Inwijkeling

  • Pin it!

    Kweekzalmen! Vraiment Marcel…

    IMG_1838.JPG

    Een kort fragment uit de uitzending van Pompidou op Klara, gisterenmiddag (22 september) — met Els Snick, Chantal Pattyn en filmrecensent Jeroen Struys die meeklapt aan het eind.

    Lees meer...

  • Pin it!

    Bart Van Loo over Het huis van de zalmen

    Een laudatio is een lofprijzing. Dat heb ik geweten. "In dit boek is zijn pen behendiger, slimmer, maar vooral ontroerender dan ooit, ze snijdt als een vlijmscherp Laguiolemes door best wel complexe thema's: wie zijn wij? Waar komen wij vandaan? Wie zijn onze ouders? Wat weten wij van hen? Zijn we niet vergeten dat ooit ook zij jong waren? Hebben we de moeite genomen of de gelegenheid gegrepen om hen beter… om hen echt te leren kennen?"

     

    Bart Van Loo sprak voor een volle Minard-schouwburg in Gent over Het huis van de zalmen, over hem, over mij, en zorgde en passant voor wat gemurmel bij dat deel van het publiek dat zijn wilde postmoderne haren misschien wel kwijt was, maar daarom nog niet meteen ontrouw.

     

    Lees meer...

  • Pin it!

    Bar du Matin over Het huis van de zalmen

    Een interview met Annemie Tweepenninckx over 'Het huis van de zalmen'.

    "Het is een familieverhaal dat verdriet losweekt — in het verhaal zelf maar ook zeker bij de lezer. (…) Ik kan alleen maar vol lof zijn, dit is een onwaarschijnlijk juist verhaal", zei Annemie Tweepenninckx. En alsof dat niet genoeg was voegde ze na een muzikaal intermezzo toe: 'Hier op tafel, dat grote boek, zo noem ik het. Ik koester het nu al, en ik hoop dat jij dat ook gaat doen als je het gelezen hebt".

     

    Lees meer...

  • Pin it!

    Presentatie van 'Het huis van de zalmen'

     

    'De wilde zalm keert terug naar zijn geboortegrond. Iets in hem dwingt hem de monding op te zoeken van de rivier waaruit hij afkomstig is en stroomopwaarts terug te zwemmen naar waar hij is verwekt, om daar uiteindelijk te sterven. Gekweekte zalm heeft geen geboortegrond, Marcel, geen huis, geen thuis. Hij kan niet gehoorzamen aan zijn eigen natuur. Hij wordt letterlijk geworpen, in een kooi, met een instinct dat nergens meer toe dient. Het is geen zalm. Het is een andere vis, een vis die zichzelf vreemd is geworden. En dat proeft ge, geloof me, dat proeft ge'.

     

    Op 15 september wordt Het huis van de zalmen gepresenteerd in de Minard-schouwburg in Gent. Een roman over wilde en gekweekte zalm, over rouw en rauwe vis, over een moeder en een zoon, over afscheid en heimat.

     

    Lees meer...

  • Pin it!

    Tegen de dood

    Elias Canetti's niet aflatende strijd tegen de dood verdraagt geen keurig afgerond boek; hij duldt geen schema of systeem. Dat is dan ook meteen het eerste waarop je je moet voorbereiden: je krijgt dit boek niet uit. Het verzet zich tegen zijn einde. Je blijft lezen en herlezen, je verwonderen over de soms uiterst paradoxale of ronduit raadselachtige, poëtische notities en gedachten.

    Een recensie over Elias Canetti, Het boek tegen de dood. Met een nawoord van Peter von Matt. Vertaling: Ria van Hengel. Privé-domein nr. 285. Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen 2016.

    Eerder verschenen op Knack.be en De Reactor

    Lees meer...

  • Pin it!

    Vandaag in De Standaard (en een dag later NRC)

    Ooit gidsland, nu gipsland

     

    Het vluchtelingendebat verloopt in Nederland dermate verhit dat politici hun argumenten gecounterd zien met kogelbrieven of brandende auto’s. En dat in het land dat zich ooit zo graag het geweten van de wereld noemde? Ach, schrijft Marc Reugebrink, zo tolerant was Nederland nooit echt. Taboes waren er zodanig groot dat ze niet eens als taboe erkend werden.

    foto: David van Dam/hh

    Lees meer...

  • Pin it!

    Accattone of het dramaturgentheater

     

    11954657_905741052828943_8302046462850757336_n.jpg

     

     

    NTGent speelde in de loodsen van houtbedrijf Lemahieu aan de Gentse haven Accattone, naar de eerste zwart-wit-film van Pier Paolo Pasolini uit 1961, een film die zelf weer gebaseerd zou zijn op Ragazzi di vita, een roman uit 1956, en op Una vita violenta uit 1959. Die laatste roman werd (ook in 1961) al eens verfilmd door Paolo Heusch and Brunello Rondi. Het was een voorstelling in samenwerking met het Koor en Orkest Collegium Vocale Gent.


    Men moet niet op alle slakken zout leggen.


    Dat NTGent, met name de hernieuwde artistiek leider Johan Simons ervoor kiest om theater op locatie te brengen, dat men zulks doet om het theater in te planten in de directe omgeving — in dit geval het Gentse havengebied en de Gentse volkswijk De Muide —, het lijkt allemaal mooi aan te sluiten bij de figuur van Pasolini en bij de inhoud van Accattone zelf: het verhaal van een man die weigert mee te stappen in het kapitalisme en consumentisme dat direct na de Tweede Wereldoorlog de wereld stormenderhand veroverde. Toneel brengen buiten de cultuurtempels met hun wellicht voor sommigen wat te hoge drempels — het duidt op sociale betrokkenheid. Ook dat er voor het publiek dekentjes te koop werden aangeboden die het na de meer dan twee uur durende voorstelling in de tochtige loods bij een van de inzamelpunten achter kon laten, zodat de dekentjes  op 3 oktober met een konvooi van tien busjes naar het vluchtelingenkamp in Calais kunnen worden gebracht — het was een schoolvoorbeeld van de blijkbaar solidaristische aanpak die Johan Simons in zijn tweede termijn als artistiek leider voorstaat.


    Jammer alleen dat de toegangsprijs 45 euro was, waardoor het publiek sowieso bestond uit mensen die, als ze al in De Muide woonden, daar minstens een riante loft of ingrijpend verbouwde woning bezaten, — mensen uit de gegoede middenklasse kortom, niet werkelijk oorspronkelijke bewoners uit De Muide (de meesten kwamen dan ook met de auto van elders, auto's die geparkeerd moesten worden op het parkeerterrein van de Decathlon en de Weba aan de Vliegtuiglaan; er waren zelfs twee politieagenten ingeschakeld om de meute van parkeerterrein naar de overkant van de Vliegtuiglaan te loodsen, omdat de weginrichting daar geen rekening houdt met het bestaan van voetgangers). Dat NTGent bij wijze van toegangspoort een enorme, goed verwarmde tent had neergepoot waar je aan van die hoge tafeltjes die je gewoonlijk alleen bij de betere recepties ziet je glaasje bubbels kon nuttigen, alsook exquise hapjes van Coeur Catering, het leek de goede bedoelingen, en ook de eerder communistische sympathieën van Pasolini, enigszins tegen te spreken — al laat ik zoiets gewoonlijk niet aan mijn hart komen. Laat ik zeggen dat er een zeker ironie school in al die op consumentistisch welbevinden gerichte zaken en de door de makers geformuleerde intenties. Als publiek ontleende je zo zelfs enig genot aan het feit dat de zitjes in de tribune abominabel waren en de kou inderdaad niet te onderschatten: cultureel verantwoorde austeriteit als hedonisme.


    Zoals gezegd: men moet niet op alle slakken zout willen leggen.


    Maar aan alle goede bedoelingen komt een eind. 


    Het stuk zelf was een bittere teleurstelling. Om de een of andere reden heeft NTGent ervoor gekozen om het verhaal van Accattone zelf niet meer te vertellen — als was het een mythe, een bijbelverhaal of een sprookje dat tot het collectieve bewustzijn behoort. De hele dramatische handeling van het oorspronkelijke stuk ontbreekt en we krijgen in plaats daarvan een soort tekstballet: losse scènes zonder dramatische opbouw, als was er op basis van het eigenlijke verhaal een lijstje opgesteld met uit te beelden tafereeltjes die we minimaal moesten zien als illustratie bij een al op voorhand geformuleerde betekenis. Alsof Brecht nog niet gestorven is (en alsof hij zelf in zijn stukken niet zondigde tegen zijn eigen artistieke geboden), leek elke vorm van identificatie hier uit den boze te zijn. De handelingen zelf werden als toneelaanwijzingen opgelezen, in plaats van door de spelers opgevolgd en uitgevoerd. Dat leverde soms in termen van mise-en-scène mooie beelden op, en een enkele keer, wanneer toneel echt leek plaats te maken voor ballet, iets wat me kon ontroeren: een scène waarin één van de prostitués in elkaar wordt geslagen, een afstraffing die als een onbeholpen pas de deux was vormgegeven.


    Ik moest denken aan een aflevering van Van Kooten en De Bie, ergens uit de jaren tachtig, waarin beide heren de niet geringe taak op zich namen om het essay Carnaval der burgers (1929) van Menno ter Braak te verfilmen.       

     


     

    De associatie is een tikje wild, maar Accattone van NTGent leek eerder op de dramatisering van een door een dramaturg gemaakte analyse, dan dat het zelf drama was of werd. Het essay van dramaturg Koen Tachelet in het programmaboekje van de voorstelling is buitengewoon interessant en spannend, maar het vertelt je uiteindelijk meer over het verhaal van Accattone dan de voorstelling zelf doet.


    In die voorstelling speelt de muziek van Bach een niet onbelangrijke rol. Het is 'vooral de muziek van Bach die Accattone's verhaal de radicaliteit van een passie verleent', schrijft (ook in het programmaboekje) Jan Vandenhouwe. En ja, het is evident dat de muziek van Bach die tussen de scènes door gespeeld wordt, bedoeld is om aan die scènes een diepgang te geven die ze van zichzelf helaas niet hebben. Maar omdat de muziek niet zozeer in het stuk is geïntegreerd, maar veeleer tussendoor geprogrammeerd staat (tijdens de muziek lopen de acteurs wat doelloos rond, rennen helemaal naar het andere einde van de loods, lopen in en uit een met een brander opengesneden container, of zitten domweg te wachten), had Bach hier aan willekeurig welke scènes uit willekeurig welk verhaal 'de radicaliteit van een passie' kunnen verlenen. De relatie tussen het één en het ander is puur conceptueel, maar zeker niet noodzakelijk. Accattone als een Christus-figuur — dat is op basis van het verhaal zeker geen onzinnige associatie. Maar het is enkel en alleen de muziek van Bach die in deze voorstelling aan het personage de trekken van een Christus-figuur meegeeft — het stuk zoals het wordt gespeeld geeft daar eigenlijk geen aanleiding toe.


    Het zal aan mij liggen, denk ik altijd als ik zo'n voorstelling verlaat. Ik wil mij kunnen verliezen. Ik geloof in de aloude catharsis, en catharsis is niet mogelijk op basis van intellectuele concepten die scéne-gewijs worden uitgebeeld, of eerder nog: geïllustreerd, al dan niet met toevoeging van hemelse muziek. De gedachte dat de toeschouwer per sé vervreemd dient te worden, dat identificatie zijn vermogen tot kritische reflectie zou dwarsbomen — het behoort allemaal tot het domein van 'de heilzame ziekte' die de vroegere avant-garde geweest is, om eens een andere Nederlandse schrijver uit de jaren dertig aan te halen. Het is een ziekte waarvan menig theatermaker maar niet lijkt te willen genezen. 

     

    Het drama, het verzet, de weigering en de waardigheid — ze komen veel beter tot uitdrukking in een enscenering die het publiek meelokt, van zijn comfortabele plaats trekt, hem deelgenoot maakt van wat het uit zichzelf niet zou opzoeken. Maar hier was alles omgekeerd: tot en met de ongemakkelijk zittende stoeltjes op de tribune (zelfs in een voetbalstadion zit je beter) was alles erop gericht de toeschouwer voor iedere vorm van verleiding te behoeden. Alleen de op voorhand vastgestelde betekenis mocht tot ons komen — voorwaar: een haast gereformeerde theateropvatting (sola scriptura, sola fides).

     

    Alleen Collegium Vocale bleek onweerstaanbaar. Die kregen nadien dan ook de luidste toejuichingen van het publiek. De toneelspelers leken tijdens het slotapplaus (ik zag de voorstelling van 17 september) herleid te zijn tot de décorstukken die ze voor mij helaas gedurende de hele voorstelling al waren geweest.

  • Pin it!

    Imitatio-aemulatio: Dedecker of de Belgische politicus.

    Luc Tuymans is veroordeeld voor plagiaat. De foto die Katrijn Van Giel van de inmiddels bijna geheel in de weldadige nevel der vergetelheid verdwenen politicus Jean-Marie Dedecker maakte, is het origineel dat Tuymans met zijn 'naschilderschilderij' niet tot heuse kunst heeft weten te maken. Zegt de rechter. 

    Opmerkelijk aan dat vonnis is dat het eigenlijk eeuwen kunstgeschiedenis onderuit haalt. De imitatio is nog steeds een wezenlijk deel van die geschiedenis, en met de imitatio de aemulatio: de omvorming van het oorspronkelijke beeld tot iets nieuws. Of, om het lijstje compleet te maken: translatio, imitatio, aemulatio — want de termen waren oorspronkelijk vooral bedoeld voor literaire werken. Veel van de Romeinse letterkunde zou volgens het oordeel dat nu in de zaak Tuymans-Van Giel is geveld waarschijnlijk plagiaat genoemd moeten worden. Zonder de Grieken staan die Romeinen namelijk nergens. Vuile overschrijvers waren het.

    screenshot_147.png

    © Tuymans                © Van Giel     

    Het schilderij van Tuymans is geen kopie van Van Giels foto. Het werk verdedigen met het argument dat het hier om een parodie zou gaan, is een zwaktebod (de advocaten van vandaag de dag lijken te weinig geletterd te zijn om werkelijk slim voor de dag te komen). Blijkbaar is het in de Belgische wet de meest voor de hand liggende uitweg uit het juridische doolhof rond originaliteit, maar zelfs een kind kan zien dat Tuymans' schilderij geen 'kluchtige, spottende nabootsing van een (…) werk' is, 'waarbij vorm en toon min of meer behouden blijven, maar de stof zo wordt ingekleed dat het effect lachwekkend is'. Noch is het een 'povere, zwakke nabootsing die het voorbeeld slechts onvoldoende en bespottelijk weergeeft of vertegenwoordigt' (Van Dale). Zeggen dat het een parodie is, is 'adding injury to insult', want in beide definities wordt er gespot met het origineel, alsof Tuymans met die verdediging wilde zeggen: ik wilde u niet kopiëren, mevrouw Van Giel, ik wilde u belachelijk maken, en daarom verdien ik vrijspraak.

    Nee, wat Tuymans onmiddellijk in de weergaloze foto van Van Giel gezien moet hebben, is wat hij vooral tot uitdrukking brengt in de titel van het schilderij. Van Giel maakte een foto van Jean-Marie Dedecker, Tuymans een schilderij van 'A Belgian Politician'. Voor wie Jean-Marie Dedecker en zijn soms aberrante standpunten kent, is de foto van Van Giel veelzeggend. Een zwetende politieker, dat riekt naar alle vooroordelen die er over politici bestaan: dat het toch wat louche figuren zijn, zakkenvullers, broodzwetsers, leugenaars, in sommige gevallen zelfs: ongure typen die uit zijn op macht, macht en nog eens macht en er hun eigen moeder voor zouden verkopen. Ik zeg overigens niet dat Van Giel dat met haar foto heeft willen zeggen; je kunt ook, afhankelijk van je persoonlijke gehechtheid aan de figuur Dedecker of aan de door hem vertolkte standpunten, iets… ja iets nobels, iets romeins bijna, in het portret ontdekken: het eerlijke zweet van de ridder te paard die Dedecker vaak ten tonele voerde als het om hemzelf ging, strijdend voor de rechtvaardigheid waarvan hij zich de belichaming achtte. Of platvloerser nog (het is een persfoto immers: gebonden aan de actualiteit) en afhankelijk van het moment waarop de foto genomen werd, bijvoorbeeld het moment waarop Dedecker na toch enig electoraal succes in het verleden op dat moment vecht tegen de totale ondergang van zijn partij. Als je van die neergang een goede persfoto had willen maken, dan is het wel deze.

    Punt is: Tuymans schilderij is minder een schilderij van Dedecker op een welbepaald moment in de geschiedenis, dan van een politicus, een Bélgische politicus. Jean-Marie Dedecker verdwijnt hier achter zijn eigen beeltenis, wordt een Belgisch politicus zonder meer (benieuwd wat de toch altijd wat ijdel overkomende Dedecker van vlees en bloed daarvan zou vinden…). Er is een verschil tussen beide afbeeldingen, er zit in de imitatie een transformatie verscholen, die misschien — vergeef me de voor sommigen misschien banale vergelijking — vergelijkbaar is met wat een goede cover van een popsong met het origineel doet, of misschien zoiets als wat Max Richter met Vivaldi's Quattro Stagioni heeft gedaan? Of met wat grotere woorden: de transformatie van het persoonlijke en momentane naar het bovenpersoonlijke en boventijdelijke? En is dat niet wat iedere dichter, prozaschrijver, essayist, schilder, kunstfotograaf doet met zijn persoonlijke indrukken en ervaringen?

    Die transformatie verdedigen met een beroep op de parodie is, nogmaals, een zwaktebod dat alleen van cultureel weinig onderlegde geesten afkomstig kan zijn. Het schilderij is ten opzichte van Van Giels veeleer een ode. De foto is ijzersterk, een inspiratiebron, zoals de voortreffelijkheid van sommige dichters andere dichters aanzet tot dichten, sommige uitnemende auteurs je als auteur zin doen krijgen om aan het werk te gaan. Bewondering is misschien een woord dat eerder op zijn plaats is dan parodie. Al kun je misschien ook denken aan afgunst. Voor dat wat Tuymans in veel van zijn schilderijen tot uitdrukking wilde brengen, maakte Katrijn Van Giel toevallig de perfecte (pers)foto — een foto die niet als kunst bedoeld was, al had ze van meet af aan een grote artistieke uitstraling. Je kunt als kunstenaar het gevoel hebben dat het beeld zo perfect past bij wat je in je werk altijd al deed, dat het origineel de werkelijke diefstal lijkt te zijn.

    Wel grappig om te bedenken: dat het gerecht in dezen aan de zijde van de romantische kunstenaar staat. De gedachte dat een kunstwerk uitblinkt in originaliteit (sommigen menen zelfs: absolute originaliteit), is een opvatting die pas sinds de romantiek opgeld doet. Grofweg gesproken was voordien kunst iets wat je kon leren (een poëtica was een instructie); na de romantiek is kunst een zaak van individuele (geniale) geesten die pas met de uitbeelding van het volstrekt nieuwe hun waarde bewijzen (sindsdien is een poëtica een ideologie). 

     

  • Pin it!

    It's not the economy, stupid!

    In 2011 mocht ik voor De Standaard het zogeheten 'kerstessay' schrijven: vier dagen achter elkaar over de volle breedte van twee pagina's. Ik voerde in mijn eerste bijdrage een personage uit de film Network (1976) op: Howard Beal, een nieuwsanker dat op een zeker moment uit de bocht vliegt en (in de film) heel New York, of zelfs de complete Verenigde Staten van Amerika op de been krijgt met zijn oproep aan de kijker om op te staan uit zijn zetel, het raam te openen en uit alle macht te roepen: I'm mad as hell, and I'm not going to take this anymore. 'Ik ben een mens godverdomme', 'My life has value'. 

    Het leverde een voorpagina op die mij op een paar stichtelijke mails kwam te staan van mensen die vonden dat ik niet mocht vloeken, dat het een schande was, nodeloos kwetsend zelfs. Mijn uitleg aan enkelen onder hen dat niet ik, maar Howard Beal degene was van wie de vloek afkomstig was, viel bij die paar fatsoensrakkers in dovemansoren.

    screenshot_145.jpg

    Fatsoensrakkers…

    Het ene fatsoen is het andere niet. In de laatste aflevering van het kerstessay schreef ik onder meer het volgende over wat ik — retorische truc — inmiddels al niet meer omschreef als 'mijn woede' (of die van Howard Beal) over de wijze waarop politiek, media en bedrijfsleven mijn gevoel voor wat menselijk is simpelweg terzijde schoven, maar als 'onze woede'. Ik schreef:

    'Onze woede is niet in de eerste plaats politiek van aard. Ze is vooral moreel. De niets en niemand ontziende wijze waarmee het bedrijfsleven opereert, de totale verwildering in de financiële wereld, de als een godheid opgevoerde markt waartegen niemand iets vermag — het duidt op een diepgewortelde immoraliteit die ons onder het mom van vrijheid als het enig mogelijk wordt opgedrongen. De politici die daar achteraan rennen — met de nodige gretigheid als ze rechts zijn, met defaitisme als ze ooit links waren — zijn hun morele kompas compleet kwijtgeraakt. Ze weten niet meer wat fatsoenlijk is.'

    Ergens vorige week postte Stefan Hertmans op Facebook een bericht waarin hij stelde dat het hoog tijd was dat kleine ondernemers zich niet langer solidair verklaarden met de grote, want de problemen van de eerste hadden maar weinig van doen met die van de tweede. "De kleine ondernemer ondervindt vergelijkbare problemen als de loontrekkende," schreef hij, "ook hij zou gebaat zijn bij vermogenswinstbelasting.Tijd dat die doelgroep zich niet langer laat gebruiken door het groot kapitaal en eindelijk kritisch over de eigen positie nadenkt: hun vermogen zal heus niet belast moeten worden, ze zullen integendeel behoren tot de sociale doelgroep die door een rechtvaardiger fiscaliteit net enige verlichting van de fiscale druk op de werkenden zou kunnen ondervinden".

    Het bericht ging vrijwel onmiddellijk viraal, en Hertmans kreeg van zowel De Morgen als van Radio 1 en het VRT-programma Reyers Laat het verzoek om een en ander nog eens toe te lichten. In Reyers Laat schoof ook econoom Geert Noels aan. Het mooiste moment vindt plaats rond minuut 7, wanneer Hertmans nadrukkelijk zegt als burger en als leek niet politiek te denken en ook niet economisch, maar moreel. De reactie van Noels, die wat ongemakkelijk lijkt te worden van het appel aan de moraal, gaat onmiddellijk weer over het politieke. Zoiets als Luxleaks, zegt hij, was geen fraude; het was wettelijk. Wat hij op dat moment niet begrijpt, is dat wat wettelijk is, niet per se moreel is. Dat de basis waarop de wetten zijn gemaakt die dergelijke financiële constructies toestaan, immoreel is. Noels wordt op dat moment het levende voorbeeld van de econoom die alleen binnen de gegeven vooronderstellingen weet te blijven, en die niet begrijpt (of wil begrijpen) dat we anders moeten denken.

    (Grappig in dit verband is dat hij in dezelfde uitzending, wanneer Naomi Klein inmiddels is aangeschoven, er veel nadruk op legt dat niet het (lees: kapitalistische) Westen de meeste vervuiling veroorzaakt, maar (lees: het communistische) China, alsof hij op dit punt de Koude Oorlog nog eens wil oprakelen en de superioriteit van het 'vrije' westen tegenover de minderwaardigheid van het communisme nog eens op tafel wil leggen — daarbij vergetend dat China onder andere zo veel vervuilt omdat dat superieure kapitalistische Westen daar de goedkope arbeid vindt die in het Westen niet meer voorhanden is: de sweatshops, de kinderarbeid en de, tot voor kort, gebrekkige wetgeving op het gebied van milieu. Ik wil het hier zeker niet omdraaien, maar Noels' reacties zetten hem toch neer als een erg verstokte professor die moeite heeft met paradigmawisselingen).

    De politicus die bij de vaststelling van economische groei (hoe gering ook) zegt dat het weer de goede kant uitgaat, dat we de zaken weer 'op de rails' lijken te krijgen, begrijpt niet dat het spoor de verkeerde kant opgaat, dat die rails dringend opgebroken moeten worden. Dat we af moeten van de gedachte dat groei in de huidige economische en politieke betekenis van het woord iets is wat we nog zouden moeten of zelfs maar kunnen nastreven.

    Werkelijk iets veranderen vraagt om meer dan wat simpele, en in het licht van het uitgestippelde programma dan ook nog eens bedriegelijke slogans van de N-VA.

    It's not the economy.

    Het duurt lang voor zoiets doorsijpelt. En het hangt er ook sterk van af waar iets doorsijpelt, zo lijkt het. Begin 2014 schreef Selma Franssen op de site De Wereld Morgen al over het feit dat Vlaanderen vier keer zoveel in bedrijfswagens investeert als in De Lijn, een artikel dat een samenvatting was van een discussie die toen al werd gevoerd. Toch duurt het totdat Dave Sinardet het nog eens opschrijft in De Tijd voordat er eindelijk iets begint te bewegen in deze zaak. Je kunt nu overal op Facebook en bijvoorbeeld ook in De Standaard Avond lezen dat het allemaal met zijn column in De Tijd begonnen zou zijn: een petitie, een reactie van de bevoegde minister en al onmiddellijk de old skool-denkers van Open VLD die er tegen gekant zijn. Misschien was het feit dat Sinardet het nu in De Tijd schreef, meer een krant voor ondernemers immers, dat het nu wel werd opgepikt? 

    It's not the economy — het is de moraal. Stakingen kosten aan de economie zo-en-zoveel, een argument dat wordt gebruikt om stakers weg te zetten als mensen die ten onrechte opkomen voor bepaalde rechten, als mensen die het slecht voor hebben met de mensheid. Dat files veel kosten wordt door bedrijven ook vaak en gretig becijferd, en ook dan gaat het om 'economische schade' die voorkomen had kunnen worden met zestienbaans autowegen en achtbaans bruggen. Maar in geen van die sommetjes wordt ooit de milieukost verdisconteerd. Nooit wordt in de cijfers betrokken dat er zonder files en zonder stakingen ook enorme kosten zijn aan de wijze waarop onze economie dagelijks 'op de rails' staat. En ook dat gaat terug op uiteindelijk een morele keuze: de keuze de (eigen) winst voor te laten gaan op het (algemeen) welzijn.

    Erst kommt das Fressen, dann kommt die Moral? Zelfs een linkse aap als Bertold Brecht kon niet voorzien dat die zinsnede vooral misbruikt zou worden door hen die met een bedenkelijke morele instelling vooral het eigen gewin voorop plaatsen. De moraal is niet het 'hogere', dat misschien inderdaad van minder belang is als je honger hebt; zij ligt aan de basis, ze gaat aan onze besluiten vooraf. De werkelijke verandering begint daar waar men zich van dat gegeven bewust is.   

     

  • Pin it!

    De Val van Antwerpen

    They don't give a fuck, schreef ik een paar maanden geleden in de krant (zie hieronder), en ik had het toen over onder meer WPG, over concerndenkers die het over 'het boekbedrijf' hebben, maar nauwelijks weten wat dat is: een boek. Het is iets anders dan een onderbroek. Het definieert zichzelf per titel, al laten meerdere titels zich wel samenvoegen: je hebt kookboeken, je hebt literaire fictie, literaire non-fictie (al houd ik niet zo van de termen 'fictie' en 'non-fictie'), er is de thriller, het knutselboek, de jeugd- en volwassenenliteratuur. Aan de vooravond van alweer een Antwerpse boekenbeurs, lijken dergelijke onderscheidingen futiel. Die boekenbeurs lijkt in velerlei opzichten de veruitwendiging van het concerndenken te zijn: er liggen daar boeken. Punt. Een kookboek verschilt er niet van een literaire roman — tenzij dan in de mate waarin het verkocht wordt.

    Dat laatste maakte waarschijnlijk dat de Vlaamse steruitgever Andre Van Halewijck het gisteren in Terzake op Canvas (vanaf 17 min., 20 sec.) nodig vond om de auteurs die die dag uit de krant moesten vernemen dat De Bezige Bij Antwerpen werd opgedoekt, de B-status toe te kennen. De Bezige Bij Antwerpen, zo zei dit uitgeefwonder, speelde altijd al met een B-elftal. Dat de heer Van Halewijck zelf niets anders kan voorleggen dan de boekjes van volkskok Jeroen Meus, en dat zijn uitgeverij meteen op de fles gaat wanneer het volk de strapatsen van die jongen eindelijk beu zal zijn (dat moment komt onherroepelijk; wat in de mode is, raakt uit de mode (kijk naar Piet Huysentruyt)) maakt een dergelijke uitspraak des te kwalijker. Voor de goede orde, daarmee viseer ik noch Meus noch enige andere corryfee uit het blik BV's dat ieder jaar op de Boekenbeurs boekjes ter signering aanbiedt. Ik viseer alleen de heer Van Halewijck, voor wie kwaliteit gelijk staat aan kwantiteit en die alleen al daarom het 'boekenvak' beter zou verruilen voor het verkopen van fopspenen.

    Het 'B-elftal' intussen is in alle staten. Een mail van de heren Clement en Pröpper later op de dag moest de indruk wekken dat de krant het verkeerde bericht de wereld had ingestuurd. Dat was mij kort voor die mail ook al telefonisch meegedeeld door iemand van De Bezige Bij Amsterdam, want sommigen van het B-elftal werden gebeld. Ik was er na dat telefoontje meteen al niet gerust in. De nieuwe constructie waarvan sprake is, maakt van wat tot op heden een Vlaamse uitgeverij was toch vooral een dépendance van de Amsterdamse branche, ondanks de beloofde 'topredacteur' en de verzekering dat aan de Mechelsesteenweg (waar WPG huist) heus nog wel publiciteitsmedewerkers de boeken van de Vlaamse auteurs zullen promoten.

    "Inhoudelijk zal hij samenwerken met het hele redactionele apparaat in Amsterdam, dat is een enorme verrijking die auteurs meer nog dan nu gesprekspartners biedt om hun talent in de hoogste mate te kunnen ontplooien", zo staat er in de mail van Pröpper/Clement over die topredacteur. Tot nu toe was het zo dat de topuitgever die er zat — Harold Polis — niet zelden alle zeilen bij moest zetten om in Amsterdam verkocht te krijgen wat hij in Vlaanderen wilde uitgeven. We hebben het daar vroeger vaak genoeg over gehad. In de nu voorgestelde constructie zal dat nog moeilijker worden. De verrijking die De Bezige Bij Antwerpen bood, was nu juist dat er hier dingen werden uitgegeven waar geen Amsterdammer een poot naar had willen uitsteken — vaak omdat men daar geen enkele voeling had met wat ten zuiden van de Moerdijk leeft. Zonder er hier nu onmiddellijk weer een broederstrijd tussen Nederland en Vlaanderen van te willen maken, maar de Hollander staat niet echt bekend om zijn empathisch vermogen.

    De vraag is ook wie die rol van 'topredacteur'-onder-Hollandse-curatele op zich zal willen nemen. Het is op voorhand een ondankbare taak, omdat gehoorzaamheid aan de directieven uit Nederland nu al deel uit lijkt te maken van de jobomschrijving. Van wie op voorhand al zoveel volgzaamheid wordt geëist, kun je niet ook nog verwachten dat hij doet wat een echte topredacteur zou doen: risico's nemen, verrassende keuzes maken, innovatief zijn. Hij zal al te vaak van een koude kermis thuiskomen als hij voor Nederlanders onbegrijpelijke keuzes maakt — zelfs al zou die topredacteur aanvankelijk enig krediet krijgen. De 'verrijking' waar Clement en Pröpper het over hebben, lijkt me gezien de door DBBA de afgelopen jaren gevoerde moeizame strijd om dat uit te geven wat ze wilde uitgeven dan ook eerder een verarming, een verdere verschraling te worden.

    De grondtoon van dit alles is er natuurlijk één van wantrouwen. De managementspeak in de mail van Clement en Pröpper overtuigt hier geen enkele auteur, toch niet de auteurs die het woord nemen. We kennen dat riedeltje inmiddels maar al te goed. Of zoals Jeroen Theunissen het gisterenavond in Terzake zei: dit soort desastreuze maatregelen wordt gewoonlijk verkocht als een opportuniteit, als een nieuwe kans die voor het grijpen zou liggen. Maar het punt is dat voor veel auteurs van DBBA, DBBA zelf de opportuniteit was na jaren van toch stiefmoederlijke behandeling door uitgevers in Amsterdam. Dat kan toen, en is misschien ook nu, een kwestie van perceptie — ik twijfel niet aan de integriteit van de mensen die in Amsterdam aan de basis het werk doen — maar die perceptie komt wel ergens vandaan. Er valt niet uit te sluiten dat Vlamingen wat overgevoelig zijn geworden voor de paternalistische houding van de Nederlanders, maar wanneer je als Vlaamse auteur voortdurend wordt aangesproken op wat toch je basismateriaal is — de taal —, op wat wel of niet zou kunnen ('raam' wel, maar 'venster' niet (het voorbeeld komt uit een bijeenkomst die Vlaamse vertalers ooit hadden met Nederlandse uitgevers)), dan heb je ook wel enige reden om wantrouwig te zijn.

    (Ik heb al eerder gezegd dat Vlamingen niet steeds de definitie van wat 'Algemeen Nederlands' heet aan uitsluitend de Nederlanders over moeten laten; 'ge' en 'gij' zijn geen ouderwetse vormen zolang ze in Vlaanderen deel uitmaken van het alledaagse taalgebruik, en dat geldt voor veel meer Vlaamse woorden en uitdrukkingen; het wordt tijd dat de Nederlanders hun beperkte vocabulaire eens uitbreiden en naast een 'raam' ook een 'venster' leren onderscheiden).

    Maar de grote boosdoener in dit verhaal blijft het concerndenken. Men is in de hogere echelons van het uitgeefwezen bepaald gehaast om in ieder geval de in boekhoudkundige termen te weinig winstgevende literatuur voorgoed de nek om te draaien, en daarmee een van de fundamentele waarden van onze westerse cultuur de genadeklap te geven: die van het humanisme en de democratie. Regeringen die tegen dit soort bot, en wat mij betreft immoreel geweld tegengas hadden kunnen geven door in te zien dat het algemeen belang gebaat is bij nog andere deugden dan hebzucht, gedragen zich helaas ook als concerns. Het is al jaren geleden gezegd, het is sinds die tijd steeds afgedaan als een al te apocalyptische voorstelling van zaken, als pessimisme, want o, o, o, wat gaat het toch goed allemaal — maar we hebben het hier in ons vrije Westen eindelijk voor elkaar: zelfs zonder dictator aan het roer heerst er inmiddels een strenge censuur. Het B-elftal van DBBA zal het spoedig ondervinden.

     

  • Pin it!

    Elly

    Gisteren in korte tijd onderstaand stuk geschreven voor De Standaard en al voordat ik zelf goed en wel uit bed was (de boekpresentatie van Bart Koubaa's De vogels van Europa, een boek waarnaar ik om allerlei redenen zeer nieuwsgierig ben, maakte de nacht kort) vanmorgen een mail ontvangen die me waarschuwde dat men mijn bijdrage bij boek.be en bij uitgevers hoogstwaarschijnlijk niet heel erg zou smaken. Misschien niet, nee.

    Ik maak altijd een onderscheid tussen wat ik mijn uitgever noem (De Bezige Bij Antwerpen), en de uitgeverij waarvan De Bezige Bij Antwerpen met nog een heleboel andere uitgeverijen deel uitmaakt: WPG. De werkzaamheden van de een wil ik graag verdedigen, ook tegenover meer puristische collegae die menen dat DBBA zich met de uitgave van sommige boeken niet zo moet 'verlagen'. De werkzaamheden van het grote concern boven DBBA bezie ik toch altijd met enig wantrouwen. Wat ik hieronder schrijf over de houding die men in die echelons tegenover auteurs aanneemt, is onder meer gebaseerd op een recente aanvaring die ik met dat concern had over financiële kwesties en percentages rond een bepaald project (ik blijf hier bewust vaag over de details). Men doet soms voorstellen die veel weg hebben van wat we kennen uit de romans van Mario Puzo en de films die daarop zijn gebaseerd: 'they make you an offer you can't refuse'. Zonder overleg vooraf, zelfs zonder respect voor bestaande contracten.

    Het lijkt erop dat men op dat hogere niveau niet werkt met het oog op de belangen van auteurs, lezers of de literatuur, maar is overgeleverd aan een louter economische logica die eerst van het specifieke product dat zij aan de man brengen alle specifieke kenmerken wegneemt. Dat het product bijvoorbeeld een literair werk is, en dus functioneert binnen een specifieke context die heel anders is dan die voor kook- en hobbyboeken, is binnen die logica van geen tel. En zelfs dat het om een boek gaat lijkt van ondergeschikt belang. Binnen de geldende logica is er geen verschil tussen een boek, een cd, een varken, een auto, een… enzovoorts.

    Ik neem aan dat aan die zijde mijn bedenkingen dan ook als naïef, en in ieder geval als hoogst ongewenst overkomen. Men zal aan Vlaamse zijde sowieso de smoor in hebben dat die Hollanders dit ideetje voor een 'Spotify voor boeken' als eerste in de praktijk hebben weten te brengen, want dergelijke ideetjes circuleren ook al langere tijd beneden de Moerdijk. Komt daar ook nog eens zo'n auteurtje doorheen fietsen die van dit soort zaken eigenlijk geen verstand heeft, zo'n romantische, tere ziel die waarschijnlijk met het middenstandsgedeelte van zijn vak niks te maken wil hebben… 

    Mij zou het inderdaad niet ongenegen zijn als het zo was dat ik alleen maar boeken hoefde te schrijven en dat er vervolgens een team rond mij zou opstaan dat die boeken (en vervolgens ook mij) met succes aan de man bracht, en dat alles zonder dat ik mijn o zo tere kunstenaarsziel ook maar één keer hoefde te compromitteren. Dat ik een auteur mocht zijn die na een vermoeiend optreden door wat ranke stagiaires met zachte doeken werd afgewreven om vervolgens in een auto huiswaarts gereden te worden en in bed gelegd door de uitgever zelve. Ooit, toen ik deel uitmaakte van de redactie van een literatuurfestival in Groningen, kreeg de heer Mulisch ei zo na een dergelijke behandeling: met de taxi opgehaald uit Amsterdam en na het optreden (en na een copieuze maaltijd in een goed restaurant uiteraard) weer teruggebracht, de voor die tijd gigantische gage cash uitbetaald in het kantoor van de directeur van de Schouwburg van Groningen, en, zo zag ik, door de heer Mulisch rustig nog eens nageteld — alleen die ranke stagiaires ontbraken. Dat is nog eens wat anders dan met een koffertje boeken in je eigen auto stad en land afrijden om voor weinig mensen in een of ander centrum het beste van jezelf te geven, toch nog drie boekjes te slijten, en na een pintje weer de nacht in en huiswaarts te gaan. Soms lijk ik meer op een huis-aan-huis stofzuigerverkoper.

    Om maar te zeggen: ik weet wel ongeveer hoe de vork in de steel zit, en lijk in niets op de schrijver die ik soms droom te mogen zijn. Ik ben me ook zeer goed bewust van de teruglopende verkoop van met name literaire fictie. Maar desalniettemin blijf ik mij verzetten tegen remedies waarin het onderscheid tussen cd's en boeken, laat staan literaire boeken, niet meer wordt gemaakt en enkel de allesnivellerende economische logica telt. Zoals ik me blijf verzetten tegen de behandeling van auteurs als quantité négligeable binnen dit verhaal. 2,99 voor tien boeken is domweg niet mogelijk zonder dat er anderen zijn die ervoor betalen (de schrijver is dan zelfs geen stofzuigerverkoper meer, maar arbeider in een sweatshop).

     

    screenshot_136.jpg

     

     

    Wie is die Elly eigenlijk?

    Een literaire spotify — kan dat eigenlijk wel? In Nederland bestaat er nu een abonnementsdienst waar je voor een vast bedrag tien geselecteerde boeken per maand kunt downloaden én houden. De dienst kreeg naar goed Nederlands gebruik een oer-Hollandse naam: Elly’s Choice.

    Ik ben een hartstochtelijk lezer van literatuur en het eerste wat ik bij zo’n abonnementsdienst dan ook (al even oer-Hollands) denk, is: Elly, who the fuck is Elly en waarom zou ik haar keuze moeten willen lezen? Welnu, Elly is ‘een redactie van uitgevers en redacteuren’, zo meldt het persbericht. Welke uitgevers? Welke redacteuren? In ieder geval zijn vijf van de gekozen boeken bestsellers (meer dan 25 duizend exemplaren verkocht), en de andere vijf zijn ‘onbekendere titels en debuten’. Ik heb meteen het gevoel dat dat laatste er staat om types als mij de mond te snoeren. Maar zelfs mét die toevoeging weet ik nu al dat ik als hartstochtelijk lezer hoogstwaarschijnlijk geen boodschap zal hebben aan de keuze die ‘Elly’ maandelijks voor mij maakt. Die bestsellers zal ik ofwel toch al gelezen hebben, of ze interesseren me geen lor. Ik lees sowieso wat ik zelf wil.

    Het moet dus zijn dat de dienst bedoeld is voor mensen die geen hartstochtelijke lezers zijn. Maar die lezen niet eens tien boeken per jaar! Wat moeten die met een dienst die hen tien boeken per maand aansmeert? Als hartstochtelijk lezer met ook nog een gezinsleven, zijn tien boeken per maand zelfs voor mij niet in alle maanden haalbaar. Want we hebben het hier over boeken, hé, niet over popsongs. Die duren vier, vijf minuten — maar een bóék, dat is toch een ander paar mouwen.

    2,99 gedeeld door tien

    En dan die prijs… 2,99 euro per maand bij een jaarabonnement is leuk voor de consument, daar niet van. Maar hoeveel daarvan gaat er eigenlijk naar de auteurs? Een auteur zou bij 100% royalty's hoogstens zo’n 30 cent per exemplaar kunnen verdienen (2,99 gedeeld door tien). Ter vergelijking: bij een papieren exemplaar gaat het — onder de 5000 exemplaren — idealiter om 10% van de verkoopprijs, gemiddeld dus zo’n 2 euro per verkocht exemplaar (gesteld dat de uitgever zich houdt aan het in de sector overeengekomen standaardcontract, wat een aantal nadrukkelijk niet doet). Gezien de huidige economische omstandigheden, de dalende verkoopcijfers van vooral literaire fictie, lijkt het niet erg waarschijnlijk dat auteurs die schamele 30 cent zullen krijgen. Integendeel. Die omstandigheden maken dat de grote uitgeefconcerns (waarvan literaire uitgeverijen vaak een onderdeel zijn) eigenlijk liever lijken te vergeten dat hun auteurs de grondstof vormen voor hun bedrijf. Sommigen lijken zelfs te geloven in een vorm van slavernij: de auteurs moeten de ‘content’ die zij voor hun plannen nodig hebben liefst gratis leveren. Zo bekeken lijkt Elly’s Choice zelfs een besparingsmaatregel op kosten van de auteur: wie meer dan 25.000 exemplaren verkoopt, krijgt al snel meer dan 10% royalties. De door ‘Elly’ aangeboden titels zijn zo een concurrentie voor diezelfde titels in boekvorm, of zelfs in e-boekvorm op andere platforms. Een bestsellerauteur die hier aan meedoet, doet zichzelf de das om.

    Foie gras

    Elly’s Choice lijkt toch vooral een initiatief te zijn van uitgevers in het nauw, van uitgevers die geconfronteerd met dalende verkoopcijfers en onrealistische winstverwachtingen gedwongen worden alles te vermalen tot iets wat de consument gemakkelijk met een trechter door de strot kan worden geduwd, zodat er aan het eind van het jaar ten minste foie gras voor de aandeelhouders is. ‘Elly’s Choice’ is zo’n trechter.

    Het valt nog te bezien of die vijf ‘onbekenden’ en dubutanten, de boeken die vijf maanden na hun verschijning de kaap van de 25.000 verkochte exemplaren niet hebben gerond (want dat is het criterium), voldoende zijn om de indruk weg te nemen dat ook Elly’s Choice — net als de meeste grote boekhandelketens — vooral bedoeld is om meer van hetzelfde te verkopen —  bestselleritis, zeg maar. Literatuur is gebaat bij diversiteit en meerstemmigheid, niet bij een steeds verdergaande verschraling van het aanbod.

    Laten we zeggen dat ik zo mijn twijfels heb. Dat men denkt dat een literair werk op dezelfde wijze verkocht kan worden als een popsong, dat er tussen beide geen wezenlijk verschil bestaat, lijkt mij eerder een bewijs dat men in de hogere echelons van de grote uitgeverijen totaal geen idee meer heeft wat het is dat men eigenlijk probeert te verkopen. Erger nog: dat het ze ook niet interesseert. Op zijn oer-Hollands: they don’t give a fuck.

     

  • Pin it!

    Lof van de kritiek

    In NRC staat een artikel van Arjen Fortuin over de noodzaak van recensies. Je zou ook kunnen zeggen dat het stuk zelf een recensie is — een van de voorbeeldige soort, of dan toch minstens een voorbeeld van het soort recensie dat Fortuin verdedigt. Het gaat om een bespreking van een bloemlezing van na-oorlogse beeldende-kunstrecensies, De schilderkunst in een kritiek stadium?, samengesteld door Jonneke Jobse. Voor Fortuin is de bundeling aanleiding voor een 'preek voor eigen parochie', zoals hij het zelf formuleert:

    het misverstand dat een recensie in de eerste plaats 'consumentenvoorlichting' zou zijn, wint rap aan terrein — hand in hand met de veronderstelling dat het oordeel van een criticus 'ook maar een mening' zou zijn. Dat wordt niet veroorzaakt door, maar wel versterkt door de ballen of sterren die bij veel Nederlandse (en Vlaamse -MR) kritieken staan. Die zijn inderdaad consumentenvoorlichting in zijn zuiverste vorm, maar ze zijn  niet het hele verhaal. Het gaat niet om de ballen, maar om het spel.

    Het is een stuk van een criticus die begrepen heeft dat (in dit geval) kunstkritiek, of om de parochie meteen te herleiden tot die van Fortuin (en mijzelf): literatuurkritiek deel uitmaakt van de literatuur en dus in deze tijd in hetzelfde verdomhoekje zit als die literatuur zelf, het verdomhoekje waarin niet de schrijver of de criticus bepalend is voor wat als 'goede' of 'juiste' literatuur wordt aangezien, maar de door de commercie gestuurde media de agenda bepalen. Dat Fortuin, als ook nog eens de chef Boeken van NRC, zich daartegen wil verzetten, is moedig, en niemand die de literatuur (waarvan kritiek een vanzelfsprekend onderdeel uit zou moeten maken) een warm hart toedraagt, kan daar tegen zijn.

    Fortuin schrijft:

    In het hele uitdijende spectrum van oordelen en meningen is de criticus degene die betaald wordt om onafhankelijk te zijn, om op te schrijven wat hij werkelijk vindt en gelooft — óók als dat zakelijk onverstandig is of hem maakt tot de dissonant in een koor van al dan niet oprechte bewonderaars. Er moet in het debat over kunst iemand zijn wiens mening niet door commercieel belang wordt gestuurd. (...) (Voor de goede orde: een criticus die niet meent wat hij schrijft, is een bedrieger).

    Het belangrijkste woord is hier inderdaad 'onafhankelijk', en het roept onmiddellijk de vraag op in hoeverre Fortuin als coördinator literatuur van NRC Boeken zelf weerstand kan bieden aan het commercieel belang in zijn keuze voor de boeken die hij bespreekt en laat bespreken, zijn keuze voor de recensenten die hij die boeken laat bespreken, de lengte die hij die recensenten in hun stukken toestaat — kortom: de hamvraag is of Fortuin in het huidige medialandschap in staat is om van de boekenbijlage iets te maken dat weerstand kan bieden aan datgene waarbij de rest van zijn krant bestaat, of hij die onafhankelijkheid ook daadwerkelijk kan organiseren in zijn bijlage. De tweede vraag is wat die onafhankelijkheid, mocht ze inderdaad te regelen zijn in zijn krant, binnen die krant — bij de hoofdredactie, om over de eigenaren, investeringsmaatschappij Egeria en Lux Media, nog maar te zwijgen — dan precies te betekenen heeft.

    In kringen van echte krantenmensen is er vaak dédain te bespeuren voor zo ongeveer alles wat met cultuur te maken heeft. Zelfs Bert Bultinck in zijn uitstekende 1000 woorden-column in DS Weekblad ontkomt er niet altijd aan. 'Het gerejemieer van kat en muis in het letterenhuis blijft tenslotte een vermakelijke, diep-humanistische, maar ultiem redelijk ongevaarlijke kruiswoordpuzzel. First-world problems met literaire sterretjes', zo schreef hij een aantal weken geleden.En vorige week werd poëzie nog afgedaan als de 'meest esoterisch-etherische der hobby's, de ayurvedische massage niet meegerekend'. Ik heb geen idee wat dat laatste inhoudt (al kan ik het vast ergens opzoeken), en ik vermoed dat Bultinck daar met een 'q.e.d.' op zou antwoorden. 

    Waarmee ik niet zozeer Bert Bultinck wil viseren — die is in het licht van dit soort, uiteraard als min of meer humoristisch bedoelde omschrijvingen een bijna tragisch te noemen literatuurlezer en -liefhebber, en zelfs -kenner, iets wat in zijn kringen (de kringen van persmensen pur sang bedoel ik) niet evident moet zijn. Het gaat er om dat Fortuins 'onafhankelijkheid' in de ogen van hen die bepalen waar een krant over gaat en om draait, hoogstens iets kan zijn dat hem vergund wordt — zolang het geen lezers kost. Uiteindelijk zet De Morgen zijn boekenbijlage ook alleen maar verder omdat die blijkbaar op de dag van zijn verschijnen nog steeds zorgt voor een meerverkoop van ongeveer 2000 exemplaren — al blijft die krant in het voortzetten van de bijlage wel heel halfslachtig als je ziet wat daarin dan zoal aan bod komt, en op welke manier vooral.

    Fortuin heeft het in zijn stuk over de mate waarin bij de huidige explosie aan meningen het koor van stemmen over een kunstwerk geregisseerd is 'door degenen die er belang bij hebben': boekverkopers, uitgevers. Er blijkt een levendige handel in (positieve) recensies te zijn. Dat weet het publiek over het algemeen ook wel — en misschien is dat de reden waarom er onder dat publiek een zekere hunkering lijkt te bestaan naar autoriteiten die nu eens zonder verborgen agenda zeggen wat kwaliteit heeft en wat niet, en vooral ook waarom (een van de de redenen voor het succes achter 'lezers voor lezers'-programma's als 'Uitgelezen' in Gent en elders, en 'Overlezen' in Turnhout en omstreken).

    Maar kan Fortuin, kan ook maar enige 'chef boeken' heen om door de media gehypete schrijvers, om auteurs die nog voordat ook maar iemand hun boek gelezen heeft al op voorhand in alle boekenbijlagen tegelijk geïnterviewd en gerecenseerd worden omdat ze ongelezen en ongezien op voorhand belangwekkend worden geacht, auteurs die om die reden soms ook een abonnement lijken te hebben op de nominaties voor de grote (commerciële) prijzen, ook al gaat het daarbij om nu niet meteen hun beste boek? (Het is een categorie waar iedere schrijver overigens erg graag toe zou behoren). Op een dergelijk moment ontstaat er tussen de verschillende boekenbijlages zoiets als een wedstrijd: wie er het eerst is met een interview, een groot stuk, een fikse foto. Ontsnapt NRC Boeken daaraan?

    En dan blijft er nog een belangrijke vraag: in hoeverre wordt de 'onafhankelijkheid' die een boekenbijlage heeft weten af te dwingen bij een hoofdredactie die er zich verder niets aan gelegen laat liggen, gedragen buiten die bijlage zelf? Is er nog een 'openbaarheid' van enige betekenis waarbinnen een onafhankelijke, kritische recensie deel uitmaakt van een voortgaand debat over literatuur? Natuurlijk is dat debat er nog, maar toch vooral in wat de niche heet te zijn. Maar verschijnt die recensie niet toch vooral in een door commerciële belangen geregeerde openbare ruimte, en functioneert ze daarbinnen dan niet toch vooral als 'een consumentenadvies', ondanks de bedoelingen van de recensent, van de coördinator literatuur of de chef boeken of hoe heet dat tegenwoordig? Dus: zélfs als de recensent in kwestie de onafhankelijkheid hoog in het vaandel heeft, zoals Fortuin zelf?

    Voor de goede orde: ik ben blij met zo'n stuk van Fortuin. Niet in het minst omdat dat stuk verschijnt in nu juist een boekenbijlage. Was ik een onverbeterlijke optimist, ik zou gewagen van een 'kentering'! Mét uitroepteken. Ik denk niet dat ik per se een pessimist ben wanneer ik toch wat vragen heb bij de misschien net iets te simpele voorstelling van zaken als het gaat om wat we aan moeten met de literaire kritiek en haar ontegensprekelijke belang voor de literatuur. Wat betekent de bepleite onafhankelijkheid als we tegelijkertijd weten dat die onafhankelijkheid alleen maar iets is wat wordt gedoogd: als iets waarmee achtergebleven intellectuelen zich mogen bezighouden? Terwijl literatuur gewoon blijft wat het geworden is: lifestyle, accessoire, inwisselbaar tegen een goede fles wijn (vijf sterren van 'wijnschrijver' Bruno Vanspauwen), een paar handgemaakte schoenen van n.d.c. (erg mooi)? Ik vind het een van de lastigste vragen van dit moment. 

  • Pin it!

    Waar?

    IJs

    Likken aan een ijsje: het blijft lastig. Sex sells, zeker als het om de ijsverkoop gaat. Er zijn maar weinig merken die min of meer erotische connotaties achterwege laten wanneer ze hun ijs aan de man en/of vrouw willen brengen. Magnum, Häagen-Dazs — het is één pot nat. Maar zo kinderachtig als Ice Crime had ik het in tijden niet meer gezien (de naam doet overigens ook al vermoeden dat de mensen erachter niet werkelijk overlopen van creativiteit). Al een paar dagen lang viel mij in de zogeheten kwaliteitskranten de forse reclame voor dit nieuwe ijsmerk op:

    10302110_10202264952963581_4517316807246260766_n.jpg10375152_10202264953083584_8147365816230239879_n.jpg

    De linkeradvertentie heb ik eigenlijk nooit gezien, maar ze bevestigde mij slechts wat de rechter al bij me had opgeroepen. Het feit dat het heerschap aan een wafeltje likt (een 'boekske', zoals ze in Gent zeggen), en nu juist níét aan een hoorntje met twéé — niet met dríé of één — bolletjes, maakt des te meer dat het hier over kut en pik gaat. Het druipt ervan af, zou ik willen zeggen. Wat orale seks met schuldgevoel te maken kan hebben, is me niet helemaal duidelijk, maar blijkbaar is dat iets wat de reclamemakers in kwestie nogal kwelt. Ik vermoed dat het een stelletje katholieke deugnieten is. Misschien dat het woord 'stevia' (want het gaat hier om ijs dat gezoet wordt met stevia) deze jongetjes (ik ga er zomaar van uit dat het jongetjes zijn) op het idee heeft gebracht om dit merk op precies deze manier aan te prijzen. Je hoort het één van die pagadders bijna zeggen: stevia, stijvia — waarna het hele gezelschap ongetwijfeld begon te gniffelen en giechelen. 

    Een beetje infantiel, kortom. En misschien, heel misschien toch ook een heel klein beetje bedenkelijk? Ik postte beide foto's op Facebook met de opmerking dat ik lichtelijk verbaasd was dat de verontwaardiging uitbleef over de wel heel platte seksuele connotaties bij deze foto's en dat ik eigenlijk allang militanten tegen de pornoficatie van onze samenleving had verwacht. Maar iedereen reageerde eigenlijk zoals ik zelf tot dan toe ook had gereageerd: met wat geschamper over het ontbreken van elk niveau, en met schouderophalen. (Dat Ice Crime — of liever het tweemansbedrijf achter het product, Just Ice uit Oudenaarde — een dergelijk reclameoffensief kon ontwikkelen omdat ze de N-Powerment Award van BECI en Newspaperwork wonnen (1 miljoen euro advertentieruimte in de nationale kranten), maakt een en ander nog treuriger dan ik het toch al vind. Die ruimte invullen met zoveel banaliteit… Mijn associatie is in ieder geval al op voorhand: dat kan niet goed zijn, dat Ice Crime).

    Onder de reacties die ik op Facebook kreeg, was er één die stelde dat elke serieuze tegenkanting alleen maar zou leiden tot méér reclame voor het ijsmerk. En ineens ging het voor mij niet meer over ijs.

    Wijnberg

    Op 29 mei verscheen op de correspondent.nl een stuk van Rob Wijnberg, 'Hoe waarheid een product werd'. Wie een klein beetje de filosofie van de afgelopen decennia heeft bijgehouden, vindt in dat stuk niet werkelijk heel veel nieuws. Maar het is een mooie, heldere, journalistieke samenvatting van het verdwijnen van het waarheidsgebod uit onze cultuur. Zoals de filosofie van de hebzucht in kringen van louter economisch denkende lieden een einde stelde aan meer dan 2000 jaar beschaving waarin juist de beteugeling van onze driften (waaronder de ongebreidelde hebzucht) als een primaire deugd werd gezien, zo is ook het verdwijnen van het waarheidsgebod een indicatie dat wat tot nu toe onze beschaving uitmaakte misschien op zijn einde loopt.

    Waarheid is een product geworden, schrijft Wijnberg, en heeft als zodanig geen eigen filosofische kern: "waar is wat verkoopt, waar een markt voor is. Waarheid als product reduceert alles − van politiek tot informatie tot wetenschap tot onderwijs tot kunst − tot een vorm van behoeftebevrediging zonder onderliggend doel. Het maakt van politiek een ‘pitch’, van informatie een ‘format’; van kunst een ‘concept’, van onderwijs een ‘formule’. Niet om te overtuigen, te informeren, aan het denken te zetten of te leren, maar om ‘te bevredigen’".

    "Hierin," schrijft Wijnberg, "schuilt, volgens mij, de kern van onze tijd. Het verklaart waarom de meeste politieke partijen nauwelijks nog van elkaar verschillen, behalve in koopkrachtplaatjes. Het verklaart waarom onderwijsinstellingen zijn uitgegroeid tot diplomafabrieken op zoek naar de hoogste score in de ‘rankings’. Het verklaart waarom solidariteit afbrokkelt en winstbejag op korte termijn regeert".

    Het doet natuurlijk allemaal erg denken aan wat Baricco, met een even grote als, wat mij betreft, valse opgewektheid, jaren terug in De barbaren al signaleerde. "Het oppervlak in plaats van de diepgang, snelheid in plaats van reflectie, sequenties in plaats van analyse, surfen in plaats van verdieping, communicatie in plaats van uiting, multitasking in plaats van specialisatie, plezier in plaats van inspanning. Een systematische ontmanteling van het hele mentale arsenaal dat ons is nagelaten door de negentiende-eeuwse, romantische burgercultuur", zo stelde Baricco vast en hij hield ons — nog steeds levend met de vooronderstellingen van die negentiende-eeuwse, romantische burgercultuur — voor dat we daar niet bang voor moesten zijn. Hij was het in ieder geval niet, hij die, zoals hij schreef, zelf verkeerde "in een wereld van mensen die hebben gestudeerd, mensen die nog studeren, verhalenvertellers, theatermensen, intellectuelen, dat soort lieden". "Een vreselijk wereldje", vond hij (ja hoor…).

    Het voordeel van Wijnbergs stuk is — enfin, in de eerste plaats dat hij niet de walgelijke hypocriete neiging van Baricco heeft om zich te excuseren voor zijn analyse, niet heult met hen die bij het verschijnen van dit soort analyses altijd onmiddellijk roepen dat de analyticus een zwartkijker, een apocalypticus of nog erger is, of net te doen alsof iemand die het waarheidsgebod in onze cultuur wenst te verdedigen 'een beetje uit de tijd' en beklagenswaardig is. Maar ook dat hij laat zien dat het verdwijnen van het waarheidsgebod niet betekent dat we niet van hogerhand worden aangestuurd. Uiteindelijk blijft de waarheid van het consumeren hier recht overeind staan, consumeren ten koste van alles en iedereen, rücksichtslos. Er is een beperkt aantal monsterbedrijven in de wereld dat daar wel bij vaart — al blijft de ophoping van kapitaal daarmee even zinloos, omdat die ophoping het eindpunt vormt. Het is als een stront die niet als mest gebruikt wordt, maar alleen om nog meer stront te maken. Economie als coprofagie.

    Verlinden

     Een en ander maakt dat 'de waarheid' — of toch dat wat aanleiding geeft tot onze kritiek — meestal niet… handig is, zoals in het geval van het likkende koppeltje hierboven. Het risico dat kritiek op de platte, seksistische reclame alleen maar tot meer reclame voor het ijsmerk leidt, doet ons overwegen of we maar niet beter onze mond houden. Je kunt dat niet werkelijk een halszaak vinden als het maar om ijsjes gaat (al gaat het eigenlijk om seksisme). Maar wat als het gaat om, laten we zeggen: racisme?

    De afgelopen week kwam die vraag even in het middelpunt van de belangstelling te staan naar aanleiding van een blogpost van VRT-journalist Peter Verlinden op deredactie.be. Iemand had op de muur van zijn huis, met wit krijt, het woord 'negers!' gekalkt. Verlinden is gehuwd met een zwarte vrouw en heeft een bruine dochter, zo staat onder het stuk vermeld. Het stuk ging onder meer over het uitblijven van een reactie van politici op een campagneboodschap van het bij de laatste verkiezingen fel gedecimeerde Vlaams Belang: dat niet de vergrijzing van de samenleving het grootste probleem vormde, maar de verbruining. De reden voor dat stilzwijgen was ook hier dat aandacht geven aan zo'n uitspraak, er tegenin gaan, precies geweest zou zijn waar Dewinter en de zijnen op hoopten. Maar op die manier, zegt Verlinden, laat je racisme als sluimerend gif gewoon zijn werk doen binnen de samenleving.

    Dat is een gerechtvaardigde kritiek, al haalde Verlinden die zelf wel grotendeels onderuit door zijn eigen verantwoordelijkheid als journalist te minimaliseren. Hij schreef: 

    "Een notoir extreemrechts politicus kan ongestraft uitspraken doen op een openbare bijeenkomst die voor vele waarnemers racistisch klinken, daarenboven door de massamedia als een megafoon herhaald, niemand kan hem dat beletten. Dat is de prijs die een democratische samenleving betaalt voor het universele recht op vrije meningsuiting. Het zij zo. Dat de (meeste) massamedia daarbij hun kritische opdracht verwaarlozen, dat is de prijs die deze samenleving betaalt voor de persvrijheid die meer en meer een mercantiele strijd om de kijker/lezer/luisteraar is geworden, eerder dan een strijd om het meest correcte verhaal, de meest kritische en deskundige kijk op de werkelijkheid. Het zij zo."

    Men moet het mij niet euvel duiden, maar bij zo iemand had ik graag iets heel anders op de muur gekalkt dan het schandalige 'negers!' dat er nu stond. Men kan als journalist zijn eigen verantwoordelijkheid in dezen niet afschuiven op enkel de politici die, zoals hij zelf heel goed weet, zelf vaak aan de leiband van de massamedia lopen. De kans dat Dewinters uitspraak over de verbruining vooral juist deze vorm heeft aangenomen omdat hij anders geen aandacht van de massamedia gekregen zou hebben, lijkt me niet gering.

    Als er naar schuldigen gezocht moet worden, zijn die ook te vinden in het kamp van de VRT, onder journalisten die de vermarkting van de waarheid blijkbaar berustend aanvaarden. Ik kan me voorstellen dat Verlinden die ochtend niet meteen de hand in eigen boezem wilde steken en eerder snel op zoek ging naar een emmertje met wat water (gelukkig, moet je bijna zeggen, was het maar krijt). Maar als je vervolgens zo'n stuk schrijft, lijkt me dat de eigen verantwoordelijkheid voor dat wat je aanklaagt bij anderen toch wat zwaarder mee had mogen wegen dan hier het geval is. Of mocht dat misschien niet op de website van de VRT — een organisatie die niet meteen bekend staat om haar zelfkritisch vermogen?

    Kritiek als taboe?

    Inmiddels lijkt het duidelijk: opkomen voor je waarheid is vandaag de dag verdacht, waarbij de verdenking van naïviteit nog de minst erge is. Je ziet het ook aan hoe mensen stemmen, of aan hoe er voor de verkiezingen over het wenselijke stemgedrag wordt gediscussieerd. Het hele concept van 'tactisch stemmen' komt voort uit het loslaten van elk geloof in de eigen overtuiging. "Ik stem maar op de CD&V om de NV-A klein te houden, ook al ligt mijn hart eigenlijk bij de SP.a" — dat soort overwegingen. Ik heb aan borrel- en eettafels al menige hoogoplopende discussie meegemaakt over de vraag of je voor je overtuiging moet/mag uitkomen, of dat het beter is om er door een tactische stem voor te zorgen dat de partij waar je tegen bent in ieder geval niet aan zet komt. De meest gebruikte woorden tijdens dergelijke discussies zijn 'naïef' (inderdaad), 'dom' en 'cynisch'. 

    De vaak 'pragmatisch' genoemde keuze prevaleert, zo lijkt het wel. Als het gaat om politiek en partijprogramma's is dat nog wel enigszins te begrijpen: politieke partijen zelf lijken zich minder en minder te willen beroepen op hun eigen ideologisch bepaalde waarheden en plooien zich in toenemende mate naar wat ze denken dat de kiezer (de klant) wil. De SP.a heeft nog een lange weg te gaan voordat ze weer een werkelijk sociaaldemocratische partij is. En ook Open VLD is mijlenver verwijderd geraakt van het oorspronkelijke liberale gedachtegoed. Het komt daarbij steeds op hetzelfde neer: de aard van onze werkelijkheid staat voor veel politieke partijen blijkbaar niet langer ter discussie. Juist dat maakt de politiek overbodig. 

    Maar het dreigt dus ook kritiek overbodig te maken (ja, ook de literaire kritiek (uitgevers gebruiken soms zelf negatieve opmerkingen over een boek als reclame voor het boek), maar dit terzijde). Op het domme seksisme van een ijsreclame reageren we maar niet meer omdat er toch geen kruid tegen gewassen is. En Filip Dewinter heeft zo een vrijbrief om wat dan ook te zeggen, en wast natuurlijk zijn handen in onschuld als iemand zijn waarschuwing tegen 'verbruining' omzet in gewelddaden. Dat is iets waar de felste pleitbezorgers van de 'vrijheid van meningsuiting' vaak geen rekening mee houden: dat woorden altijd ook daden kunnen worden, dat woorden niet onschuldig zijn.

     

  • Pin it!

    Close Reading en de open geest

    Op de site van de Volkskrant kom ik een tekst tegen uit 2012 die mij toen geheel is ontgaan. Joost Zwagerman schrijft over Het geluk van de kunst, mijn essaybundel uit dat jaar. Hij is er niet blij mee. Ik ken er wel meer die er niet zo blij mee waren. En er was veel instemming ook. Wat me bij de negatieve stemmen opviel: de neiging om wat een tamelijk nuchtere analyse was van de huidige staat van het boek uit te leggen als bewijs voor de pessimistische, zelfs klagerige houding van de auteur — van mij dus. Maar als ik iets niet doe in dat boek is het klagen. Ja natuurlijk, er staat de tirade in die ik bijwijze van kerstessay (zie hier, hier, hier en hier) in De Standaard heb gepubliceerd. Maar in de essaybundel staat dat stuk tussen andere essays die weliswaar de kern van dat kerstessay allesbehalve relativeren, maar toch veel meer in een wijdere context plaatsen.

    Wat blijft: als je zegt dat literatuur in onze samenleving niet langer het stralende middelpunt van ons cultuurideaal vormt — een nuchtere analyse die al bijna 20 jaar geleden door onder andere Frans Ruiter en Wilbert Smulders werd gemaakt (Literatuur en moderniteit in Nederland 1840-1990, Amsterdam 1996) en die begin jaren Nul door Sloterdijk werd gemaakt (hem haal ik aan in mijn essaybundel) — dan raak je blijkbaar aan een taboe. Terwijl het evident is. Er zijn er dan die zeggen: ja maar, er wordt veel meer gelezen dan vroeger. Is dat zo? Wat wordt er dan gelezen? En hoe komt het dan dat alle onderzoeken uitwijzen dat de verkoop van boeken de afgelopen decennia spectaculair is gedaald? 

    Je kunt niet zeggen dat ik me in het boek niet bewust was van de mogelijkheid voor 'grumpy old man' uitgemaakt te worden — ik besteed er expliciet een aantal bladzijden aan. Ook in dat kerstessay zie ik steeds de alarmist die staat te roepen, een man die ik ook zelf wat overdreven druk vind doen, al geef ik hem dan gelijk. En natuurlijk klopt het dat ik het verdwijnen van de literaire cultuur (verbonden met een negentiende eeuws ideaal waarop je vanuit weer andere perspectieven ook heel veel kritiek zou kunnen hebben) ernstig betreur. Het gaat voor mij hand in hand met het verdwijnen van een aantal in se humanistische waarden die ik onontbeerlijk acht — wat maakt dat ik auteurs als Tony Judt of Paul Verhaeghe (of Paul Scheffer, denk ik nu) hoog in het vaandel heb. Maar ik ben me er steeds van bewust dat de realiteit waarin ik leef met deze waarden nu eenmaal niets op heeft, en dat dat ook voor mij als auteur consequenties heeft. Ik mag het negentiende eeuwse humanistisch-literaire cultuurideaal dan als ijkpunt nemen — niet eens als ideaal overigens, maar dat is een ander chapiter —, ik ben daarom nog geen anachronist.

    Maar voordat dit uitloopt op een apologie voor een boek dat, voor wie het goed leest, zichzelf meer dan voldoende rechtvaardigt — bij het stuk van Zwagerman gaat het me om wat anders. Wat ik er hier over wil zeggen kadert in de recente, zoals altijd kleine discussie die ontstond over literaire kritiek.

    _avd7115.jpg

    "En er was veel instemming ook". In gesprek met Annelies Beck bij de uitreiking van de Prijs voor Letterkunde, essay en monografie van de provincie Oost-Vlaanderen in het NTG op 3 april j.l.

    De indruk dat we in onze grote kranten met critici van doen hebben die er vaak met de pet naar gooien en ronduit slechte stukken schrijven — zonder argumenten, of juist met argumenten ad hominem, met half ware beweringen of zelfs regelrechte leugens, met suggestieve passages waarvan het villeine karakter achteraf makkelijk ontkend kan worden — leidde tot een aanklacht en een discussie die vorige week zaterdag door Jeroen De Preter werd samengevat in een stuk in de Morgen. 'Nooit meer recenserenheette dat. Wat me in de reacties van Cloostermans en Leyman vooral opviel, was het wat treurige misverstand dat bij hen bestaat over het 'open klimaat' waarin zij hun recensies zouden schrijven (de impliciete gedachte dat een boekenbijlage onafhankelijk van de commerciële eisen van de rest van de krant zou functioneren bijvoorbeeld, dat het zetten van sterren of bollen geen inperking van hun métier is, dat de restricties qua lengte hen niet beperkingen opleggen die elk beroep op de vrijheid van meningsuiting lichtelijk pathetisch maakt, dat er in de publieke ruimte nog zoiets als een debat over literatuur zou zijn (alsof juist zij niet doorhebben dat de negentiende eeuw voorbij is), enzovoorts). En natuurlijk wordt Jeroen Theunissen, de man die de kat de bel aanbond, door beide critici afgeserveerd, al geeft De Preter hem dan gelukkig toch nog het laatste woord.

    Ik moest denken aan Du Perron. Natuurlijk moest ik denken aan Du Perron. De klacht over critici — niet in de laatste plaats over Du Perron zelf (terecht, als je het mij vraagt; de man was vaak unfair in zijn stukken) — was ook tussen de beide Wereldoorlogen vaak te horen. Maar Du Perron schreef ooit een heel boek over één welbepaalde, op dat moment gezichtsbepalende criticus: Dirk Coster. Uren met Dirk Coster heet het, en het verscheen oorspronkelijk in het literaire tijdschrift Forum, en vervolgens in 1933 in boekvorm. Het bevat kleine hoofdstukjes met titels als: 'De heer Coster over toeval en liefde', 'De heer Coster bij toneel en film', 'De heer Coster en de schrijvende vrouw'. Het is, tachtig jaar na dato, nog steeds een vernietigend boekje en — ik beken — heerlijk om te lezen. (Dat Du Perron zijn boekje terugtrok op het moment dat de werkelijke barbarij, in de vorm van het nationaal-socialisme, zijn intrede deed, omdat de heer Coster tegenover die meute een toonbeeld van fatsoen en rechtschapenheid moest heten, helpt wel om het nog genietbaar te vinden).

    Punt is: het bleef bij Du Perrons felle kritiek op Coster niet bij beweringen die een groot aantal schrijvers kon onderschrijven — zoals nu in het geval Leyman en Cloostermans — maar de beweringen werden onderbouwd met een vracht aan citaten, citaten die tussendoor werden becommentarieerd en vervolgens als bewijs werden opgevoerd bij de belangrijkste stelling van het boekje: dat de heer Coster een 'pathestheteticus' was: een pathetische estheet die de moralist uithing. Of voor een dergelijke werkwijze vandaag nog ruimte is, valt te betwijfelen, maar ook ik denk dat dan zou blijken dat zowel Dirk Leyman als Mark Cloostermans vaak aantoonbaar slechte stukken schrijven, dat het hen vaak aan generositeit ontbreekt tegenover het boek dat ze voor zich hebben, en ze zich ook vaak laten leiden door hun luimen van het moment.

    Zonder citaten die dit aantonen — maar wie wil er weken in het verzamelde proza van recensenten duiken — zijn deze opmerkingen overigens even veel waard als de vaak ongemotiveerde beweringen die je in hun recensies tegenkomt.

    Terug naar Joost Zwagerman nu. Want als ik zijn stuk in de Volkskrant wél met een vergrootglas lees, dan zie je bijna onmiddellijk waarom er over wat ik in Het geluk van de kunst schreef en wat Zwagerman daar tegenover wil zetten, geen uitwisseling mogelijk is. Zwagerman leest namelijk dingen die ik niet heb geschreven.

    Voorbeelden dus.

    Het geluk van de kunst bevat veel bezorgde kost - cultuurkritisch, hoor je dan te zeggen, maar mopperend en klaaglijk zijn woorden die de lading van Het geluk van de kunst beter dekken, schrijft Zwagerman.

    Ik gaf hierboven al aan dat dit alleen beweerd kan worden door iemand die op voorhand besloten heeft dat de auteur klagelijk wenst te zijn. Er staat al in het woord vooraf dat de auteur dat allerminst wil zijn. Dit boek is geschreven uit liefde voor de literatuur — waarbij literatuur net zo wordt opgevat als Zwagerman dat in feite doet. Het doet dat echter vanuit het verlangen over die liefde wel realistisch te willen zijn.

    Serieus literatuuronderwijs is tanende, stelt Reugebrink ferm. Jazeker. Maar wisten we dat nog niet?

    Ik neem aan van wel. Ik vermeld het in de context van het verdwijnen van die humanistische cultuur. Dat dat literatuuronderwijs ooit één van de pijlers was van ons middelbaar onderwijs en nu niet meer, dat in dat onderwijs de waarden die door literatuur(onderwijs) vertegenwoordigd worden steeds meer plaats moeten maken voor 'competenties', voor 'toepasbaarheid' van kennis binnen altijd weer dezelfde neo-liberale ideologie — het baart me zorgen. Zwagerman suggereert met bovenstaande zin dat ik mijn lezers informatie wil geven, dat ik denk dat ik iets nieuws zeg zelfs, maar de opmerking over literatuuronderwijs houdt verband met andere veranderingen in onze samenleving waartegen, dacht ik, ook Joost Zwagerman toch de nodige bezwaren heeft.

    Wie een literaire prijs als de Gouden Uil wint, ziet zich in de nasleep van de uitreiking geconfronteerd met de mallemolen van het literaire bedrijf. Dat zal vast zo zijn. Maar: wisten we ook dát al niet uit de geschriften van andere apocalyptici?

    Alweer, vast wel, alleen ben ik geen apocalypticus, en heb ik me met het schrijven van dat stuk (het eerste uit het boek) zowel als met de hele kermis rond die prijs op het moment zelf, enorm vermaakt. Ik schreef het al in mijn woord vooraf: ironie is een gevaarlijk stijlmiddel — en bij het schrijven van dit stuk zowel als bij de beslissing om het na een tijdschriftpublicatie in dit boek op te nemen, dacht ik dat die ironie er zo met bakken van afdroop, dat niemand zich hier zou vergissen. Alsof dat nog niet genoeg was, neem ik in het stuk dat erop volgt mijn neiging tot ironisering zelf ook nog eens op de korrel. Ik ben in het huidige klimaat  helemaal niet tegen de grote tombolaprijzen, niet tegen de boekhandelsjury van DWDD — al heb ik meer op met de jaarlijkse 'Van Dis' die DWDD ook organiseert; ik ben niet tegen aandacht voor literatuur in de media, al hoop ik alleen dat men er daar nu eens wat minder verkrampt mee omgaat, wat minder giechelig en besmuikt ook. In het huidige klimaat zijn die zaken het enige wat die literatuur nog redt van de economische logica die haar momenteel aanstuurt (beslist over wat er wordt uitgegeven, hoe dat gebeurt, waarbij de grote boekinkopers bijna dicteren wat er maar gemaakt moet worden — een situatie die ik trouwens in een niet eens zo heel verre toekomst ook nog wel weer zie omkeren). Ik heb het dus wel wat moeilijk met dat huidige klimaat ja. Ik heb daar wat bezwaren tegen — alweer: geen andere dan Zwagerman zelf zal hebben.

    Zwagerman probeert me met bovenstaande passage uit alle macht een hoek in te duwen die minder met het boek te maken heeft dan met zijn intenties, vrees ik. Bon, tot daaraan toe. Kwalijk wordt het pas daarna:

    Reugebrink: 'Ik schrijf vanuit 'een existentiële behoefte'. Ik excuseer me daarvoor. (...) Maar ik vrees dat ik het meen.'

    Dat komt uit dat ironische stuk over het winnen van de Gouden Uil en staat in de context van de vooronderstellingen van de media waaraan je op een dergelijk moment overgeleverd bent. Het was dus geen mededeling zonder meer, zoals Zwagerman met de volgende vraag suggereert:

    Twijfelde iemand daar dan aan?

    Maar dan gaat hij door:

    Schrijven niet vrijwel álle schrijvers vanuit die existentiële behoefte? Reugebrink vindt van niet.

    Dat staat nergens. Ik neem aan dat iedereen schrijft omdat hij de wereld per se iets heeft mee te delen. Suggereren dat ik daar anders over denk, is liegen dat het gedrukt staat.

    En dan noemt hij wat schrijvers die hem iets minder aanstaan. 

    Wie wat waar? Dat doe ik niet. Ik heb het in de passage waarnaar hij hier verwijst over de willekeur van de media als het gaat om schrijvers die op het schild gehesen worden en schrijvers die dat niet worden. Ik laat me over mijn appreciatie voor hun werk op geen enkele manier uit, enkel over de manier waarop ze getypecast worden door de media. Dat is het enige waar die passage over gaat. Zwagerman doet op deze manier aan zijn eigen typecasting van mij. Hij zal vinden dat ik Kluun, Giphart, Brusselmans, Lanoye, Bril, Mortier, Verhulst en Verhelst onmogelijk goed kan vinden. Mij hoor je daar niks over zeggen (en het klopt ook niet).

    Het wordt nog erger:

    Zo duikt in de media steeds vaker 'gewoon een lekker stuk' op dat een boek heeft geschreven, iemand bij wie je, aldus Reugebrink, 'denkt: maar die hoeft toch helemaal niet te schrijven om aan de kost te komen?'

    En hier zijn we dan op het droeve punt aangeland waar we Zwagerman moeten gaan uitleggen wat ironie precies is (en dat lukt eigenlijk nooit: ironie uitleggen). Dat het de media zijn die het seksistische element uitspelen, een auteur niet opvoeren als auteur, maar als een lekker ding, en dat je dat als lezer/kijker natuurlijk ook ziet en dan vervolgens bijwijze van boutade zegt: maar die hoeft toch helemaal niet te schrijven om aan de kost te komen. Je krijgt namelijk al kijkend en lezend het gevoel dat de auteur in kwestie vooral geen auteur mag zijn, maar een andere rol heeft te vervullen in het mediaspektakel, dat zij (of hij) er niet zit voor wat haar (of zijn) werkelijke verdienste is, maar als glijmiddel voor iets anders.

    In die cursivering van 'hoeft' zit 'm het venijn.

    Ik kijk in het boek en zie de zin er zo staan: 'maar die hoeft toch helemaal niet te schrijven om aan de kost te komen'. Niet 'hoeft' is gecursiveerd, maar 'schrijven'. Het zal voor hem geen verschil maken, maar het zegt iets over het gebrek aan zorgvuldigheid.

    Melige provocatie natuurlijk - maar intussen. Je zal in plaats van een man van in de 50, behept met even invoelbare als voorspelbare bedenkingen tegen het literaire bedrijf, maar een vrouw van rond de 30 zijn en toevallig door diezelfde 50er worden beschouwd als een 'lekker stuk'. Zo iemand kan onmogelijk, vanwege het feit ze nu eenmaal een lekker stuk is, óók 'vanuit een existentiële behoefte' schrijven. Volgens Reugebrink.

    Hier gaat Zwagerman ruimschoots over de schreef. Nu wordt wat de media uitvent (en waar ik niet op zit te wachten) zelfs mijn persoonlijke overtuiging. Nu ben ik het persoonlijk die de schrijfster van dienst als lekker stuk achter het behang plak. wat een baarlijke nonsens. Hier is de onwelwillendheid van Zwagerman volledig tot een leugen verworden. Dit raakt echt kant noch wal. 

    Ik geef hieronder nog eens de volledige passage weer waarop een en ander betrekking heeft. Oordeel zelf.

    Waar het me nu om gaat, is dat dit soort onzorgvuldigheid en onwelwillendheid, waarachter je soms alleen maar persoonlijke motieven kunt vermoeden, een intentie om een ander schade toe te brengen, de les te lezen of weet ik wat — dat dit soort onzorgvuldigheid natuurlijk precies is wat je aan recensies kan storen. Ze zijn domweg slecht geschreven. Wanneer je je daar als auteur tegen zou willen verweren, sta je altijd automatisch aan de kant van hen die niet tegen hun verlies zouden kunnen. Schrijvers moeten niet jammeren en huilebalken, zo zei Leyman parmantig, en voegde er als ware scoutsleider aan toe: 'Ze zouden beter de rug rechten, kin omhoog en hup, schrijven aan dat volgende boek'. Het is de typische reactie van een recensent die zelf om de dooie dood niet gerecenseerd wil worden. Wie kritiek heeft op hem, is een huilebalk. Daar valt, lijkt mij, toch wel het nodige op af te dingen. Een recensent die de schrijver toevoegt dat hij zijn mond moet houden en, hup, maar rap een volgend boek moet schrijven, kan zich niet tegelijkertijd beroepen op een open geest. Hij weigert de uitwisseling waartoe ieder boek uiteindelijk oproept.

    -

    "Literatuur maakt vandaag de dag hoogstens nog deel uit van een marktgedreven amusementsindustrie en is alleen van belang voor zover men binnen die industrie bereid is haar amusant te vinden. De schrijvers die men daar nog wél belangrijk acht, danken die aandacht niet zozeer aan de specifiek literaire voortreffelijkheid van hun werk (al ontbreekt die daarom niet). Het zijn andere factoren die hen geschikt maken om als hofnar te dienen voor een industrie die alleen op entertainment en verkoop is gericht. Dat heeft niets meer te maken met de waarden die de literatuur van oudsher voorstaat. Het zijn de media die beslissen over de belangrijkheid, liever: de aantrekkelijkheid van een auteur.

                Wat daarbij precies bepalend is, valt overigens moeilijk te voorspellen. De ene keer gaat het om wat je bij aandacht van de massamedia verwacht: een schrijver die zichzelf presenteert als een simpele ziel die van die literatuur niet zo heel veel verstand zegt te hebben (type Kluun en Ronald Giphart), of die er gewoon een broertje dood aan heeft (Herman Brusselmans). De andere keer ziet men graag dat de schrijver zijn traditionele rol van ‘echte’ auteur blijft vervullen: dat hij kritisch, tegendraads is, tegen het establishment (type Tom Lanoye). Soms wil men de ondraaglijke lichtheid van Martin Bril, dan weer de zware poëtische diepte en hoogte van Erwin Mortier. Soms het haast documentaire, en vooral autobiografische realisme van Dimitri Verhulst (men is dol op autobiografie), dan weer de artificiële, mystieke werelden van Peter Verhelst. Ze mag natuurlijk ook gewoon een lekker stuk zijn, de auteur, liefst met een foto waarbij je spontaan gaat denken: maar die hoeft toch helemaal niet te schrijven om aan de kost te komen? Als het maar sexy is, kortom. Als het maar verkoopt."

    Uit: Het geluk van de kunst, p. 31-32

      

  • Pin it!

    Stemmen…

    Stemmen van Mieke Dobbels, Jan Sobrie en Wouter Deprez zoals ze klonken tijdens de presentatie van 'Het Belgisch huwelijk' op 25 maart jongstleden in de Vooruit. Doodjammer dat ik die mensen niet mee kan nemen naar andere optredens, elders. Al neem ik ze dan mee op film.

     

    Overigens: op 22 april wordt het boek besproken in 'Uitgelezen' in Gent, op 24 april in 'Uitgelezen' in Antwerpen.

     

     

  • Pin it!

    VPRO

    Cultuur is onchristelijk vroeg op de dag des Heeren (VRT) of goddeloos laat, maar dan wel elke nacht (VPRO). 'Nooit meer slapen', zo heet het toepasselijk genoeg. Het gesprek met Maarten Westerveen had ik gelukkig al eerder, in een klein kamertje van het pand aan de Van Miereveldstraat waar De Bezige Bij al sinds jaar en dag huist — de allereerste uitgever die ik ooit bezocht overigens.

    (Het moet ergens in 1985 of daaromtrent zijn geweest, kort na mijn debuut in het toenmalige tijdschrift Raster. Ik werd kort na die publicatie door de uitgever van Raster uitgenodigd om eens te komen praten. Er reden toen nog auto's op het Museumplein. We praatten niet in de uitgeverij zelf (Nicolaas Matsier —enfin, Tjit Reinsma, en nog iemand… ik ben zijn naam kwijt; hij overleed een paar jaar later), maar in café Keyzer in de Van Baerlestraat. Ik ben rond die tijd wel vaak in het pand aan de Van Miereveldstraat geweest, onder andere de dag dat mijn debuutbundel verscheen, 5 februari 1988, tevens de dag waarop De Bezige Bij haar nieuwjaarsreceptie hield. Op die receptie was ook Bert Schierbeek, winnaar van de Hendrik de Vriesprijs die destijds in Groningen werd uitgereikt. Ik had toen juist het Hendrik de Vriesstipendium van de stad Groningen gewonnen. 'Waar zouden we zijn zonder Hendrik!' bulderde Schierbeek, al enigszins boven zijn theewater, toen hij dat hoorde. Hij omhelsde mij en vroeg of wat ik daar in mijn handen had mijn nieuwe bundel was. Mocht hij die eens bekijken? En stak hem vervolgens in zijn zak. Dat was dan meteen het eerste van de tien auteursexemplaren dat ik kwijt was).

    De Bezige Bij (Amsterdam) is nu een totaal andere uitgever dan toen. Zelfs de schim van Mulisch (in '86 aanwezig getooid met een grote hoed, herinner ik me) lijkt er nu verdwenen. Er liep, zo leek het, nu veel meer personeel rond dan in de jaren tachtig. En toch was het hetzelfde pand, enkele verbouwingen daargelaten, en wist ik er nog grotendeels de weg. Maar ergens verwachtte ik Oscar Timmers nog tegen te zullen komen. En Erik Menkveld. Maar iedereen was iemand anders.

    Het past natuurlijk bij de situatie van een auteur als ik, die in zekere zin met ieder nieuw boek opnieuw debuteert. 'De literaire wereld' is 'het boekbedrijf' geworden en dat bedrijf heeft geen geheugen — tenzij voor verkoopcijfers en dus voor de bestsellerauteurs, de enige auteurs die in de huidige situatie in staat zijn om in de ogen van publiek én boekhandelaar werkelijk een oeuvre op te bouwen. Voor de meeste andere auteurs geldt dat ze zichzelf steeds opnieuw moeten voorstellen, alsof je op een receptie bent met louter demente mensen. Voor mij geldt dat zeker in Nederland. Mijn overstap naar (destijds) Meulenhoff / Manteau (en dus de overstap van 'Amsterdam' naar 'Antwerpen') heeft, samen met de steeds verdergaande verzelfstandiging van de Vlaamse en de Nederlandse literatuur, gemaakt dat ik boven de Moerdijk nauwelijks nog als auteur besta — tenzij in de herinnering van sommige recensenten. Maar het gaat natuurlijk vooral om de lezers.

    Wat dat aangaat was het tekenend om te horen van een oude kennis dat een boekhandel in Leeuwarden de boeken van De Bezige Bij Antwerpen niet 'automatisch' inkoopt; er is met andere woorden een groot aantal (Vlaamse) auteurs dat niet 'automatisch' in de Nederlandse boekhandels terecht komt. Wat niet betekent dat je hun werk niet alsnog kunt bestellen, maar je komt het niet in de winkel tegen. Je moet dus al weten dat het bestaat. De verkoopcijfers van Vlaamse auteurs in Nederland zijn dan ook navenant (omgekeerd blijkt er trouwens tussen Antwerpen en Breda ook een slotgracht zonder ophaalbrug te liggen).

    Hoe dan ook, onderstaand interview werd weliswaar in het putje van de nacht uitgezonden, maar opgenomen op een mooie zonnige middag, ergens vorige week, en nog wel door een interviewer die net als ik oorspronkelijk uit Twente kwam. Het maakte het wat makkelijker om uit te leggen dat je als Nederlander sommige Vlaamse uitdrukkingen nooit tot in de finesses zult begrijpen. Hij en ik begrijpen elkaar wanneer we zeggen 'Hennig an'. Rustig aan, zo zou je kunnen vertalen, maar achter de uitdrukking zelf zit een hele Twentse wereld en mentaliteit die maakt dat 'rustig' hier net iets anders is dan… rustig. Jammer eigenlijk, dat we het daarover hadden toen de microfoon al uit stond…

     

  • Pin it!

    Bar du Matin

    Het blijft een straf, zo vroeg op de ochtend moeten vertrekken om live in een uitzending te zitten van het nieuwe cultuurprogramma van radio 1. Maar kijk, in Museum M te Leuven, waar het programma deze ochtend te gast was, zat al om 7.00 uur publiek, er was koffie, er waren koffiebroodjes, er was fruitsap — maar je blijft je afvragen wie er werkelijk heeft geluisterd, zo vroeg. Vandaar bijgaande opname. 'Het goede doel' is een bonus — enfin, voor wie ooit in Nederland met dit lied mee stond te galmen ergens in de jaren tachtig. Een prachtig lied om aan te tonen hoe scheef de perceptie van België in Nederland is: 'omdat iedereen daar lacht'; en: 'dat taaltje is zo zacht'. 

     

  • Pin it!

    Vijfentwintig drie (3)

     

    Gentenaar.jpg

  • Pin it!

    25 maart (2)

     

    Hompen vlees.jpg

    "Het was zo'n voorstelling waarin veel onverstaanbaar geroepen en gegild werd en de acteurs en actrices weinig anders leken te zijn dan hompen vlees die druipend aan touwen op het toneel heen en weer zwaaiden en zo iets uitbeeldden, iets existentieels ongetwijfeld, iets dwingends ook, iets wat met onze tijd te maken had — wie weet zelfs met de politiek".

    Uit: Het Belgisch huwelijk.

     

     

  • Pin it!

    Presentatie 25/3 (1)

    Max loves Isabelle.jpg

     

  • Pin it!

    Vandaag in De Standaard: 'Belg. N'

    20130524_natalia.jpg

    Of een aantal collega-schrijvers me het stuk hieronder wel in dank gaan afnemen, valt te betwijfelen. Maar ik begrijp werkelijk niet waarom men zich druk maakt over de tussentaal van zangeres Natalia. Eenzelfde — als men wil — schabouwelijk Nederlands is dagelijks in diverse programma's op de Nederlandse tv te horen. En heel erg vind ik dat niet. Dat het hier voor specifiek Vlamingen een gevoelige kwestie betreft, is natuurlijk evident. De vele positieve reacties die ik deze ochtend op Facebook al mocht ontvangen, maken duidelijk dat ik een snaar raak. 

    Tegelijk zit ik hier op een hellend vlak. In tijden dat een populistische partij het zelfbewustzijn van de Vlaming vooral definieert als verkrampt Vlaams nationalisme, waarin wraakgevoelens jegens een ieder die de Vlaming slecht gezind zou zijn (en dat lijkt vaak de hele wereld te zijn) de overhand hebben, is wat ik hier bepleit makkelijk te misbruiken. Dat soort zelfbewustzijn bedoel ik niet, uiteraard. Het is maar dat het Nederlands in Vlaanderen de geheime voorraadkamer lijkt te zijn die van het Nederlands boven de Moerdijk wellicht nog een taal kan maken die niet voor de schoonheid van andere talen hoeft onder te doen — al was het maar omdat dat Nederlands hier veel meer van haar eigen geschiedenis heeft bewaard dan in Nederland zelf.

    Gezien de reacties op dit stuk, kan ik me nog aan het nodige verwachten (kan ik nog het nodige verwachten) wanneer straks (25 maart) mijn nieuwe roman verschijnt: Het Belgisch huwelijk. Nu even afgezien van het verhaal van de roman zelf: die roman gaat op het niveau van de taal heel erg over juist al die verschillen tussen het Nederlands en het Vlaams, en over wat dat betekent voor de wijze waarop we de wereld zien. Maar het bevat ook een aantal, misschien onaangename observaties over het huidige Vlaanderen en het huidige Nederland, over nationalisme, ressentiment, arrogantie en geweld.

    Ik meld het hier vast: 25 maart, in de balzaal van De Vooruit, wordt het boek gepresenteerd.

    HBH_A+.jpg

    Hieronder het stuk zoals het in De Standaard van vandaag stond. 

    screenshot_03.png

    Wat is dat toch met die Vlaamse taalpuristen? Nu struikelen ze weer met z’n allen over Natalia tijdens de MIA’s. In de eerste plaats: waar is de tijd gebleven dat dergelijke puristen zich te goed voelden voor dergelijke banale programma’s en er niet naar keken? Dat scheelde heel wat gemor. En in de tweede plaats: Natalia is inclusief borstmaat, beenlengte, achtergevel, mondholte en uitspraak nu eenmaal een merk. Dat huur je in of dat huur je niet in. Stel je voor dat Jan Becaus de MIA’s gaat presenteren. Of Kathleen Cools. Zo’n programma verdraagt helemaal geen Algemeen Nederlands. En soortgelijke programma’s in Nederland ook niet. Of dacht u dat Algemeen Nederlands boven de Moerdijk wel door alle tv-presentatoren gesproken wordt?

     Daar is het minder erg, zo lijkt het. ‘Hun hebben beter gespeeld’, zegt de gemiddelde voetballer, en hij weet heus wel dat ‘hun’ verkeerd is; het moet ‘hullie’ zijn. ‘Knuffelmarokkaan’ Ali B — recentelijk nog te gast in Café Corsari — moet zijn eerste zin in het AN nog uitspreken. Marco Borsato kan er ook niet veel van, eerlijk gezegd. Sowieso hebben alle Amsterdammers een spraakgebrek. En een gehoorprobleem. Een Vlaamse toerist die zijn stinkende best doet er in het AN een Hollandse Nieuwe te bestellen, krijgt antwoord in het Engels en kan naar zijn haring fluiten. Een Groninger overleeft het binnen de Amsterdamse grachtengordel trouwens ook niet zonder ondertiteling.

    Iemand moet me nu toch eens uitleggen waarom de zin Wa hebbie da baj je in Nederland niet tot een principiële discussie over ernstige taalverloedering leidt, en een zinnetje als Mijne vriend, gade gij mee hier onmiddellijk leidt tot de oprichting van een Actiegroep Nederlands onder leiding van een heuse emiritus hoogleraar (Stijn Verrept) en zelfs tot een petitie die door de grootste geesten van dit land prompt wordt ondertekend. De eerlijkheid gebiedt om te zeggen dat de actiegroep niet alléén uit Vlamingen bestaat; onder de twintig leden zijn er zowaar twee Nederlanders.

    Het heeft natuurlijk met macht te maken. Je zou bijna wensen dat er naast AN ook zoiets als AV, Algemeen Vlaams, zou bestaan. Tot voor kort werd alles wat daaronder zou kunnen vallen in de Van Dale nog aangeduid met de toevoeging ‘Belg. N.’: Belgisch-Nederlands. Ik geloof dat Van Dale daar vanaf de volgende druk mee op wil houden. Maar daarmee zet je niet onmiddellijk recht wat scheef is gegroeid: dat er vele ‘Belgisch-Nederlandse’ woorden en uitdrukkingen zijn die boven de Moerdijk niet tot het AN worden gerekend. Geen wonder dat Tom Lanoye altijd zegt dat het Nederlands in zijn puur Nederlandse gedaante zo mager en schraal is. Vlaamse vertalers hebben al eens van Nederlandse uitgevers te horen gekregen dat ze het woord ‘venster’ niet meer mochten gebruiken in hun vertalingen; het moest ‘raam’ zijn. Maar een vernster is net even iets anders dan een raam. Je kijkt er heel anders door.

    Het AN behoort blijkbaar aan de Hollanders, en er zijn helaas nog veel te veel Vlamingen die zich daarbij neerleggen en zelfs aan zelfkastijding beginnen te doen. In plaats van de breedte van onze taal te verdedigen, waarin een venster, een raam, en zelfs een vensterraam of glasraam het uitzicht op onze wereld zoveel groter maken. Ik bepleit hier dus niet dat de Vlaming het AN moet loslaten; hij moet het veeleer veroveren op de Hollander die er zijn alleenrecht laat gelden. Als we willen dat het Nederlands voor Nederland én Vlaanderen als standaardtaal behouden blijft, dan wordt het tijd dat men ook boven de Moerdijk eens de handen uit de mouwen steekt en leert luisteren naar hoe (wel degelijk ook) hun eigen taal hier klinkt. Voor de duidelijkheid: ik heb het dan niet over de talloze dialecten; ik heb het over ‘Belg. N.’, dat gewoon Nederlands is.

    Of Natalia’s Nederlands uit de Kempen dan wél aan de veroordeling ontsnapt die het nu ten deel viel, is van ondergeschikt belang. Zonder die kempische tongval zou ze een deel van de charme kwijt zijn die ze nodig heeft om haar andere gebreken te maskeren. Zoals het eten van Jeroen Meus zonder de saus van zijn sappige taaltje inderdaad gewoon dagelijkse, nogal saaie kost wordt. En zolang beiden het journaal niet presenteren, is er wat mij betreft geen reden voor de loeiende verontwaardiging van sommigen over hun zo verderfelijke tussentaal.

    In: De Standaard, 12 februari 2014

  • Pin it!

    Vandaag in De Standaard: pleidooi voor ouderwetse solidariteit

     

    screenshot_131.jpg

    We hebben er al bij al lang op moeten wachten: het moment dat auteurs zich eindelijk eens roeren als het gaat om de wijze waarop allerhande organisaties menen om te kunnen gaan met de prestaties die door hen worden geleverd. Een tijdje terug was het auteur Ann De Craemer die in het Nederlandse HP/De Tijd protesteerde tegen het dédain van een ieder die meent auteurs af te kunnen schepen met een flesje wijn, een boekenbon of soms — hoe schattig — een bosje bloemen. Meer recent was het Arjen Lubach die op zijn Facebookpagina Van Dale Uitgevers aanklaagde omdat die spulletjes uit hun eigen winkel als honorarium aanboden (DS, 7 december). Els Snick voegde er afgelopen dinsdag haar relaas aan toe (DS, 10 december). Zelf pleitte ik al in 2011, na de bekendmaking van de resulaten van het onderzoek van de Vlaamse Auteursvereniging naar het inkomen van schrijvers (gemiddeld 300 euro per maand), in deze krant voor een billijke vergoeding van auteurs (DS, 2 april 2011).

    Opmerkelijk in Snicks verhaal is dat ze de honorariumperikelen 'een heikele kwestie' noemt. In deze tijd, waarin het rigide marktdenken en de daarmee verbonden eis van nut en rendement hoogtij viert, bezorgt het blijkbaar menig auteur, illustrator, vormgever en wat dies meer zij enig schuldgevoel wanneer ze voor geleverde arbeid geld vragen. Alsof er een onoverbrugbare kloof bestaat tussen het scheppen en het verkopen van iets. Alsof de waarde van wat er is gemaakt alleen symbolisch valt uit te drukken.

    Dat hangt samen met het gevoel dat de kwaliteit van wat er wordt gemaakt geen enkel verband houdt met de mate waarin het verkoopt. Om me tot de literatuur te beperken: iets wat literair gesproken kwalitatief hoogstaand is, krijgt in veel gevallen totaal geen aandacht en de auteur behoort — financieel en anderzins — tot de absolute achterhoede. Iets wat literair gesproken abominabel is, kan in de verkoop toch hoge toppen scheren. En voor u nu denkt dat alles wat goed verkoopt literair gesproken minderwaardig is: dat is beslist niet zo. Er is geen peil op te trekken. Voor een auteur lijkt het grotendeels een loterij, iets wat hij of zij misschien alleen een klein beetje kan beïnvloeden door buiten het werk om salto's en koprollen te maken, een striptease te doen of anderszins de aandacht op zich te vestigen.

    Het kunstenaarschap is in onze contreien nog steeds verbonden met de stroming van de romantiek. De waarden die door de romantiek werden verdedigd (o.a. het individuele, de vrijheid, authenticiteit, orginaliteit), zijn in onze samenleving ondergeschikt gemaakt aan die van de heilige markt. Om niet te zeggen dat die waarden alleen nog mogen bestaan als een vorm van amusement — iets ter ontspanning. Individu ben je maar beter in je vrije tijd. Kunst, literatuur: het is voor de leut, eventueel om de burger na de kunstconsumptie in het alledaagse bestaan nog wat beter in het gareel te laten lopen.

    De nadruk op het individuele zelf heeft gemaakt dat kunstenaars, schrijvers etc. het erg moeilijk hebben om solidair te zijn met elkaar. De (artistieke) vrijheid maakt juist dat het verschil met de ander (terecht!) als een groot goed wordt beschouwd. Maar in een marktgestuurde context maakt dat ook dat schrijvers makkelijk tegen elkaar worden uitgespeeld als concurrenten. De waarde van hun meningsverschillen is in die context alleen van belang wanneer het een zekere amusementswaarde vertegenwoordigt — niet omdat die meningen er zelf ook maar iets toe zouden doen.

    Juist die onverschilligheid van de rest van de wereld zou auteurs van allerlei slag er meer toe moeten aanzetten om één lijn te trekken. Dat begint ermee dat ze zich zelf een klein beetje beter informeren over hoe de vork in de steel zit. Er zijn auteurs die zich laten afschepen door, wat mij betreft malafide uitgevers die doodleuk beweren dat als ze de auteur ook nog royalty's moeten betalen het boek in de winkel wel héél erg duur wordt. Bij zo'n uitgever moet je niet zijn, en je moet er zeker geen contract ondertekenen. Onderteken alleen een zogeheten 'standaard-' of 'modelcontract' (zie de site van de Vlaamse Auteursvereniging). En ja, weiger op te treden als er geen fatsoenlijke vergoeding tegenover staat, ook als het schrijver- of kunstenaarschap niet de voornaamste bron van inkomsten is. Wees solidair met je vakbroeders en -zusters op dit punt. Er bestaat een lijst van billijke (lees: minimum) vergoedingen (zie alweer de Vlaamse Auteursvereniging).

    Nu alleen nog het verschil tussen Nederlandse auteurs (basishonorarium bij optreden 265 euro) en Vlaanderen (200 euro) wegwerken. Dat Nederlandse auteurs meer zouden moeten verdienen dan Vlaamse lijkt mij op zijn minst iets waarover we, om kwalitatieve en andere redenen, grondig van mening zouden kunnen verschillen.

    zie ook:

    http://www.auteursvereniging.be/informatie/modelcontracten/

    http://www.auteursvereniging.be/informatie/richttarieven

    In De Standaard, 13-12-2013.

  • Pin it!

    Joos

    Wat te vrezen valt: dat de verontwaardiging over het afvoeren van het programma 'Joos' op Radio 1 uiteindelijk verzandt in dezelfde doffe berusting als die welke volgde op de veranderingen die van Vlaanderens klassieke muziekzender Radio 3 inenen 'Klara' maakten. Ook Radio 1 is wat dat aangaat niet aan zijn proefstuk toe. Ook daar is de afgelopen jaren al vaak 'ge-restyled', zoals het in de kringen van netmanagers en ander overbetaald volk heet, en dat allemaal omdat ze te weinig luisteraars zouden bereiken.

    Toegegeven: men wordt een beetje iebel van ieder half uur hetzelfde nieuws met dezelfde soundbytes — maar er waren aangename uitzonderingen. 'Joos' was daarbij dan nog eens  een verademing — niet alleen omdat het een cultuurprogramma was (het ging en gaat er vaak genoeg over heel andere dingen), maar vooral omdat Ruth Joos de drijvende kracht achter het geheel is. Zelden iemand gekend die zo hard werkt. En ja, één van de weinige presentatoren die het boek van de uitgenodigde schrijver gewoon gelezen heeft (en de handigste onder hen niet laat wegkomen met wat promopraat), de voorstelling van een theatermaker heeft bezocht, de films heeft gezien die ze in haar programma ter sprake brengt, concerten bezoekt.

    Geïnterviewd worden door Ruth Joos, dat is tot je eigen verrassing gewaar worden dat de audiovisuele media dan toch niet per se op gespannen voet staan met kunst en cultuur. In een (misschien naar de maatstaven van managers ontoelaatbaar lang) interview van slechts 20 minuten weet zij tot de kern door te dringen, zonder dat ook maar iemand het idee heeft dat hij er voor gestudeerd moet hebben om alles te kunnen volgen. Ruth Joos en het (sinds 2010) naar haar genoemde programma (voorheen heette hetzelfde programma 'Mezzo') doet in feite aan volksverheffing omdat in haar programma cultuur gewoon nooit 'moeilijk' is — waarmee ik niet bedoel dat ze niet spreekwoordelijk 'moeilijke' kunstenaars, schrijvers, kunst en literatuur aan bod laat komen, maar dat ook die 'moeilijke' mensen in haar programma meestal worden wat ze voor zichzelf waarschijnlijk ook zijn: gewoon kunstenaars, schrijvers, mensen die gepassioneerd bezig zijn met iets, vanuit die passie iets moois, interessants hebben gemaakt,  en die in dit programma iemand tegenover zich aantreffen die al even gepassioneerd is en van daaruit haar vragen stelt. Dat leidde in het verleden tot boeiende gesprekken die je nergens anders nog hoorde.

    Hoe anders de sfeer op de redactie van 'De ochtend', of toch tenminste die ene keer dat mij gevraagd was in alle vroegte iets te komen zeggen over… enfin, over iets. Ik was vroeg vertrokken om fileleed voor te zijn, en al rond kwart over zeven ter plaatse, waar dan naar goed gebruik een ontbijtje wordt aangeboden. Ik zat bij de hard werkende redactie die bezig was het lopende programma tot een goed einde te brengen een croissantje te eten. Op een wat rustiger moment vroeg één van de aanwezigen wat ik precies kwam doen, en dat moet ik toen hebben uitgelegd. Wat het ook was toen, het zal zeker verband hebben gehouden met literatuur. Ik herinner me dat ik dat woord daar heb laten vallen. Het leidde meteen tot fronsende wenkbrauwen. 'Ja ja, literatuur, dat is érg moeilijk hoor, op de radio'. Ik begon meteen een gesprek over wat ik noemde 'de angst voor literatuur' bij de media, de enorme vooroordelen als het daarover gaat, en inderdaad altijd maar weer dat idee dat het allemaal zo moeilijk is, en vooral: dat 'de luisteraar' dat niet zal begrijpen.

    Onderschatting van 'de luisteraar', vind ik altijd. Zoals 'de kijker', 'de lezer', 'de bioscoopbezoeker' en de 'theaterbezoeker' vaak worden gehouden voor halve randdebielen die je maar beter op de hurken toespreekt.

    (Dat heb ik Ruth Joos nooit zien doen: op de hurken gaan zitten om een denkbeeldige 'luisteraar' ter wille te zijn, waarvan iedereen weet dat het eigenlijk de netmanager zelf is).

    'Waar zijn jullie toch zo bang voor?', vroeg ik die ochtend. Ja, nou ja, kijk, dit was wel een publieke omroep hè. Dus… eh… ze moesten voor iedereen radio maken hè. Ik denk niet dat ik toen gezegd heb dat literatuur natuurlijk voor iedereen is. Ik antwoordde iets in de trant van: dat het publieke karakter van de zender niet betekende, en mijns inziens ook nooit kán betekenen, dat je op ieder moment van de dag voor iedereen, maar dan ook werkelijk voor iedereen, radio zat te maken. Het publieke aspect leek mij beter gewaarborgd door de zorg voor diversiteit — het omgekeerde van de eenheidsworst die hun houding opleverde. Waarna ik in de studio een luttele 5 minuten voor het nieuws nog even snel iets moest zeggen over… iets (echt geen idee meer wat dat was).

    De angst voor cultuur overwint telkens weer in de kringen van hen die inhoud en diepgang alleen wensen te begrijpen als het te vermalen valt tot wat zij 'content' noemen — het maakt geen reet uit wat die 'content' precies is. Eigenlijk zou je over literatuur moeten berichten als over sport.

    -We schakelen nu over naar Bart Schols die in Drongen staat, Bart?

    -Ja, Friedl, ik sta hier voor het huis van Erwin Mortier en het is ondragelijk spannend. Het ziet er naar uit dat Mortier tussen nu en een paar minuten dan toch… Ja, ja, het is gebeurd, dames en heren, het is gebeurd! Erwin Mortier heeft juist een nieuwe zin geschreven en… ja dat is toch mooi hoor, u kunt dat niet zien, beste luisteraars, maar Mortier maakt nu een ontroerend rondedansje voor de schrijftafel. Hij steekt zijn beide armen in de lucht. En terecht natuurlijk. Een prachtige zin is het, dames en heren, schitterend geschreven en precies op maat. Het leek heel even niks te worden, maar na een geraffineerde puntkomma hernam Mortier zich op formidabele wijze. Een bevrijding, dat moge duidelijk zijn. Er is dus een zin, een nieuwe zin, en de schrijver ervan heet Erwin Mortier. Terug naar de studio, terug naar jou Friedl.

    Misschien dat cultuur op deze manier nog een kleine kans maakt om te overleven in het geweld van de nieuwe elite: de cijferfetisjisten van de media die vooral de efficiëntie van hun meetinstrumenten meten.

    We moeten het niet pikken, die continue egalisering van onze cultuur tot een monocultuur  waar vroegere dictators alleen maar van konden dromen — en altijd op basis van argumenten die niets te maken hebben met de grond van de zaak. Een nieuwszender als Radio 1 die een cultuurprogramma als dat van Ruth Joos de nek omdraait, is de journalistiek onwaardig.

    95c78e24-373d-11e3-9849-c94566c8b785_web_scale_0.375_0.375__.jpg

  • Pin it!

    Eindelijk nieuws

    Het heeft even geduurd, maar na het interview met Marnix Peeters in De Morgen van afgelopen zaterdag (24 augustus) en het opiniestuk van Christoph Van Gerrewey in De Morgen van afgelopen dinsdag, blijkt er vandaag — alweer in De Morgen — dan toch eindelijk sprake te zijn van een literair nieuwsfeit: Jeroen de Preter meent dat de losse opmerkingen van Peeters en de repliek van Van Gerrewey 'de terugkeer van de literaire polemiek' inluiden.

    Tiens… Ik meende dat ik nog niet zo heel lang geleden (op de Staat van het Boek in april, om precies te zijn) Yves Desmet hoorde zeggen dat De Morgen in het verlengde van de slow food-beweging en de slow art-beweging en de slow nogwat-beweging resoluut voor slow journalism koos. Het personeel is blijkbaar niet ingelicht.

    Literaire nieuwsfeiten beperken zich al heel lang vooral tot de vermelding hoeveel iemand voor de krabbeltjes van een beroemde schrijver over heeft gehad, hoeveel boeken er van een bepaalde auteur zijn verkocht, welke auteur er is overgegaan naar welke uitgeverij (en eventueel voor hoeveel geld), en ja, mocht zich bij wijze van gelukkig toeval ergens een vechtpartij tussen auteurs hebben voorgedaan, dan zou ook dat in de kolommen literair nieuws terecht zijn gekomen. Er zijn natuurlijk nog altijd de boekenbijlagen, maar die gelden niet als werkelijk nieuws, ondanks verwoede pogingen om ook boekenbijlagen zoveel mogelijk op één lijn te krijgen met de rest van de krant (veel interviews, human interest etc, korte, steeds kortere recensies met toegekende sterren of bollen).

    Schrijvers zelf zijn al langere tijd zo verstandig om hun meningsverschillen binnenskamers uit te vechten — als het daar nog van komt. De druk van de commercie is inmiddels zo groot geworden, de traditionele literaire infrastructuur zozeer vernietigd, dat elke schrijver wel ergens het besef heeft dat literaire kritiek in de traditionele zin van het woord in de huidige omstandigheden alleen maar tot misverstanden kan leiden (literaire critici leggen in een klimaat waar verkoopcijfers belangrijker zijn dan de kwaliteit van de geboden waar bijvoorbeeld veel minder gewicht in de schaal dan tv-persoonlijkheden, politici, acteurs, zangers of ander bekend volk dat desgevraagd een mening over literatuur heeft). Een kritische opmerking over het werk van een collega zal nooit begrepen worden als een serieuze kanttekening bij een debat dat behalve over literatuur vooral over de wereld gaat. Nee, die kritiek zal begrepen worden als de uitdrukking van concurrentiezucht, niet met de bedoeling om van gedachten te wisselen, maar met de bedoeling de ander onder de zoden te schoffelen.

    Zoals altijd in dit soort gevallen lijkt het de schuld te zijn van enkel de journalistiek, van 'de' media. Helemaal waar is dat niet. Het feit dat De Preter op grond van niet meer dan een tweetal stukjes in de krant De Terugkeer Van De Literaire Polemiek proclameert, pleit nu niet onmiddellijk in het voordeel van de rol van de media in dezen. Zoals gezegd, als de Morgen aan slow journalism wil doen, dan zijn ze daar vergeten De Preter in te lichten. Maar anderzijds blijkt uit de voorbeelden die De Preter geeft dat ook onder schrijvers zelf 'polemiek' blijkbaar gelijk staat aan het elkaar toevoegen van persoonlijke beledigingen, het elkaar letterlijk te lijf gaan. Zoiets is alleen 'polemisch' wanneer het gebeurt in een context waarin literaire meningsverschillen nog relevant geacht worden voor een debat dat het literaire ver overstijgt. Dat was nog het geval in de tijd van grote polemisten als Du Perron, W.F. Hermans en de, zeg maar, wat jongere Jeroen Brouwers (zij het toen al een stuk minder). In een context waarin alleen het feit dat er geruzied wordt van tel is, maar niet werkelijk waarover het dan gaat, moet men zich als schrijver op zijn minst telkens afvragen waarom een krant ruimte zou bieden aan een stuk over een literaire kwestie.

    Suggereer ik nu dat Van Gerrewey met zijn stuk in de val is getrapt? Dan zou ik ervan uitgaan dat de krant die val bewust heeft gezet: eerst door Peeters populistisch te keer te laten gaan tegen De Literatuur (in populistische vertogen altijd opgevat als het domein van ivoren toren onanisten die zich beter voelen dan de rest van de wereld), daarmee speculerend op de Verontwaardiging van de Serieuze Schrijver die zich dan in de figuur van Van Gerrewey aandiende.

    Van een werkelijk bewuste val lijkt me hier geen sprake; maar de bok-op-de-haverkist reactie van De Preter maakt wel duidelijk dat in de huidige tijd die valkuil er altijd is. 

    Intussen is er van een werkelijke polemiek geen sprake, vooral omdat Van Gerrewey niet reageert op wat Peeters wérkelijk in dat interview zegt. Van Gerrewey kraakt Peeters boek af. Bon. Dat is literaire kritiek, en we weten al dat het daar niet langer om gaat. (Ik moet daar altijd bij zeggen dat ik dat betreur; welnu: ik betreur dat ten zeerste). Van Gerrewey komt uiteindelijk niet verder dan het uitventen van zijn eigen poëtica tegenover die van Peeters. Dat is zijn goed recht, maar hoewel er ook zeker een poëticale kant te ontdekken valt in wat Peeters allemaal heeft gezegd, gaat het niet in eerste instantie om een poëticale kwestie, maar om een sociaal-cultureel fenomeen.

    Eerst dit: wat Marnix Peeters in het interview heeft gezegd leunt zwaar aan tegen dat populistische discours waarover ik het had. Het lijkt alsof Peeters op 'de' literaire wereld projecteert wat hij zelf denkt dat die literaire wereld van hem zal vinden. Als voormalig journalist heeft hij het gevoel toegetreden te zijn tot een gezelschap dat hij blijkbaar zelf altijd als 'intellectueler' of 'meer hoogstaand' of iets dergelijks heeft beschouwd, en dat maar weinig op heeft met 'banale journalistjes' als hij. Ja, als je Cees Nooteboom als referentie neemt, zoals ergens Peeters doet, dan krijg je misschien dat idee ja. Die man is op persoonlijk vlak qua arrogantie en verwatenheid echter hors catégorie. Of Peeters persoonlijk geconfronteerd is met wat hij al op voorhand op 'de' literaire wereld projecteert, weet ik niet. Ik kan alleen maar zeggen dat het met de superioriteitsgedachte onder mijn schrijvende vrienden enorm meevalt. Wij praten over voetbal, en als het gezelschap het toelaat: over vrouwen (niet altijd even eerbiedig, moet ik bekennen); wij roddelen als de eerste de beste journalist over wie het met wie doet; wij spelen gitaar en zingen kampvuurliederen; en jawel, wij mopperen op 'de' journalistiek, 'de' media ook, verliezen ons soms even in een sombere beschouwing over het neoliberalisme dat ons allen nekt; het milieu komt soms langs ('het gaat toch echt wel niet goed, geloof ik'; 'hoe zijde gij hier? Met de wagen? Dieseltje?'); en verder gaat het over onze kinderen, die tot onverantwoord laat in de nacht door de tuin dwalen (als er al een tuin is; schrijvers zijn arme mensen) en over dat we snel oud worden; en als er echt veel drank mee gemoeid is dan bekennen we dat we elkaar graag zien. En ja, soms gaat het ook heus over literatuur. Meestal kort. Onze partners beginnen anders met hun ogen te draaien. Wij vallen, kortom, geweldig mee voor wie hier hoogdravende praat verwacht, en morele superioriteit.

    Toch is het vooral vanuit die vooronderstelling dat Peeters in zijn interview vertrekt. En het is met die vooronderstelling dat hij in dat interview een pleidooi houdt voor een zekere weidsheid, voor breedte, voor 'anything goes' eigenlijk. En voor voorlezen ook. 

    Ik heb niets tegen voorlezen voor een publiek. Wel integendeel. Ik ken niet veel schrijvers die er wel iets op tegen hebben. Ja, blijkbaar Van Gerrewey die, zo stelt hij zelf in zijn opiniestuk, de auteur was die door Peeters smalend wordt beschreven als degene die op Crossing Border een pamflet voorlas 'waarin hij uitlegde waarom hij niet ging voorlezen uit zijn overigens zeer goede nieuwe boek'. Het moet voor Peeters een alweer gemakkelijk verkregen bewijs zijn voor de hooghartige afzijdigheid van 'de' literaire auteur.

    Ik frons ook even de wenkbrauwen bij zo'n actie, vind helemaal niet dat elke auteur het tot zijn plicht moet rekenen om zijn werk voor te lezen, maar zou in het geval van Van Gerrewey Crossing Border vriendelijk hebben bedankt voor de uitnodiging en de eer aan een andere auteur hebben gelaten, een auteur die wél graag voorleest uit eigen werk. Kwestie van collegialiteit.

    Het is maar dat juist door dit soort voorbeelden in het interview van Peeters langzamerhand een identificatie optreedt tussen 'voorlezen' en een bepaald soort, meer toegankelijke literatuur, een literatuur die geen moeite heeft gekost, die niet uit pijn geboren is, die niet zo in de diepte wroet als sommige auteurs (overigens heel vaak niet ten onrechte) zeggen dat hun werk doet. En de ironie is dat Peeters dat eigenlijk lijkt te zeggen vanuit het idee dat mensen als hij niet aan bod komen in de 'literaire' wereld. Dat is in zijn geval evident onzin. En hij zal misschien verbaasd zijn dat er aan de door hem als hoogliterair beschouwde kant juist het omgekeerde gedacht wordt: dat het Peeters' ideeën zijn die de boventoon voeren in het vandaag de dag geheel door de vooronderstellingen van de journalistiek (en de daarmee onvermijdelijk verbonden commerciële logica) gedomineerde 'literaire' klimaat. En dat het die vooronderstellingen zijn die maken dat 'stillere' auteurs, schrijvers van meer introverte teksten,  niet meer aan het woord komen. Heel veel van die auteurs willen best graag voorlezen, maar ze worden niet uitgenodigd, ze krijgen de kans niet eens meer om het publiek via hun eigen stem kennis te laten nemen van het schoons dat zíj te bieden hebben (terwijl tegelijkertijd hun boeken niet meer worden ingekocht door de grote boekhandelconcerns en daar dus ook al niet te vinden zijn). Ze zijn voor organisatoren al op voorhand (en vaak ongelezen) 'te moeilijk' of 'te serieus'. Of domweg niet bekend omdat media noch grote boekhandels hen wensen waar te nemen.

    Heel veel van die auteurs hadden ook niet zo gemakkelijk toegang tot de media als Peeters bleek te hebben toen zijn debuut verscheen, een debuut waarvoor zijn uitgever — juist vanwege Peeters' banden met de journalistiek — op voorhand meer moeite wilde doen dan voor veel van zijn andere auteurs: de kans op succes in juist die journalistieke kringen was immers groter. Pas op, dat is geen verwijt naar Peeters of zelfs naar de uitgever toe. Het is een weergave van wat momenteel nu eenmaal de realiteit is. Er is geen relatie tussen de literaire kwaliteit van het gebodene en de toegang tot de media. Het is van andere factoren afhankelijk.

    Korter door de bocht: de hele 'terugkeer van de literaire polemiek' is in dit geval terug te voeren op het feit dat Peeters in zijn interview precies die dingen zegt die men in journalistieke kringen graag over literatuur en literaire auteurs hoort (dat het een zootje arrogante betweters is) en dat Van Gerrewey daarop reageert op de manier die de journalistiek graag ziet: als een echte arrogante auteur die het beter weet. Over literatuur zelf gaat dit niet echt. Hoogstens bewijst de hele kwestie nog eens dat het — jawel: 'de' media zijn die de agenda bepalen. 

    En daarom is er dus bij dezen sprake van De Terugkeer Van De Literaire Polemiek. Het staat in de krant, immers?

  • Pin it!

    Terugverlangen naar nu

    bonkaart 1944.JPG

    Foto's; een Diploma A van de Vereeniging van Leeraren in Stenografie en Machineschrijven, afdeeling Machineschrijven, snelheid 140 aanslagen per minuut, behaald op 31 januari 1946;  een bonkaart uit 1944; een tweetal foto's uit de tijd dat het leraarschap nog respectabel genoeg was voor staatsieportretten van het personeel (met sigaret); een rapport van de muziekschool van mijn zus; bouwtekeningen van de 'Middenstandswoning' die mijn ouders in 1961 betrokken aan de rand van Goor, met toen nog direct achter een later afgebroken stationsgebouw de velden; nog meer foto's met deels onbekende gezichten zonder naam die desalniettemin een vage gelijkenis vertonen met foto's met gezichten waarop ik nog wel een naam kan plakken…

    papa jaren 50.JPGpapa school jaren 50.JPG

    Een persoonsbewijs van de grootvader van mijn vaders kant, van de grootmoeder van mijn moeders kant, alsmede een pasje van N.B.S. Afdeeling Bewakingstroepen met de tekst: 'Verzoeke aan: H. Van Schooten-Gierman P.B. No. B96/3201 de IJsselbrug te laten passeeren. Geldig alle dagen', ondertekend door de commandant van de N.B.S. Bewakingstroep Zutphen, J. Sierink (als ik de handtekening correct lees) — een pasje dat mijn oma, die als dienster werkte, het recht gaf elke dag de IJsselbrug bij Zutphen over te steken als zij vanuit Brummen naar haar werk ging. Een kaart uit Leeuwarden, waar mijn grootvader van moederszijde gedurende de Eerste Wereldoorlog gelegerd was (gemobiliseerd) — een bewijs dat toentertijd al ter gelegenheid van nieuwjaar foto's werden verstuurd bij wijze van ansichtkaart. Als ik het goed zie is hij degene die zo frivool zijn veldfles heft. En ik heb het sterke vermoeden dat de man helemaal links de vader van mijn vader is: mijn ene en mijn andere grootvader kenden elkaar al lang voor de geboorte van mijn ouders en waren samen op dezelfde plek onder de wapens geroepen (maar vochten niet, uiteraard).

    kaart nw jr 1918.JPG

     

    screenshot_110.jpg

    Uit de pakweg tien verhuisdozen die we de afgelopen maand uit het appartement van mijn moeder hebben meegenomen, komt de ene herinnering na de andere. En vooral ook: de herinneringen van degene die ik me herinner, zonder dat ik zelf herinneringen heb aan veel van wat ik zie. Het verlangen dit alles op de juiste manier een plek te geven, ook al tast ik bij veel in het duister en is er niet werkelijk iemand meer aan wie ik kan vragen hoe of het zat. De merkwaardige haast zelfs die ik heb om dit alles ordelijk op te bergen zonder dat het verdwijnt in dozen op zolder, dozen die je pas bij een eventuele volgende verhuizing terugvindt om dan voor hetzelfde probleem te staan: wat moet ik hier allemaal mee? Weggooien gaat niet. Bewaren is in zekere zin zinloos. Het zijn delen van een verhaal dat ik niet ken. Een verhaal dat ik zelf zal moeten maken misschien, maar niet nu, niet nu. 

    De voortdurende herinneringsarbeid waartoe het opruimen me dwingt, is op dit moment een aanslag op de eigen gemoedsrust. Ze verhindert dat de tijd zijn rechten herneemt. En hoewel ook de rouw zijn rechten heeft is er inmiddels een soort terugverlangen naar het heden: dat ik nu weer mag beginnen met waar ik mee bezig was. Zodat ik mezelf nu toch oude briefkaarten, half-vergane fotoboeken, officiële documenten die elke betekenis in deze tijd verloren hebben in dozen zie stoppen met aan mijzelf de vage belofte dat ik niet zal wachten tot een volgende verhuizing om hier wat orde in aan te brengen.

    Parallel daarmee word ik steeds ongeduldiger ten aanzien van Nederlandse firma's en instanties die mijn overleden moeder maar niet uit hun systemen lijken te kunnen krijgen, geld eisen wanneer dat niet terecht is, telefonisch onbereikbaar zijn en anderzins niet te contacteren, en die als ze mij als erfgenaam geld schuldig zijn bijvoorbeeld doodleuk beweren dat de 'structuur van Belgische bankrekeningnummers' het hen onmogelijk maakt om dat geld aan mij over te maken; hun 'systeem' kan dat niet aan. Of ik niet in Nederland een rekening kan openen. Het gaat in dit geval om een afrekening van gas en licht, zodat nog niet helemaal duidelijk is wie er wie iets is verschuldigd. Ik heb al laten weten dat in dat geval míjn 'systeem' eventuele betaling aan hun Nederlandse rekeningnummer ook volstrekt onmogelijk maakt. Al heb ik wel nog uitgelegd aan de dienstdoende mevrouw dat die 'Belgische structuur' van mijn rekeningnummer eigenlijk een internationale 'structuur', want een IBAN-nummer is, een 'structuur' die in België en de meeste omringende landen ook al ingeburgerd is voor binnenlands betalingsverkeer. En verder dat het me niet zo héél erg ingewikkeld lijkt als 'het systeem' het niet aan kan: men neme een internationaal overschrijvingsformulier en vult dat, desnoods met de hand, in. Men reageert gechoqueerd op een dergelijk onbetamelijk voorstel.

    Ook al dit vruchteloze gedoe — een combinatie van voorgeschreven beleefdheid (men condoleert mij zonder uitzondering netjes en wenst mij veel sterkte toe) en onbeschofte domheid — houdt me vast in iets wat ik zou willen kunnen afronden, zodat ik eindelijk een begin kan maken met wennen aan wat voortaan het geval is: het heden zoals het is.

  • Pin it!

    'Overlijding'

    Er zijn in Nederland diverse firma's die zich aanbieden om een woning 'bezemschoon' op te leveren. Het is alweer lang geleden dat ik dat woord nog eens hoorde: 'bezemschoon'. Het herinnert me aan die typisch Nederlandse woningbouwverenigingen, aan de huurwoningen waaruit je bij vertrek zelfs de tijdens je verblijf aangebrachte evidente verbeteringen weer diende te verwijderen. Ik herinner me in Leeuwarden een inbraakvrij traliewerk dat ik voor het grote raam in de voordeur had geplaatst nadat er bij me was ingebroken. Dat moest er weer af. Maar ik ken ook verhalen van mensen die een nieuwe badkamer moesten slopen en het oorspronkelijke armoedige lavet en de douchebak dienden terug te plaatsen. Originele staat is originele staat.

    Mijn moeder liet een goede anderhalve maand voor haar overlijden nog een nieuwe laminaatvloer leggen. 'Toch zonde,' zei ze een paar dagen voor haar verscheiden. 'Hé,' zei ik, 'je bent er nog. Je hebt er nog plezier van, toch?' Nu staat die laminaatvloer op een 'overnameformulier' in de hoop dat een nieuwe bewoner of bewoonster dat graag zal zien. Anders moet ik de laatste dagen voor de opzegdatum nog op de knieën om het er allemaal weer uit te breken.

    Ja, of zo'n firma het werk laten doen. Ze doen dat immers ook en vooral 'bij overlijding', zoals het op de ene na de andere website van betreffende firma's genoemd wordt. Men moet opkopers en -ruimers niet op hun kennis van de Nederlandse taal afrekenen. Men moet hen afrekenen op wat ze zeggen over te hebben voor het meubilair dat weg moet. Er staat voor duizenden euro's aan notenhouten dressoirs, salon- en eettafels met bijpassende stoelen, een zo goed als nieuwe roodleren zetel voor de bejaarde burgerlijke burger — hedendaags meubilair voor wie vooral hecht aan ouderwetsheid. De eerste en tot nu toe enige firma die een offerte uitbracht kwam tot een zodanig miezerig bedrag, dat we vriendelijk beloofden nog iets van ons te laten horen om ze zo snel mogelijk de deur uit te krijgen. Auping-bedden met elektrisch verstelbare bodem die ik op tweedehandssites voor ruim 500 euro aangeboden zie staan, stonden op hun papiertje voor nog geen 30 euro. De dood is altijd al lucratief geweest.

    Het is slopende arbeid, dit 'opruimen'. Het is letterlijk de ontbinding van een leven, het uiteenvallen daarvan in losse stukken meubilair, glas- en zilverwerk, in koektrommels waarvan ik me nog herinner hoe lastig het was om ze zonder al te veel geluid open te krijgen om er in het geniep een koekje uit te kunnen nemen, in oude doosjes, portefeuilles, kistjes waarvan je nog weet waar ze precies lagen in het ouderlijk huis dat al bijna dertig jaar geleden werd verkocht en die nu weer opduiken in dit laatste appartement — spullen die je als de door het lot bepaalde opruimer, de laatst overgeblevene uit een gezin van vier, krampachtig in het verband houdt waarin ze ooit stonden. Om dan, telkens opnieuw, bij zowat elk voorwerp dat door je handen gaat, in te moeten zien dat dat nu juist is wat je moet lossen: dat verband. Je moet zien dat het 'spullen' zijn, niks meer. Telkens weer.

    Maar bij sommige van die 'spullen' gebeurt net het omgekeerde. Het is alsof je ze nu pas voor het eerst ziet. Ik denk dat dat komt omdat je overweegt of het misschien juist de laatste keer is dat je ze zult zien, zult vastpakken. Het maakt dat wat voor mij altijd vanzelfsprekend was — een object, een ding waar ik nauwelijks aandacht aan schonk, dat geen bijzondere waarde voor me had omdat het er nu eenmaal altijd, niet zelden in al zijn wansmakelijkheid, was — nu opeens heel bijzonder wordt, het tegendeel van het object, het ding dat het altijd was.

    Het is, het was van mijn moeder. Het verbindt zich met de fotoboeken van de verloving in 1951, van het huwelijk in 1954, met het fotoboek van de zus, van mijzelf. Het verbindt zich met het dagboek dat je tegenkomt in een lade. Het wordt iets onoverkomelijks.

    Slopende arbeid, dit.

    Als we na zo'n dag terugrijden, voor mij de lange weg vanuit het moederland naar het thuisland, langs Arnhem, Nijmegen, Gorinchem, Breda, Antwerpen, 260 lange kilometers terug — dan zwijgen we. Er is dat typische zomeravondlicht. Je ziet de bomen zwarte silhouetten worden tegen een nog steeds niet helemaal donkere hemel. Er speelt muziek. De dochter valt in slaap. De parkeerterreinen staan vol vrachtwagens. 

  • Pin it!

    'neergegooid in de hoek van een oud station'

    Misschien geldt het voor alle meer algemene kwesties: dat er altijd anekdotes zijn die het hele discours ondermijnen. Maar wie alleen de individuele gevallen laat gelden, komt uiteindelijk tot niets, ook niet als het de bedoeling is om de rechten van juist het individu te beschermen. Het komt dus aan op de juiste generalisaties. Maar generalisaties kunnen alleen juist zijn als de individuele gevallen het uitgangspunt vormen. 

    Het maakt dat bijvoorbeeld euthanasie altijd een heikele kwestie zal blijven.

    Ik maakte het recentelijk mee in een Nederlands ziekenhuis: hoe een arts met voorbijgaan aan zijn patiënte de zinvolheid van het medisch handelen tot het enige criterium verklaarde en op grond daarvan, zonder dat zijn patiënte daarop was voorbereid, vijf minuten voor een in zijn ogen blijkbaar zinloze ingreep vroeg: 'Weet u zeker dat u dit nog wel wilt?'

    Erg warm menselijk was dat niet, nee.

    Nog minder menselijk was het feit dat hij de ingreep maar half uitvoerde. Ik kon niet in zijn hoofd kijken, maar toen ik samen met hem en de patiënte in kwestie in een vensterloos vertrek van het ziekenhuis rond de tafel zat en hem hoorde zeggen dat het blijkbaar allemaal niet veel geholpen had, dat de bloedwaarden nog steeds geen verbetering vertoonden, kreeg ik sterk de indruk dat wat hem betreft deze 83-jarige vrouw met kanker maar beter zo snel mogelijk kon sterven. Hem zo eens beziend, had ik de indruk dat bij die overtuiging niet eens de oplopende kosten in de Nederlandse gezondheidszorg zijn grootste bekommernis waren. Dat was al erg geweest. Maar ik vermoed dat zijn vakantie voor de deur stond, dat hij belangrijker zaken te doen had en geen zin had zich bezig te houden met wat hij zelf al had afgeschreven. Fuck Hippocrates!

    Die vrouw, die patiënte, was wel mijn moeder. Ik werd dus kwaad.

    Of, vroeg ik, het niet een klein beetje logisch was dat als er sprake is van algeheel nierfalen en hij, meneer de dokter, slechts één van de twee door kanker geblokkeerde nierleiders met behulp van een stent weer had geopend — was het dan niet logisch dat de andere, nog geblokkeerde nier onverdroten gifstoffen aan het bloed bleef afgeven, zodat inderdaad die bloedwaarden niet spectaculair verbeterden? 'Ik ben natuurlijk geen uroloog, zoals u', zei ik, maar logisch redeneren kan ik nog wel.

    De man was geïrriteerd. Hij maakte een vegende beweging met zijn arm. Ik moest even denken aan een dichtregel van Gerrit Kouwenaar. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Ook in een ziekenhuis. 'neergegooid in de hoek van een oud station', dacht ik. Het is een regel uit het in memoriam-gedicht dat Kouwenaar voor zijn moeder schreef. 'Al met aarde', heet het en het staat in het ogenblik: terwijl (1987): 'Al met aarde besmet haar uitwendig gezicht, nooit / keek men zo laat in het vroegste gezicht', zo begint het. En aan het slot staat die regel over het station. Die staat in het gedicht zelf tussen aanhalingstekens. Het is een citaat, zo vertelde Gerrit Kouwenaar mij ooit zelf, het was iets wat zijn moeder op het laatst tegen hem gezegd had: dat ze zich voelde als iets wat was neergegooid in de hoek van een oud station. 'vergeten bagage, afgelast eindpunt, zelfs / geen laatste trein die haar meeneemt —' , zo vervolgt de dichter.

    Met dat armgebaar leek de uroloog mijn moeder als een hoopje vuil in een hoek te willen vegen. Hij beweerde ineens dat die andere nier helemaal niet meer werkte, 'en u zit toch helemaal vol kanker, is het niet? Het zit toch ook al in de botten?' Dat was ons nog niet verteld. Hij kon het ook zo snel niet in zijn papieren terugvinden, maar zoiets was het toch wel, dacht hij. Hij was natuurlijk geen oncoloog.

    Nee.

    Na dit optreden eiste ik een onderhoud met de oncoloog. Die verordonneerde dat de maar half uitgevoerde ingreep alsnog volledig zou worden uitgevoerd, was duidelijk geïrriteerd over het gedrag van zijn collega, maar zei ook: 'U moet goed begrijpen mevrouw, we kunnen deze slag misschien winnen, maar de oorlog gaan we verliezen.' Maar de vraag waar de grens getrokken moet worden, legde deze man wel weer waar hij dient te liggen: bij de patiënt. Het is mijn moeder die moet aangeven wat ondragelijk is, en wat ze nog wil dragen. Nooit mag een arts een ingreep weigeren alleen maar omdat die, met het oog op het zekere einde, medisch gesproken niet 'zinvol' zou zijn. Als we hier de verkeerde generalisatie maken, zou je immers kunnen zeggen dat er dan nooit ingegrepen hoeft te worden, omdat het leven nu eenmaal vroeg of laat op de dood uitloopt. De besparingen in de gezondheidszorg zullen enorm zijn.

    Later vroeg ik me af: zou het misschien zo zijn dat euthanasie in Nederland zo'n courante praktijk is geworden dat de terugkoppeling naar het individuele geval niet meer of minder snel gebeurt? Dat 'zinvol medisch handelen' een mantra is geworden die in deze tijden van nuttigheidsdenken als vanzelf leidt tot de conclusie dat elke ingreep die geen genezing meer brengt maar bijvoorbeeld wel nog het comfort van de patiënt verhoogt, al is het maar voor even, onder 'therapeutische hardnekkigheid' valt en te veroordelen is? In veel gevallen dreigt dan de diagnose een vorm van executie te worden.

    De patiente vecht. Ze gaat verliezen. Ze lijdt. Maar zij is het die opgeeft — aan het bittere eind, of eventueel eerder. Die beslissing is niet aan de arts, zelfs al krijgt die achteraf gelijk…     

  • Pin it!

    Types

    Het blijft toch een wonderlijk fenomeen: de wijze waarop de media met literatuur omgaan. Het kan niemand ontgaan zijn dat Dimitri Verhulst een nieuwe roman uit heeft gebracht. Ik heb die roman nog niet gelezen. Ik vind Verhulst een goed auteur. Maar ik vind hem niet per se beter dan veel andere goede auteurs die boeken kunnen uitbrengen totdat ze de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, maar van wie we in de media nooit iets anders zullen vernemen dan een signalementje of een recensietje. We horen in ieder geval niet dat de auteur in kwestie van zijn vrouw af is, tegenwoordig in Zweden rondhangt met een nieuw lief, dat dat nieuwe lief eigenlijk een oud lief is, dat hij failliet is, dat hij er niet voor kiest om voor een publiek van menopauzerende vrouwen in een bibliotheek gedichten voor te lezen, dat aankloppen bij het Vlaams Fonds voor de Letteren min of meer een verkapte vorm van werklozensteun is — God, wat zijn we in korte tijd wel niet allemaal over en van Dimitri Verhulst te weten gekomen? O ja, dat er dus een nieuwe roman is, al is niet helemaal duidelijk geworden waar die nu precies over gaat, noch is erg op de voorgrond komen te staan wat de betekenis van deze roman voor ons zou kunnen zijn.

    Dit klinkt een beetje als het gebruikelijke verongelijkte gesputter uit de vergeetput die de rest van de literatuur voor de media zo vaak is — maar daar gaat het me niet om. Dat Verhulst buiten zijn nieuwe roman om dingen zegt die kant noch wal raken, het zij hem vergeven. Dat hij een afkeer heeft van 'de middelmatigheid die zich daarna liefde laat noemen', bijvoorbeeld. Ach, de man is verliefd. Dat gaat ook weer over. Het is een chemische cocktail die, zeggen onderzoekers, na een goeie 22 maanden wel ongeveer is uitgewerkt. Wat daarop volgt middelmatigheid noemen is je opstellen als een drugsverslaafde die zijn shotje niet meer krijgt. Je kunt het ook lichtelijk infantiel noemen. En dan te bedenken dat zijn nieuwe liefde over 22 maanden (ze is nu 46, zelfs dat weten wij als lezers nu dankzij een interview in DS Weekblad), waarschijnlijk tot het menopauzerende deel van de bevolking zal behoren. Als dat maar goed gaat…

    Maar nog steeds is dit alles niets wat je Verhulst kwalijk kunt nemen. Hij is een beetje hyper (nieuw boek, nieuw wijf) — en dan zegt men wel eens wat. Velen van ons zouden niet anders reageren. En de diverse interviewers willen blijkbaar dit soort dingen graag horen en opschrijven. Er bestaat nu eenmaal een beeld van de schrijver Verhulst en daar passen verhalen over nieuwe lieven beter in dan verhandelingen over… vooruit… over het neoliberalisme — waar Verhulst blijkens zijn inleiding op Hoe durven ze? van Peter Mertens erg tegen gekant is, alhoewel hij nu tussen neus en lippen opmerkingen maakt die toch doen vermoeden dat hij ondanks die inleiding in het geniep Open VLD stemt en wekelijks bij Van Eetvelt van de Unizo op de koffie gaat. Hij spreekt, om het zo eens te zeggen, 'wild om zich heen', omdat dat ook precies is wat men van hem vraagt.

    Niets aan de hand, dus. Gewoon een perfecte illustratie van de zucht naar amusement, een mediaverlangen dat door de ene schrijver nu eenmaal beter wordt vervuld dan door een ander. Verhulst heeft een hoge amusementswaarde. (Waarmee ik alweer — men moet o zo voorzichtig zijn! — niets maar dan ook helemaal niets over het werk van Verhulst gezegd wil hebben, en over de literaire waarde die dat werk uiteraard heeft). 

    Maar dan pikken diezelfde media plotsklaps één uitspraak van de (voor hen) auteur-van-de-week uit het grote geheel, en lijkt er opeens een Kwestie te zijn. De stelling dat aankloppen bij het Vlaams Fonds voor de Letteren min of meer een verkapte vorm van werklozensteun is — een uitspraak die Verhulst in een radioprogramma deed — werd door De Morgen nog eens apart geciteerd. En daarmee zit het spel dan meteen op de wagen. Subsidies…

    Politici worden gesubsidieerd, en ruimer dan auteurs. Boeren krijgen subsidie. Voetballers. De politie. Wegenbouwers. Zelfs journalisten (jazeker!) Maar alleen de subsidies voor auteurs van literair werk zijn blijkbaar in staat om volkswoede op te wekken. Niemand komt op het idee een journalist een verkapte werkloze te noemen. In die zin deed Verhulst een halsloze uitspraak waarvoor zijn verliefdheid wat mij betreft maar in zeer geringe mate als excuus kan dienen. Zelfs in die aggregatietoestand had hij beter moeten weten (verliefdheid lijkt mij gasvormig, vluchtig). Dat de verkapte werklozen bij de krant zo enthousiast op precies zo'n uitspraak springen, lijkt te duiden op de diepgewortelde overtuiging dat literatuur van nul en generlei waarde is — dit ondanks het bestaan van (zij het dan geregeld nogal lifestyle-achtige) boekenbijlages.

    Dat blijkt ook uit het vervolg dat De Standaard gisteren aan de Intocht van Verhulst breide: nu was het Verhulsts opmerking dat hij failliet zou zijn die de aanleiding vormde voor een wat dwaze typologie van schrijvers. De vraag was met welk zakenmodel de schrijver het woord met de winst verzoende. Een idiote vraag. Helemaal als je ziet tot welke typologie men vervolgens kwam: de broodschrijver, de ondernemer, de zolderkamerschrijver en de pragmaticus. 

    screenshot_108.jpg

    Voor de volledigheid:

    Een broodschrijver streeft niet naar artistieke erkenning, verkoopt graag en veel, doet geen beroep op subsidies en zit er niet mee in om zijn waren aan te passen aan de smaak van de massa of om een succesvol recept te herhalen (prototype: Aspe).

    De ondernemer is een schrijver met een plan die weet hoe je boeken verkoopt en die er geen problemen mee heeft om ook de populaire paden te bewandelen; hij is zichtbaar want de media maken deel uit van zijn businessplan; hij treedt graag op en spreekt even vlot als hij schrijft (prototype: Bart Van Loo).

    De zolderkamerschrijver acht geld ondergeschikt aan het schrijverschap, rekent op subsidies en vindt dat oké, belichaamt het idee van de romantische schrijver (schrijven is een roeping) en wil zich voltijds aan het schrijven wijden (protoype Maarten Inghels).

    De pragmaticus heeft een job die niets met het schrijversvak te maken heeft en publiceert daarnaast mondjesmaat (doet gemakkelijk vijf jaar over een project); hij heeft de vrijheid om weinig compromissen te sluiten, is selectief in zijn schrijfprojecten en zuinig op zijn lezingen en optredens (prototype Dirk van Bastelaere).

    Aldus De Standaard van 23 mei.

    Tjonge…

    Ik hoor niet echt ergens bij, vrees ik toch. Of juist overal. Want, goh, ja, ik ben ook echt wel een broodschrijver, aangezien het mijn ambitie is om van mijn schrijven te leven — iets wat mij voorlopig alleen lukt door een beroep te doen op werkbeurzen die mij in staat stellen om de projecten waar ik echt wel voor gekozen heb, tot een goed einde te voeren. Ik geloof overigens niet dat een broodschrijver niet naar artistieke erkenning zou hengelen en vind het unfair hem die al op voorhand te willen onthouden. Verder ben ik wel degelijk ook een ondernemer, want ik heb er geen problemen mee 'populaire paden' te bewandelen (ik weet niet precies wat ermee wordt bedoeld, maar toch wel ongeveer). Ondanks het feit dat ik als zolderkamerschrijver mijn schrijven als een roeping zie en ik tegelijkertijd pragmatisch probeer te zijn en — om den brode — naast het schrijven heel wat doe wat die roeping soms danig in de weg staat. 

    Of je zichtbaar bent omdat de media ook wel degelijk deel uitmaken van je businessplan, weet ik niet. Het is maar één van de vele vreemde aannames bij de vier typen van schrijvers. Bart Van Loo is zeker zichtbaar omdat hij boeken heeft geschreven die uitstekend passen binnen wat de media op dit moment graag uitventen: boeken waarin een zekere nostalgie de boventoon voert; die nostalgie viert in wel meer programma's op tv en op de radio hoogtij (alweer: dit is absoluut geen kritiek, maar een verklaring). Dat Bart een gave heeft die vele schrijvers ontbreekt — hij is, net als Lanoye trouwens, een theaterman, of gewoon De Gedroomde Leraar — helpt hier natuurlijk wel. En tja, alweer helemaal niks ten nadele van Van Loo (die ik hogelijk waardeer in wat hij doet en in hoe hij dat doet), maar een schrijver die vooral goed is in schrijven, lijkt mij toch niet te kort te schieten in wat we van hem mogen verwachten. En kijk, voor de meesten maken de media deel uit van hun businessplan (of dacht u dat Leonard Nolens het liefst niets verkoopt, geen aandacht wil in de media? Hij heeft zelfs een keer een half radioprogramma zitten zwijgen om aan het woord te komen). Maar dat is de vraag niet. De vraag is of zij passen binnen het businessplan van de media. De ene zolderkamerschrijver blijkbaar wél, zo blijkt (Verhulst wordt, ondanks zijn afschuw van subsidies, bij deze categorie gerekend), de andere niet.

    Wat deze typologie vooral verdoezelt, is hoezeer het de media zijn die bepalen wat wel of niet relevant is. Voor hetzelfde geld was Van Loo's liefde voor Frankrijk in de ogen van de media zoiets geweest als de liefde van de filatelist voor postzegels uit de Derde Republiek. Kijk, daar lees je nou nooit eens iets over…

    Enfin, de hele typologie is op een achternamiddag aan de telefoon, aan een rommelig bureautje in het redactielokaal van De Standaard tot stand gekomen. Zelfs Van Bastelaere werd even in een nontheoretische bui aangetroffen. 'Ik heb altijd nog een job naast mijn activiteiten als dichter en essayist gehad: ik vind dat je ook een band moet hebben met de reële economie en je moet engageren in de maatschappij waarover je schrijft'. Dat klinkt als een fijne veroordeling aan het adres van die schrijvers die geen job naast hun schrijverschap hebben, maar die hun job als schrijver beschouwen als wel degelijk een band met de reële economie, en al helemaal als de wijze waarop zij zich engageren in de maatschappij waarover ook zij schrijven. Je zou kunnen zeggen dat Van Bastelaere dat alleen doet als persverantwoordelijke van SD Worx, omdat hij met de vrijheid die hij zich zo verwerft compromisloze literatuur kan schrijven die niemand wil lezen en die zich dus op geen enkel manier engageert in de maatschappij, niettegenstaande de rotsvaste overtuiging van de essayist VB dat het altijd en overal ging en gaat om 'de wereldlijke inbedding van de poëzie'.

    Je zou dat kunnen zeggen… Maar dat zet ook geen zoden aan de dijk.

    Ergo: een non-issue, deze typologie, maar buitengewoon irritant in zijn stigmatiserende effecten (subsidieslurpende schrijvers). En speciaal voor (al dan niet gesubsidieerde) Standaard-journalist Joël-'ik haat schrijvers die het over het neo-liberalisme hebben'-De Ceulaer zou ik er nog aan toe willen voegen: heel erg geredeneerd vanuit een marktlogica die waarde met winst verwart. 


     

  • Pin it!

    De Staat van het Boek

    logo185.gif

    Gisteren mochten Andre Vandorpe, de nieuwe directeur van Boek.be, en ik, als nieuwe (co)voorzitter van VAV, het bal openen op De Staat van het Boek in het Radissonhotel in Antwerpen. Het was daar waar zich 'de spelers' in het 'speelveld' van het boek hadden verzameld, zoals dat vaak heet. Ik kon het niet laten om het (strikt voor mezelf) op te merken: veel stropdassen en goede salarissen, weinig tot geen auteurs (voor wie 35 euro inschrijfgeld misschien ook wat aan de hoge kant was). Dat ik als vertegenwoordiger van die auteurs meteen aan het woord kwam, compenseerde dat misschien enigszins — in ieder geval was de organisatie ons niet vergeten (dat heeft de VAV onder Erik Vlaminck en Koen Stassijns in ieder geval weten te bewerkstelligen) — maar in één van de sessies die volgde op Vandorpe's en mijn gesprek kwamen er twee wat clowneske 'spelers' een 'actieprogramma voor de Nederlandstalige boekensector' voorstellen, en zaten we weer onmiddellijk in de logica van marktdenkers die de auteur als voorwaarde voor het hele boekgebeuren domweg niet erkennen. Bovendien werd ik na mijn gesprek met Vandorpe door een dan toch aanwezige auteur aangesproken die met Het geluk van de kunst in de hand zei ernstig in mij teleurgesteld te zijn. Daarop las ze een passage voor uit het boek. Ik moest haar uitleggen dat ik als co-voorzitter van zoiets als een vakbond voor alle schrijvers niet louter en alleen voor mezelf kon spreken.

    Dat is ook een beetje de consensus onder alle 'spelers': dat de tegenstellingen en vooral de tegengestelde belangen (tussen auteurs en uitgevers, tussen auteurs en boekhandel, tussen boekhandel en uitgeverij, tussen rechtenmaatschappijen en de rest van de wereld) weliswaar bestaan, maar dat het de bedoeling is dat we met z'n allen 'constructief' blijven. Dat is ook mijn uitgangspunt. Maar als ik de heren Van Nispen (CPNB) en Vanschoonbeek (Vlaamse Uitgevers Vereniging) namens de 'Denktank Vlaanderen-Nederland' dan een volledig op vergoddelijking van het marktdenken afgestemd betoog hoor houden waarin de auteur volledig is weggestreept, heb ik ineens geen enkele behoefte om 'constructief' te blijven.

    Er wordt in een dergelijk betoog altijd naar hartelust geschermd met 'de lezer' of 'de consument'. Beide heren deden dat op een wat perverse wijze door slogans uit de bij uitstek antikapitalistische bewegingen uit het verleden te gebruiken om deze nadruk op de gebruiker kracht bij te zetten. Power to the people, zo heette het, alsof ze het niet over geldgewin maar over democratisering hadden.

    Je hoort dat tegenwoordig vaker: 'de' lezer wil dit en dat, en een auteur doet er goed aan om zich aan 'de' lezer aan te passen en niet zo eigenwijs zijn eigen gang te blijven gaan. Het is een boodschap die auteurs niet alleen van dit soort marketeers krijgen, maar in toenemende mate ook van uitgevers die zich, bijvoorbeeld omdat ze gezien hun sector onrealistische winsten moeten maken, gedwongen voelen om vooral naar hun verkoopafdeling te luisteren — verkoopafdelingen die niet verkopen wat er gemaakt wordt, maar willen dat er gemaakt wordt wat verkoopt. En dat wordt dan weer bepaald door grote boekhandelketens die (zo zei ik vorig jaar in mijn geheel namens mijzelf uitgesproken lezing op dezelfde gelegenheid) het niet lijkt uit te maken of ze nu literatuur of porno verkopen. En zo zijn er dan plotseling auteurs die 'het verkeerde boek' schrijven. Misschien boeken die afgemeten aan de traditie van de literatuur en de binnen die traditie bestaande praktijk van betekenisgeving en kwaliteitstoekenning tot het meer briljante deel van de wereldliteratuur gerekend zouden kunnen worden, maar met dergelijke mumbo-jumbo halen we onze winstmarges niet natuurlijk. 

    Vreemd en kortzichtig vind ik zoiets. Niet alleen omdat het een recept is voor een monocultuur die uiteindelijk tot de volledige ineenstorting van de totale boekenmarkt zal leiden — ook die van de e-books, voor wie denkt dat een vlucht in het digitale de sector zal kunnen redden. Maar vooral omdat deze mensen niet zien dat die lezer van hen zélf een product is van de markt.

    Ik maak wel eens de vergelijking met de modewereld. Niemand is graag uit de mode — tenzij uit de mode zijn zelf weer modieus is. Toch komt in die wereld niemand op het idee om aan modeontwerpers op te leggen dat zij alleen dat mogen ontwerpen wat al in de mode is, wat iedereen graag draagt. Integendeel, modeontwerpers ontwerpen haast per definitie kleding die niemand wérkelijk zou willen dragen — of loopt u er graag bij als die wandelende skeletten op de diverse defilés in Parijs, Milaan en elders, met frutsels waar u ze liever niet heeft, met transparante stoffen die uw lichaam ontbloten waar u het liever bedekt houdt? Toch zullen elementen van die ontwerpen hun weg vinden naar wat u een jaar of twee jaar later wél graag aan zult doen, waarvan u zelfs het gevoel heeft dat u het aan móét doen om niet uit de mode te zijn. Als het om modeontwerpers gaat, vindt iedereen dit normaal. Als het om schrijvers gaat, heet het elitair en blijkt het om 'de verkeerde boeken' te gaan. Om binnen het beeld te blijven: de schrijver moet confectie maken.

    Er is niks mis met confectie, maar wel met een redenering die confectie dwingend voorschrijft. Het marktgerichte denken wordt voorgesteld als verfrissend, als nieuw, als een vorm van innovatie, terwijl vasthouden aan de traditie van de literatuur waarin het zoeken naar het andere voorgaat op de reproductie van het overbekende (en ik heb het dan niet alleen maar over het esthetische en vormelijke van literatuur, maar ook over het ethische, over gezichtspunten, perspectieven, kortom: over het ideologische aspect van literatuur) als 'conservatief' en 'achterhaald' wordt voorgesteld. Maar de redeneertrant van de heren Van Nispen en Vanschoonbeek leidt juist tot steeds meer van hetzelfde en is in die zin allesbehalve vooruitstrevend: achter de vlotte managementspeak gaat een verpletterend reactionair wereldbeeld schuil. Bovendien een wereldbeeld dat, in tegenstelling tot de mooie (maar volstrekt pervers gebruikte) woorden over power to the people de lezer, de consument niet serieus neemt als een willend wezen, maar alleen als iemand die zijn portemonnee moet trekken voor wat in toenemende mate verstikkende monotonie zal blijken te zijn.

    Enfin, dit is niet wat ik 'constructief' noem. Het feit dat in de genoemde denktank de auteurs niet zijn vertegenwoordigd, is dat al evenmin.

    De Staat van het Boek had nog wel meer te bieden. Ik kon, net als iedereen, niet alles bijwonen, en koos ervoor om naar een sessie te gaan over Confituur, eerder een causerie van Yves Desmet. Die deed zijn best om de paniek in de boekensector wat te temperen, de adembenemende haast waarmee er in die sector achter de nieuwste ontwikkelingen wordt aangehold. Het enige wat men daarmee bereikt, zo zei hij, is dat men zijn eigen ergste voorspellingen helpt waarmaken. Hij wees op de mode in krantenland om een goed decennium geleden globaal digitaal te gaan, waardoor er nu een hele generatie potentiële krantenlezers is opgegroeid met het idee dat nieuws vooral gratis dient te zijn, niet beseffend dat het zo nooit kan werken en met een desastreus effect op de verkoop van kranten. Hij begon over de slow food-beweging en over de keuze die je vandaag de dag kunt maken voor ook het tegenovergestelde van de dwang eindeloos te consumeren, voor inhaligheid als perverse deugd en nog zo wat — iets waarbinnen uiteraard het nieuwe verbond van onafhankelijke boekhandels past. Een verhaal dat veel beter als fond kan dienen om constructief te blijven zoeken naar de evenwichten tussen de diverse spelers die noodzakelijk zijn om de boekensector overeind te houden.

    Kortom, zoals het misschien ook wel hoort op zulke dagen, de Staat van het Boek was een mix van ergernis en instemming en legde in die zin vooral de tegenstellingen bloot in een sector die, net als de meeste sectoren in onze economie, enigszins in paniek lijkt te zijn. En ik moet zeggen: de organisatie was uiterst correct tegenover de arme auteur die ik ben. Ik kreeg een doos met drie flessen wijn voor mijn bijdrage, maar die kwam bovenop een eerder honorariumvoorstel. De meeste sprekers zullen het met enkel de wijn moeten doen, maar men was zich ervan bewust dat het voorzitterschap van de VAV niet bezoldigd is.

    Wel moest ik mijn horloge afgeven aan gastvrouw Gitte Van Hoyweghen… Ze was de hare vergeten. Maar zelfs dat kreeg ik aan het eind van de dag terug.