinger niet hoger hief dan mijn borstbeen en al met lichte wanhoop over het uitblijven van nieuwe feiten dan maar enige bladzijden Stoett reciteerde, was het mij alsof iemand hem met zijn hele hand omklemde en nog wat achterover trok ook. Mijn vinger werd een pijnlijk uitsteeksel, een door de vele keren dat ik hem gestoten had blauwige, opgezwollen, uiteindelijk zelfs gelige en aan de top zwart geworden stomp waarvoor ik mij meer en meer begon te schamen. En het duurde dan ook niet lang of de dag brak aan dat ik hem, staande voor Tinus met de tassen voor mij opstak, diep ademhaalde, maar bij de aanblik van dit nog nauwelijks herkenbare ding niet verder kwam dan een klagelijk uitgestoten ‘eueueuh’. Tinus, die zijn schouders al wat had laten zakken, keek eerst verschrikt naar mij op, zag mijn ongetwijfeld ontzette blik op wat ooit mijn trots was geweest, mijn toekomst, en barstte vervolgens uit in een verschrikkelijk, brullend gelach. Zijn hele lichaam klapte dubbel en met zijn voeten schopte hij een nog halfvol bierflesje om, dat klokkend leegliep over mijn schoenen. En hij wees. Hikkend van het lachen wees Tinus met die wat kromme, harige wijsvinger van hem op het stompje aan mijn hand.

Wat kon ik doen? Wat kon ik anders doen dan wegrennen? Ik rende, achtervolgd door zijn hoongelach, door de straten, mijn linkerhand beschermend rond mijn gehavende rechter-wijsvinger; ik rende langs de kerk, over het spoor, over de kanaalbrug aan de rand van de stad; en toen ik eindelijk stil hield, hijgend met mijn linkerhand steun zocht tegen een boom, zag ik dat mijn wijsvinger voor mijn natte schoenen in het gras lag.

Wat er daarna gebeurde, herinner ik mij niet precies meer. Ik viel, geloof ik, schreeuwend op mijn knieën. Ik zal misschien nog geprobeerd hebben de vinger terug te zetten aan mijn zo deerlijk verminkte hand.

Ja, dat zal ik vast hebben geprobeerd...

Ook hoe ik thuisgekomen ben, weet ik niet meer, noch wat ik met het stompje heb gedaan. Heb ik het misschien nog in de zak gestoken van één van de oude colberts van mijn vader, die ik afdroeg? Of heb ik het op een zeker moment woedend van mij afgegooid? Ik ben er later nog wel eens wezen kijken, daar bij die boom, maar heb het nooit teruggevonden.

Sindsdien loop ik altijd met mijn hand in mijn zak, bijna zo alsof het me onverschillig laat dat er in deze wereld geen vingerwijzingen zijn, dat er niemand is die het boek openslaat en mij wijzend naar de hemel zegt waar het op staat. Maar ook al zit ik tegenwoordig vaak op het bankje bij de brug, links naast mij een kruikje jenever en een doos suikerklontjes - telkens als de school uitgaat en die schare kinderen langs mij trekt, voel ik het tintelen in mijn hand, iets wat het midden houdt tussen pijn en jeuk op die plek waar niets meer is als was er nooit iets geweest. En ik zou op willen staan en een halt toeroepen aan al die kinderen en ik zou hen willen leren wat het geval is, wat onomstotelijk is, wat ze beslist moeten weten.  

--------

 

screenshot_78.jpg


 

14:38 Gepost door MR | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | |

14-02-13

Pluizigheid

In het februarinummer van De Leeswolf staat naast veel andere zaken het eerste deel van een essay van Marc Kregting. 'Fuzz' heet het. Dat kan 'dons' betekenen, of 'smeris' (naar believen: 'flik' of 'klabak', het woord wordt ook gebruikt als verzamelnaam voor 'de politie'); opgevat als werkwoord betekent het 'uitrafelen', 'pluizig worden, maken'. Tot zover het woordenboek.

De titel zou een poging kunnen zijn tot zelfironie: Kregting werpt zich hier als politieagent op, hij deelt bekeuringen uit — iets wat volgens zijn eigen opvattingen natuurlijk helemaal niet kan (hij positioneert zich met graagte in de marge en kan in die zin dus onmogelijk de autoriteit hebben die voor het uitdelen van bekeuringen noodzakelijk is; hij is de 'ontmaskeraar' van de macht immers). De titel van zijn stuk moet dus zoiets zijn als de weergave van wat hij vermoedt dat de tegenstanders over hem zullen zeggen. Ongeveer zoals eind jaren negentig (wie herinnert zich dat nog) Paul Demets in Knack een overzichtsartikel schreef waarin hij onder andere Jos Joosten, Patrick Peeters en Dirk van Bastelaere verweet dat ze bij de lezing van hun poëzie veel te veel uitgingen van hoe poëzie er zou móéten uitzien (en derhalve: veel te weinig van wat de door hen gelezen poëzie zelf wilde zijn). Ze gedroegen zich als poëziepolitie, meende Demets (zijn stuk heette 'De sirenes van de poëziepolitie'). Het in 1999 opgerichte tijdschrift freespace Nieuwzuid, met onder andere Van Bastelaere en Patrick Peeters in de gelederen, reageerde prompt door hun poëzierubriek 'De poëziepolitie' te noemen. 

De kwestie zelf was interessant genoeg, en de discussie werd niet zozeer gevoerd op internet of in literaire tijdschriften, maar in kranten als De Morgen en De Standaard. Van Bastelaere schreef op 15 april 1999 in De Morgen (in de literatuurbijlage die toen nog Café des Arts heette) een recensie over De papegaaienziekte, het debuut van Demets uit 1998 — een recensie die eerst uitvoerig inging op Demets artikel in Knack alvorens de (trouwens ook in mijn ogen niet zo heel erg sterke) debuutbundel op haast rituele wijze te slachten. Epigonisme, zo luidde het oordeel. Jos Joosten schreef in De Standaard ook een recensie over De papegaaienziekte, een recensie die bijna 1500 woorden telde (geen uitzondering in die tijd), en gebruikte de bundel net als Van Bastelaere als opstapje om het over Demets Knack-artikel te hebben.

In beide gevallen ging het om de (on)mogelijkheid van de neutrale blik bij het recenseren van poëzie. Yves T'Sjoen zag, in (alweer) De Morgen, Demets' stuk vooral als 'een pleidooi voor een genuanceerde, open lectuur waarin diverse poëziesoorten op hun merites worden beoordeeld'. Het had Van Bastelaere er al toe verleid om te stellen dat 'de leerstoel van de verzoenende poëziekritiek' nog steeds vacant was en dat Demets (of T'Sjoen, daar wil ik nu even vanaf wezen) blijkbaar naar de post solliciteerde. Daarmee werd het spook van Herman De Coninck nog maar eens uit zijn vers gedolven graf geroepen — de man die zo perfect de positie belichaamde die het Van Bastelaere en andere zogeheten 'postmodernen' mogelijk maakte om eind jaren tachtig, begin jaren negentig het klassieke avant-gardeschema nog eens toe te passen en zichzelf te positioneren als de nieuwe rebellen — met succes en met vaak sterke poëzie overigens. Daar hoorde onder meer de ontmaskering van De Conincks 'neutraliteit' bij. Men liet zien dat achter die neutraliteit wel degelijk ideologisch bepaalde keuzes schuilgingen. 

Ik sta hier zo lang bij stil, enerzijds omdat Kregting in zijn stuk in De Leeswolf blijkbaar nog eens vanuit diezelfde klassieke rebelsheid lijkt te willen reageren in een stuk dat waarschijnlijk de bedoeling heeft om het nog eens over de ideologische bepaaldheid van de literatuurkritiek te hebben. Anderzijds omdat Kregting in het stuk erg persoonlijk wordt naar mij toe, iets wat hem blijkbaar zodanig parten speelt dat het stuk eerder kwaadwillig dan kritisch is en zo zijn doel — als dat er al was — voorbijschiet.

Het bevat allerhande suggestieve formuleringen die tot doel hebben mij af te schilderen als iemand tegenover wie Kregting zichzelf nog eens naar hartenlust als de onbevlekte, want oprecht marginale auteur kan positioneren — iemand die zich niet inlaat met alles waaraan ik mij (sinds het winnen van De Gouden Uil natuurlijk!) wel zou bezondigen. (Al vallen daar wel een paar kanttekeningen bij te maken, want Kregting doet op de achtergrond zijn zegje over poëziefondsen bij uitgeverijen, houdt zich bezig met de organisatie van Poetry International, zet als freelance-redacteur potloodstreepjes in de typoscripten van anderen, en duikt zelfs wel eens op als jurylid van door hem ernstig verguisde sponsorprijzen).  

Kregting begint zijn stuk met een paar opmerkingen over Elsbeth Etty's Het ABC van de literaire kritiek, stelt vervolgens dat Mark Cloostermans in zijn bespreking van Maarten Inghels' roman De handel in emotionele goederen Etty's adviezen blijkbaar had opgevolgd, brengt dan de rel ter sprake die ontstond naar aanleiding van het papiertje dat Harold Polis bij de presentatie van Inghels' roman in brand had gestoken, en heeft dan eindelijk het opstapje dat hij nodig heeft om het over mij te hebben. Op 12 september schreef ik een opiniebijdrage in De Standaard (zie hier) en Kregting noemt het meteen 'curieus' dat ik 'de kat de bel aanbond', omdat ik 'de krant tweemaal opgewarmd nieuws schonk'. Hij noemt een stuk in Rekto:Verso, waarin ik inderdaad hetzelfde had beweerd (Rekto:Verso, nr. 46, maart-april 2011, p.18), een stuk dat ik later op mijn blog heb gezet ('geherpubliceerd', noemt Kregting dat en dat schijnt van hem niet te mogen). Hij noemt het, net als het opiniestuk in DS, een 'pleidooi voor lovende besprekingen'. 

Eerst even over dat 'opgewarmd'. Er is een klein verschil tussen een stuk in Rekto:Verso, een stuk op mijn blog en een (overigens ander) stuk in een krant als De Standaard. Het publieksbereik is nogal verschillend — en wat ik aanvankelijk voor het veel kleinere publiek van Rekto:Verso had geschreven, verdiende in het licht van de commotie rond Inghels' en Cloostermans in mijn ogen ook nog wel een wat groter publiek. Je zou het kunnen zien als een poging iets bespreekbaar te maken op de plek waar dus nog niet eens zo heel lang geleden debatten over dit soort kwesties nog mogelijk waren (inmiddels is dat niet meer het geval). Maar nee, oordeelt Kregting, de man die het liefst dode vogeltjes neerlegt op onvindbare plaatsen, het was 'opgewarmd' — ik had het al eens eerder gezegd, en in de wereld van Marc Kregting zegt men de dingen één keer, ook als je de mogelijkheid hebt om je opinie voor een breder publiek en in een iets andere context nog eens kenbaar te maken. 

Het brengt me op het volgende. Ik ken Kregting als een essayist die gewoonlijk zorgvuldig is als het gaat om verwijzingen, maar hier vergeet hij toch een wel erg belangrijk detail — een detail dat voortdurend vergeten wordt wanneer ik deze kwestie bespreek met recensenten: dat het gaat om een pleidooi voor positieve recensies ('lovend' heb ik niet gebruikt) in dag- en weekbladen. Die toevoeging is niet onbelangrijk. Ik maak steeds het onderscheid tussen wat er in de dag- en weekbladkritiek nog mogelijk is, en wat literaire kritiek in mijn ogen eigenlijk zou moeten zijn. Om louter op grond van feiten tot de vaststelling te komen dat in de huidige dag- en weekbladkritiek de literaire kritiek zoals ze idealiter zou moeten zijn eigenlijk zo goed als onmogelijk is geworden. De literatuurkritiek loopt aan de leiband van de commerciële bedoelingen van de krantenuitgever — die er bijvoorbeeld geen graten in ziet om romans cadeau te doen bij zijn krant, maar daarmee tegelijkertijd verhindert dat er over die roman in de krant zelf nog oprecht geoordeeld kan worden. Terwijl er bij het boek natuurlijk wél een lovend stuk geschreven moet worden door de medewerkers van de literaire bijlage.

Wat in de kranten literaire kritiek heet is de facto consumentenadvies — ik heb daar al héél vaak aan toegevoegd: ondanks de bedoelingen van de recensenten (dat staat nota bene ook in de stukken die Kregting hier aanhaalt, maar hij verkiest daarover te zwijgen). De tegenwind die ik vaak kreeg, als pleegde ik een aanslag op de vrijheid van meningsuiting, als speelde ik de promopraat van uitgeverijen in de kaart (de suggestie is er ook weer bij Kregting), kan ik wel begrijpen, maar een recensent die gedwongen wordt zijn mening in een stukje van 250 tot (toe maar!) 500 woorden zo uit te drukken dat er in de laatste regel minstens een voor de blurb bruikbare quote staat, en daarbij ook nog geacht wordt wat sterretjes te zetten, zo'n recensent heeft eigenlijk geen werkelijke vrijheid van meningsuiting meer. Het format dwingt hem tot het soort flodderwerk waarvan tot op heden Daniëlle Serdijn de meest flagrante voorbeelden levert (die schreef bijvoorbeeld over Het geluk van de kunst een recensie van pakweg 50 woorden in de Volkskrant, waaruit je kon afleiden dat ze het boek niet of nauwelijks had gelezen, en als ze het wel had gelezen: dat ze van bijzonder weinig fatsoen blijk gaf, anders zou de eerlijkheid als bespreekster haar toch hebben moeten gebieden melding te maken van het feit dat ze zelf in Het geluk van de kunst in niet bepaald gunstige zin ter sprake komt. Moet ik nog zeggen dat ze het niet zo'n goed boekje vond?(twee sterren)). 

De context van de recensie in dag- en weekblad is die van het consumentenadvies, ondanks de bedoelingen van de recensenten in kwestie, ondanks de bedoelingen van zelfs de chef Boeken. Dat is de stelling. Een stelling waarmee Kregting het eigenlijk eens is — maar uit zijn hele stuk blijkt dat hij van mening is dat ik ben toegetreden tot die echelons die het recht op dit soort opvattingen hebben verspeeld. 

Onzorgvuldig is Kregting ook wanneer hij stelt dat ik de reeks 'Goud op snee' van Behoud De Begeerte genoemd zou hebben in de toelichting bij de 'herpublicatie' van het opiniestuk op mijn blog. Ik heb het daar over 'Uitgelezen' — een programma waarvan ik niet weet of Kregting het ooit heeft gezien, maar, zo leid ik af uit hetgeen hij over 'Goud op snee' zegt (een programma dat ik dan weer nooit zag), waarvoor hij hoogstwaarschijnlijk ook niets dan dédain zal hebben, al was het maar omdat ze daar aan een heuse 'tombola' doen en boeken verloten. Hoe diep kan men zinken…

Te kwader trouw is Kregting ook wanneer hij meent dat ik in diezelfde blogpost Cloostermans 'wederom een uitbrander' heb gegeven. Ik noem zijn stukje 'luimig', een van die 'oprispingen' waar Cloostermans wel vaker last van heeft — en dan verwijs ik naar zijn toch ook erg onheuse recensie over Paul Baeten Gronda destijds, waarmee ik bedoel, maar ook toen bedoelde: onheus zelfs al vond je Gronda's debuut een boek van niks. Af en toe komen er uit Cloostermans pen van die stukken dat je denkt: wat heeft de auteur (of het boek) in kwestie hem toch aangedaan dat hij zo over the top reageert? Ik noem dat niet 'iemand een uitbrander geven'. Ik signaleer hier gewoon iets. En tja, in het opiniestuk in DS stel ik dat Cloostermans' recensie meer weg had van een signalementje, doorspekt met fikse oordelen die op weinig anders gebaseerd leken dan het slechte humeur van de recensent. Is dat een uitbrander? Mij lijkt het een haast feitelijke vaststelling, en ik ben heel nieuwsgierig hoe Kregting dat stukje dan zou willen karakteriseren. Eigenlijk niet anders, zo blijkt uit het begin van zijn stuk, maar in mijn geval moet het blijkbaar een uitbrander heten.

Dat komt omdat hij een bepaalde (zij het verkeerde) visie heeft op enig gedoe rond De Gouden Uil — een prijs die ik blijkbaar nooit had mogen winnen en waarvan het winnen zelf mij persoonlijk aangerekend dient te worden. Het zijn allemaal heel erg oude koeien, maar bon. Het gaat om de wijze waarop Kregting graag de zaken wil voorstellen. Hij stelt daar namelijk — alweer onzorgvuldig — dat ik getergd was dat 'voor betrekkelijke nieuwkomers Cloostermans en Leymans zijn lange staat van dienst niet telde'.

Het ging  daarbij helemaal niet om Cloostermans of Leymans. Het ging om de mij toen verrassende vaststelling dat ik in Boekblad (en niet door Leyman in eerste instantie) 'een volslagen onbekende auteur' was genoemd — alsof dat van belang was, die bekendheid of onbekendheid. Het werd in Boekblad bijna als een oordeel gepresenteerd, alsof mijn onbekendheid op zich al reden te over was om de nominatie belachelijk te vinden. En vooruit, ja, Boekblad ging voorbij aan het feit dat ik als poëzierecensent van De Groene Amsterdammer (tien jaar lang) en als redactielid van De Gids toch niet echt volslagen onbekend was voor iemand die een beetje de personele bezetting in letterland in de gaten had gehouden, wat je van iemand van Boekblad toch mag verwachten. Hoe dan ook, Leyman herhaalde het zinnetje uit Boekblad (Cloostermans schreef bij mijn weten destijds niet over De Gouden Uil; het was Filip Huysegems) en zette het in als was het een argument tegen mijn nominatie.

Dat hield verband met een aanvaring die ik met Leyman had omdat ik op mijn blog (zie hier) wat kanttekeningen had gemaakt bij hetgeen Leyman over P.F. Thomése had geschreven op De papieren manNadat hij mij een buitengewoon giftige reactie had gestuurd naar aanleiding van die opmerkingen (zie hier), een reactie die ik buitenproportioneel vond en die getuigde van aversie tegen vooral mijn persoon, verbaasde het me vervolgens niet om in de krant (bij het voor recensenten verplichte overzichtsstuk over alle genomineerden, inclusief de hen misschien ook verplichte prognose van wie de winnaar zou zijn) te moeten lezen dat mijn roman weinig meer dan waardeloos was — een mening die kracht werd bijgezet met een citaat van een of andere achteraf-internetsite over spaghettizinnen, waar Leyman natuurlijk ook NRC had kunnen citeren (al vond hij daar geen steun voor zijn mening). Ook dat stuk leek vooral een persoonlijke afrekening.

Dat ik dat stuk onheus vond, spreekt voor zich. Maar dat ik getergd zou zijn omdat mijn 'lange staat van dienst' niet in aanmerking werd genomen door Leyman (of Cloostermans) is je reinste larie. Het lijkt door Kregting alleen op deze manier te worden voorgesteld om een beeld van mij te schetsen dat past bij zijn eigen overspannen voorstelling van de werkelijkheid.  

Enfin, zo is Kregting voortdurend bezig met het zoveel mogelijk beschadigen van mijn persoon, terwijl de kwestie waar het om zou moeten gaan zo niet aan bod komt: wat moeten we aan met een situatie waarin literatuur grotendeels een subcultuur is geworden, deel van de lifestyle, enkel relevant als illustratiemateriaal bij wat de journalistiek meent dat de échte werkelijkheid is, en vooral: wat moeten we aan met een situatie waarin het soort discussies dat Kregting zou willen voeren (discussies die — laat daar geen misverstand over bestaan — voor mij van het grootste belang zijn) sowieso als volstrekt irrelevant terzijde worden geschoven, waar de vraag of je neutraal bent of juist ideologisch bepaald er zelfs niet eens meer toe lijkt te doen. Ik geef het publieke domein, dat ondanks internet nog steeds gedomineerd wordt door de reguliere media (een recensie in DM of DS heeft nu eenmaal nog steeds veel meer aanzien dan een veel beter stuk op een recensiesite of op een blog, en ik zie daar voorlopig nog geen verandering in komen) — ik geef dat publieke domein nog niet op door het continu zo te demoniseren als Kregting hier doet. Juist door dat domein zo te demoniseren bewijs je de literatuur de slechtst mogelijke dienst, en ben je niet zozeer in de contramine, zoals je misschien zelf denkt, maar conformeer je je aan wat er van je wordt verwacht: dat je in je eigen speeltuin blijft (en daar eventueel de bully uithangt). 

Dat hij in juist een blad als De Leeswolf de ruimte krijgt om op deze weinig exacte, van persoonlijke rancune doortrokken wijze van leer te trekken, feiten te verdraaien en wat dies meer zij, is voor mij persoonlijk een teleurstelling. Zoals het teleurstellend is om te moeten vaststellen dat het gesprek met Marc Kregting bij dezen nu wel is beëindigd. Dit is me een beetje te achterbaks en laag-bij-de-gronds allemaal.

Wat overigens niet verhindert dat ik straks als co-voorzitter van de Vlaamse Auteursvereniging met volle overtuiging ook de belangen van Marc Kregting zal verdedigen tegenover alle instanties (uitgevers, media, politici, rechtenmaatschappijen, bibliotheken etc.) die het met die belangen zo nauw niet nemen. Dit terzijde.    

16:14 Gepost door MR | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | |

05-02-13

Culturo (vandaag in De Standaard)

 

Een linkse, elitaire culturo reageert

Elke democratie heeft nood aan nuance

  • dinsdag 05 februari 2013
  • Auteur:Marc Reugebrink
Man leest boek in bibliotheek. ‘Culturo's hebben de neiging alles anders te bekijken.'

Man leest boek in bibliotheek. ‘Culturo's hebben de neiging alles anders te bekijken.'

 

Willen of niet, wie eens als ‘culturo' is bestempeld, raakt maar moeilijk van dat etiket af. Marc Reugebrink vindt dat griezelig omdat het aangeeft dat diversiteit almaar minder wordt geduld.

We leven in glasheldere tijden. Nu de populisten overal aan het roer staan, worden er volop etiketten geplakt, bokken van schapen gescheiden, kaf van koren – en je kunt maar beter aan de juiste kant staan. Zelf kom ik er bekaaid af. Ik ben een ‘culturo', zo heb ik de afgelopen weken begrepen. En als culturo ben ik vanzelfsprekend links. En meteen ook elitair. Dat is allemaal niet goed. Nog een geluk dat ik de heteroseksuele ‘obediëntie' ben toegedaan, ook al beperkt me dat ernstig in mijn kledingkeuze.

Natuurlijk wil ik bij dat mij opgeplakte etiket graag de nodige kanttekeningen maken. Ik ben geen culturo, ik ben een schrijver, een literair auteur. Mij lijkt dat niet aan elkaar gelijk te zijn. Hoewel. Ja, ik draag mijn hart links. Maar ik ben er tegelijkertijd van overtuigd dat cultuur voor veel linkse politici nu niet meteen een prioriteit is. Het verwijt dat kunst en literatuur elitair zijn kwam aanvankelijk vooral uit die hoek, zeker nadat links het idee van volksverheffing uiteindelijk maar had opgegeven en onder het mom van ‘cultuurparticipatie' vooral koppen begon te tellen (cultuur = bezoekersaantallen). In mijn ervaring geniet je als literair auteur veel meer respect bij de van oorsprong confessionele partijen – bij politici die van oudsher nog vertrouwen hebben in Het Woord, ook al bewijst de irritatie die iemand als Rik Torfs in eigen rangen veroorzaakt dat men zulks nu ook weer niet moet overdrijven. Maar je hebt bij tsjeven en zelfs grefo's (gereformeerden) in ieder geval het gevoel dat je ze mag tegenspreken en dat ze dan nog luisteren ook.

De trapauto is geen maatstaf

Elitair ben ik ook al niet. Nee, écht niet. Wel is het zo dat als het bijvoorbeeld over literatuur gaat, ik daar met de nodige kennis van zaken over spreek. Ik ben al meer dan een half leven met literatuur bezig, moet u weten. Als schrijver steun ik op een traditie van eeuwen waarvan ik al lezend kennis heb genomen en die ik al schrijvend telkens weer inzet.

Vandaar dat ik in E.L. James weinig van waarde terugvind – om het clichévoorbeeld van vandaag nog maar eens te geven (eerder was het Dan Brown, geloof ik?). Niet omdat ik me beter voel dan die miljoenen lezers, maar omdat iemand die verstand heeft van auto's het liever ook niet heeft over de deugden van de trapauto. Ik misgun niemand zijn trapauto. Ik weiger alleen om die tot maatstaf te maken.

Maar ik herhaal: we leven inmiddels in glasheldere tijden. Mijn pogingen om onder het etiket uit te komen dat mij wordt opgeplakt, zijn in de ogen van de etikettenplakkers zelf alleen maar een bewijs dat ik dat etiket dubbel en dik verdien. En dat is bepaald griezelig. Communisten aten nooit kinderen, maar toch waren hele volksstammen daar op een zeker moment vast van overtuigd – voldoende overtuigd zelfs om de wapens op te willen nemen. En nu we toch bezig zijn: joden waren nooit ongedierte, maar er was heel weinig voor nodig om precies die definitie ingang te doen vinden en een hele schare welwillenden te vinden die, passief of actief, mee wilden helpen om dat ongedierte uit te roeien.

Ik weet het. Altijd weer diezelfde voorbeelden. Het is daarom dat de etikettenplakkers elke vergelijking met die duistere periode uit onze geschiedenis willen verbieden. Niet geheel ten onrechte. Maar ook niet geheel terecht. Het gaat niet om specifiek die periode. Het is maar dat we sinds die periode meer dan ooit tevoren weten waartoe etiketten plakken kan leiden. En de Chef Etikettenplakker zelf weet het ook, anders zette hij niet altijd dat eierdopje op zijn kop om te jammeren over de reductio ad hitlerum die hem ten deel valt wanneer hij zelf gereduceerd wordt tot zíjn ‘obediëntie'.

Het gaat precies om die reductie van de werkelijkheid tot stereotiepen in een economisch, politiek en cultureel klimaat dat in toenemende mate geen nuances meer toestaat. Waarin de werkelijkheid niet langer veelkantig is, maar steeds meer eendimensionaal. Kunstenaars, schrijvers (maar ook journalisten, intellectuelen en nog anderen die tot die als homogeen voorgestelde club ‘culturo's' worden gerekend) hebben de neiging om de courante definities van mensen en dingen nog eens om te draaien, anders te bekijken. Dat is van het grootste belang voor een democratische samenleving. Zo beschouwd lijken ze altijd maar weer in de contramine te zijn, dwars te liggen.

Dat is overigens niet hetzelfde als ‘links' zijn. Het is voortdurend de vraag stellen wie of wat wij zijn: een schepsel Gods, een zelfstandig kritisch individu, burger, Vlaming, zoogdier? En we stellen die vraag juist omdat er in elk tijdperk mensen zijn die menen dat het antwoord op die vraag nu toch wel definitief is gegeven.

Niet iedereen heeft er baat bij dat die vraag openblijft. Het is daarom dat kunstenaars, schrijvers, journalisten tot op de dag van vandaag in (rechtse én linkse) dictaturen gewoonlijk tot de eersten behoren die worden opgeruimd. Dat is wellicht de angst van hen die nu zo treiterig tot culturo's worden gereduceerd door een partijleider die vanwege het winnen van gemeenteraadsverkiezingen en verder steunend op altijd onzekere peilingen al een voorschot neemt op de situatie waarin tegenspraak niet meer zal baten.

Dat mag overdreven lijken, maar toch is die angst niet helemaal zonder grond. De Wever en andere N-VA-ers die zich in dezen al hebben geroerd lijken met dit soort reducties bepaald niet uit te zijn op dialoog, maar op de afschaffing van de diversiteit, van een veelkantigheid die, meer dan vandaag de dag aan bod komt, te danken is aan wie momenteel rücksichtslos op één hoop worden geveegd met de bedoeling hen af te voeren.

 

09:08 Gepost door MR | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | |

13-12-12

Vandaag in De Standaard

Vandaag in De Standaard een stukje naar aanleiding van de zelfmoord van Jacintha Saldanha en het mogelijke verband dat er bestaat met de practical joke van de Australische 2DayFM Radio-dj's Mel Greig en Michael Christian. Ik wilde het niet expliciet vermelden, maar het stuk is tevens een antwoord op het wat magere stuk dat radiomaker (en als radiomaker in het verleden ook notoire grappenmaker) Jan Hautekiet twee dagen geleden in de krant schreef. Het is enerzijds begrijpelijk dat zij die vanzelfsprekend toegang hebben tot de media vergeten dat ze daarmee een bepaalde macht hebben verworven die de meeste mensen niet hebben, en dat die macht aan hun spreken een grotere relevantie geeft (of dan toch lijkt te geven) dan het spreken van de man in de straat, die vooralsnog alleen de internetfora heeft om zich kenbaar te maken en zich daar alleen kenbaar lijkt te maken wanneer de frustratie al torenhoog is. Maar het is daarom zo pijnlijk dat juist de radio- en tv-makers menen dat ze 'het publiek' vertegenwoordigen. Zij zijn juist de elite, momenteel, en dat brengt een verantwoordelijkheid met zich mee die de meesten niet nemen omdat ze zich hardnekkig als vertegenwoordigers van het gewone volk blijven beschouwen. Punt is dat 'het publiek' waarmee vaak geschermd wordt veeleer een constructie van henzelf is dan een reëel feit — ondanks de publieksonderzoeken die men ongetwijfeld uitvoert (maar wat onderzoekt men dan, welke vragen stelt men, wat zijn de vooronderstellingen van die vragen, enzovoorts).

  

--------------------

Pesten via de radio

Kletspraat met zware gevolgen

  • donderdag 13 december 2012
  • Auteur:
     


Mediatijgers en netmanagers zijn het wellicht vergeten, maar op radio en tv komen is voor Jan met de pet iets heel bijzonders, meent Marc Reugebrink . Alsof je voor de hele wereld op een voetstuk wordt geplaatst. Dan is de klap des te harder, als je belachelijk wordt gemaakt.

Hebt u ook zo'n hekel aan radiofiguren die ten koste van anderen lollig proberen te zijn? Ze zitten zich in hun studio's blijkbaar kapot te vervelen en denken misschien daarom dat dit ook wel voor hun luisteraars zal gelden. Daarom lullen ze ook zo verschrikkelijk veel, ook als ze geen informatief programma hebben.

Woordendiarree. Een onweerstaanbare drang om zich te ontlasten. Misschien is het ook angst voor stilte. Want zelfs praten alleen is niet genoeg. Er moet ook nog een zogenaamdefiller onder: wat instrumentale muziek waar de dames en heren dan door- en overheen praten. De luisteraar zou eens in paniek raken als ze tussen het gebabbel door ademhalen. Oei! Ik hoorde even niks! Wat was me dat voor iets raars? Er zijn zelfs radiostations die zo'n bonkend muziekje laten spelen als ze iemand interviewen.

Zinledig geluid en kletspraat

Misschien is het de schuld van de netmanagers, of hoe heten die lieden. Ergens in de hogere echelons van het radiowezen moet ooit besloten zijn dat radio een continue stroom van zinledig geluid moet wezen.

Muziek is tot daaraan toe, maar gezien het feit dat veel dj's muziek meestal ruim voor het einde van een nummer onderbreken met geleuter en meestal ook nog een tijdje doorkletsen als een nummer al begonnen is, lijkt dat niet eens de prioriteit te zijn. Kletspraat verkopen, dat is de bedoeling. Elke seconde amusement brengen. Het moet een zenuwslopende bezigheid zijn.

Het is in die sfeer dat radiomakers bedenken dat het wel eens geweldig leuk zou kunnen zijn om andere mensen te kakken te zetten door ze op te bellen en in de een of andere val te lokken. Zoiets heet een practical joke te zijn, maar het kan evengoed beschouwd worden als een vorm van openbaar pesten.

Hoewel ik aanneem dat de gewoonlijk erg politiek-correcte mediamannen en -madammen desgevraagd elke actie tegen pesten op school of op het werk van ganser harte onmiddellijk zouden ondersteunen, verhindert het niet dat ze er zich op de radio dagelijks aan bezondigen.

Je zou hier nog een onderscheid kunnen maken tussen het pesten van publieke figuren en van hen die dat niet zijn. Publieke figuren vertegenwoordigen een bepaalde macht en het kan heilzaam zijn om die eens wat te relativeren. Als diverse fora op de sites van kranten en omroepen iets duidelijk maken, dan is het wel dat diegenen die eenvoudige toegang hebben tot de media soms alleen al vanwege die toegang diep gehaat worden. Een publieke figuur publiekelijk neerhalen kan dus nuttig zijn – een daad van barmhartigheid jegens Jan met de pet die nergens anders aan het woord komt dan in die fora, die overigens in mediakringen zelf veelal als irrelevant beschouwd worden. En die publieke figuren moeten daar maar tegen kunnen.

Zo reageerde prins Charles na de grap van het Australische radiostation (maar nog voor de vermoedelijke zelfdoding van de verpleegster Jacintha Saldanha) buitengewoon geestig op een vraag van een tv-journalist: ‘Hoe weet u zeker dat ik geen radiostation ben?' – een antwoord dat van meer humor getuigt dan de radiograp zelf.

En wanneer programma's als Bananasplit BV's in de zeik nemen, blijken die meestal wel bereid om nadien in het programma op te draven en (al dan niet groen) mee te lachen om hun vernedering. Dat heet ‘sportief', en die sportiviteit legt hen geen windeieren. De BV valt van zijn voetstuk, wordt mens onder de mensen, waardoor hij paradoxaal genoeg eigenlijk nog wat hoger op zijn voetstuk komt te staan. ‘Hij is zo bijzonder, want hij is zo gewoon gebleven.'

Belachelijk voor de hele wereld

Maar voor de gewone man is het anders. Voor hem geldt wat de meeste mediatijgers allang vergeten zijn: dat ‘op radio of tv komen' iets uitzonderlijks is en van een mens bijgevolg ook iets bijzonders maakt.

Het is alsof hijzelf op een voetstuk wordt gezet, alsof hij zichtbaar wordt voor de hele wereld en er nu eindelijk toe doet. Daarom is de klap des te harder als blijkt dat hij alleen maar op dat voetstuk is gehesen om belachelijk te worden gemaakt. En dat niet alleen voor zijn collega's of zijn familie, maar inderdaad voor de hele wereld.

In medialand wordt nu weliswaar geschokt gereageerd op het mogelijke verband tussen de zelfmoord van Saldanha en de Australische radiograp, maar tegelijkertijd wordt ook steeds benadrukt dat de grap zelf onschuldig was, dat dergelijke grapjes (pesterijen) ‘moeten kunnen'. Het lijkt mij te duiden op het ontbreken van enig werkelijk inzicht in de eigen positie. Net de massamedia zijn er tegenwoordig snel bij om iedereen die iets anders wil dan hun voorgesneden amusement ‘elitair' te noemen. Ze lijken niet in te zien dat zij op dit moment de werkelijke elite vormen. Zij beslissen immers wie op welke wijze toegang krijgt tot wat zij tot de echt relevante werkelijkheid hebben verklaard. Zij lijken zich totaal niet bewust te zijn van die positie en van de daarmee verbonden verantwoordelijkheid. Voortgedreven door de even dwangneurotische als marktgestuurde noodzaak de eigen verveling te verdrijven met melig amusement, maken ze slachtoffers die ze vervolgens zelf het liefst niet tellen.

--------------

11:12 Gepost door MR | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook | |

30-11-12

De wereld

Net nu mijn nieuwe roman in het stadium is gekomen dat het moeilijk wordt om überhaupt nog aan iets anders te denken — wakkerschieten om drie uur 's nachts en dan eindeloos liggen denken aan zinnen, aan de zinnen die moeten volgen op de vorige zinnen, en aan de zinnen die daar weer op moeten volgen, en dan nog even de illusie koesteren dat je dit wel gaat onthouden tot het licht is, ook wel wetend dat je waarschijnlijk tussen (inmiddels) half vier en zeven uur nog wel weer in slaap zult vallen, een slaap die heilzaam is voor het lichaam maar desastreus voor al die fijne zinnen die je daar in het donker in je hoofd ligt te schrijven, zodat je dan toch (om pakweg kwart voor vier) maar opstaat om even iets in zo'n speciaal boekje te noteren (schrijvers hebben, een beetje aanstellerig, van die speciale boekjes waaraan ze te herkennen zijn, tegenwoordig gewoonlijk een moleskine), op de zetel in de living nog wat verder peinst, de verleiding weerstaat om naar boven, naar het werkvertrek te sluipen en de computer uit zijn slaapstand te wekken, uiteindelijk maar weer terugkeert naar bed en op een onbestemd tijdstip dan toch nog weer inslaapt om rond zevenen als een gebroken man aan het ontbijt te verschijnen — juist nu klopt de wereld aan het venster.

Er was de wel heel drastische maatregel van de regering om de belasting op auteursrechten van 15% naar 25% op te trekken. Daar werd publiekelijk hard tegen geprotesteerd: Erwin Mortier hier, de boekensector (Vlaams Fonds voor de Letteren, Boek.be, het literair middenveld bij monde van Het Beschrijf, de Vlaamse Autersvereniging) hier, Celia Ledoux en Ann De Craemer hier, Xavier Roelens hier — die laatste ging expliciet in op de onvoorstelbare haatgevoelens die loskwamen toen de sector zich verzette tegen een plotselinge, nooit met die sector ook maar besproken korting van 10% die de schatkist, ocharme, een kleine 5,5 miljoen op zou leveren — als je het beperkt hield tot de schrijvers zelfs niet meer dan 600.000 euro. Op zich geven die geringe bedragen al aan hoe bedroevend weinig de diverse regeringen in cultuur investeren, en ik neem aan dat dat geheel naar de zin van al die haatdragende burgers is die met weinig kennis van hoe de zaken er voor — met name — literaire auteurs uitzien alvast een voorschot namen op de volgende boekverbranding.

Dat laatste bracht Kristien Hemmerechts er eerder al toe om in Terzake, waar zij samen met jazzmusicus Jef Neve was uitgenodigd om iets over die maatregel te komen zeggen, alvast op voorhand het belang van cultuur flink te relativeren. Op Facebook ontstond een levendige discussie omdat één iemand haar vooral 'een eerlijke pleidooi voor progressieve aanslagvoeten' had horen houden: 'naarmate de inkomsten uit auteursrechten stijgen, hoort men procentueel meer belastingen op die inkomsten te betalen'. Dat zei ze inderdaad, maar als samenvatting van haar bijdrage aan het gesprek kon het toch niet echt gelden. De teneur van wat ze zei was toch vooral dat deze besparing nauwelijks betekenis had in het licht van bijvoorbeeld de ontslagen bij Ford Genk (nog een meevaller dat ze Syrië niet noemde, of de Gazastrook). Dat stond in schril contrast met wat Jef Neve te berde bracht, die tot een dergelijke relativering van de cultuur bepaald niet bereid bleek.

In de discussie op Facebook over wat ze nu feitelijk gezegd had, stelde Hemmerechts zelf (antwoordend op het verwijt dat ze misschien te veel haar eigen situatie tot uitgangspunt had genomen en, suggereerde iemand, in een 'ivoren toren' leefde): "de vraag is wie er in een ivoren toren leeft: tenslotte sta ik ook in het beroepsleven of hoe noem je dat; en ik geef mijn oren en ogen goed de kost; ik denk dat sommige schrijvers en kunstenaars zouden schrikken als ze zouden horen hoe door heel wat mensen over hen wordt gedacht". Nu even afgezien van het enigszins van gesundes Volksempfinden getuigend dédain voor 'de' kunstenaar en 'de' schrijver, die hier volledig benaderd worden vanuit het cliché van de wereldvreemde romantici die ze zouden zijn (Hemmerechts wérkt tenminste nog! schrijvers en kunstenaars behoren niet tot het beroepsleven, moet u weten (dan zouden ze ook geen belasting hoeven betalen, zo bedenk ik me nu, maar dit terzijde)) — afgezien van die wat bedenkelijke vooronderstellingen van Hemmerechts: er wordt door heel veel mensen ook veel lelijks gedacht over de zwarte medemens, de moslim en, niet te vergeten, de zigeuner. Het lijkt me niet dat we ons er daarom maar bij neer moeten leggen.

Inmiddels blijkt de regering de verhoging van de belasting op auteursrechten weer terug te draaien (zie hier), wat aanleiding geeft tot opluchting her en der, al stelt de directeur van het Vlaams Fonds voor de Letteren, Koen Van Bockstal (op Facebook alweer), dat we nu vooral op de kwestie moeten doorgaan, omdat de 15%-regeling "niet meer dan een lapmiddel of een schaamlapje is bij gebrek aan een structureel en duurzaam antwoord" op de vraag naar het statuut van de schrijver (die tot op heden geen enkel statuut heeft zelfs). Uit het hierboven aangehaalde stuk van Erwin Mortier blijkt ook al dat de belastingdienst zich geen raad weet met schrijvers en er dus bijna per definitie vanuit gaat dat er fraude in het spel is.

Laten we zeggen dat de hele kwestie me de afgelopen weken een paar vast en zeker briljante zinnen gekost heeft.

En er was nog iets wat om mijn beheersing vroeg en een bijna autistische gerichtheid op mijn romanzinnetjes. Juist deze week liet Vlaams minister-president Kris Peeters in een interview weten dat de geplande hervormingen van het secundair onderwijs beter geleidelijk en niet met een big bang ingevoerd zouden worden, en bovendien ook dat wezenlijke onderdelen van minister Smets plannen misschien toch niet zo zinvol waren. Weer iets waar je opgelucht over zou kunnen zijn, ware het niet dat het commentaar van Kris Peeters onmiddellijk werd uitgelegd als steunde hij zijn eigen minister niet meer (toch stond dat zo letterlijk niet in dat interview). Bovendien werd gesuggereerd dat Peeters dit alleen maar zei omdat de NV-A al eerder had laten weten de plannen van Smet rampzalig te vinden (zie bijvoorbeeld hier). Daarmee werd een en ander weer helemaal in het straatje van de politique politicienne getrokken — en dat gaat ten koste van het debat ten gronde dat over die onderwijshervormingen gevoerd moet worden.

Om een en ander nog te verergeren publiceerde Robert Voorhamme, nog heel even Schepen van Onderwijs in Anntwerpen, in De Standaard een opiniebijdrage waarin hij nog maar eens onverdroten de twijfelachtige ideeën over onderwijs die hij formuleerde in zijn boekje Een school voor iedereen (zie hier en hier), herhaalde met de kanttekening dat als het dan niet op Vlaams niveau gerealiseerd kon worden het op lokaal niveau misschien wel zou kunnen.

Ik had Voorhamme graag nog eens gewezen op onderstaand filmpje van een lezing die professor Wim Van den Broeck hield in het kader van 25 jaar Onderwijs Service. “We labelen kinderen al vanaf de kleuterschool en beklemtonen voortdurend de onderlinge verschillen tussen leerlingen. Dat is een aanval op het kind", stelt Van den Broeck. In deze kritische lezing bespreekt hij zijn visie op het Vlaamse onderwijs. Leraren hebben leren differentiëren met een sterke aandacht voor het welbevinden. Wat zijn daarvan de gevolgen voor de leerlingen? "Ons onderwijs holt voortdurend hypes achterna. De huidige vernieuwingen en hervormingen verergeren de problemen. Een stevige kennisbasis is nodig.” De lezing ontkracht veel mythes van onderwijsvernieuwers, en zeker de warrige brei die economisten als Voorhamme daar vervolgens van maken.

 

Maar kijk, mijn personages wandelen schouder aan schouder door de Walpoortstraat richting de Gentse Vooruit om er iets te gaan drinken en vragen dringend om persoonsvormen, lijdende voorwerpen, bijstellingen en bepalingen van gesteldheid — om zinnen waarin ze verder kunnen bestaan. Niet zozeer om literatuur te worden, maar om wereld te worden.

14:43 Gepost door MR | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | |

18-10-12

Deze maand in De leeswolf

screenshot_74.jpg

 

EEN VIS OP HET DROGE

Dit jaar verscheen de achtste, herziene druk van Alessandro Baricco's essay De barbaren. Toen het boek in 2009 in het Nederlands verscheen (het verscheen oorspronkelijk in 2006) en ik een paar recensies over het boek en ook nog een interview met de auteur had gelezen, besloot ik dat ik dit zoveelste 'beste boek van het jaar' nu eens links zou laten liggen. Mijn tijd in dit ondermaanse is beperkt, en ik had wel wat beters te doen dan een boek te lezen van maar weer eens zo'n intellectueel die ging verdedigen wat hem zelf wezensvreemd was louter uit angst om niet bij de tijd te zijn. Zeggen dat diepgang niet bestaat, zoals Baricco in een interview deed, en dat op die manier voorstellen als juist de diepgang waartoe iemand die zich tegen zo'n constatering verzet niet in staat lijkt — het is vermoeiend. Je Grote Gelijk halen door te beweren dat het Grote Gelijk niet bestaat — wat een flauwiteit. Passons. Het voordeel van een goed vooroordeel is tijdwinst.

Maar was mijn vooroordeel werkelijk terecht? In de afgelopen jaren hoorde ik door mij gewaardeerde critici en wetenschappers in positieve zin over het boek spreken. Het boek is in de afgelopen jaren zoiets als een ijkpunt in discussies over culturele en andere waarden geworden — enfin, men refereerde er toch aan op andere plekken dan enkel aan de borreltafel of de cafétoog. En het boek kreeg die waardering juist omdat het in zijn omgang met wat de culturele waarden zou bedreigen een wat ander standpunt innam dan in de gebruikelijke cultboeken over de op handen zijnde apocalyps. Ik denk dan bijvoorbeeld aan De ondergang van het denken van Finkelkraut of, om een al heel oude bestseller van stal te halen, aan De cultuur van het narcisme van Christopher Lasch. Het feit dat er nu een herziene versie uitkwam, was misschien een goede aanleiding om het toch eens te gaan lezen.

Om met dat laatste te beginnen: de enige herziening waarvan sprake is, blijkt de toevoeging te zijn van een essay dat Baricco in 2010 op het online magazine Wired publiceerde. Het voegt bijzonder weinig toe aan het boek dat er al lag. En ik moet zeggen dat ik aanvankelijk ook veel spijt had aan dat boek alsnog begonnen te zijn. Baricco schreef de korte hoofdstukjes waaruit zijn essay bestaat oorspronkelijk als aflevering voor de krant La Repubblica. Of dat de reden is voor de toch wat merkwaardige toon van het geheel weet ik niet goed. Ik stel me voor dat ik ook als krantenlezer behoorlijk geïrriteerd zou raken als ik voortdurend word aangesproken als iemand die niet helemaal goed bij zijn hoofd is. De auteur probeert me namelijk na iedere samengestelde zin met meer dan een bijvoeglijk naamwoord gerust te stellen. Hij vraagt me voortdurend mijn geduld niet te verliezen als iets volgens hem wel heel erg moeilijk dreigt te worden. 'Snap je er niets van?' vraagt hij mij nadat hij in de eerste pagina's in mijn ogen nog niets anders dan onnozelheden heeft gedebiteerd. 'Logisch, het boek is nog niet eens begonnen'. Elders, na blijkbaar weer iets wat moeilijk en ingewikkeld geweest is, schrijft hij dat ik me nu even mag ontspannen. Ik mag even uitblazen van meneer de schrijver.

Baricco zit met andere woorden voortdurend op zijn hurken en spreekt de lezers toe als waren het kleuters. Correctie: hij heeft een toon gekozen waarvan hij zelf gedacht moet hebben dat ze het beste zou passen bij een publiek van barbaren. Zelf verkeert hij 'tussen mensen die hebben gestudeerd, mensen die nog studeren, verhalenvertellers, theatermensen, intellectuelen, dat soort lieden'. Hij noemt dat 'een vreselijk wereldje' — en alweer lijkt hij daarmee de halve debiel die hij zich als zijn lezer voorstelt, ter wille te willen zijn. Dat hij daardoor juist extra arrogant, want paternalistisch overkomt, lijkt hem te ontgaan. Nog even los van het feit dat hij zich met deze toon richt op diegenen die hem volgens hemzelf niet zullen lezen. Barbaren lezen geen boeken meer en zelfs de relatief korte krantenstukken waaruit het boek bestaat zijn voor de gemiddelde barbaar al veel te lang en veel te ingewikkeld. Te 'diep'.

Die barbaar moeten we zien als een mutatie, schrijft Baricco. 'Wat betreft het doorgronden van waaruit die mutatie precies bestaat, kan ik alleen maar zeggen dat die volgens mij op twee belangrijke pijlers steunt: een ander idee van wat ervaring is, en een andere opstelling van de betekenis in het weefsel van het bestaan.' (U mag na deze zin even uitblazen van mij). Vroeger was ervaring een reis naar de diepte, zo stelt Baricco, een zoektocht naar de aard van de dingen, in een poging om tot een persoonlijke verhouding met die dingen te komen. Nu gaat het er veeleer om zoveel mogelijk dingen tegelijkertijd te doen; ervaring is gelijk aan bewegen. Het gaat niet langer om wat er wordt gecommuniceerd, maar om het communiceren zelf. Men begeeft zich niet langer van het één naar het ander om in iets door te dringen, om er de (ware) betekenis van te ontdekken; de betekenis is vandaag die beweging zelf. 'Het oppervlak in plaats van de diepgang, snelheid in plaats van reflectie, sequenties in plaats van analyse, surfen in plaats van verdieping, communicatie in plaats van uiting, multitasking in plaats van specialisatie, plezier in plaats van inspanning. Een systematische ontmanteling van het hele mentale arsenaal dat ons is nagelaten door de negentiende-eeuwse, romantische burgercultuur', zo vat Barrico het aan het slot van zijn betoog nog eens samen.

Je zou dit een min of meer adequate omschrijving kunnen noemen van de veranderingen die zich de laatste vijftig jaar in de westerse wereld hebben voltrokken, veranderingen die nog in een stroomversnelling raakten toen de computer, en nog iets later het internet hun intrede deden in het dagelijkse leven. Maar toch zit er in Baricco's aannames iets grondig scheef. En ik vrees dat de fout schuilt in wat nu juist de centrale aanname van zijn essay is. Voluit heet het boek immers De barbaren. Essay over de mutatie. Die term uit de biologie moet ons geruststellen, zoals Baricco voortdurend probeert om de beschaafde mens gerust te stellen — enfin, zijn invulling van die beschaafde mens dan toch (een angstige, door enkel vooroordelen van hoogculturele snit gestuurde, min of meer aristocratische geest — een karikatuur kortom). Beethoven, zo schrijft hij, werd in zijn eigen tijd als een barbaar gezien, omdat hij de diepte van de menselijke ervaring elders zocht dan tot dan toe gebruikelijk — en kijk, voor de in se nog steeds door de romantiek geleide cultuurmens van vandaag is Beethoven nu een van de standaarden. Het gaat om een natuurlijke ontwikkeling, zeg maar, en daar kun je nou wel tegen willen protesteren — het is nu eenmaal zo.

Maar Beethoven was geen 'mutatie'. Beethoven brak met de traditie door er op voort te bouwen. Hij, de romantiek in het algemeen, herdefinieerde de verhouding tussen sterfelijkheid en eeuwigheid; hij ontkende die niet. De romantiek situeerde de mens nog steeds daar waar hij in het verleden altijd al werd gesitueerd: in een bepaalde verhouding tot het transcendente, tot dat wat hij niet was en niet kon zijn. De barbaar zoals Baricco hem omschrijft, herdefinieert helemaal niks. Hij schaft alleen af.

'De beweging is de hoogste waarde. De barbaar is in staat daarvoor alles op te offeren. Zélfs zijn ziel', schrijft Baricco. Dat hij die 'ziel' vervolgens omschrijft als iets wat voortkomt uit een historisch proces 'dat een begin heeft gekend en waarschijnlijk ook een einde zal hebben' is op zich legitiem, maar zou er logisch gezien toe moeten leiden dat wat voorheen 'ziel' heette nu een andere naam krijgt. Maar de ruimte tussen onze sterfelijkheid en de eeuwigheid, tussen het leven en de dood, is in Baricco's definitie van de barbaar gewoon weggestreept. We zijn geen 'mens' meer — noch in de klassieke, noch in de middeleeuwse, de renaissancistische en dus ook niet langer in de romantische zin van dat woord — we zijn enkel nog proces, deel van een machinerie die ons voortstuwt.

Zo bezien is het wat merkwaardig dat Baricco gedurende het hele boek zijn mutant voorstelt als een willend wezen, als iets wat de veranderingen die zich voordoen bewust stuurt, vanuit een kern die het dus tegelijkertijd niet kan hebben (nog even afgezien van het feit dat je een mutatie niet kunt willen). Ik geloof er niets van. Het wezen dat Baricco ons voorschotelt heeft alle kenmerken van de consumens, van een mens die door de almachtige markt gedwongen wordt tot consumeren, tot het najagen van kortstondige, vaak materiële verlangens die zo snel mogelijk vervuld moeten worden zodat er nieuwe, even kortstondige verlangens nagejaagd kunnen worden. Het is daarom dat bewegen de hoogste waarde is. Er moet geld verdiend worden. Het is een analyse die volledig ontbreekt in Baricco's essay. Hij heeft het wel even over barbaren die de taal van 'het Imperium' spreken, zijnde de VS — maar nergens legt hij de link tussen dat Imperium, de kenmerken van het neoliberalisme en zijn mutant. Over dat neoliberalisme wordt inderdaad niet zelden gesproken als betrof het een natuurkracht. Maar het gaat daarbij om een ideologische keuze. De dominantie van die ideologie verdoezelt dat — blijkbaar ook voor Baricco.

Het zou goed zijn als Baricco het recent verschenen Identiteit van Paul Verhaeghe eens zou lezen — een auteur die de link tussen de veranderde mens en het neoliberalisme wél legt en er meteen ook de desastreuze gevolgen voor die mens in termen van geestelijke gezondheid en welbevinden uit afleidt. Baricco stelt de mutant steeds voor als een mens die kieuwen krijgt en dus overgaat tot een andere manier van ademen, een manier van ademen die wij — wij beschaafden — ons niet kunnen indenken. Verhaeghe maakt duidelijk dat het daarbij om een vis op het droge gaat, wanhopig happend naar adem, en ja, tot niets anders in staat dan een vorm van bewegen: spartelen.

Het feit dat de barbaar niet langer de essentie van het bestaan zoekt of wil formuleren, betekent eigenlijk alleen maar dat die essentie elders voor hem is geformuleerd. Baricco ziet het niet. Hij zit zelf verstrikt in één van de netten die de romantiek heeft gespannen: de behoefte om 'het andere' voorrang te geven op 'het bestaande'. Het is de gedachte van het romantisch genie die tegen de gevestigde waarden ingaat om zo het nieuwe, tot dan toe onvoorstelbare, zelfs ongekende aan het licht te brengen. Baricco voert die idee door tot op het punt van zelfdestructie. Er spreekt een diep verlangen uit toch vooral niet voor conservatief door te gaan. Maar juist daardoor kiest hij voor 'the world as it is', gedefinieerd door een ideologie die hij niet als sturende kracht lijkt te erkennen, en sluit hij u en mij op in een mensbeeld waarvoor volgens diezelfde ideologie geen alternatieven zouden zijn.

In: De Leeswolf 7, oktober 2012, p. 484-485.   

23:20 Gepost door MR | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | |

1 2 3 4 5 6 7 8 Volgende