Inwijkeling

  • Pin it!

    Vriendschap op het eerste gezicht

    Herinneringen aan Gerrit Kouwenaar — het is een precaire onderneming: Anna Enquist beschijft háár vriendschap met Gerrit Kouwenaar, en dus moet het niet verbazen dat Kouwenaar hier gevormd wordt naar haar beeld. Daarnaast roept het boek de vraag op wát je je precies in het openbaar wilt herinneren van een vriendschap die voor de wereld niet verloren mag gaan.

    Eerder verschenen op Knack.be en Dereactor.org

    Lees meer...

  • Pin it!

    De laatste veren van de uil

    De Fintro Literatuurprijs is niet meer. Jeroen Olyslaegers is de tweede en laatste winnaar. Marc Reugebrink vreest dat de marketingjongens het nu zullen overnemen van de vakjury.

    In De Standaard van 16 mei 2017

    Lees meer...

  • Pin it!

    “Een moeder die sterft, is een wereld die verdwijnt” 

    Een interview met Kirstin Vanlierde in Gezinskrant De Bond 11, 12 mei 2017. 

    Lees meer...

  • Pin it!

    BruTaal in Brugge

    Op 7 mei lees ik voor uit 'Het huis van de zalmen', samen met Frans Grapperhaus op cello. Het begint om 14.30 uur, in de leeszaal van Het Tolhuis aan het Jan van Eyckplein te Brugge.

    Zie ook:http://www.kaap.be/programma/brutaal_2017

    Lees meer...

  • Pin it!

    Robert Ankers 'In de wereld'

    Het werd zijn laatste roman. Robert Anker overleed op de dag dat In de wereld gepresenteerd zou worden. De roman eindigt met een passage waarin de hoofdpersoon op de dood wacht, waarin die dood een thuiskomst lijkt, zelfs. Maar de roman als geheel is toch vooral een hartstochtelijk pleidooi om onderweg te blijven.

    Zie ook op Knack.be en De Reactor

    Lees meer...

  • Pin it!

    Lees meer!

    Een interview door Ann de Bie in de Kamermuziekzaal van het Concertgebouw Brugge over Het huis van de zalmen.

    Lees meer...

  • Pin it!

    'In het voorbijgaan' van Ron Elshout

    Gisteren (18 december) mocht ik de nieuwe bundel van Ron Elshout inleiden in boekhandel Post Scriptum te Schiedam — een persoonlijk verhaal over een inmiddels lange vriendschap en over de plek van poëzie in dat alles. 

    Lees meer...

  • Pin it!

    De fictie van de non-fictie

    Is non-fictie te prefereren boven fictie? Frank Westerman beweert zoiets in zijn Verweylezing, gepubliceerd in De Standaard van 9 november. Toch wat kanttekeningen.

    Lees meer...

  • Pin it!

    Anne Frank versus de Bijbel

    Hoewel Hier ben ik grotendeels het langzame uiteenvallen van het huwelijk van Jacob en Julia beschrijft, lijkt dat huwelijk zelf niet het werkelijke onderwerp van de roman te zijn.

    Een recensie over de laatste roman van Jonathan Safran Foer

     

    Eerder verschenen op knack.be en dereactor.org

    Lees meer...

  • Pin it!

    Je lichaam weet het

    Een fragment uit Het huis van de zalmen, met zicht op de IJssel,         de rivier die er altijd was… 

    Lees meer...

  • Pin it!

    Kweekzalmen! Vraiment Marcel…

    IMG_1838.JPG

    Een kort fragment uit de uitzending van Pompidou op Klara, gisterenmiddag (22 september) — met Els Snick, Chantal Pattyn en filmrecensent Jeroen Struys die meeklapt aan het eind.

    Lees meer...

  • Pin it!

    Bart Van Loo over Het huis van de zalmen

    Een laudatio is een lofprijzing. Dat heb ik geweten. "In dit boek is zijn pen behendiger, slimmer, maar vooral ontroerender dan ooit, ze snijdt als een vlijmscherp Laguiolemes door best wel complexe thema's: wie zijn wij? Waar komen wij vandaan? Wie zijn onze ouders? Wat weten wij van hen? Zijn we niet vergeten dat ooit ook zij jong waren? Hebben we de moeite genomen of de gelegenheid gegrepen om hen beter… om hen echt te leren kennen?"

     

    Bart Van Loo sprak voor een volle Minard-schouwburg in Gent over Het huis van de zalmen, over hem, over mij, en zorgde en passant voor wat gemurmel bij dat deel van het publiek dat zijn wilde postmoderne haren misschien wel kwijt was, maar daarom nog niet meteen ontrouw.

     

    Lees meer...

  • Pin it!

    Bar du Matin over Het huis van de zalmen

    Een interview met Annemie Tweepenninckx over 'Het huis van de zalmen'.

    "Het is een familieverhaal dat verdriet losweekt — in het verhaal zelf maar ook zeker bij de lezer. (…) Ik kan alleen maar vol lof zijn, dit is een onwaarschijnlijk juist verhaal", zei Annemie Tweepenninckx. En alsof dat niet genoeg was voegde ze na een muzikaal intermezzo toe: 'Hier op tafel, dat grote boek, zo noem ik het. Ik koester het nu al, en ik hoop dat jij dat ook gaat doen als je het gelezen hebt".

     

    Lees meer...

  • Pin it!

    Presentatie van 'Het huis van de zalmen'

     

    'De wilde zalm keert terug naar zijn geboortegrond. Iets in hem dwingt hem de monding op te zoeken van de rivier waaruit hij afkomstig is en stroomopwaarts terug te zwemmen naar waar hij is verwekt, om daar uiteindelijk te sterven. Gekweekte zalm heeft geen geboortegrond, Marcel, geen huis, geen thuis. Hij kan niet gehoorzamen aan zijn eigen natuur. Hij wordt letterlijk geworpen, in een kooi, met een instinct dat nergens meer toe dient. Het is geen zalm. Het is een andere vis, een vis die zichzelf vreemd is geworden. En dat proeft ge, geloof me, dat proeft ge'.

     

    Op 15 september wordt Het huis van de zalmen gepresenteerd in de Minard-schouwburg in Gent. Een roman over wilde en gekweekte zalm, over rouw en rauwe vis, over een moeder en een zoon, over afscheid en heimat.

     

    Lees meer...

  • Pin it!

    Tegen de dood

    Elias Canetti's niet aflatende strijd tegen de dood verdraagt geen keurig afgerond boek; hij duldt geen schema of systeem. Dat is dan ook meteen het eerste waarop je je moet voorbereiden: je krijgt dit boek niet uit. Het verzet zich tegen zijn einde. Je blijft lezen en herlezen, je verwonderen over de soms uiterst paradoxale of ronduit raadselachtige, poëtische notities en gedachten.

    Een recensie over Elias Canetti, Het boek tegen de dood. Met een nawoord van Peter von Matt. Vertaling: Ria van Hengel. Privé-domein nr. 285. Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen 2016.

    Eerder verschenen op Knack.be en De Reactor

    Lees meer...

  • Pin it!

    Vandaag in De Standaard (en een dag later NRC)

    Ooit gidsland, nu gipsland

     

    Het vluchtelingendebat verloopt in Nederland dermate verhit dat politici hun argumenten gecounterd zien met kogelbrieven of brandende auto’s. En dat in het land dat zich ooit zo graag het geweten van de wereld noemde? Ach, schrijft Marc Reugebrink, zo tolerant was Nederland nooit echt. Taboes waren er zodanig groot dat ze niet eens als taboe erkend werden.

    foto: David van Dam/hh

    Lees meer...

  • Pin it!

    Accattone of het dramaturgentheater

     

    11954657_905741052828943_8302046462850757336_n.jpg

     

     

    NTGent speelde in de loodsen van houtbedrijf Lemahieu aan de Gentse haven Accattone, naar de eerste zwart-wit-film van Pier Paolo Pasolini uit 1961, een film die zelf weer gebaseerd zou zijn op Ragazzi di vita, een roman uit 1956, en op Una vita violenta uit 1959. Die laatste roman werd (ook in 1961) al eens verfilmd door Paolo Heusch and Brunello Rondi. Het was een voorstelling in samenwerking met het Koor en Orkest Collegium Vocale Gent.


    Men moet niet op alle slakken zout leggen.


    Dat NTGent, met name de hernieuwde artistiek leider Johan Simons ervoor kiest om theater op locatie te brengen, dat men zulks doet om het theater in te planten in de directe omgeving — in dit geval het Gentse havengebied en de Gentse volkswijk De Muide —, het lijkt allemaal mooi aan te sluiten bij de figuur van Pasolini en bij de inhoud van Accattone zelf: het verhaal van een man die weigert mee te stappen in het kapitalisme en consumentisme dat direct na de Tweede Wereldoorlog de wereld stormenderhand veroverde. Toneel brengen buiten de cultuurtempels met hun wellicht voor sommigen wat te hoge drempels — het duidt op sociale betrokkenheid. Ook dat er voor het publiek dekentjes te koop werden aangeboden die het na de meer dan twee uur durende voorstelling in de tochtige loods bij een van de inzamelpunten achter kon laten, zodat de dekentjes  op 3 oktober met een konvooi van tien busjes naar het vluchtelingenkamp in Calais kunnen worden gebracht — het was een schoolvoorbeeld van de blijkbaar solidaristische aanpak die Johan Simons in zijn tweede termijn als artistiek leider voorstaat.


    Jammer alleen dat de toegangsprijs 45 euro was, waardoor het publiek sowieso bestond uit mensen die, als ze al in De Muide woonden, daar minstens een riante loft of ingrijpend verbouwde woning bezaten, — mensen uit de gegoede middenklasse kortom, niet werkelijk oorspronkelijke bewoners uit De Muide (de meesten kwamen dan ook met de auto van elders, auto's die geparkeerd moesten worden op het parkeerterrein van de Decathlon en de Weba aan de Vliegtuiglaan; er waren zelfs twee politieagenten ingeschakeld om de meute van parkeerterrein naar de overkant van de Vliegtuiglaan te loodsen, omdat de weginrichting daar geen rekening houdt met het bestaan van voetgangers). Dat NTGent bij wijze van toegangspoort een enorme, goed verwarmde tent had neergepoot waar je aan van die hoge tafeltjes die je gewoonlijk alleen bij de betere recepties ziet je glaasje bubbels kon nuttigen, alsook exquise hapjes van Coeur Catering, het leek de goede bedoelingen, en ook de eerder communistische sympathieën van Pasolini, enigszins tegen te spreken — al laat ik zoiets gewoonlijk niet aan mijn hart komen. Laat ik zeggen dat er een zeker ironie school in al die op consumentistisch welbevinden gerichte zaken en de door de makers geformuleerde intenties. Als publiek ontleende je zo zelfs enig genot aan het feit dat de zitjes in de tribune abominabel waren en de kou inderdaad niet te onderschatten: cultureel verantwoorde austeriteit als hedonisme.


    Zoals gezegd: men moet niet op alle slakken zout willen leggen.


    Maar aan alle goede bedoelingen komt een eind. 


    Het stuk zelf was een bittere teleurstelling. Om de een of andere reden heeft NTGent ervoor gekozen om het verhaal van Accattone zelf niet meer te vertellen — als was het een mythe, een bijbelverhaal of een sprookje dat tot het collectieve bewustzijn behoort. De hele dramatische handeling van het oorspronkelijke stuk ontbreekt en we krijgen in plaats daarvan een soort tekstballet: losse scènes zonder dramatische opbouw, als was er op basis van het eigenlijke verhaal een lijstje opgesteld met uit te beelden tafereeltjes die we minimaal moesten zien als illustratie bij een al op voorhand geformuleerde betekenis. Alsof Brecht nog niet gestorven is (en alsof hij zelf in zijn stukken niet zondigde tegen zijn eigen artistieke geboden), leek elke vorm van identificatie hier uit den boze te zijn. De handelingen zelf werden als toneelaanwijzingen opgelezen, in plaats van door de spelers opgevolgd en uitgevoerd. Dat leverde soms in termen van mise-en-scène mooie beelden op, en een enkele keer, wanneer toneel echt leek plaats te maken voor ballet, iets wat me kon ontroeren: een scène waarin één van de prostitués in elkaar wordt geslagen, een afstraffing die als een onbeholpen pas de deux was vormgegeven.


    Ik moest denken aan een aflevering van Van Kooten en De Bie, ergens uit de jaren tachtig, waarin beide heren de niet geringe taak op zich namen om het essay Carnaval der burgers (1929) van Menno ter Braak te verfilmen.       

     


     

    De associatie is een tikje wild, maar Accattone van NTGent leek eerder op de dramatisering van een door een dramaturg gemaakte analyse, dan dat het zelf drama was of werd. Het essay van dramaturg Koen Tachelet in het programmaboekje van de voorstelling is buitengewoon interessant en spannend, maar het vertelt je uiteindelijk meer over het verhaal van Accattone dan de voorstelling zelf doet.


    In die voorstelling speelt de muziek van Bach een niet onbelangrijke rol. Het is 'vooral de muziek van Bach die Accattone's verhaal de radicaliteit van een passie verleent', schrijft (ook in het programmaboekje) Jan Vandenhouwe. En ja, het is evident dat de muziek van Bach die tussen de scènes door gespeeld wordt, bedoeld is om aan die scènes een diepgang te geven die ze van zichzelf helaas niet hebben. Maar omdat de muziek niet zozeer in het stuk is geïntegreerd, maar veeleer tussendoor geprogrammeerd staat (tijdens de muziek lopen de acteurs wat doelloos rond, rennen helemaal naar het andere einde van de loods, lopen in en uit een met een brander opengesneden container, of zitten domweg te wachten), had Bach hier aan willekeurig welke scènes uit willekeurig welk verhaal 'de radicaliteit van een passie' kunnen verlenen. De relatie tussen het één en het ander is puur conceptueel, maar zeker niet noodzakelijk. Accattone als een Christus-figuur — dat is op basis van het verhaal zeker geen onzinnige associatie. Maar het is enkel en alleen de muziek van Bach die in deze voorstelling aan het personage de trekken van een Christus-figuur meegeeft — het stuk zoals het wordt gespeeld geeft daar eigenlijk geen aanleiding toe.


    Het zal aan mij liggen, denk ik altijd als ik zo'n voorstelling verlaat. Ik wil mij kunnen verliezen. Ik geloof in de aloude catharsis, en catharsis is niet mogelijk op basis van intellectuele concepten die scéne-gewijs worden uitgebeeld, of eerder nog: geïllustreerd, al dan niet met toevoeging van hemelse muziek. De gedachte dat de toeschouwer per sé vervreemd dient te worden, dat identificatie zijn vermogen tot kritische reflectie zou dwarsbomen — het behoort allemaal tot het domein van 'de heilzame ziekte' die de vroegere avant-garde geweest is, om eens een andere Nederlandse schrijver uit de jaren dertig aan te halen. Het is een ziekte waarvan menig theatermaker maar niet lijkt te willen genezen. 

     

    Het drama, het verzet, de weigering en de waardigheid — ze komen veel beter tot uitdrukking in een enscenering die het publiek meelokt, van zijn comfortabele plaats trekt, hem deelgenoot maakt van wat het uit zichzelf niet zou opzoeken. Maar hier was alles omgekeerd: tot en met de ongemakkelijk zittende stoeltjes op de tribune (zelfs in een voetbalstadion zit je beter) was alles erop gericht de toeschouwer voor iedere vorm van verleiding te behoeden. Alleen de op voorhand vastgestelde betekenis mocht tot ons komen — voorwaar: een haast gereformeerde theateropvatting (sola scriptura, sola fides).

     

    Alleen Collegium Vocale bleek onweerstaanbaar. Die kregen nadien dan ook de luidste toejuichingen van het publiek. De toneelspelers leken tijdens het slotapplaus (ik zag de voorstelling van 17 september) herleid te zijn tot de décorstukken die ze voor mij helaas gedurende de hele voorstelling al waren geweest.

  • Pin it!

    Imitatio-aemulatio: Dedecker of de Belgische politicus.

    Luc Tuymans is veroordeeld voor plagiaat. De foto die Katrijn Van Giel van de inmiddels bijna geheel in de weldadige nevel der vergetelheid verdwenen politicus Jean-Marie Dedecker maakte, is het origineel dat Tuymans met zijn 'naschilderschilderij' niet tot heuse kunst heeft weten te maken. Zegt de rechter. 

    Opmerkelijk aan dat vonnis is dat het eigenlijk eeuwen kunstgeschiedenis onderuit haalt. De imitatio is nog steeds een wezenlijk deel van die geschiedenis, en met de imitatio de aemulatio: de omvorming van het oorspronkelijke beeld tot iets nieuws. Of, om het lijstje compleet te maken: translatio, imitatio, aemulatio — want de termen waren oorspronkelijk vooral bedoeld voor literaire werken. Veel van de Romeinse letterkunde zou volgens het oordeel dat nu in de zaak Tuymans-Van Giel is geveld waarschijnlijk plagiaat genoemd moeten worden. Zonder de Grieken staan die Romeinen namelijk nergens. Vuile overschrijvers waren het.

    screenshot_147.png

    © Tuymans                © Van Giel     

    Het schilderij van Tuymans is geen kopie van Van Giels foto. Het werk verdedigen met het argument dat het hier om een parodie zou gaan, is een zwaktebod (de advocaten van vandaag de dag lijken te weinig geletterd te zijn om werkelijk slim voor de dag te komen). Blijkbaar is het in de Belgische wet de meest voor de hand liggende uitweg uit het juridische doolhof rond originaliteit, maar zelfs een kind kan zien dat Tuymans' schilderij geen 'kluchtige, spottende nabootsing van een (…) werk' is, 'waarbij vorm en toon min of meer behouden blijven, maar de stof zo wordt ingekleed dat het effect lachwekkend is'. Noch is het een 'povere, zwakke nabootsing die het voorbeeld slechts onvoldoende en bespottelijk weergeeft of vertegenwoordigt' (Van Dale). Zeggen dat het een parodie is, is 'adding injury to insult', want in beide definities wordt er gespot met het origineel, alsof Tuymans met die verdediging wilde zeggen: ik wilde u niet kopiëren, mevrouw Van Giel, ik wilde u belachelijk maken, en daarom verdien ik vrijspraak.

    Nee, wat Tuymans onmiddellijk in de weergaloze foto van Van Giel gezien moet hebben, is wat hij vooral tot uitdrukking brengt in de titel van het schilderij. Van Giel maakte een foto van Jean-Marie Dedecker, Tuymans een schilderij van 'A Belgian Politician'. Voor wie Jean-Marie Dedecker en zijn soms aberrante standpunten kent, is de foto van Van Giel veelzeggend. Een zwetende politieker, dat riekt naar alle vooroordelen die er over politici bestaan: dat het toch wat louche figuren zijn, zakkenvullers, broodzwetsers, leugenaars, in sommige gevallen zelfs: ongure typen die uit zijn op macht, macht en nog eens macht en er hun eigen moeder voor zouden verkopen. Ik zeg overigens niet dat Van Giel dat met haar foto heeft willen zeggen; je kunt ook, afhankelijk van je persoonlijke gehechtheid aan de figuur Dedecker of aan de door hem vertolkte standpunten, iets… ja iets nobels, iets romeins bijna, in het portret ontdekken: het eerlijke zweet van de ridder te paard die Dedecker vaak ten tonele voerde als het om hemzelf ging, strijdend voor de rechtvaardigheid waarvan hij zich de belichaming achtte. Of platvloerser nog (het is een persfoto immers: gebonden aan de actualiteit) en afhankelijk van het moment waarop de foto genomen werd, bijvoorbeeld het moment waarop Dedecker na toch enig electoraal succes in het verleden op dat moment vecht tegen de totale ondergang van zijn partij. Als je van die neergang een goede persfoto had willen maken, dan is het wel deze.

    Punt is: Tuymans schilderij is minder een schilderij van Dedecker op een welbepaald moment in de geschiedenis, dan van een politicus, een Bélgische politicus. Jean-Marie Dedecker verdwijnt hier achter zijn eigen beeltenis, wordt een Belgisch politicus zonder meer (benieuwd wat de toch altijd wat ijdel overkomende Dedecker van vlees en bloed daarvan zou vinden…). Er is een verschil tussen beide afbeeldingen, er zit in de imitatie een transformatie verscholen, die misschien — vergeef me de voor sommigen misschien banale vergelijking — vergelijkbaar is met wat een goede cover van een popsong met het origineel doet, of misschien zoiets als wat Max Richter met Vivaldi's Quattro Stagioni heeft gedaan? Of met wat grotere woorden: de transformatie van het persoonlijke en momentane naar het bovenpersoonlijke en boventijdelijke? En is dat niet wat iedere dichter, prozaschrijver, essayist, schilder, kunstfotograaf doet met zijn persoonlijke indrukken en ervaringen?

    Die transformatie verdedigen met een beroep op de parodie is, nogmaals, een zwaktebod dat alleen van cultureel weinig onderlegde geesten afkomstig kan zijn. Het schilderij is ten opzichte van Van Giels veeleer een ode. De foto is ijzersterk, een inspiratiebron, zoals de voortreffelijkheid van sommige dichters andere dichters aanzet tot dichten, sommige uitnemende auteurs je als auteur zin doen krijgen om aan het werk te gaan. Bewondering is misschien een woord dat eerder op zijn plaats is dan parodie. Al kun je misschien ook denken aan afgunst. Voor dat wat Tuymans in veel van zijn schilderijen tot uitdrukking wilde brengen, maakte Katrijn Van Giel toevallig de perfecte (pers)foto — een foto die niet als kunst bedoeld was, al had ze van meet af aan een grote artistieke uitstraling. Je kunt als kunstenaar het gevoel hebben dat het beeld zo perfect past bij wat je in je werk altijd al deed, dat het origineel de werkelijke diefstal lijkt te zijn.

    Wel grappig om te bedenken: dat het gerecht in dezen aan de zijde van de romantische kunstenaar staat. De gedachte dat een kunstwerk uitblinkt in originaliteit (sommigen menen zelfs: absolute originaliteit), is een opvatting die pas sinds de romantiek opgeld doet. Grofweg gesproken was voordien kunst iets wat je kon leren (een poëtica was een instructie); na de romantiek is kunst een zaak van individuele (geniale) geesten die pas met de uitbeelding van het volstrekt nieuwe hun waarde bewijzen (sindsdien is een poëtica een ideologie). 

     

  • Pin it!

    It's not the economy, stupid!

    In 2011 mocht ik voor De Standaard het zogeheten 'kerstessay' schrijven: vier dagen achter elkaar over de volle breedte van twee pagina's. Ik voerde in mijn eerste bijdrage een personage uit de film Network (1976) op: Howard Beal, een nieuwsanker dat op een zeker moment uit de bocht vliegt en (in de film) heel New York, of zelfs de complete Verenigde Staten van Amerika op de been krijgt met zijn oproep aan de kijker om op te staan uit zijn zetel, het raam te openen en uit alle macht te roepen: I'm mad as hell, and I'm not going to take this anymore. 'Ik ben een mens godverdomme', 'My life has value'. 

    Het leverde een voorpagina op die mij op een paar stichtelijke mails kwam te staan van mensen die vonden dat ik niet mocht vloeken, dat het een schande was, nodeloos kwetsend zelfs. Mijn uitleg aan enkelen onder hen dat niet ik, maar Howard Beal degene was van wie de vloek afkomstig was, viel bij die paar fatsoensrakkers in dovemansoren.

    screenshot_145.jpg

    Fatsoensrakkers…

    Het ene fatsoen is het andere niet. In de laatste aflevering van het kerstessay schreef ik onder meer het volgende over wat ik — retorische truc — inmiddels al niet meer omschreef als 'mijn woede' (of die van Howard Beal) over de wijze waarop politiek, media en bedrijfsleven mijn gevoel voor wat menselijk is simpelweg terzijde schoven, maar als 'onze woede'. Ik schreef:

    'Onze woede is niet in de eerste plaats politiek van aard. Ze is vooral moreel. De niets en niemand ontziende wijze waarmee het bedrijfsleven opereert, de totale verwildering in de financiële wereld, de als een godheid opgevoerde markt waartegen niemand iets vermag — het duidt op een diepgewortelde immoraliteit die ons onder het mom van vrijheid als het enig mogelijk wordt opgedrongen. De politici die daar achteraan rennen — met de nodige gretigheid als ze rechts zijn, met defaitisme als ze ooit links waren — zijn hun morele kompas compleet kwijtgeraakt. Ze weten niet meer wat fatsoenlijk is.'

    Ergens vorige week postte Stefan Hertmans op Facebook een bericht waarin hij stelde dat het hoog tijd was dat kleine ondernemers zich niet langer solidair verklaarden met de grote, want de problemen van de eerste hadden maar weinig van doen met die van de tweede. "De kleine ondernemer ondervindt vergelijkbare problemen als de loontrekkende," schreef hij, "ook hij zou gebaat zijn bij vermogenswinstbelasting.Tijd dat die doelgroep zich niet langer laat gebruiken door het groot kapitaal en eindelijk kritisch over de eigen positie nadenkt: hun vermogen zal heus niet belast moeten worden, ze zullen integendeel behoren tot de sociale doelgroep die door een rechtvaardiger fiscaliteit net enige verlichting van de fiscale druk op de werkenden zou kunnen ondervinden".

    Het bericht ging vrijwel onmiddellijk viraal, en Hertmans kreeg van zowel De Morgen als van Radio 1 en het VRT-programma Reyers Laat het verzoek om een en ander nog eens toe te lichten. In Reyers Laat schoof ook econoom Geert Noels aan. Het mooiste moment vindt plaats rond minuut 7, wanneer Hertmans nadrukkelijk zegt als burger en als leek niet politiek te denken en ook niet economisch, maar moreel. De reactie van Noels, die wat ongemakkelijk lijkt te worden van het appel aan de moraal, gaat onmiddellijk weer over het politieke. Zoiets als Luxleaks, zegt hij, was geen fraude; het was wettelijk. Wat hij op dat moment niet begrijpt, is dat wat wettelijk is, niet per se moreel is. Dat de basis waarop de wetten zijn gemaakt die dergelijke financiële constructies toestaan, immoreel is. Noels wordt op dat moment het levende voorbeeld van de econoom die alleen binnen de gegeven vooronderstellingen weet te blijven, en die niet begrijpt (of wil begrijpen) dat we anders moeten denken.

    (Grappig in dit verband is dat hij in dezelfde uitzending, wanneer Naomi Klein inmiddels is aangeschoven, er veel nadruk op legt dat niet het (lees: kapitalistische) Westen de meeste vervuiling veroorzaakt, maar (lees: het communistische) China, alsof hij op dit punt de Koude Oorlog nog eens wil oprakelen en de superioriteit van het 'vrije' westen tegenover de minderwaardigheid van het communisme nog eens op tafel wil leggen — daarbij vergetend dat China onder andere zo veel vervuilt omdat dat superieure kapitalistische Westen daar de goedkope arbeid vindt die in het Westen niet meer voorhanden is: de sweatshops, de kinderarbeid en de, tot voor kort, gebrekkige wetgeving op het gebied van milieu. Ik wil het hier zeker niet omdraaien, maar Noels' reacties zetten hem toch neer als een erg verstokte professor die moeite heeft met paradigmawisselingen).

    De politicus die bij de vaststelling van economische groei (hoe gering ook) zegt dat het weer de goede kant uitgaat, dat we de zaken weer 'op de rails' lijken te krijgen, begrijpt niet dat het spoor de verkeerde kant opgaat, dat die rails dringend opgebroken moeten worden. Dat we af moeten van de gedachte dat groei in de huidige economische en politieke betekenis van het woord iets is wat we nog zouden moeten of zelfs maar kunnen nastreven.

    Werkelijk iets veranderen vraagt om meer dan wat simpele, en in het licht van het uitgestippelde programma dan ook nog eens bedriegelijke slogans van de N-VA.

    It's not the economy.

    Het duurt lang voor zoiets doorsijpelt. En het hangt er ook sterk van af waar iets doorsijpelt, zo lijkt het. Begin 2014 schreef Selma Franssen op de site De Wereld Morgen al over het feit dat Vlaanderen vier keer zoveel in bedrijfswagens investeert als in De Lijn, een artikel dat een samenvatting was van een discussie die toen al werd gevoerd. Toch duurt het totdat Dave Sinardet het nog eens opschrijft in De Tijd voordat er eindelijk iets begint te bewegen in deze zaak. Je kunt nu overal op Facebook en bijvoorbeeld ook in De Standaard Avond lezen dat het allemaal met zijn column in De Tijd begonnen zou zijn: een petitie, een reactie van de bevoegde minister en al onmiddellijk de old skool-denkers van Open VLD die er tegen gekant zijn. Misschien was het feit dat Sinardet het nu in De Tijd schreef, meer een krant voor ondernemers immers, dat het nu wel werd opgepikt? 

    It's not the economy — het is de moraal. Stakingen kosten aan de economie zo-en-zoveel, een argument dat wordt gebruikt om stakers weg te zetten als mensen die ten onrechte opkomen voor bepaalde rechten, als mensen die het slecht voor hebben met de mensheid. Dat files veel kosten wordt door bedrijven ook vaak en gretig becijferd, en ook dan gaat het om 'economische schade' die voorkomen had kunnen worden met zestienbaans autowegen en achtbaans bruggen. Maar in geen van die sommetjes wordt ooit de milieukost verdisconteerd. Nooit wordt in de cijfers betrokken dat er zonder files en zonder stakingen ook enorme kosten zijn aan de wijze waarop onze economie dagelijks 'op de rails' staat. En ook dat gaat terug op uiteindelijk een morele keuze: de keuze de (eigen) winst voor te laten gaan op het (algemeen) welzijn.

    Erst kommt das Fressen, dann kommt die Moral? Zelfs een linkse aap als Bertold Brecht kon niet voorzien dat die zinsnede vooral misbruikt zou worden door hen die met een bedenkelijke morele instelling vooral het eigen gewin voorop plaatsen. De moraal is niet het 'hogere', dat misschien inderdaad van minder belang is als je honger hebt; zij ligt aan de basis, ze gaat aan onze besluiten vooraf. De werkelijke verandering begint daar waar men zich van dat gegeven bewust is.   

     

  • Pin it!

    De Val van Antwerpen

    They don't give a fuck, schreef ik een paar maanden geleden in de krant (zie hieronder), en ik had het toen over onder meer WPG, over concerndenkers die het over 'het boekbedrijf' hebben, maar nauwelijks weten wat dat is: een boek. Het is iets anders dan een onderbroek. Het definieert zichzelf per titel, al laten meerdere titels zich wel samenvoegen: je hebt kookboeken, je hebt literaire fictie, literaire non-fictie (al houd ik niet zo van de termen 'fictie' en 'non-fictie'), er is de thriller, het knutselboek, de jeugd- en volwassenenliteratuur. Aan de vooravond van alweer een Antwerpse boekenbeurs, lijken dergelijke onderscheidingen futiel. Die boekenbeurs lijkt in velerlei opzichten de veruitwendiging van het concerndenken te zijn: er liggen daar boeken. Punt. Een kookboek verschilt er niet van een literaire roman — tenzij dan in de mate waarin het verkocht wordt.

    Dat laatste maakte waarschijnlijk dat de Vlaamse steruitgever Andre Van Halewijck het gisteren in Terzake op Canvas (vanaf 17 min., 20 sec.) nodig vond om de auteurs die die dag uit de krant moesten vernemen dat De Bezige Bij Antwerpen werd opgedoekt, de B-status toe te kennen. De Bezige Bij Antwerpen, zo zei dit uitgeefwonder, speelde altijd al met een B-elftal. Dat de heer Van Halewijck zelf niets anders kan voorleggen dan de boekjes van volkskok Jeroen Meus, en dat zijn uitgeverij meteen op de fles gaat wanneer het volk de strapatsen van die jongen eindelijk beu zal zijn (dat moment komt onherroepelijk; wat in de mode is, raakt uit de mode (kijk naar Piet Huysentruyt)) maakt een dergelijke uitspraak des te kwalijker. Voor de goede orde, daarmee viseer ik noch Meus noch enige andere corryfee uit het blik BV's dat ieder jaar op de Boekenbeurs boekjes ter signering aanbiedt. Ik viseer alleen de heer Van Halewijck, voor wie kwaliteit gelijk staat aan kwantiteit en die alleen al daarom het 'boekenvak' beter zou verruilen voor het verkopen van fopspenen.

    Het 'B-elftal' intussen is in alle staten. Een mail van de heren Clement en Pröpper later op de dag moest de indruk wekken dat de krant het verkeerde bericht de wereld had ingestuurd. Dat was mij kort voor die mail ook al telefonisch meegedeeld door iemand van De Bezige Bij Amsterdam, want sommigen van het B-elftal werden gebeld. Ik was er na dat telefoontje meteen al niet gerust in. De nieuwe constructie waarvan sprake is, maakt van wat tot op heden een Vlaamse uitgeverij was toch vooral een dépendance van de Amsterdamse branche, ondanks de beloofde 'topredacteur' en de verzekering dat aan de Mechelsesteenweg (waar WPG huist) heus nog wel publiciteitsmedewerkers de boeken van de Vlaamse auteurs zullen promoten.

    "Inhoudelijk zal hij samenwerken met het hele redactionele apparaat in Amsterdam, dat is een enorme verrijking die auteurs meer nog dan nu gesprekspartners biedt om hun talent in de hoogste mate te kunnen ontplooien", zo staat er in de mail van Pröpper/Clement over die topredacteur. Tot nu toe was het zo dat de topuitgever die er zat — Harold Polis — niet zelden alle zeilen bij moest zetten om in Amsterdam verkocht te krijgen wat hij in Vlaanderen wilde uitgeven. We hebben het daar vroeger vaak genoeg over gehad. In de nu voorgestelde constructie zal dat nog moeilijker worden. De verrijking die De Bezige Bij Antwerpen bood, was nu juist dat er hier dingen werden uitgegeven waar geen Amsterdammer een poot naar had willen uitsteken — vaak omdat men daar geen enkele voeling had met wat ten zuiden van de Moerdijk leeft. Zonder er hier nu onmiddellijk weer een broederstrijd tussen Nederland en Vlaanderen van te willen maken, maar de Hollander staat niet echt bekend om zijn empathisch vermogen.

    De vraag is ook wie die rol van 'topredacteur'-onder-Hollandse-curatele op zich zal willen nemen. Het is op voorhand een ondankbare taak, omdat gehoorzaamheid aan de directieven uit Nederland nu al deel uit lijkt te maken van de jobomschrijving. Van wie op voorhand al zoveel volgzaamheid wordt geëist, kun je niet ook nog verwachten dat hij doet wat een echte topredacteur zou doen: risico's nemen, verrassende keuzes maken, innovatief zijn. Hij zal al te vaak van een koude kermis thuiskomen als hij voor Nederlanders onbegrijpelijke keuzes maakt — zelfs al zou die topredacteur aanvankelijk enig krediet krijgen. De 'verrijking' waar Clement en Pröpper het over hebben, lijkt me gezien de door DBBA de afgelopen jaren gevoerde moeizame strijd om dat uit te geven wat ze wilde uitgeven dan ook eerder een verarming, een verdere verschraling te worden.

    De grondtoon van dit alles is er natuurlijk één van wantrouwen. De managementspeak in de mail van Clement en Pröpper overtuigt hier geen enkele auteur, toch niet de auteurs die het woord nemen. We kennen dat riedeltje inmiddels maar al te goed. Of zoals Jeroen Theunissen het gisterenavond in Terzake zei: dit soort desastreuze maatregelen wordt gewoonlijk verkocht als een opportuniteit, als een nieuwe kans die voor het grijpen zou liggen. Maar het punt is dat voor veel auteurs van DBBA, DBBA zelf de opportuniteit was na jaren van toch stiefmoederlijke behandeling door uitgevers in Amsterdam. Dat kan toen, en is misschien ook nu, een kwestie van perceptie — ik twijfel niet aan de integriteit van de mensen die in Amsterdam aan de basis het werk doen — maar die perceptie komt wel ergens vandaan. Er valt niet uit te sluiten dat Vlamingen wat overgevoelig zijn geworden voor de paternalistische houding van de Nederlanders, maar wanneer je als Vlaamse auteur voortdurend wordt aangesproken op wat toch je basismateriaal is — de taal —, op wat wel of niet zou kunnen ('raam' wel, maar 'venster' niet (het voorbeeld komt uit een bijeenkomst die Vlaamse vertalers ooit hadden met Nederlandse uitgevers)), dan heb je ook wel enige reden om wantrouwig te zijn.

    (Ik heb al eerder gezegd dat Vlamingen niet steeds de definitie van wat 'Algemeen Nederlands' heet aan uitsluitend de Nederlanders over moeten laten; 'ge' en 'gij' zijn geen ouderwetse vormen zolang ze in Vlaanderen deel uitmaken van het alledaagse taalgebruik, en dat geldt voor veel meer Vlaamse woorden en uitdrukkingen; het wordt tijd dat de Nederlanders hun beperkte vocabulaire eens uitbreiden en naast een 'raam' ook een 'venster' leren onderscheiden).

    Maar de grote boosdoener in dit verhaal blijft het concerndenken. Men is in de hogere echelons van het uitgeefwezen bepaald gehaast om in ieder geval de in boekhoudkundige termen te weinig winstgevende literatuur voorgoed de nek om te draaien, en daarmee een van de fundamentele waarden van onze westerse cultuur de genadeklap te geven: die van het humanisme en de democratie. Regeringen die tegen dit soort bot, en wat mij betreft immoreel geweld tegengas hadden kunnen geven door in te zien dat het algemeen belang gebaat is bij nog andere deugden dan hebzucht, gedragen zich helaas ook als concerns. Het is al jaren geleden gezegd, het is sinds die tijd steeds afgedaan als een al te apocalyptische voorstelling van zaken, als pessimisme, want o, o, o, wat gaat het toch goed allemaal — maar we hebben het hier in ons vrije Westen eindelijk voor elkaar: zelfs zonder dictator aan het roer heerst er inmiddels een strenge censuur. Het B-elftal van DBBA zal het spoedig ondervinden.

     

  • Pin it!

    Elly

    Gisteren in korte tijd onderstaand stuk geschreven voor De Standaard en al voordat ik zelf goed en wel uit bed was (de boekpresentatie van Bart Koubaa's De vogels van Europa, een boek waarnaar ik om allerlei redenen zeer nieuwsgierig ben, maakte de nacht kort) vanmorgen een mail ontvangen die me waarschuwde dat men mijn bijdrage bij boek.be en bij uitgevers hoogstwaarschijnlijk niet heel erg zou smaken. Misschien niet, nee.

    Ik maak altijd een onderscheid tussen wat ik mijn uitgever noem (De Bezige Bij Antwerpen), en de uitgeverij waarvan De Bezige Bij Antwerpen met nog een heleboel andere uitgeverijen deel uitmaakt: WPG. De werkzaamheden van de een wil ik graag verdedigen, ook tegenover meer puristische collegae die menen dat DBBA zich met de uitgave van sommige boeken niet zo moet 'verlagen'. De werkzaamheden van het grote concern boven DBBA bezie ik toch altijd met enig wantrouwen. Wat ik hieronder schrijf over de houding die men in die echelons tegenover auteurs aanneemt, is onder meer gebaseerd op een recente aanvaring die ik met dat concern had over financiële kwesties en percentages rond een bepaald project (ik blijf hier bewust vaag over de details). Men doet soms voorstellen die veel weg hebben van wat we kennen uit de romans van Mario Puzo en de films die daarop zijn gebaseerd: 'they make you an offer you can't refuse'. Zonder overleg vooraf, zelfs zonder respect voor bestaande contracten.

    Het lijkt erop dat men op dat hogere niveau niet werkt met het oog op de belangen van auteurs, lezers of de literatuur, maar is overgeleverd aan een louter economische logica die eerst van het specifieke product dat zij aan de man brengen alle specifieke kenmerken wegneemt. Dat het product bijvoorbeeld een literair werk is, en dus functioneert binnen een specifieke context die heel anders is dan die voor kook- en hobbyboeken, is binnen die logica van geen tel. En zelfs dat het om een boek gaat lijkt van ondergeschikt belang. Binnen de geldende logica is er geen verschil tussen een boek, een cd, een varken, een auto, een… enzovoorts.

    Ik neem aan dat aan die zijde mijn bedenkingen dan ook als naïef, en in ieder geval als hoogst ongewenst overkomen. Men zal aan Vlaamse zijde sowieso de smoor in hebben dat die Hollanders dit ideetje voor een 'Spotify voor boeken' als eerste in de praktijk hebben weten te brengen, want dergelijke ideetjes circuleren ook al langere tijd beneden de Moerdijk. Komt daar ook nog eens zo'n auteurtje doorheen fietsen die van dit soort zaken eigenlijk geen verstand heeft, zo'n romantische, tere ziel die waarschijnlijk met het middenstandsgedeelte van zijn vak niks te maken wil hebben… 

    Mij zou het inderdaad niet ongenegen zijn als het zo was dat ik alleen maar boeken hoefde te schrijven en dat er vervolgens een team rond mij zou opstaan dat die boeken (en vervolgens ook mij) met succes aan de man bracht, en dat alles zonder dat ik mijn o zo tere kunstenaarsziel ook maar één keer hoefde te compromitteren. Dat ik een auteur mocht zijn die na een vermoeiend optreden door wat ranke stagiaires met zachte doeken werd afgewreven om vervolgens in een auto huiswaarts gereden te worden en in bed gelegd door de uitgever zelve. Ooit, toen ik deel uitmaakte van de redactie van een literatuurfestival in Groningen, kreeg de heer Mulisch ei zo na een dergelijke behandeling: met de taxi opgehaald uit Amsterdam en na het optreden (en na een copieuze maaltijd in een goed restaurant uiteraard) weer teruggebracht, de voor die tijd gigantische gage cash uitbetaald in het kantoor van de directeur van de Schouwburg van Groningen, en, zo zag ik, door de heer Mulisch rustig nog eens nageteld — alleen die ranke stagiaires ontbraken. Dat is nog eens wat anders dan met een koffertje boeken in je eigen auto stad en land afrijden om voor weinig mensen in een of ander centrum het beste van jezelf te geven, toch nog drie boekjes te slijten, en na een pintje weer de nacht in en huiswaarts te gaan. Soms lijk ik meer op een huis-aan-huis stofzuigerverkoper.

    Om maar te zeggen: ik weet wel ongeveer hoe de vork in de steel zit, en lijk in niets op de schrijver die ik soms droom te mogen zijn. Ik ben me ook zeer goed bewust van de teruglopende verkoop van met name literaire fictie. Maar desalniettemin blijf ik mij verzetten tegen remedies waarin het onderscheid tussen cd's en boeken, laat staan literaire boeken, niet meer wordt gemaakt en enkel de allesnivellerende economische logica telt. Zoals ik me blijf verzetten tegen de behandeling van auteurs als quantité négligeable binnen dit verhaal. 2,99 voor tien boeken is domweg niet mogelijk zonder dat er anderen zijn die ervoor betalen (de schrijver is dan zelfs geen stofzuigerverkoper meer, maar arbeider in een sweatshop).

     

    screenshot_136.jpg

     

     

    Wie is die Elly eigenlijk?

    Een literaire spotify — kan dat eigenlijk wel? In Nederland bestaat er nu een abonnementsdienst waar je voor een vast bedrag tien geselecteerde boeken per maand kunt downloaden én houden. De dienst kreeg naar goed Nederlands gebruik een oer-Hollandse naam: Elly’s Choice.

    Ik ben een hartstochtelijk lezer van literatuur en het eerste wat ik bij zo’n abonnementsdienst dan ook (al even oer-Hollands) denk, is: Elly, who the fuck is Elly en waarom zou ik haar keuze moeten willen lezen? Welnu, Elly is ‘een redactie van uitgevers en redacteuren’, zo meldt het persbericht. Welke uitgevers? Welke redacteuren? In ieder geval zijn vijf van de gekozen boeken bestsellers (meer dan 25 duizend exemplaren verkocht), en de andere vijf zijn ‘onbekendere titels en debuten’. Ik heb meteen het gevoel dat dat laatste er staat om types als mij de mond te snoeren. Maar zelfs mét die toevoeging weet ik nu al dat ik als hartstochtelijk lezer hoogstwaarschijnlijk geen boodschap zal hebben aan de keuze die ‘Elly’ maandelijks voor mij maakt. Die bestsellers zal ik ofwel toch al gelezen hebben, of ze interesseren me geen lor. Ik lees sowieso wat ik zelf wil.

    Het moet dus zijn dat de dienst bedoeld is voor mensen die geen hartstochtelijke lezers zijn. Maar die lezen niet eens tien boeken per jaar! Wat moeten die met een dienst die hen tien boeken per maand aansmeert? Als hartstochtelijk lezer met ook nog een gezinsleven, zijn tien boeken per maand zelfs voor mij niet in alle maanden haalbaar. Want we hebben het hier over boeken, hé, niet over popsongs. Die duren vier, vijf minuten — maar een bóék, dat is toch een ander paar mouwen.

    2,99 gedeeld door tien

    En dan die prijs… 2,99 euro per maand bij een jaarabonnement is leuk voor de consument, daar niet van. Maar hoeveel daarvan gaat er eigenlijk naar de auteurs? Een auteur zou bij 100% royalty's hoogstens zo’n 30 cent per exemplaar kunnen verdienen (2,99 gedeeld door tien). Ter vergelijking: bij een papieren exemplaar gaat het — onder de 5000 exemplaren — idealiter om 10% van de verkoopprijs, gemiddeld dus zo’n 2 euro per verkocht exemplaar (gesteld dat de uitgever zich houdt aan het in de sector overeengekomen standaardcontract, wat een aantal nadrukkelijk niet doet). Gezien de huidige economische omstandigheden, de dalende verkoopcijfers van vooral literaire fictie, lijkt het niet erg waarschijnlijk dat auteurs die schamele 30 cent zullen krijgen. Integendeel. Die omstandigheden maken dat de grote uitgeefconcerns (waarvan literaire uitgeverijen vaak een onderdeel zijn) eigenlijk liever lijken te vergeten dat hun auteurs de grondstof vormen voor hun bedrijf. Sommigen lijken zelfs te geloven in een vorm van slavernij: de auteurs moeten de ‘content’ die zij voor hun plannen nodig hebben liefst gratis leveren. Zo bekeken lijkt Elly’s Choice zelfs een besparingsmaatregel op kosten van de auteur: wie meer dan 25.000 exemplaren verkoopt, krijgt al snel meer dan 10% royalties. De door ‘Elly’ aangeboden titels zijn zo een concurrentie voor diezelfde titels in boekvorm, of zelfs in e-boekvorm op andere platforms. Een bestsellerauteur die hier aan meedoet, doet zichzelf de das om.

    Foie gras

    Elly’s Choice lijkt toch vooral een initiatief te zijn van uitgevers in het nauw, van uitgevers die geconfronteerd met dalende verkoopcijfers en onrealistische winstverwachtingen gedwongen worden alles te vermalen tot iets wat de consument gemakkelijk met een trechter door de strot kan worden geduwd, zodat er aan het eind van het jaar ten minste foie gras voor de aandeelhouders is. ‘Elly’s Choice’ is zo’n trechter.

    Het valt nog te bezien of die vijf ‘onbekenden’ en dubutanten, de boeken die vijf maanden na hun verschijning de kaap van de 25.000 verkochte exemplaren niet hebben gerond (want dat is het criterium), voldoende zijn om de indruk weg te nemen dat ook Elly’s Choice — net als de meeste grote boekhandelketens — vooral bedoeld is om meer van hetzelfde te verkopen —  bestselleritis, zeg maar. Literatuur is gebaat bij diversiteit en meerstemmigheid, niet bij een steeds verdergaande verschraling van het aanbod.

    Laten we zeggen dat ik zo mijn twijfels heb. Dat men denkt dat een literair werk op dezelfde wijze verkocht kan worden als een popsong, dat er tussen beide geen wezenlijk verschil bestaat, lijkt mij eerder een bewijs dat men in de hogere echelons van de grote uitgeverijen totaal geen idee meer heeft wat het is dat men eigenlijk probeert te verkopen. Erger nog: dat het ze ook niet interesseert. Op zijn oer-Hollands: they don’t give a fuck.

     

  • Pin it!

    Lof van de kritiek

    In NRC staat een artikel van Arjen Fortuin over de noodzaak van recensies. Je zou ook kunnen zeggen dat het stuk zelf een recensie is — een van de voorbeeldige soort, of dan toch minstens een voorbeeld van het soort recensie dat Fortuin verdedigt. Het gaat om een bespreking van een bloemlezing van na-oorlogse beeldende-kunstrecensies, De schilderkunst in een kritiek stadium?, samengesteld door Jonneke Jobse. Voor Fortuin is de bundeling aanleiding voor een 'preek voor eigen parochie', zoals hij het zelf formuleert:

    het misverstand dat een recensie in de eerste plaats 'consumentenvoorlichting' zou zijn, wint rap aan terrein — hand in hand met de veronderstelling dat het oordeel van een criticus 'ook maar een mening' zou zijn. Dat wordt niet veroorzaakt door, maar wel versterkt door de ballen of sterren die bij veel Nederlandse (en Vlaamse -MR) kritieken staan. Die zijn inderdaad consumentenvoorlichting in zijn zuiverste vorm, maar ze zijn  niet het hele verhaal. Het gaat niet om de ballen, maar om het spel.

    Het is een stuk van een criticus die begrepen heeft dat (in dit geval) kunstkritiek, of om de parochie meteen te herleiden tot die van Fortuin (en mijzelf): literatuurkritiek deel uitmaakt van de literatuur en dus in deze tijd in hetzelfde verdomhoekje zit als die literatuur zelf, het verdomhoekje waarin niet de schrijver of de criticus bepalend is voor wat als 'goede' of 'juiste' literatuur wordt aangezien, maar de door de commercie gestuurde media de agenda bepalen. Dat Fortuin, als ook nog eens de chef Boeken van NRC, zich daartegen wil verzetten, is moedig, en niemand die de literatuur (waarvan kritiek een vanzelfsprekend onderdeel uit zou moeten maken) een warm hart toedraagt, kan daar tegen zijn.

    Fortuin schrijft:

    In het hele uitdijende spectrum van oordelen en meningen is de criticus degene die betaald wordt om onafhankelijk te zijn, om op te schrijven wat hij werkelijk vindt en gelooft — óók als dat zakelijk onverstandig is of hem maakt tot de dissonant in een koor van al dan niet oprechte bewonderaars. Er moet in het debat over kunst iemand zijn wiens mening niet door commercieel belang wordt gestuurd. (...) (Voor de goede orde: een criticus die niet meent wat hij schrijft, is een bedrieger).

    Het belangrijkste woord is hier inderdaad 'onafhankelijk', en het roept onmiddellijk de vraag op in hoeverre Fortuin als coördinator literatuur van NRC Boeken zelf weerstand kan bieden aan het commercieel belang in zijn keuze voor de boeken die hij bespreekt en laat bespreken, zijn keuze voor de recensenten die hij die boeken laat bespreken, de lengte die hij die recensenten in hun stukken toestaat — kortom: de hamvraag is of Fortuin in het huidige medialandschap in staat is om van de boekenbijlage iets te maken dat weerstand kan bieden aan datgene waarbij de rest van zijn krant bestaat, of hij die onafhankelijkheid ook daadwerkelijk kan organiseren in zijn bijlage. De tweede vraag is wat die onafhankelijkheid, mocht ze inderdaad te regelen zijn in zijn krant, binnen die krant — bij de hoofdredactie, om over de eigenaren, investeringsmaatschappij Egeria en Lux Media, nog maar te zwijgen — dan precies te betekenen heeft.

    In kringen van echte krantenmensen is er vaak dédain te bespeuren voor zo ongeveer alles wat met cultuur te maken heeft. Zelfs Bert Bultinck in zijn uitstekende 1000 woorden-column in DS Weekblad ontkomt er niet altijd aan. 'Het gerejemieer van kat en muis in het letterenhuis blijft tenslotte een vermakelijke, diep-humanistische, maar ultiem redelijk ongevaarlijke kruiswoordpuzzel. First-world problems met literaire sterretjes', zo schreef hij een aantal weken geleden.En vorige week werd poëzie nog afgedaan als de 'meest esoterisch-etherische der hobby's, de ayurvedische massage niet meegerekend'. Ik heb geen idee wat dat laatste inhoudt (al kan ik het vast ergens opzoeken), en ik vermoed dat Bultinck daar met een 'q.e.d.' op zou antwoorden. 

    Waarmee ik niet zozeer Bert Bultinck wil viseren — die is in het licht van dit soort, uiteraard als min of meer humoristisch bedoelde omschrijvingen een bijna tragisch te noemen literatuurlezer en -liefhebber, en zelfs -kenner, iets wat in zijn kringen (de kringen van persmensen pur sang bedoel ik) niet evident moet zijn. Het gaat er om dat Fortuins 'onafhankelijkheid' in de ogen van hen die bepalen waar een krant over gaat en om draait, hoogstens iets kan zijn dat hem vergund wordt — zolang het geen lezers kost. Uiteindelijk zet De Morgen zijn boekenbijlage ook alleen maar verder omdat die blijkbaar op de dag van zijn verschijnen nog steeds zorgt voor een meerverkoop van ongeveer 2000 exemplaren — al blijft die krant in het voortzetten van de bijlage wel heel halfslachtig als je ziet wat daarin dan zoal aan bod komt, en op welke manier vooral.

    Fortuin heeft het in zijn stuk over de mate waarin bij de huidige explosie aan meningen het koor van stemmen over een kunstwerk geregisseerd is 'door degenen die er belang bij hebben': boekverkopers, uitgevers. Er blijkt een levendige handel in (positieve) recensies te zijn. Dat weet het publiek over het algemeen ook wel — en misschien is dat de reden waarom er onder dat publiek een zekere hunkering lijkt te bestaan naar autoriteiten die nu eens zonder verborgen agenda zeggen wat kwaliteit heeft en wat niet, en vooral ook waarom (een van de de redenen voor het succes achter 'lezers voor lezers'-programma's als 'Uitgelezen' in Gent en elders, en 'Overlezen' in Turnhout en omstreken).

    Maar kan Fortuin, kan ook maar enige 'chef boeken' heen om door de media gehypete schrijvers, om auteurs die nog voordat ook maar iemand hun boek gelezen heeft al op voorhand in alle boekenbijlagen tegelijk geïnterviewd en gerecenseerd worden omdat ze ongelezen en ongezien op voorhand belangwekkend worden geacht, auteurs die om die reden soms ook een abonnement lijken te hebben op de nominaties voor de grote (commerciële) prijzen, ook al gaat het daarbij om nu niet meteen hun beste boek? (Het is een categorie waar iedere schrijver overigens erg graag toe zou behoren). Op een dergelijk moment ontstaat er tussen de verschillende boekenbijlages zoiets als een wedstrijd: wie er het eerst is met een interview, een groot stuk, een fikse foto. Ontsnapt NRC Boeken daaraan?

    En dan blijft er nog een belangrijke vraag: in hoeverre wordt de 'onafhankelijkheid' die een boekenbijlage heeft weten af te dwingen bij een hoofdredactie die er zich verder niets aan gelegen laat liggen, gedragen buiten die bijlage zelf? Is er nog een 'openbaarheid' van enige betekenis waarbinnen een onafhankelijke, kritische recensie deel uitmaakt van een voortgaand debat over literatuur? Natuurlijk is dat debat er nog, maar toch vooral in wat de niche heet te zijn. Maar verschijnt die recensie niet toch vooral in een door commerciële belangen geregeerde openbare ruimte, en functioneert ze daarbinnen dan niet toch vooral als 'een consumentenadvies', ondanks de bedoelingen van de recensent, van de coördinator literatuur of de chef boeken of hoe heet dat tegenwoordig? Dus: zélfs als de recensent in kwestie de onafhankelijkheid hoog in het vaandel heeft, zoals Fortuin zelf?

    Voor de goede orde: ik ben blij met zo'n stuk van Fortuin. Niet in het minst omdat dat stuk verschijnt in nu juist een boekenbijlage. Was ik een onverbeterlijke optimist, ik zou gewagen van een 'kentering'! Mét uitroepteken. Ik denk niet dat ik per se een pessimist ben wanneer ik toch wat vragen heb bij de misschien net iets te simpele voorstelling van zaken als het gaat om wat we aan moeten met de literaire kritiek en haar ontegensprekelijke belang voor de literatuur. Wat betekent de bepleite onafhankelijkheid als we tegelijkertijd weten dat die onafhankelijkheid alleen maar iets is wat wordt gedoogd: als iets waarmee achtergebleven intellectuelen zich mogen bezighouden? Terwijl literatuur gewoon blijft wat het geworden is: lifestyle, accessoire, inwisselbaar tegen een goede fles wijn (vijf sterren van 'wijnschrijver' Bruno Vanspauwen), een paar handgemaakte schoenen van n.d.c. (erg mooi)? Ik vind het een van de lastigste vragen van dit moment. 

  • Pin it!

    Waar?

    IJs

    Likken aan een ijsje: het blijft lastig. Sex sells, zeker als het om de ijsverkoop gaat. Er zijn maar weinig merken die min of meer erotische connotaties achterwege laten wanneer ze hun ijs aan de man en/of vrouw willen brengen. Magnum, Häagen-Dazs — het is één pot nat. Maar zo kinderachtig als Ice Crime had ik het in tijden niet meer gezien (de naam doet overigens ook al vermoeden dat de mensen erachter niet werkelijk overlopen van creativiteit). Al een paar dagen lang viel mij in de zogeheten kwaliteitskranten de forse reclame voor dit nieuwe ijsmerk op:

    10302110_10202264952963581_4517316807246260766_n.jpg10375152_10202264953083584_8147365816230239879_n.jpg

    De linkeradvertentie heb ik eigenlijk nooit gezien, maar ze bevestigde mij slechts wat de rechter al bij me had opgeroepen. Het feit dat het heerschap aan een wafeltje likt (een 'boekske', zoals ze in Gent zeggen), en nu juist níét aan een hoorntje met twéé — niet met dríé of één — bolletjes, maakt des te meer dat het hier over kut en pik gaat. Het druipt ervan af, zou ik willen zeggen. Wat orale seks met schuldgevoel te maken kan hebben, is me niet helemaal duidelijk, maar blijkbaar is dat iets wat de reclamemakers in kwestie nogal kwelt. Ik vermoed dat het een stelletje katholieke deugnieten is. Misschien dat het woord 'stevia' (want het gaat hier om ijs dat gezoet wordt met stevia) deze jongetjes (ik ga er zomaar van uit dat het jongetjes zijn) op het idee heeft gebracht om dit merk op precies deze manier aan te prijzen. Je hoort het één van die pagadders bijna zeggen: stevia, stijvia — waarna het hele gezelschap ongetwijfeld begon te gniffelen en giechelen. 

    Een beetje infantiel, kortom. En misschien, heel misschien toch ook een heel klein beetje bedenkelijk? Ik postte beide foto's op Facebook met de opmerking dat ik lichtelijk verbaasd was dat de verontwaardiging uitbleef over de wel heel platte seksuele connotaties bij deze foto's en dat ik eigenlijk allang militanten tegen de pornoficatie van onze samenleving had verwacht. Maar iedereen reageerde eigenlijk zoals ik zelf tot dan toe ook had gereageerd: met wat geschamper over het ontbreken van elk niveau, en met schouderophalen. (Dat Ice Crime — of liever het tweemansbedrijf achter het product, Just Ice uit Oudenaarde — een dergelijk reclameoffensief kon ontwikkelen omdat ze de N-Powerment Award van BECI en Newspaperwork wonnen (1 miljoen euro advertentieruimte in de nationale kranten), maakt een en ander nog treuriger dan ik het toch al vind. Die ruimte invullen met zoveel banaliteit… Mijn associatie is in ieder geval al op voorhand: dat kan niet goed zijn, dat Ice Crime).

    Onder de reacties die ik op Facebook kreeg, was er één die stelde dat elke serieuze tegenkanting alleen maar zou leiden tot méér reclame voor het ijsmerk. En ineens ging het voor mij niet meer over ijs.

    Wijnberg

    Op 29 mei verscheen op de correspondent.nl een stuk van Rob Wijnberg, 'Hoe waarheid een product werd'. Wie een klein beetje de filosofie van de afgelopen decennia heeft bijgehouden, vindt in dat stuk niet werkelijk heel veel nieuws. Maar het is een mooie, heldere, journalistieke samenvatting van het verdwijnen van het waarheidsgebod uit onze cultuur. Zoals de filosofie van de hebzucht in kringen van louter economisch denkende lieden een einde stelde aan meer dan 2000 jaar beschaving waarin juist de beteugeling van onze driften (waaronder de ongebreidelde hebzucht) als een primaire deugd werd gezien, zo is ook het verdwijnen van het waarheidsgebod een indicatie dat wat tot nu toe onze beschaving uitmaakte misschien op zijn einde loopt.

    Waarheid is een product geworden, schrijft Wijnberg, en heeft als zodanig geen eigen filosofische kern: "waar is wat verkoopt, waar een markt voor is. Waarheid als product reduceert alles − van politiek tot informatie tot wetenschap tot onderwijs tot kunst − tot een vorm van behoeftebevrediging zonder onderliggend doel. Het maakt van politiek een ‘pitch’, van informatie een ‘format’; van kunst een ‘concept’, van onderwijs een ‘formule’. Niet om te overtuigen, te informeren, aan het denken te zetten of te leren, maar om ‘te bevredigen’".

    "Hierin," schrijft Wijnberg, "schuilt, volgens mij, de kern van onze tijd. Het verklaart waarom de meeste politieke partijen nauwelijks nog van elkaar verschillen, behalve in koopkrachtplaatjes. Het verklaart waarom onderwijsinstellingen zijn uitgegroeid tot diplomafabrieken op zoek naar de hoogste score in de ‘rankings’. Het verklaart waarom solidariteit afbrokkelt en winstbejag op korte termijn regeert".

    Het doet natuurlijk allemaal erg denken aan wat Baricco, met een even grote als, wat mij betreft, valse opgewektheid, jaren terug in De barbaren al signaleerde. "Het oppervlak in plaats van de diepgang, snelheid in plaats van reflectie, sequenties in plaats van analyse, surfen in plaats van verdieping, communicatie in plaats van uiting, multitasking in plaats van specialisatie, plezier in plaats van inspanning. Een systematische ontmanteling van het hele mentale arsenaal dat ons is nagelaten door de negentiende-eeuwse, romantische burgercultuur", zo stelde Baricco vast en hij hield ons — nog steeds levend met de vooronderstellingen van die negentiende-eeuwse, romantische burgercultuur — voor dat we daar niet bang voor moesten zijn. Hij was het in ieder geval niet, hij die, zoals hij schreef, zelf verkeerde "in een wereld van mensen die hebben gestudeerd, mensen die nog studeren, verhalenvertellers, theatermensen, intellectuelen, dat soort lieden". "Een vreselijk wereldje", vond hij (ja hoor…).

    Het voordeel van Wijnbergs stuk is — enfin, in de eerste plaats dat hij niet de walgelijke hypocriete neiging van Baricco heeft om zich te excuseren voor zijn analyse, niet heult met hen die bij het verschijnen van dit soort analyses altijd onmiddellijk roepen dat de analyticus een zwartkijker, een apocalypticus of nog erger is, of net te doen alsof iemand die het waarheidsgebod in onze cultuur wenst te verdedigen 'een beetje uit de tijd' en beklagenswaardig is. Maar ook dat hij laat zien dat het verdwijnen van het waarheidsgebod niet betekent dat we niet van hogerhand worden aangestuurd. Uiteindelijk blijft de waarheid van het consumeren hier recht overeind staan, consumeren ten koste van alles en iedereen, rücksichtslos. Er is een beperkt aantal monsterbedrijven in de wereld dat daar wel bij vaart — al blijft de ophoping van kapitaal daarmee even zinloos, omdat die ophoping het eindpunt vormt. Het is als een stront die niet als mest gebruikt wordt, maar alleen om nog meer stront te maken. Economie als coprofagie.

    Verlinden

     Een en ander maakt dat 'de waarheid' — of toch dat wat aanleiding geeft tot onze kritiek — meestal niet… handig is, zoals in het geval van het likkende koppeltje hierboven. Het risico dat kritiek op de platte, seksistische reclame alleen maar tot meer reclame voor het ijsmerk leidt, doet ons overwegen of we maar niet beter onze mond houden. Je kunt dat niet werkelijk een halszaak vinden als het maar om ijsjes gaat (al gaat het eigenlijk om seksisme). Maar wat als het gaat om, laten we zeggen: racisme?

    De afgelopen week kwam die vraag even in het middelpunt van de belangstelling te staan naar aanleiding van een blogpost van VRT-journalist Peter Verlinden op deredactie.be. Iemand had op de muur van zijn huis, met wit krijt, het woord 'negers!' gekalkt. Verlinden is gehuwd met een zwarte vrouw en heeft een bruine dochter, zo staat onder het stuk vermeld. Het stuk ging onder meer over het uitblijven van een reactie van politici op een campagneboodschap van het bij de laatste verkiezingen fel gedecimeerde Vlaams Belang: dat niet de vergrijzing van de samenleving het grootste probleem vormde, maar de verbruining. De reden voor dat stilzwijgen was ook hier dat aandacht geven aan zo'n uitspraak, er tegenin gaan, precies geweest zou zijn waar Dewinter en de zijnen op hoopten. Maar op die manier, zegt Verlinden, laat je racisme als sluimerend gif gewoon zijn werk doen binnen de samenleving.

    Dat is een gerechtvaardigde kritiek, al haalde Verlinden die zelf wel grotendeels onderuit door zijn eigen verantwoordelijkheid als journalist te minimaliseren. Hij schreef: 

    "Een notoir extreemrechts politicus kan ongestraft uitspraken doen op een openbare bijeenkomst die voor vele waarnemers racistisch klinken, daarenboven door de massamedia als een megafoon herhaald, niemand kan hem dat beletten. Dat is de prijs die een democratische samenleving betaalt voor het universele recht op vrije meningsuiting. Het zij zo. Dat de (meeste) massamedia daarbij hun kritische opdracht verwaarlozen, dat is de prijs die deze samenleving betaalt voor de persvrijheid die meer en meer een mercantiele strijd om de kijker/lezer/luisteraar is geworden, eerder dan een strijd om het meest correcte verhaal, de meest kritische en deskundige kijk op de werkelijkheid. Het zij zo."

    Men moet het mij niet euvel duiden, maar bij zo iemand had ik graag iets heel anders op de muur gekalkt dan het schandalige 'negers!' dat er nu stond. Men kan als journalist zijn eigen verantwoordelijkheid in dezen niet afschuiven op enkel de politici die, zoals hij zelf heel goed weet, zelf vaak aan de leiband van de massamedia lopen. De kans dat Dewinters uitspraak over de verbruining vooral juist deze vorm heeft aangenomen omdat hij anders geen aandacht van de massamedia gekregen zou hebben, lijkt me niet gering.

    Als er naar schuldigen gezocht moet worden, zijn die ook te vinden in het kamp van de VRT, onder journalisten die de vermarkting van de waarheid blijkbaar berustend aanvaarden. Ik kan me voorstellen dat Verlinden die ochtend niet meteen de hand in eigen boezem wilde steken en eerder snel op zoek ging naar een emmertje met wat water (gelukkig, moet je bijna zeggen, was het maar krijt). Maar als je vervolgens zo'n stuk schrijft, lijkt me dat de eigen verantwoordelijkheid voor dat wat je aanklaagt bij anderen toch wat zwaarder mee had mogen wegen dan hier het geval is. Of mocht dat misschien niet op de website van de VRT — een organisatie die niet meteen bekend staat om haar zelfkritisch vermogen?

    Kritiek als taboe?

    Inmiddels lijkt het duidelijk: opkomen voor je waarheid is vandaag de dag verdacht, waarbij de verdenking van naïviteit nog de minst erge is. Je ziet het ook aan hoe mensen stemmen, of aan hoe er voor de verkiezingen over het wenselijke stemgedrag wordt gediscussieerd. Het hele concept van 'tactisch stemmen' komt voort uit het loslaten van elk geloof in de eigen overtuiging. "Ik stem maar op de CD&V om de NV-A klein te houden, ook al ligt mijn hart eigenlijk bij de SP.a" — dat soort overwegingen. Ik heb aan borrel- en eettafels al menige hoogoplopende discussie meegemaakt over de vraag of je voor je overtuiging moet/mag uitkomen, of dat het beter is om er door een tactische stem voor te zorgen dat de partij waar je tegen bent in ieder geval niet aan zet komt. De meest gebruikte woorden tijdens dergelijke discussies zijn 'naïef' (inderdaad), 'dom' en 'cynisch'. 

    De vaak 'pragmatisch' genoemde keuze prevaleert, zo lijkt het wel. Als het gaat om politiek en partijprogramma's is dat nog wel enigszins te begrijpen: politieke partijen zelf lijken zich minder en minder te willen beroepen op hun eigen ideologisch bepaalde waarheden en plooien zich in toenemende mate naar wat ze denken dat de kiezer (de klant) wil. De SP.a heeft nog een lange weg te gaan voordat ze weer een werkelijk sociaaldemocratische partij is. En ook Open VLD is mijlenver verwijderd geraakt van het oorspronkelijke liberale gedachtegoed. Het komt daarbij steeds op hetzelfde neer: de aard van onze werkelijkheid staat voor veel politieke partijen blijkbaar niet langer ter discussie. Juist dat maakt de politiek overbodig. 

    Maar het dreigt dus ook kritiek overbodig te maken (ja, ook de literaire kritiek (uitgevers gebruiken soms zelf negatieve opmerkingen over een boek als reclame voor het boek), maar dit terzijde). Op het domme seksisme van een ijsreclame reageren we maar niet meer omdat er toch geen kruid tegen gewassen is. En Filip Dewinter heeft zo een vrijbrief om wat dan ook te zeggen, en wast natuurlijk zijn handen in onschuld als iemand zijn waarschuwing tegen 'verbruining' omzet in gewelddaden. Dat is iets waar de felste pleitbezorgers van de 'vrijheid van meningsuiting' vaak geen rekening mee houden: dat woorden altijd ook daden kunnen worden, dat woorden niet onschuldig zijn.

     

  • Pin it!

    Close Reading en de open geest

    Op de site van de Volkskrant kom ik een tekst tegen uit 2012 die mij toen geheel is ontgaan. Joost Zwagerman schrijft over Het geluk van de kunst, mijn essaybundel uit dat jaar. Hij is er niet blij mee. Ik ken er wel meer die er niet zo blij mee waren. En er was veel instemming ook. Wat me bij de negatieve stemmen opviel: de neiging om wat een tamelijk nuchtere analyse was van de huidige staat van het boek uit te leggen als bewijs voor de pessimistische, zelfs klagerige houding van de auteur — van mij dus. Maar als ik iets niet doe in dat boek is het klagen. Ja natuurlijk, er staat de tirade in die ik bijwijze van kerstessay (zie hier, hier, hier en hier) in De Standaard heb gepubliceerd. Maar in de essaybundel staat dat stuk tussen andere essays die weliswaar de kern van dat kerstessay allesbehalve relativeren, maar toch veel meer in een wijdere context plaatsen.

    Wat blijft: als je zegt dat literatuur in onze samenleving niet langer het stralende middelpunt van ons cultuurideaal vormt — een nuchtere analyse die al bijna 20 jaar geleden door onder andere Frans Ruiter en Wilbert Smulders werd gemaakt (Literatuur en moderniteit in Nederland 1840-1990, Amsterdam 1996) en die begin jaren Nul door Sloterdijk werd gemaakt (hem haal ik aan in mijn essaybundel) — dan raak je blijkbaar aan een taboe. Terwijl het evident is. Er zijn er dan die zeggen: ja maar, er wordt veel meer gelezen dan vroeger. Is dat zo? Wat wordt er dan gelezen? En hoe komt het dan dat alle onderzoeken uitwijzen dat de verkoop van boeken de afgelopen decennia spectaculair is gedaald? 

    Je kunt niet zeggen dat ik me in het boek niet bewust was van de mogelijkheid voor 'grumpy old man' uitgemaakt te worden — ik besteed er expliciet een aantal bladzijden aan. Ook in dat kerstessay zie ik steeds de alarmist die staat te roepen, een man die ik ook zelf wat overdreven druk vind doen, al geef ik hem dan gelijk. En natuurlijk klopt het dat ik het verdwijnen van de literaire cultuur (verbonden met een negentiende eeuws ideaal waarop je vanuit weer andere perspectieven ook heel veel kritiek zou kunnen hebben) ernstig betreur. Het gaat voor mij hand in hand met het verdwijnen van een aantal in se humanistische waarden die ik onontbeerlijk acht — wat maakt dat ik auteurs als Tony Judt of Paul Verhaeghe (of Paul Scheffer, denk ik nu) hoog in het vaandel heb. Maar ik ben me er steeds van bewust dat de realiteit waarin ik leef met deze waarden nu eenmaal niets op heeft, en dat dat ook voor mij als auteur consequenties heeft. Ik mag het negentiende eeuwse humanistisch-literaire cultuurideaal dan als ijkpunt nemen — niet eens als ideaal overigens, maar dat is een ander chapiter —, ik ben daarom nog geen anachronist.

    Maar voordat dit uitloopt op een apologie voor een boek dat, voor wie het goed leest, zichzelf meer dan voldoende rechtvaardigt — bij het stuk van Zwagerman gaat het me om wat anders. Wat ik er hier over wil zeggen kadert in de recente, zoals altijd kleine discussie die ontstond over literaire kritiek.

    _avd7115.jpg

    "En er was veel instemming ook". In gesprek met Annelies Beck bij de uitreiking van de Prijs voor Letterkunde, essay en monografie van de provincie Oost-Vlaanderen in het NTG op 3 april j.l.

    De indruk dat we in onze grote kranten met critici van doen hebben die er vaak met de pet naar gooien en ronduit slechte stukken schrijven — zonder argumenten, of juist met argumenten ad hominem, met half ware beweringen of zelfs regelrechte leugens, met suggestieve passages waarvan het villeine karakter achteraf makkelijk ontkend kan worden — leidde tot een aanklacht en een discussie die vorige week zaterdag door Jeroen De Preter werd samengevat in een stuk in de Morgen. 'Nooit meer recenserenheette dat. Wat me in de reacties van Cloostermans en Leyman vooral opviel, was het wat treurige misverstand dat bij hen bestaat over het 'open klimaat' waarin zij hun recensies zouden schrijven (de impliciete gedachte dat een boekenbijlage onafhankelijk van de commerciële eisen van de rest van de krant zou functioneren bijvoorbeeld, dat het zetten van sterren of bollen geen inperking van hun métier is, dat de restricties qua lengte hen niet beperkingen opleggen die elk beroep op de vrijheid van meningsuiting lichtelijk pathetisch maakt, dat er in de publieke ruimte nog zoiets als een debat over literatuur zou zijn (alsof juist zij niet doorhebben dat de negentiende eeuw voorbij is), enzovoorts). En natuurlijk wordt Jeroen Theunissen, de man die de kat de bel aanbond, door beide critici afgeserveerd, al geeft De Preter hem dan gelukkig toch nog het laatste woord.

    Ik moest denken aan Du Perron. Natuurlijk moest ik denken aan Du Perron. De klacht over critici — niet in de laatste plaats over Du Perron zelf (terecht, als je het mij vraagt; de man was vaak unfair in zijn stukken) — was ook tussen de beide Wereldoorlogen vaak te horen. Maar Du Perron schreef ooit een heel boek over één welbepaalde, op dat moment gezichtsbepalende criticus: Dirk Coster. Uren met Dirk Coster heet het, en het verscheen oorspronkelijk in het literaire tijdschrift Forum, en vervolgens in 1933 in boekvorm. Het bevat kleine hoofdstukjes met titels als: 'De heer Coster over toeval en liefde', 'De heer Coster bij toneel en film', 'De heer Coster en de schrijvende vrouw'. Het is, tachtig jaar na dato, nog steeds een vernietigend boekje en — ik beken — heerlijk om te lezen. (Dat Du Perron zijn boekje terugtrok op het moment dat de werkelijke barbarij, in de vorm van het nationaal-socialisme, zijn intrede deed, omdat de heer Coster tegenover die meute een toonbeeld van fatsoen en rechtschapenheid moest heten, helpt wel om het nog genietbaar te vinden).

    Punt is: het bleef bij Du Perrons felle kritiek op Coster niet bij beweringen die een groot aantal schrijvers kon onderschrijven — zoals nu in het geval Leyman en Cloostermans — maar de beweringen werden onderbouwd met een vracht aan citaten, citaten die tussendoor werden becommentarieerd en vervolgens als bewijs werden opgevoerd bij de belangrijkste stelling van het boekje: dat de heer Coster een 'pathestheteticus' was: een pathetische estheet die de moralist uithing. Of voor een dergelijke werkwijze vandaag nog ruimte is, valt te betwijfelen, maar ook ik denk dat dan zou blijken dat zowel Dirk Leyman als Mark Cloostermans vaak aantoonbaar slechte stukken schrijven, dat het hen vaak aan generositeit ontbreekt tegenover het boek dat ze voor zich hebben, en ze zich ook vaak laten leiden door hun luimen van het moment.

    Zonder citaten die dit aantonen — maar wie wil er weken in het verzamelde proza van recensenten duiken — zijn deze opmerkingen overigens even veel waard als de vaak ongemotiveerde beweringen die je in hun recensies tegenkomt.

    Terug naar Joost Zwagerman nu. Want als ik zijn stuk in de Volkskrant wél met een vergrootglas lees, dan zie je bijna onmiddellijk waarom er over wat ik in Het geluk van de kunst schreef en wat Zwagerman daar tegenover wil zetten, geen uitwisseling mogelijk is. Zwagerman leest namelijk dingen die ik niet heb geschreven.

    Voorbeelden dus.

    Het geluk van de kunst bevat veel bezorgde kost - cultuurkritisch, hoor je dan te zeggen, maar mopperend en klaaglijk zijn woorden die de lading van Het geluk van de kunst beter dekken, schrijft Zwagerman.

    Ik gaf hierboven al aan dat dit alleen beweerd kan worden door iemand die op voorhand besloten heeft dat de auteur klagelijk wenst te zijn. Er staat al in het woord vooraf dat de auteur dat allerminst wil zijn. Dit boek is geschreven uit liefde voor de literatuur — waarbij literatuur net zo wordt opgevat als Zwagerman dat in feite doet. Het doet dat echter vanuit het verlangen over die liefde wel realistisch te willen zijn.

    Serieus literatuuronderwijs is tanende, stelt Reugebrink ferm. Jazeker. Maar wisten we dat nog niet?

    Ik neem aan van wel. Ik vermeld het in de context van het verdwijnen van die humanistische cultuur. Dat dat literatuuronderwijs ooit één van de pijlers was van ons middelbaar onderwijs en nu niet meer, dat in dat onderwijs de waarden die door literatuur(onderwijs) vertegenwoordigd worden steeds meer plaats moeten maken voor 'competenties', voor 'toepasbaarheid' van kennis binnen altijd weer dezelfde neo-liberale ideologie — het baart me zorgen. Zwagerman suggereert met bovenstaande zin dat ik mijn lezers informatie wil geven, dat ik denk dat ik iets nieuws zeg zelfs, maar de opmerking over literatuuronderwijs houdt verband met andere veranderingen in onze samenleving waartegen, dacht ik, ook Joost Zwagerman toch de nodige bezwaren heeft.

    Wie een literaire prijs als de Gouden Uil wint, ziet zich in de nasleep van de uitreiking geconfronteerd met de mallemolen van het literaire bedrijf. Dat zal vast zo zijn. Maar: wisten we ook dát al niet uit de geschriften van andere apocalyptici?

    Alweer, vast wel, alleen ben ik geen apocalypticus, en heb ik me met het schrijven van dat stuk (het eerste uit het boek) zowel als met de hele kermis rond die prijs op het moment zelf, enorm vermaakt. Ik schreef het al in mijn woord vooraf: ironie is een gevaarlijk stijlmiddel — en bij het schrijven van dit stuk zowel als bij de beslissing om het na een tijdschriftpublicatie in dit boek op te nemen, dacht ik dat die ironie er zo met bakken van afdroop, dat niemand zich hier zou vergissen. Alsof dat nog niet genoeg was, neem ik in het stuk dat erop volgt mijn neiging tot ironisering zelf ook nog eens op de korrel. Ik ben in het huidige klimaat  helemaal niet tegen de grote tombolaprijzen, niet tegen de boekhandelsjury van DWDD — al heb ik meer op met de jaarlijkse 'Van Dis' die DWDD ook organiseert; ik ben niet tegen aandacht voor literatuur in de media, al hoop ik alleen dat men er daar nu eens wat minder verkrampt mee omgaat, wat minder giechelig en besmuikt ook. In het huidige klimaat zijn die zaken het enige wat die literatuur nog redt van de economische logica die haar momenteel aanstuurt (beslist over wat er wordt uitgegeven, hoe dat gebeurt, waarbij de grote boekinkopers bijna dicteren wat er maar gemaakt moet worden — een situatie die ik trouwens in een niet eens zo heel verre toekomst ook nog wel weer zie omkeren). Ik heb het dus wel wat moeilijk met dat huidige klimaat ja. Ik heb daar wat bezwaren tegen — alweer: geen andere dan Zwagerman zelf zal hebben.

    Zwagerman probeert me met bovenstaande passage uit alle macht een hoek in te duwen die minder met het boek te maken heeft dan met zijn intenties, vrees ik. Bon, tot daaraan toe. Kwalijk wordt het pas daarna:

    Reugebrink: 'Ik schrijf vanuit 'een existentiële behoefte'. Ik excuseer me daarvoor. (...) Maar ik vrees dat ik het meen.'

    Dat komt uit dat ironische stuk over het winnen van de Gouden Uil en staat in de context van de vooronderstellingen van de media waaraan je op een dergelijk moment overgeleverd bent. Het was dus geen mededeling zonder meer, zoals Zwagerman met de volgende vraag suggereert:

    Twijfelde iemand daar dan aan?

    Maar dan gaat hij door:

    Schrijven niet vrijwel álle schrijvers vanuit die existentiële behoefte? Reugebrink vindt van niet.

    Dat staat nergens. Ik neem aan dat iedereen schrijft omdat hij de wereld per se iets heeft mee te delen. Suggereren dat ik daar anders over denk, is liegen dat het gedrukt staat.

    En dan noemt hij wat schrijvers die hem iets minder aanstaan. 

    Wie wat waar? Dat doe ik niet. Ik heb het in de passage waarnaar hij hier verwijst over de willekeur van de media als het gaat om schrijvers die op het schild gehesen worden en schrijvers die dat niet worden. Ik laat me over mijn appreciatie voor hun werk op geen enkele manier uit, enkel over de manier waarop ze getypecast worden door de media. Dat is het enige waar die passage over gaat. Zwagerman doet op deze manier aan zijn eigen typecasting van mij. Hij zal vinden dat ik Kluun, Giphart, Brusselmans, Lanoye, Bril, Mortier, Verhulst en Verhelst onmogelijk goed kan vinden. Mij hoor je daar niks over zeggen (en het klopt ook niet).

    Het wordt nog erger:

    Zo duikt in de media steeds vaker 'gewoon een lekker stuk' op dat een boek heeft geschreven, iemand bij wie je, aldus Reugebrink, 'denkt: maar die hoeft toch helemaal niet te schrijven om aan de kost te komen?'

    En hier zijn we dan op het droeve punt aangeland waar we Zwagerman moeten gaan uitleggen wat ironie precies is (en dat lukt eigenlijk nooit: ironie uitleggen). Dat het de media zijn die het seksistische element uitspelen, een auteur niet opvoeren als auteur, maar als een lekker ding, en dat je dat als lezer/kijker natuurlijk ook ziet en dan vervolgens bijwijze van boutade zegt: maar die hoeft toch helemaal niet te schrijven om aan de kost te komen. Je krijgt namelijk al kijkend en lezend het gevoel dat de auteur in kwestie vooral geen auteur mag zijn, maar een andere rol heeft te vervullen in het mediaspektakel, dat zij (of hij) er niet zit voor wat haar (of zijn) werkelijke verdienste is, maar als glijmiddel voor iets anders.

    In die cursivering van 'hoeft' zit 'm het venijn.

    Ik kijk in het boek en zie de zin er zo staan: 'maar die hoeft toch helemaal niet te schrijven om aan de kost te komen'. Niet 'hoeft' is gecursiveerd, maar 'schrijven'. Het zal voor hem geen verschil maken, maar het zegt iets over het gebrek aan zorgvuldigheid.

    Melige provocatie natuurlijk - maar intussen. Je zal in plaats van een man van in de 50, behept met even invoelbare als voorspelbare bedenkingen tegen het literaire bedrijf, maar een vrouw van rond de 30 zijn en toevallig door diezelfde 50er worden beschouwd als een 'lekker stuk'. Zo iemand kan onmogelijk, vanwege het feit ze nu eenmaal een lekker stuk is, óók 'vanuit een existentiële behoefte' schrijven. Volgens Reugebrink.

    Hier gaat Zwagerman ruimschoots over de schreef. Nu wordt wat de media uitvent (en waar ik niet op zit te wachten) zelfs mijn persoonlijke overtuiging. Nu ben ik het persoonlijk die de schrijfster van dienst als lekker stuk achter het behang plak. wat een baarlijke nonsens. Hier is de onwelwillendheid van Zwagerman volledig tot een leugen verworden. Dit raakt echt kant noch wal. 

    Ik geef hieronder nog eens de volledige passage weer waarop een en ander betrekking heeft. Oordeel zelf.

    Waar het me nu om gaat, is dat dit soort onzorgvuldigheid en onwelwillendheid, waarachter je soms alleen maar persoonlijke motieven kunt vermoeden, een intentie om een ander schade toe te brengen, de les te lezen of weet ik wat — dat dit soort onzorgvuldigheid natuurlijk precies is wat je aan recensies kan storen. Ze zijn domweg slecht geschreven. Wanneer je je daar als auteur tegen zou willen verweren, sta je altijd automatisch aan de kant van hen die niet tegen hun verlies zouden kunnen. Schrijvers moeten niet jammeren en huilebalken, zo zei Leyman parmantig, en voegde er als ware scoutsleider aan toe: 'Ze zouden beter de rug rechten, kin omhoog en hup, schrijven aan dat volgende boek'. Het is de typische reactie van een recensent die zelf om de dooie dood niet gerecenseerd wil worden. Wie kritiek heeft op hem, is een huilebalk. Daar valt, lijkt mij, toch wel het nodige op af te dingen. Een recensent die de schrijver toevoegt dat hij zijn mond moet houden en, hup, maar rap een volgend boek moet schrijven, kan zich niet tegelijkertijd beroepen op een open geest. Hij weigert de uitwisseling waartoe ieder boek uiteindelijk oproept.

    -

    "Literatuur maakt vandaag de dag hoogstens nog deel uit van een marktgedreven amusementsindustrie en is alleen van belang voor zover men binnen die industrie bereid is haar amusant te vinden. De schrijvers die men daar nog wél belangrijk acht, danken die aandacht niet zozeer aan de specifiek literaire voortreffelijkheid van hun werk (al ontbreekt die daarom niet). Het zijn andere factoren die hen geschikt maken om als hofnar te dienen voor een industrie die alleen op entertainment en verkoop is gericht. Dat heeft niets meer te maken met de waarden die de literatuur van oudsher voorstaat. Het zijn de media die beslissen over de belangrijkheid, liever: de aantrekkelijkheid van een auteur.

                Wat daarbij precies bepalend is, valt overigens moeilijk te voorspellen. De ene keer gaat het om wat je bij aandacht van de massamedia verwacht: een schrijver die zichzelf presenteert als een simpele ziel die van die literatuur niet zo heel veel verstand zegt te hebben (type Kluun en Ronald Giphart), of die er gewoon een broertje dood aan heeft (Herman Brusselmans). De andere keer ziet men graag dat de schrijver zijn traditionele rol van ‘echte’ auteur blijft vervullen: dat hij kritisch, tegendraads is, tegen het establishment (type Tom Lanoye). Soms wil men de ondraaglijke lichtheid van Martin Bril, dan weer de zware poëtische diepte en hoogte van Erwin Mortier. Soms het haast documentaire, en vooral autobiografische realisme van Dimitri Verhulst (men is dol op autobiografie), dan weer de artificiële, mystieke werelden van Peter Verhelst. Ze mag natuurlijk ook gewoon een lekker stuk zijn, de auteur, liefst met een foto waarbij je spontaan gaat denken: maar die hoeft toch helemaal niet te schrijven om aan de kost te komen? Als het maar sexy is, kortom. Als het maar verkoopt."

    Uit: Het geluk van de kunst, p. 31-32

      

  • Pin it!

    Stemmen…

    Stemmen van Mieke Dobbels, Jan Sobrie en Wouter Deprez zoals ze klonken tijdens de presentatie van 'Het Belgisch huwelijk' op 25 maart jongstleden in de Vooruit. Doodjammer dat ik die mensen niet mee kan nemen naar andere optredens, elders. Al neem ik ze dan mee op film.

     

    Overigens: op 22 april wordt het boek besproken in 'Uitgelezen' in Gent, op 24 april in 'Uitgelezen' in Antwerpen.

     

     

  • Pin it!

    VPRO

    Cultuur is onchristelijk vroeg op de dag des Heeren (VRT) of goddeloos laat, maar dan wel elke nacht (VPRO). 'Nooit meer slapen', zo heet het toepasselijk genoeg. Het gesprek met Maarten Westerveen had ik gelukkig al eerder, in een klein kamertje van het pand aan de Van Miereveldstraat waar De Bezige Bij al sinds jaar en dag huist — de allereerste uitgever die ik ooit bezocht overigens.

    (Het moet ergens in 1985 of daaromtrent zijn geweest, kort na mijn debuut in het toenmalige tijdschrift Raster. Ik werd kort na die publicatie door de uitgever van Raster uitgenodigd om eens te komen praten. Er reden toen nog auto's op het Museumplein. We praatten niet in de uitgeverij zelf (Nicolaas Matsier —enfin, Tjit Reinsma, en nog iemand… ik ben zijn naam kwijt; hij overleed een paar jaar later), maar in café Keyzer in de Van Baerlestraat. Ik ben rond die tijd wel vaak in het pand aan de Van Miereveldstraat geweest, onder andere de dag dat mijn debuutbundel verscheen, 5 februari 1988, tevens de dag waarop De Bezige Bij haar nieuwjaarsreceptie hield. Op die receptie was ook Bert Schierbeek, winnaar van de Hendrik de Vriesprijs die destijds in Groningen werd uitgereikt. Ik had toen juist het Hendrik de Vriesstipendium van de stad Groningen gewonnen. 'Waar zouden we zijn zonder Hendrik!' bulderde Schierbeek, al enigszins boven zijn theewater, toen hij dat hoorde. Hij omhelsde mij en vroeg of wat ik daar in mijn handen had mijn nieuwe bundel was. Mocht hij die eens bekijken? En stak hem vervolgens in zijn zak. Dat was dan meteen het eerste van de tien auteursexemplaren dat ik kwijt was).

    De Bezige Bij (Amsterdam) is nu een totaal andere uitgever dan toen. Zelfs de schim van Mulisch (in '86 aanwezig getooid met een grote hoed, herinner ik me) lijkt er nu verdwenen. Er liep, zo leek het, nu veel meer personeel rond dan in de jaren tachtig. En toch was het hetzelfde pand, enkele verbouwingen daargelaten, en wist ik er nog grotendeels de weg. Maar ergens verwachtte ik Oscar Timmers nog tegen te zullen komen. En Erik Menkveld. Maar iedereen was iemand anders.

    Het past natuurlijk bij de situatie van een auteur als ik, die in zekere zin met ieder nieuw boek opnieuw debuteert. 'De literaire wereld' is 'het boekbedrijf' geworden en dat bedrijf heeft geen geheugen — tenzij voor verkoopcijfers en dus voor de bestsellerauteurs, de enige auteurs die in de huidige situatie in staat zijn om in de ogen van publiek én boekhandelaar werkelijk een oeuvre op te bouwen. Voor de meeste andere auteurs geldt dat ze zichzelf steeds opnieuw moeten voorstellen, alsof je op een receptie bent met louter demente mensen. Voor mij geldt dat zeker in Nederland. Mijn overstap naar (destijds) Meulenhoff / Manteau (en dus de overstap van 'Amsterdam' naar 'Antwerpen') heeft, samen met de steeds verdergaande verzelfstandiging van de Vlaamse en de Nederlandse literatuur, gemaakt dat ik boven de Moerdijk nauwelijks nog als auteur besta — tenzij in de herinnering van sommige recensenten. Maar het gaat natuurlijk vooral om de lezers.

    Wat dat aangaat was het tekenend om te horen van een oude kennis dat een boekhandel in Leeuwarden de boeken van De Bezige Bij Antwerpen niet 'automatisch' inkoopt; er is met andere woorden een groot aantal (Vlaamse) auteurs dat niet 'automatisch' in de Nederlandse boekhandels terecht komt. Wat niet betekent dat je hun werk niet alsnog kunt bestellen, maar je komt het niet in de winkel tegen. Je moet dus al weten dat het bestaat. De verkoopcijfers van Vlaamse auteurs in Nederland zijn dan ook navenant (omgekeerd blijkt er trouwens tussen Antwerpen en Breda ook een slotgracht zonder ophaalbrug te liggen).

    Hoe dan ook, onderstaand interview werd weliswaar in het putje van de nacht uitgezonden, maar opgenomen op een mooie zonnige middag, ergens vorige week, en nog wel door een interviewer die net als ik oorspronkelijk uit Twente kwam. Het maakte het wat makkelijker om uit te leggen dat je als Nederlander sommige Vlaamse uitdrukkingen nooit tot in de finesses zult begrijpen. Hij en ik begrijpen elkaar wanneer we zeggen 'Hennig an'. Rustig aan, zo zou je kunnen vertalen, maar achter de uitdrukking zelf zit een hele Twentse wereld en mentaliteit die maakt dat 'rustig' hier net iets anders is dan… rustig. Jammer eigenlijk, dat we het daarover hadden toen de microfoon al uit stond…

     

  • Pin it!

    Bar du Matin

    Het blijft een straf, zo vroeg op de ochtend moeten vertrekken om live in een uitzending te zitten van het nieuwe cultuurprogramma van radio 1. Maar kijk, in Museum M te Leuven, waar het programma deze ochtend te gast was, zat al om 7.00 uur publiek, er was koffie, er waren koffiebroodjes, er was fruitsap — maar je blijft je afvragen wie er werkelijk heeft geluisterd, zo vroeg. Vandaar bijgaande opname. 'Het goede doel' is een bonus — enfin, voor wie ooit in Nederland met dit lied mee stond te galmen ergens in de jaren tachtig. Een prachtig lied om aan te tonen hoe scheef de perceptie van België in Nederland is: 'omdat iedereen daar lacht'; en: 'dat taaltje is zo zacht'. 

     

  • Pin it!

    Vijfentwintig drie (3)

     

    Gentenaar.jpg

  • Pin it!

    25 maart (2)

     

    Hompen vlees.jpg

    "Het was zo'n voorstelling waarin veel onverstaanbaar geroepen en gegild werd en de acteurs en actrices weinig anders leken te zijn dan hompen vlees die druipend aan touwen op het toneel heen en weer zwaaiden en zo iets uitbeeldden, iets existentieels ongetwijfeld, iets dwingends ook, iets wat met onze tijd te maken had — wie weet zelfs met de politiek".

    Uit: Het Belgisch huwelijk.

     

     

  • Pin it!

    Presentatie 25/3 (1)

    Max loves Isabelle.jpg